Wet van 10 december 1969, houdende nieuwe regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden
- a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e;
- b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 53a;
- c. voor de periode dat de belanghebbende verzoekt af te zien van de uitbetaling van de gehele uitkering.
Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.
Artikel 52b
Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 52a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.
Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.
De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 53, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
- a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;
- b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;
- c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.
Artikel 52c
Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 52a of 52b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
Artikel 52d
De voordracht voor een krachtens de artikelen 52a, 52b of 52c vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Hoofdstuk 11. Het eigen pensioen
Hoofdstuk 12. Het nabestaanden- en wezenpensioen
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
§ 2. Bedrag van het pensioen
Hoofdstuk 13. Verval van pensioen
Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen
Artikel 84a. (behoort bij hoofdstuk 10)
Vervallen
afdeling Vierde. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling
Hoofdstuk 17. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Hoofdstuk 18. Bepalingen van administratieve aard
§ 2. Aanvraag en toekenning van pensioen
§ 2. Aanvraag en toekenning van pensioen
§ 4. Betaling van de pensioenen
§ 4. Betaling van de pensioenen
Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen
Bepalingen van administratieve aard
afdeling Vijfde. Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen
Hoofdstuk 20. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 21. De uitkering
§ 4. Betaling van de pensioenen
Bepalingen van administratieve aard
Einde en verval van de uitkering
Hoofdstuk 20. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
Uitkering bij overlijden
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
§ 2. Bedrag van het pensioen
Hoofdstuk 29. Overgangsbepalingen
afdeling Zesde
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk 23. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 2. Bedrag van het pensioen
§ 1. Samenloop van pensioenen
§ 2. Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede, derde en vijfde afdeling en samenloop van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling
Hoofdstuk 23. Het partner- en wezenpensioen
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
afdeling Zesde
Hoofdstuk 30. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 130b
Tenzij in de volgende leden anders is bepaald, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing op de Rijksvertegenwoordiger, met dien verstande dat wordt gelezen voor:
- a. lid van gedeputeerde staten: Rijksvertegenwoordiger;
- b. provincie: Rijk;
- c. provinciale staten: Onze Minister;
- d. gedeputeerde staten: Onze Minister.
Voor zover het de Rijksvertegenwoordiger betreft, kunnen Wij in bijzondere gevallen, de Raad van State gehoord, in afwijking van artikel 132, zesde lid, bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met inachtneming van artikel 136 vast te stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd.
Voor de toepassing van artikel 137a wordt gelezen voor:
- a. artikel 76, eerste lid, van de Provinciewet: artikel 200, eerste lid, Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- b. commissaris van de Koning: Rijksvertegenwoordiger.
In afwijking van artikel 152, tweede lid, kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 152, eerste lid, vervallen recht op pensioen herstellen.
Hoofdstuk 21. De uitkering
Bepalingen van administratieve aard
Bepalingen van administratieve aard
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
Hoofdstuk 23. Het nabestaanden- en wezenpensioen
Bedrag van de uitkering
Einde en verval van de uitkering
§ 3. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen
Hoofdstuk 27. Bepalingen van administratieve aard
Hoofdstuk 28. Algemene bepalingen
afdeling Zesde
Hoofdstuk 25. Samenloop
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 130a
Deze afdeling is niet van toepassing op een gedeputeerde die is benoemd met toepassing van artikel 44b van de Provinciewet.
Hoofdstuk 20. Algemene bepalingen
Betaling
Hoofdstuk 23. Het nabestaanden- en wezenpensioen
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
§ 3. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen
afdeling Zesde
Hoofdstuk 29. Overgangsbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 13b. Een dienstjaar
Ieder jaar dat de betrokkene als minister werkzaam is geweest, of in het genot is geweest van een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, is voor hem een dienstjaar.
Hoofdstuk 5. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
§ 2. Bedrag van het pensioen
Hoofdstuk 6. Verval van pensioen
Hoofdstuk 6. Verval van pensioen
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Artikel 40a. (behoort bij hoofdstuk 4)
De opbouw van aanspraken op het ouderdomspensioen geschiedt overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 14 voor dienstjaren vanaf 1 januari 2014.
Voor dienstjaren vóór 1 januari 2014 geschiedt de opbouw overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.
Indien de betrokkene op 31 december 2013 pensioen opbouwt op grond van hoofdstuk 4, wordt de in het tweede lid bedoelde opbouw vastgesteld met als pensioengrondslag de grondslag die zou gelden als hij met ingang van 1 januari 2014 zou zijn ontslagen. Daarbij wordt de laatstelijk genoten wedde niet aangepast. De opgebouwde aanspraak wordt vervolgens geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.
afdeling Derde. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte
Hoofdstuk 10. De uitkering
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 58b
Vervallen
Hoofdstuk 12. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen
Artikel 85a. (behoort bij hoofdstuk 11)
Vervallen
afdeling Vierde. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling
Hoofdstuk 16
Hoofdstuk 17. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Hoofdstuk 18. Bepalingen van administratieve aard
afdeling Vijfde. Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen
Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen
Bedrag van de uitkering
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 138b
Vervallen
Hoofdstuk 23. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
§ 1. Samenloop van pensioenen
§ 2. Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede, derde en vijfde afdeling en samenloop van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling
Hoofdstuk 26. Aanpassing der pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen
Artikel 163c
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente in de zin van hoofdstuk V, paragraaf 2, van de Gemeentewet, zoals deze paragraaf luidde op de dag voorafgaand aan de datum van de verkiezing van de gemeenteraden in 2014, met dien verstande dat gelezen wordt voor:
- a. lid van gedeputeerde staten: lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente;
- b. provincie: gemeente;
- c. provinciale staten: de raad;
- d. gedeputeerde staten: college van burgemeester en wethouders.
Artikel 163d
Ten aanzien van leden van het dagelijks bestuur van een waterschap die na de waterschapsverkiezingen in 2008 op 8 januari 2009 zijn herbenoemd, wordt voor de opbouw van het pensioen over de pensioengeldige tijd tot en met 7 januari 2009 gerekend met de pensioengrondslag gebaseerd op de bezoldiging die het lid van het dagelijks bestuur genoot op 7 januari 2009.
afdeling Zesde
Hoofdstuk 26. Aanpassing der pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen
Artikel 164a
Onze Minister, gedeputeerde staten van een provincie, het college van burgemeester en wethouders van een gemeente en het dagelijks bestuur van een waterschap verstrekken op verzoek van de politieke ambtsdrager tijdig zijn gegevens met betrekking tot pensioenaanspraken door middel van het pensioenregister, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de Pensioenwet.
Artikel 51, vierde lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 39a. (behoort bij hoofdstuk 3)
Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing uitkeringsduur Appa, blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
afdeling Derde. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Hoofdstuk 10. De uitkering
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Hoofdstuk 12. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 2. Bedrag van het pensioen
Hoofdstuk 14. Samenloop van pensioenen
Hoofdstuk 13. Verval van pensioen
Artikel 84b. (behoort bij hoofdstuk 10)
Vervallen
afdeling Vierde. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling
Hoofdstuk 17. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
§ 2. Aanvraag en toekenning van pensioen
afdeling Vijfde. Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen
Hoofdstuk 20. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 21. De uitkering
Hoofdstuk 23. Het nabestaanden- en wezenpensioen
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
§ 2. Bedrag van het pensioen
Hoofdstuk 28. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
Artikel 163e. (behoort bij hoofdstuk 21)
Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag of aftreden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing uitkeringsduur Appa, blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
afdeling Zesde
Hoofdstuk 30. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 13c. Het opbouwpercentage
Het opbouwpercentage, bedoeld in artikel 13a, dat voor enig dienstjaar wordt gehanteerd, is het percentage dat voor dat dienstjaar voor de opbouw van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers wordt gehanteerd.
Gedurende de periode dat een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 wordt genoten, is het opbouwpercentage de helft van het percentage, bedoeld in het eerste lid. Gedurende de periode waarin de uitkering met toepassing van artikel 6, tweede lid, niet wordt uitbetaald, is het opbouwpercentage nihil.
In afwijking van het tweede lid wordt het opbouwpercentage niet gehalveerd gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is en de invaliditeit veroorzaakt is door een dienstongeval.
Gedurende de tijd waarin de uitkering is verminderd vanwege toepassing van artikel 7c, eerste lid, of vanwege inkomsten als bedoeld in artikel 9, wordt het met toepassing van het eerste tot en met derde lid gevonden opbouwpercentage vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verminderde uitkering gedeeld door de uitkering zonder vermindering.
Artikel 13d. De pensioengrondslag
De pensioengrondslag is gebaseerd op het pensioengevend loon verminderd met een bij een middelloonstelsel behorende franchise die wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Het pensioengevend loon is de in het dienstjaar als Minister genoten bezoldiging, waaronder begrepen de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en een eenmalige uitkering, voor zover dit niet het in artikel 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde bedrag te boven gaat, op de peildatum van 1 januari van een kalenderjaar of op de datum waarop betrokkene tot minister is benoemd.
Voor zover de betrokkene in het dienstjaar in het genot is van een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de pensioengrondslag wordt gebaseerd op de laatstelijk voor het ontslag als minister genoten bezoldiging. De bezoldiging wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de overeenkomstige indexering die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.
Artikel 13e. Het pensioen
Het pensioen bedraagt op jaarbasis de som van de opgebouwde pensioenaanspraken.
Voor zover het pensioen in gaat op een leeftijd die afwijkt van de pensioenrichtleeftijd die gold op het moment dat pensioenaanspraak werd opgebouwd, wordt voor de bepaling van de in het eerste lid bedoelde som dat deel van de aanspraak herrekend. Daarbij wordt voor het deel van de aanspraak dat is opgebouwd onder een lagere of hogere pensioenrichtleeftijd dan de leeftijd waarop het pensioen in gaat, de aanspraak verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.
Het pensioen kan op verzoek van de betrokkene in hoogte variëren in de loop der jaren, waarbij herrekening over de jaren plaats vindt. Daarbij wordt een eerdere verlaging of verhoging gecompenseerd door een latere verhoging onderscheidenlijk verlaging.
Bij de herrekening, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt aangesloten bij de herrekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.
Over de pensioenaanspraak van de persoon die aantreedt als Minister op of na de pensioenrichtleeftijd die geldt op het moment van zijn aantreden, vindt geen herrekening plaats als bedoeld in het tweede en derde lid.
Artikel 13f. Verhoging ouderdomspensioen door omzetting van partnerpensioen
Een minister of gewezen minister kan bij de ingang van het pensioen de opgebouwde aanspraken op partnerpensioen als bedoeld in hoofdstuk 5, omzetten in aanspraken op ouderdomspensioen.
Met de keuze voor de omzetting vervalt de aanspraak op het partnerpensioen. De keuze is onherroepelijk.
De keuze voor de omzetting kan slechts worden gedaan met toestemming van de partner.
Bij de omzetting wordt een ruilvoet toegepast die aansluit bij de ruilvoet die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.
Artikel 13g. Verlaging ouderdomspensioen door omzetting in partnerpensioen
Een gewezen minister kan na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 7, een deel van de tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 door hem opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen omzetten in een aanspraak op partnerpensioen bij overlijden voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
Onze Minister doet binnen vier maanden voor de afloop van de uitkering mededeling van deze omzettingsmogelijkheid. De gewezen minister maakt zijn keuze voor een omzetting binnen zes weken na de mededeling schriftelijk aan Onze Minister kenbaar. Tot het einde van die termijn verkrijgt de gewezen minister een premievrije aanspraak op partnerpensioen overeenkomstig de tijd tot het aftreden van de minister.
De in het eerste lid bedoelde omzetting wordt gevolgd door een omzetting van de verkregen aanspraken op partnerpensioen in een aanspraak op ouderdomspensioen indien:
- a. de in het eerste lid bedoelde omzetting gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 107;
- b. de gewezen minister opnieuw minister wordt;
- c. het huwelijk van de gewezen minister eindigt, anders dan door zijn overlijden.
Bij de omzettingen wordt een ruilvoet toegepast die aansluit bij de ruilvoet die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.
Artikel 13h. Verlaging van pensioenaanspraken en pensioenen
Indien het pensioenfonds ABP een verlaging als bedoeld in artikel 134 Pensioenwet toepast op de pensioenaanspraken of de pensioenrechten, verlaagt Onze Minister de in dit hoofdstuk bedoelde pensioenaanspraken en de pensioenen op overeenkomstige wijze.
Onze Minister informeert de ministers en de gewezen ministers schriftelijk over zijn voornemen om de pensioenaanspraken of pensioenen te verlagen.
De verlaging kan op zijn vroegst een maand nadat de betrokkenen hierover geïnformeerd zijn, in gaan.
Indien het pensioenfonds ABP een compensatie van een verlaging als bedoeld in artikel 134 Pensioenwet toepast, past Onze Minister de compensatie toe op overeenkomstige wijze.
Artikel 13i. Afkoop klein pensioen
Als het pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet, wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de minister of gewezen minister daarmee instemt.
Onze Minister kan een pensioen als bedoeld in het eerste lid eveneens afkopen, mits Onze Minister na het ontslag van de belanghebbende als minister ten minste vijf maal tevergeefs heeft gepoogd de overdrachtswaarde over te dragen als bedoeld in artikel 13j, eerste lid, en na het ontslag ten minste vijf jaar is verstreken.
Bij de vaststelling van de uitkering ineens wordt aangesloten bij de berekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Artikel 66, achtste lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 5. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 2. Bedrag van het pensioen
Artikel 28a. Afkoop klein pensioen
Als het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen, het wezenpensioen of het tijdelijk pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet, wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de betrokkene daarmee instemt.
Bij de vaststelling van de uitkering ineens wordt aangesloten bij de berekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Artikel 66, achtste lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de afkoop van een klein pensioen.
Hoofdstuk 7. Samenloop van pensioenen
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Artikel 39b. (behoort bij hoofdstuk 3)
Uitkeringen ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
De uitkering van een betrokkene ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van artikel 7, derde lid.
Artikel 40b. (behoort bij hoofdstuk 4)
Pensioenaanspraken en pensioenen kunnen met toepassing van artikel 13h worden verlaagd vanaf de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.
Bij de toepassing kunnen tevens de pensioenaanspraken worden verlaagd die zijn opgebouwd vóór de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa. De verlaging kan eveneens betrekking hebben op de pensioenen die zijn gebaseerd op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór die inwerkingtreding.
De toepassing vindt plaats ter zake van een verlaging door het pensioenfonds ABP vanaf 1 januari 2013.
Artikel 45a. (behoort bij hoofdstuk 5)
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de bepaling van het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen, het wezenpensioen en het tijdelijk pensioen in verband met de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.
Bij deze regels worden de voorwaarden en maxima in acht genomen die op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 gelden voor een op een middelloonstelsel gebaseerd partnerpensioen en wezenpensioen.
afdeling Derde. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte
Hoofdstuk 11. Het eigen pensioen
Hoofdstuk 12. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
§ 2. Bedrag van het pensioen
Artikel 74a. Afkoop klein pensioen
Vervallen
Hoofdstuk 13. Verval van pensioen
Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen
Artikel 84c. (behoort bij hoofdstuk 10)
De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij:
- a. lid was van de Tweede Kamer op 24 maart 2010,
- b. in zijn functie herbenoemd is onmiddellijk na de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 9 juni 2010,
- c. bij de herbenoeming ten minste 50 jaar oud was en
- d. voldoet aan de in artikel 52, derde lid, bedoelde eisen ten aanzien van de diensttijd.
Uitkeringen ter zake van een aftreden vóór 27 juli 2013 worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
De uitkering van een betrokkene ter zake van een aftreden vóór 27 juli 2013 wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van artikel 52, derde lid.
Artikel 52, derde lid, is niet van toepassing op een ontslag of aftreden dat is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa.
Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa Kamerlid is, wordt bij zijn aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan die datum.
Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa Kamerlid is en als Kamerlid is herbenoemd onmiddellijk na de eerstvolgende kamerverkiezingen na die datum, wordt bij zijn aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voor die datum indien hij tevens op de datum van zijn herbenoeming:
- a. negen jaar en zeven maanden of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd die is vastgesteld voor het kalenderjaar vijf jaren na aftreden, en
- b. in het tijdvak van twaalf jaren ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid.
Artikel 85b. (behoort bij hoofdstuk 11)
Vervallen
Artikel 90a. (behoort bij hoofdstuk 12)
Vervallen
afdeling Vierde. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling
Hoofdstuk 16
Hoofdstuk 17. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Hoofdstuk 18. Bepalingen van administratieve aard
§ 5. Beroep en herziening
Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen
afdeling Vijfde. Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen
Hoofdstuk 21. De uitkering
Duur van de uitkering
Artikel 151a. Afkoop klein pensioen
Vervallen
§ 3. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen
§ 2. Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede, derde en vijfde afdeling en samenloop van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling
§ 3. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen
Hoofdstuk 28. Algemene bepalingen
Artikel 158a
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister de benodigde gegevens ten behoeve van de verrekening van een belanghebbende van inkomsten met een uitkering als bedoeld in de hoofdstukken 3, 10 en 21.
Hoofdstuk 26. Aanpassing der pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen
Hoofdstuk 28. Algemene bepalingen
Artikel 163ca. (behoort bij hoofdstuk 21)
De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij:
- a. op 27 februari 2010 benoemd was als lid van gedeputeerde staten, wethouder of lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente,
- b. in zijn functie herbenoemd is onmiddellijk na de verkiezingen voor de leden van provinciale staten van 2 maart 2011, onderscheidenlijk de verkiezingen voor de gemeenteraad van 3 maart 2010,
- c. bij zijn herbenoeming ten minste 50 jaar oud was en
- d. voldoet aan de in artikel 132, tweede lid, bedoelde eisen ten aanzien van de diensttijd.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap dat geen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP is, met dien verstande dat het betreft de eerstvolgende verkiezingen voor het algemeen bestuur van het waterschap na 27 februari 2010.
De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij:
- a. op 27 februari 2010 benoemd was als lid van het dagelijks bestuur van een waterschap dat geen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP is,
- b. onmiddellijk na de eerstvolgende verkiezingen voor het algemeen bestuur van het waterschap na 27 februari 2010 niet is herbenoemd,
- c. bij zijn herbenoeming ten minste vijftig jaar oud is, en
- d. in het tijdvak van twaalf jaren dat aan de datum van herbenoeming voorafgaat ten minste tien jaren lid van het dagelijks bestuur is geweest.
Uitkeringen ter zake van een ontslag of aftreden vóór 27 juli 2013 worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
De uitkering van een betrokkene ter zake van een ontslag of aftreden vóór 27 juli 2013 wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van artikel 132, tweede lid.
Artikel 132, tweede lid, is niet van toepassing op een ontslag of aftreden dat is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa.
Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa gedeputeerde is, wordt bij ontslag of aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag vóór die datum.
Artikel 163f. (behoort bij hoofdstuk 22)
Vervallen
Artikel 163g. (behoort bij hoofdstuk 22)
Vervallen
Artikel 163h. (behoort bij hoofdstuk 23)
Vervallen
afdeling Zesde
Hoofdstuk 30. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk 5. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
§ 2. Bedrag van het pensioen
Hoofdstuk 7a. Beslag, terugvordering, verrekening en korting
afdeling Derde. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte
Hoofdstuk 10. De uitkering
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Hoofdstuk 10. De uitkering
Hoofdstuk 12. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 2. Bedrag van het pensioen
Hoofdstuk 14. Samenloop van pensioenen
afdeling Vierde. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling
Hoofdstuk 16
afdeling Vijfde. Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen
Hoofdstuk 20. Algemene bepalingen
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
§ 1. Samenloop van pensioenen
§ 2. Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede, derde en vijfde afdeling en samenloop van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
Hoofdstuk 25. Samenloop
Hoofdstuk 27. Bepalingen van administratieve aard
afdeling Zesde
Hoofdstuk 30. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 163cb
Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa, lid van gedeputeerde staten, wethouder of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap is en in dit ambt wordt herbenoemd na de eerstvolgende verkiezingen voor provinciale staten, de raad of het algemeen bestuur van het waterschap na die datum, wordt bij aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voor die datum, indien hij tevens op de datum van zijn herbenoeming:
- a. negen jaar en zeven maanden of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd die is vastgesteld voor het kalenderjaar vijf jaren na het ontslag of aftreden, en
- b. in het tijdvak van twaalf jaren dat aan de datum van herbenoeming voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij een herbenoeming van een commissaris van de Koning, een burgemeester en een voorzitter van een waterschap.
afdeling Zesde
Hoofdstuk 30. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 34b
Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling is beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.
Artikel 34c
Onverschuldigd betaalde uitkeringen of pensioenen op grond van deze afdeling kunnen worden teruggevorderd.
Artikel 34d
Met uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling kan worden verrekend hetgeen de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de Staat verschuldigd is.
Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 34e, eerste lid.
Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen of pensioenen geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.
Artikel 34e
Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling kan ten behoeve van een schuldeiser van de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen een korting worden toegepast, mits de gewezen of gepensioneerde minister onderscheidenlijk zijn nagelaten betrekkingen de vordering van de schuldeiser erkent of erkennen dan wel het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.
Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkering of dat pensioen geldig zou zijn.
Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten aanzien van de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit.
Artikel 34f
Voor de toepassing van artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden, onverminderd artikel 34d, tweede lid, en artikel 34e, derde lid, verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 34g
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de uitkering of het pensioen geschiedt de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 34h
Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen enig recht op zijn uitkering of pensioen aan een derde toekent of toekennen, is slechts geldig voor dat deel van de uitkering of het pensioen waarop beslag geldig zou zijn.
Een volmacht tot voldoening of invordering van de uitkering of het pensioen is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds herroepelijk.
Artikel 34i
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de Staat, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de Staat van het eindigen van de volmacht kennis kreeg.
Artikel 34j
Beslag omvat in dit hoofdstuk ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet 1990.
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
afdeling Derde. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Hoofdstuk 10. De uitkering
Hoofdstuk 11. Het eigen pensioen
§ 1. Het recht op pensioen
§ 2. Bedrag van het pensioen
Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen
afdeling Vierde. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling
Hoofdstuk 16
Hoofdstuk 17. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Hoofdstuk 18. Bepalingen van administratieve aard
§ 1. Financiële bepalingen
Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen
afdeling Vijfde. Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen
Hoofdstuk 20. Algemene bepalingen
Duur van de uitkering
Betaling
§ 1. Samenloop van pensioenen
§ 2. Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede, derde en vijfde afdeling en samenloop van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling
§ 3. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen
Hoofdstuk 28a. Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 162a
Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling is beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.
Artikel 162b
Onverschuldigd betaalde uitkeringen of pensioenen op grond van deze afdeling kunnen worden teruggevorderd.
Artikel 162c
Met uitkeringen en pensioenen op grond van dit hoofdstuk kan worden verrekend hetgeen de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de provincie, de gemeente of het waterschap verschuldigd is of zijn.
Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 162d, eerste lid.
Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen of pensioenen geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.
Artikel 162d
Op uitkeringen en pensioenen op grond van dit hoofdstuk kan ten behoeve van een schuldeiser van de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen een korting worden toegepast, mits de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager onderscheidenlijk zijn nagelaten betrekkingen de vordering van de schuldeiser erkent of erkennen dan wel het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.
Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen en pensioenen geldig zou zijn.
Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten aanzien van de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit.
Artikel 162e
Voor de toepassing van artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden, onverminderd artikel 162c, tweede lid, en artikel 162d, derde lid, verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 162f
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de uitkeringen of pensioenen geschiedt de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 162g
Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen enig recht op zijn uitkering of pensioen aan een derde toekent of toekennen, is slechts geldig voor dat deel van de uitkering of het pensioen waarop beslag geldig zou zijn.
Een volmacht tot voldoening of invordering van de uitkering of het pensioen is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds herroepelijk.
Artikel 162h
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van de uitkering of het pensioen is geëindigd, ontlasten de provincie, de gemeente of het waterschap, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de provincie, de gemeente of het waterschap van het eindigen van de volmacht kennis kreeg.
Artikel 162i
Beslag omvat in dit hoofdstuk ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet 1990.
Hoofdstuk 29. Overgangsbepalingen
afdeling Zesde
Hoofdstuk 30. Slotbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 13j. Waardeoverdracht klein pensioen
Onze Minister kan de overdrachtswaarde van de pensioenaanspraken van een gewezen minister met overeenkomstige toepassing van de artikelen 70a en 220b van de Pensioenwet overdragen aan een pensioenuitvoerder als bedoeld in de Pensioenwet, met dien verstande dat voor deze overeenkomstige toepassing Onze Minister wordt beschouwd als de overdragende pensioenuitvoerder.
Een pensioenuitvoerder als bedoeld in de Pensioenwet kan de pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer als bedoeld in de Pensioenwet met overeenkomstige toepassing van artikel 70a van de Pensioenwet overdragen aan Onze Minister, met dien verstande dat voor deze overeenkomstige toepassing Onze Minister wordt beschouwd als de ontvangende pensioenuitvoerder.
De krachtens de artikelen 70a, zesde lid, en 220b, vierde lid, onderdeel a, van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
Artikel 13k. Afkoop deel aanspraken op ouderdomspensioen
Onze Minister is verplicht om na een verzoek van een minister of een gewezen minister met overeenkomstige toepassing van artikel 69a van de Pensioenwet en de op het zesde lid van dat artikel gebaseerde nadere regels over te gaan tot afkoop van een deel van de waarde van diens aanspraken op ouderdomspensioen.
Hoofdstuk 5. Het partner- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
§ 2. Bedrag van het pensioen
Artikel 28b
Een partnerpensioen, een bijzonder partnerpensioen en een wezenpensioen wordt geïndexeerd op een wijze die gelijk is aan de indexering die wordt gehanteerd ten aanzien van het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen en het wezenpensioen van overheidswerknemers.
Hoofdstuk 7. Samenloop van pensioenen
Hoofdstuk 7a. Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 40c. (behoort bij artikel 13c) Pensioenopbouw tijdens uitkering
Ingeval aan een gewezen minister reeds voor 1 juli 2022 een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 is toegekend, wordt in afwijking van artikel 13c, tweede lid, het opbouwpercentage niet gehalveerd:
- a. gedurende de eerste drie jaar en twee maanden van de uitkeringsperiode, te rekenen vanaf de datum waarop de uitkering is toegekend; en
- b. gedurende de periode waarin de uitkering langer dan drie jaar en twee maanden wordt genoten en betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.
Bij een ontslag van een belanghebbende die op 1 juli 2022 het ambt van minister vervult is in afwijking van artikel 13c, tweede lid, het eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij de belanghebbende dit ambt opnieuw bekleedt in het eerstvolgende kabinet dat aantreedt na die datum.
Het opbouwpercentage, bedoeld in artikel 13c, is nul indien de betrokkene daarom reeds voor 1 juli 2022 heeft verzocht.
Artikel 40d. (behoort bij hoofdstuk 5) Anw-compensatie
De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt maar geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, ontvangt tot hij die leeftijd bereikt een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985.
De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat.
Indien de partner, bedoeld in het eerste lid, bij de toekenning van het partnerpensioen jonger was dan 40 jaar, wordt de toeslag toegekend voor een periode van ten hoogste 12 maanden.
De toeslag wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid.
Het recht op toeslag eindigt met ingang van de dag waarop de partner de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden binnen vijf jaar na 1 oktober 2022 en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, maar geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, indien de overledene aantoonbaar reeds ten tijde van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021 ongeneeslijk ziek was en daardoor of door andere blijvende omstandigheden voor die datum geen aanvullende nabestaandenverzekering bij een verzekeraar heeft kunnen afsluiten tegen ten hoogste de dubbele basispremie.
Artikel 40e. (behoort bij hoofdstuk 5) Compensatie lagere Anw
De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985.
Recht op toeslag heeft eveneens de partner aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht.
De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:
- a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid;
- b. bij iedere nadere vaststelling van de vermindering van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
Artikel 40d, vierde, vijfde en zesde lid, zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel.
Artikel 40f. (behoort bij hoofdstuk 5) compensatie Aow-premie
De partner die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, heeft tot de dag waarop hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen ten bedrage van 15 procent van dat pensioen voor zover dat is berekend over diensttijd vóór 1 augustus 2003 en van 7,5 procent voor zover berekend over de diensttijd na 31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.
De compensatie bedraagt niet meer dan het voor overheidswerknemers gestelde grensbedrag voor compensatie voor premiebetaling AOW/Anw over nabestaandenpensioen.
Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder partnerpensioen.
Artikel 40g. (behoort bij hoofdstuk 5 en artikel 115) leeftijd wees
In afwijking van artikel 18, vierde lid, heeft de wees van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister die voor 1 juli 2022 is overleden, recht op een wezenpensioen, zolang hij de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt.
In afwijking van artikel 115, vierde lid, eindigt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, op de laatste dag van de maand waarin de wees de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt of betrokken is bij een partnerschap.
Artikel 40h. (behoort bij hoofdstuk 5) Anw-compensatie en toeslag wezenpensioen
Een wees met recht op wezenpensioen heeft, voor zover dat pensioen is berekend over de diensttijd voor 1 oktober 2022, vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt recht op een toeslag van vijftien procent van het wezenpensioen.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder wezenpensioen verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.
De in het eerste lid bedoelde compensatie gaat niet uit boven het fiscale maximum als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 een bedraagt niet meer dan het voor wezen van overheidswerknemers gestelde grensbedrag.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)