Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 3 juli 1989, houdende administratiefrechtelijke afdoening van inbreuken op bepaalde verkeersvoorschriften
49 versions
· 2026-01-01
2026-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2025-07-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2025-02-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2024-03-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2024-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2023-03-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2023-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2022-10-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
Wijzigingen op 2022-10-01
@@ -20,9 +20,9 @@
**kentekenregister**: het register, bedoeld in [artikel 42 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=42);
**gedraging:** een gedraging als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2022-03-01&g=2022-03-01);
**administratieve sanctie:** de aan de Staat te betalen geldsom, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2022-03-01&g=2022-03-01);
**gedraging:** een gedraging als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
**administratieve sanctie:** de aan de Staat te betalen geldsom, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01);
**adres:** aanduiding van straatnaam, huisnummer, plaatsnaam en postcode van het woonhuis van de betrokkene.
@@ -56,7 +56,7 @@
##### Artikel 3
1. Met het toezicht op de naleving van de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2022-03-01&g=2022-03-01), bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.
1. Met het toezicht op de naleving van de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.
@@ -68,21 +68,21 @@
1. De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats waar de gedraging is geconstateerd. Bij ministeriële regeling worden het model van de beschikking en dat van de aankondiging van de beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het model moet voldoen.
2. De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven. Indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, dient de bekendmaking van de beschikking binnen vier maanden nadat de naam en het adres van de kentekenhouder van dat motorrijtuig bekend zijn te geschieden, door toezending van de beschikking aan dat adres, met dien verstande dat de bekendmaking van de beschikking geschiedt uiterlijk binnen vijf jaar nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, dient de bekendmaking van de beschikking binnen vier maanden nadat de naam en het adres van de kentekenhouder van dat motorrijtuig bekend zijn te geschieden, door toezending van de beschikking aan dat adres, met dien verstande dat de bekendmaking van de beschikking geschiedt uiterlijk binnen vijf jaar nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking gezonden naar het in de basisregistratie personen vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de basisregistratie personen opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de betrokkene bekend te zijn.
2. De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven. Indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, dient de bekendmaking van de beschikking binnen vier maanden nadat de naam en het adres van de kentekenhouder van dat motorrijtuig bekend zijn te geschieden, door toezending van de beschikking aan dat adres, met dien verstande dat de bekendmaking van de beschikking geschiedt uiterlijk binnen vijf jaar nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking gezonden naar het in de basisregistratie personen vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de basisregistratie personen opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de betrokkene bekend te zijn.
3. Een aankondiging van de beschikking kan worden uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt of kan worden achtergelaten in of aan het motorrijtuig.
4. In een geval als bedoeld in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=31&z=2022-03-01&g=2022-03-01), geschiedt de bekendmaking door uitreiking van de beschikking aan betrokkene. De weigering de beschikking in ontvangst te nemen, schort de bekendmaking daarvan niet op.
5. De beschikking vermeldt de dag waarop krachtens [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=23&z=2022-03-01&g=2022-03-01) de sanctie en de administratiekosten uiterlijk moet zijn voldaan. Tevens vermeldt de beschikking een beschikkingsnummer en de door Onze Minister bepaalde wijze waarop de sanctie, alsmede de verhogingen die krachtens artikel 23, derde lid, en [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=25&z=2022-03-01&g=2022-03-01) op de administratieve sanctie vallen, indien deze niet tijdig wordt voldaan, dient te worden voldaan.
4. In een geval als bedoeld in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=31&z=2022-10-01&g=2022-10-01), geschiedt de bekendmaking door uitreiking van de beschikking aan betrokkene. De weigering de beschikking in ontvangst te nemen, schort de bekendmaking daarvan niet op.
5. De beschikking vermeldt de dag waarop krachtens [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=23&z=2022-10-01&g=2022-10-01) de sanctie en de administratiekosten uiterlijk moet zijn voldaan. Tevens vermeldt de beschikking een beschikkingsnummer en de door Onze Minister bepaalde wijze waarop de sanctie, alsmede de verhogingen die krachtens artikel 23, derde lid, en [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=25&z=2022-10-01&g=2022-10-01) op de administratieve sanctie vallen, indien deze niet tijdig wordt voldaan, dient te worden voldaan.
##### Artikel 5
Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in [artikel 31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=31&z=2022-03-01&g=2022-03-01), de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Daarbij wordt hij gewezen op het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2022-03-01&g=2022-03-01).
Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in [artikel 31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=31&z=2022-10-01&g=2022-10-01), de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Daarbij wordt hij gewezen op het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
##### Artikel 5a
Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig, waarmee een aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, wordt voortbewogen, dan wel waaraan een aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, is gekoppeld, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in [artikel 31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=31&z=2022-03-01&g=2022-03-01), de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het motorrijtuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Indien het kenteken van het motorrijtuig niet is vastgesteld, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van de aanhangwagen ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. In beide gevallen wordt hij gewezen op het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2022-03-01&g=2022-03-01).
Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig, waarmee een aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, wordt voortbewogen, dan wel waaraan een aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, is gekoppeld, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in [artikel 31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=31&z=2022-10-01&g=2022-10-01), de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het motorrijtuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Indien het kenteken van het motorrijtuig niet is vastgesteld, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van de aanhangwagen ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. In beide gevallen wordt hij gewezen op het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
### Hoofdstuk IV. Administratief beroep en bezwaar bij de officier van justitie
@@ -90,7 +90,7 @@
1. Tegen de oplegging van de administratieve sanctie kan degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie.
2. Onverminderd [artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5) vermeldt het beroepschrift de geboortedatum, de geboorteplaats en het geboortejaar van degene die het beroep heeft ingesteld, het nummer van zijn bankrekening, indien degene die heeft, en het nummer van de beschikking, bedoeld in [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=4&z=2022-03-01&g=2022-03-01).
2. Onverminderd [artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5) vermeldt het beroepschrift de geboortedatum, de geboorteplaats en het geboortejaar van degene die het beroep heeft ingesteld, het nummer van zijn bankrekening, indien degene die heeft, en het nummer van de beschikking, bedoeld in [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=4&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
##### Artikel 7
@@ -100,7 +100,7 @@
##### Artikel 8
De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=5&z=2022-03-01&g=2022-03-01) onderscheidenlijk [artikel 5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=5a&z=2022-03-01&g=2022-03-01), degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven:
De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=5&z=2022-10-01&g=2022-10-01) onderscheidenlijk [artikel 5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=5a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven:
- a. aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen gebruik is gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen,
@@ -108,23 +108,23 @@
- c. een vrijwaringsbewijs, bedoeld in [artikel 1, onderdeel **i**, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=1), of een verklaring als bedoeld in de [artikelen 31 tot en met 33 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=31), overlegt waaruit blijkt dat hij ten tijde van de gedraging geen eigenaar of houder meer was van het betrokken motorrijtuig onderscheidenlijk de betrokken aanhangwagen.
In de onder **a**, **b** en **c** bedoelde gevallen is de officier van justitie bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie aan degene die de gedraging heeft verricht of aan degene die de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was, dan wel aan degene aan wie het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen werd overgedragen. De [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=4&z=2022-03-01&g=2022-03-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2022-03-01&g=2022-03-01) zijn alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beschikking uiterlijk binnen acht maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden wordt bekendgemaakt.
In de onder **a**, **b** en **c** bedoelde gevallen is de officier van justitie bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie aan degene die de gedraging heeft verricht of aan degene die de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was, dan wel aan degene aan wie het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen werd overgedragen. De [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=4&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2022-10-01&g=2022-10-01) zijn alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beschikking uiterlijk binnen acht maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden wordt bekendgemaakt.
### Hoofdstuk V. Beroep bij de kantonrechter van de rechtbank
##### Artikel 9
1. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan degene die administratief beroep heeft ingesteld, beroep instellen bij de rechtbank; het beroep wordt behandeld en beslist door de kantonrechter. In afwijking van [artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:4), wordt het beroepschrift ingediend bij de officier van justitie die ingevolge [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2022-03-01&g=2022-03-01), op het administratief beroep heeft beslist. [Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=8) is niet van toepassing.
1. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan degene die administratief beroep heeft ingesteld, beroep instellen bij de rechtbank; het beroep wordt behandeld en beslist door de kantonrechter. In afwijking van [artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:4), wordt het beroepschrift ingediend bij de officier van justitie die ingevolge [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2022-10-01&g=2022-10-01), op het administratief beroep heeft beslist. [Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=8) is niet van toepassing.
2. Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat:
- a. de gedraging niet is verricht of dat, buiten het geval van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=5&z=2022-03-01&g=2022-03-01), degene tot wie de beschikking is gericht, de gestelde gedraging niet heeft verricht;
- a. de gedraging niet is verricht of dat, buiten het geval van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=5&z=2022-10-01&g=2022-10-01), degene tot wie de beschikking is gericht, de gestelde gedraging niet heeft verricht;
- b. de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen;
- c. de officier van justitie ten onrechte de beschikking niet op grond van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2022-03-01&g=2022-03-01) heeft vernietigd.
3. [Artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2022-03-01&g=2022-03-01), is van overeenkomstige toepassing.
- c. de officier van justitie ten onrechte de beschikking niet op grond van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2022-10-01&g=2022-10-01) heeft vernietigd.
3. [Artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 10
@@ -176,7 +176,7 @@
##### Artikel 13b
1. In geval van intrekking van het beroep omdat de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de officier van justitie op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van [artikel 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13a&z=2022-03-01&g=2022-03-01) in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek wordt bij de officier van justitie ingediend.
1. In geval van intrekking van het beroep omdat de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de officier van justitie op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van [artikel 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek wordt bij de officier van justitie ingediend.
2. De kantonrechter stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt de officier van justitie in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Hij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan, kan de kantonrechter bepalen dat het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschieden.
@@ -190,7 +190,7 @@
1. Degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld, alsmede de officier van justitie, kunnen tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, tenzij de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 70.
2. Eveneens kan degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld doch daarin met toepassing van het bepaalde in [artikel 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=11&z=2022-03-01&g=2022-03-01), niet-ontvankelijk is verklaard, tegen die beslissing hoger beroep instellen op de grond dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de zekerheid niet dan wel niet tijdig is gesteld dan wel ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
2. Eveneens kan degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld doch daarin met toepassing van het bepaalde in [artikel 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=11&z=2022-10-01&g=2022-10-01), niet-ontvankelijk is verklaard, tegen die beslissing hoger beroep instellen op de grond dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de zekerheid niet dan wel niet tijdig is gesteld dan wel ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
##### Artikel 15
@@ -214,7 +214,7 @@
##### Artikel 29
1. Indien degene wiens voertuig buiten gebruik kan worden gesteld door Onze Minister niet terstond voldoet aan het overeenkomstig [artikel 23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=23&z=2022-03-01&g=2022-03-01), en [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=25&z=2022-03-01&g=2022-03-01) verhoogde bedrag van de administratieve sanctie, is Onze Minister bevoegd het voertuig op kosten van de betrokkene naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen. Het voertuig wordt tussentijds aan de rechthebbende teruggegeven tegen betaling van het bedrag van de administratieve sanctie en de daarop gevallen verhogingen, alsmede van de kosten van overbrenging en bewaring.
1. Indien degene wiens voertuig buiten gebruik kan worden gesteld door Onze Minister niet terstond voldoet aan het overeenkomstig [artikel 23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=23&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=25&z=2022-10-01&g=2022-10-01) verhoogde bedrag van de administratieve sanctie, is Onze Minister bevoegd het voertuig op kosten van de betrokkene naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen. Het voertuig wordt tussentijds aan de rechthebbende teruggegeven tegen betaling van het bedrag van de administratieve sanctie en de daarop gevallen verhogingen, alsmede van de kosten van overbrenging en bewaring.
2. Onze Minister is tevens bevoegd om in het in het eerste lid bedoelde geval aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. Het mechanisch hulpmiddel wordt tussentijds niet verwijderd dan nadat het bedrag van de administratieve sanctie en de daarop gevallen verhogingen, alsmede de kosten van het aanbrengen en van het verwijderen ervan zijn voldaan.
@@ -278,11 +278,11 @@
1. Indien het gerechtshof het beroepschrift ontvankelijk acht, bevestigt het gerechtshof de beslissing van de kantonrechter, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet het, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing van de kantonrechter, hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.
2. Indien de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd op de in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VI&artikel=14&z=2022-03-01&g=2022-03-01), genoemde grond wijst het gerechtshof de zaak terug naar de rechtbank, tenzij door betrokkene de behandeling van het beroep door het gerechtshof zelf is verlangd. In geval van terugwijzing doet de kantonrechter recht met inachtneming van het arrest van het gerechtshof.
3. Het arrest van het gerechtshof is met redenen omkleed. Het wordt op een openbare zitting uitgesproken. Indien de zaak ter zitting is behandeld wordt het arrest aangetekend in het proces-verbaal van die zitting en wordt het uiterlijk veertien dagen na de sluiting van het onderzoek ter zitting uitgesproken. Indien de zaak niet ter zitting is behandeld wordt het arrest op een door de voorzitter te bepalen dag uiterlijk zes weken nadat de laatste van de in [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VI&artikel=19&z=2022-03-01&g=2022-03-01) bedoelde termijnen is verstreken uitgesproken.
4. De [artikelen 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13a&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en [13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13b&z=2022-03-01&g=2022-03-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van [artikel 13b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13b&z=2022-03-01&g=2022-03-01).
2. Indien de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd op de in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VI&artikel=14&z=2022-10-01&g=2022-10-01), genoemde grond wijst het gerechtshof de zaak terug naar de rechtbank, tenzij door betrokkene de behandeling van het beroep door het gerechtshof zelf is verlangd. In geval van terugwijzing doet de kantonrechter recht met inachtneming van het arrest van het gerechtshof.
3. Het arrest van het gerechtshof is met redenen omkleed. Het wordt op een openbare zitting uitgesproken. Indien de zaak ter zitting is behandeld wordt het arrest aangetekend in het proces-verbaal van die zitting en wordt het uiterlijk veertien dagen na de sluiting van het onderzoek ter zitting uitgesproken. Indien de zaak niet ter zitting is behandeld wordt het arrest op een door de voorzitter te bepalen dag uiterlijk zes weken nadat de laatste van de in [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VI&artikel=19&z=2022-10-01&g=2022-10-01) bedoelde termijnen is verstreken uitgesproken.
4. De [artikelen 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13b&z=2022-10-01&g=2022-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van [artikel 13b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13b&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
5. Een afschrift van het arrest wordt toegezonden aan partijen.
@@ -294,7 +294,7 @@
2. Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing inhoudt dat de opgelegde administratieve sanctie geheel of gedeeltelijk blijft gehandhaafd, wordt de verschuldigde administratieve sanctie op de zekerheidstelling verhaald.
3. Indien de verschuldigde administratieve sanctie vanwege toepassing van [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=11&z=2022-03-01&g=2022-03-01), niet geheel op de zekerheidstelling kan worden verhaald, is [Hoofdstuk VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&z=2022-03-01&g=2022-03-01) van toepassing op de inning van het bedrag dat nog niet is voldaan.
3. Indien de verschuldigde administratieve sanctie vanwege toepassing van [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=11&z=2022-10-01&g=2022-10-01), niet geheel op de zekerheidstelling kan worden verhaald, is [Hoofdstuk VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van toepassing op de inning van het bedrag dat nog niet is voldaan.
### Hoofdstuk VII. Vervallen zekerheidstelling
@@ -312,21 +312,21 @@
1. Uiterlijk binnen twee weken nadat een beschikking waarbij een administratieve sanctie is opgelegd, onherroepelijk is geworden, moeten de administratieve sanctie en de administratiekosten zijn voldaan.
2. Indien de administratieve sanctie ten minste € 225 bedraagt, kan Onze Minister betaling in termijnen toestaan van het in totaal verschuldigde bedrag. Voor personen die ten tijde van de gedraging nog geen 16 jaar oud waren, kan Onze Minister betaling in termijnen toestaan indien de administratieve sanctie ten minste € 112,50 bedraagt. De termijnen bestaan uit gelijke delen, worden op ten minste één en ten hoogste drie maanden gesteld en mogen een tijdvak van één jaar niet overschrijden.
2. Indien de administratieve sanctie ten minste € 225 bedraagt, kan Onze Minister uitstel van betaling of betaling in termijnen toestaan. Voor personen die ten tijde van de gedraging nog geen 16 jaar oud waren, kan Onze Minister uitstel van betaling of betaling in termijnen toestaan indien de administratieve sanctie ten minste € 112,50 bedraagt.
3. De sanctie wordt van rechtswege met vijftig procent verhoogd indien het in de gestelde termijn of termijnen verschuldigde bedrag niet tijdig geheel wordt voldaan.
##### Artikel 24
1. Degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, is verplicht tot betaling van het ingevolge [artikel 23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=23&z=2022-03-01&g=2022-03-01), verhoogde bedrag binnen vier weken nadat Onze Minister hem een aanmaning heeft toegezonden, over de gewone post of op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze.
2. Indien na de verhoging het verschuldigde bedrag behoudens de administratiekosten, ten minste € 225 bedraagt, is [artikel 23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=23&z=2022-03-01&g=2022-03-01), van overeenkomstige toepassing.
1. Degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, is verplicht tot betaling van het ingevolge [artikel 23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=23&z=2022-10-01&g=2022-10-01), verhoogde bedrag binnen vier weken nadat Onze Minister hem een aanmaning heeft toegezonden, over de gewone post of op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze.
2. Indien na de verhoging het verschuldigde bedrag behoudens de administratiekosten, ten minste € 225 bedraagt, is [artikel 23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=23&z=2022-10-01&g=2022-10-01), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 25
1. Indien degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, nalaat het in de op grond van [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=24&z=2022-03-01&g=2022-03-01) gestelde termijn of termijnen verschuldigde bedrag tijdig geheel te voldoen, wordt het inmiddels verschuldigde bedrag van rechtswege verhoogd met honderd procent van het bedrag van de sanctie en de daarop inmiddels gevallen verhoging. Ter inning van het verschuldigde bedrag kan Onze Minister verhaal nemen overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-03-01&g=2022-03-01).
2. Indien het verschuldigde bedrag behoudens de administratiekosten, na de verhogingen op grond van [artikel 23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=23&z=2022-03-01&g=2022-03-01), en van het eerste lid, ten minste € 225 bedraagt, is artikel 23, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, vindt verhaal overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-03-01&g=2022-03-01) enkel plaats indien degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd nalatig blijft het in de gestelde termijn of termijnen verschuldigde bedrag tijdig geheel te voldoen.
1. Indien degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, nalaat het in de op grond van [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=24&z=2022-10-01&g=2022-10-01) gestelde termijn of termijnen verschuldigde bedrag tijdig geheel te voldoen, wordt het inmiddels verschuldigde bedrag van rechtswege verhoogd met honderd procent van het bedrag van de sanctie en de daarop inmiddels gevallen verhoging. Ter inning van het verschuldigde bedrag kan Onze Minister verhaal nemen overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
2. Indien het verschuldigde bedrag behoudens de administratiekosten, na de verhogingen op grond van [artikel 23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=23&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en van het eerste lid, ten minste € 225 bedraagt, is artikel 23, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, vindt verhaal overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-10-01&g=2022-10-01) enkel plaats indien degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd nalatig blijft het in de gestelde termijn of termijnen verschuldigde bedrag tijdig geheel te voldoen.
3. Onze Minister kan verhaal nemen gedurende drie jaar nadat ten aanzien van de administratieve sanctie een onherroepelijke beslissing is genomen. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, wordt de termijn waarin verhaal kan worden genomen verlengd met één jaar.
@@ -344,7 +344,7 @@
5. Indien de in het derde lid bedoelde stukken niet zijn overgelegd, deelt de griffier de indiener van het verzetschrift mee dat deze stukken binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling ter griffie dienen te zijn overgelegd. Indien dit laatste niet binnen deze termijn is geschied, wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
6. De griffier brengt het verzetschrift en de daarop betrekking hebbende stukken ter kennis van Onze Minister, ten einde hem in de gelegenheid te stellen daarover de nodige opmerkingen te maken. Onze Minister stelt de betrokken gerechtsdeurwaarder ervan in kennis dat verzet is gedaan. De kantonrechter geeft zo spoedig mogelijk na afloop van deze termijn, na zo nodig degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd te hebben gehoord, althans opgeroepen om te verschijnen, zijn met redenen omklede beschikking, welke onverwijld aan degene die het verzet heeft gedaan en aan Onze Minister wordt medegedeeld. De [artikelen 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13a&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en [13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13b&z=2022-03-01&g=2022-03-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid, en met dien verstande dat hetgeen in die artikelen met betrekking tot de officier van justitie is bepaald, geldt voor Onze Minister.
6. De griffier brengt het verzetschrift en de daarop betrekking hebbende stukken ter kennis van Onze Minister, ten einde hem in de gelegenheid te stellen daarover de nodige opmerkingen te maken. Onze Minister stelt de betrokken gerechtsdeurwaarder ervan in kennis dat verzet is gedaan. De kantonrechter geeft zo spoedig mogelijk na afloop van deze termijn, na zo nodig degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd te hebben gehoord, althans opgeroepen om te verschijnen, zijn met redenen omklede beschikking, welke onverwijld aan degene die het verzet heeft gedaan en aan Onze Minister wordt medegedeeld. De [artikelen 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13b&z=2022-10-01&g=2022-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid, en met dien verstande dat hetgeen in die artikelen met betrekking tot de officier van justitie is bepaald, geldt voor Onze Minister.
7. Indien de kantonrechter het verzet gegrond oordeelt, houdt de beschikking tevens in dat aan de indiener van het verzetschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door de griffier. In de overige gevallen kan de kantonrechter bepalen dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
@@ -362,9 +362,9 @@
4. Nadat de zekerheidstelling en de bijschrijving of de storting van het griffierecht hebben plaatsgevonden of nadat de termijnen voor het stellen van de zekerheid en de betaling van het griffierecht ongebruikt zijn verstreken, zendt de griffier van de rechtbank het beroepschrift met de daarop betrekking hebbende stukken en een afschrift van de beschikking van de kantonrechter onverwijld ter griffie van het gerechtshof in.
5. Op de behandeling van het hoger beroep zijn de [artikelen 16 tot en met 20c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VI&artikel=16&z=2022-03-01&g=2022-03-01) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister zich bij de behandeling van het hoger beroep door een gemachtigde laat vertegenwoordigen.
6. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. De [artikelen 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13a&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en [13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13b&z=2022-03-01&g=2022-03-01), met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid, en [20d, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VI&artikel=20d&z=2022-03-01&g=2022-03-01), zijn op de beschikking van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen in die artikelen met betrekking tot de officier van justitie is bepaald, geldt voor Onze Minister.
5. Op de behandeling van het hoger beroep zijn de [artikelen 16 tot en met 20c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VI&artikel=16&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister zich bij de behandeling van het hoger beroep door een gemachtigde laat vertegenwoordigen.
6. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. De [artikelen 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13b&z=2022-10-01&g=2022-10-01), met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid, en [20d, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VI&artikel=20d&z=2022-10-01&g=2022-10-01), zijn op de beschikking van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen in die artikelen met betrekking tot de officier van justitie is bepaald, geldt voor Onze Minister.
7. Afschrift van de beschikking wordt door de griffier van het gerechtshof gezonden aan degenen die tot het instellen van hoger beroep gerechtigd waren.
@@ -386,7 +386,7 @@
5. Indien verhaal is genomen op vordering van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, zijn de [artikelen 475a tot en met 475g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475a) en [475i, tweede tot en met vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475i) van overeenkomstige toepassing.
6. Iedere belanghebbende kan binnen zes weken na de verzending van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed verzetschrift verzet doen tegen het verhaal. [Artikel 26, derde tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-03-01&g=2022-03-01), en [artikel 26a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26a&z=2022-03-01&g=2022-03-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Iedere belanghebbende kan binnen zes weken na de verzending van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed verzetschrift verzet doen tegen het verhaal. [Artikel 26, derde tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-10-01&g=2022-10-01), en [artikel 26a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
7. De kosten van het verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de administratieve sanctie op degene aan wie deze sanctie is opgelegd verhaald. Onder de kosten van het verhaal zijn begrepen de invorderingskosten.
@@ -394,7 +394,7 @@
##### Artikel 28
1. De officier van justitie kan, indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-03-01&g=2022-03-01) heeft plaatsgevonden, bij de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd een vordering instellen om te worden gemachtigd om per gedraging waarvoor een administratieve sanctie is opgelegd het dwangmiddel gijzeling toe te passen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, voor ten hoogste één week. Indien degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, maar niet op het daarin opgenomen adres woonachtig is, dan wel indien degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, geschiedt de instelling van de bovenbedoelde vordering bij de rechtbank Noord-Nederland. Een verleende machtiging om gijzeling toe te passen kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden, worden uitgevoerd. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, wordt de termijn waarin een verleende machtiging gijzeling toe te passen kan worden uitgevoerd, verlengd met één jaar.
1. De officier van justitie kan, indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-10-01&g=2022-10-01) heeft plaatsgevonden, bij de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd een vordering instellen om te worden gemachtigd om per gedraging waarvoor een administratieve sanctie is opgelegd het dwangmiddel gijzeling toe te passen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, voor ten hoogste één week. Indien degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, maar niet op het daarin opgenomen adres woonachtig is, dan wel indien degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, geschiedt de instelling van de bovenbedoelde vordering bij de rechtbank Noord-Nederland. Een verleende machtiging om gijzeling toe te passen kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden, worden uitgevoerd. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, wordt de termijn waarin een verleende machtiging gijzeling toe te passen kan worden uitgevoerd, verlengd met één jaar.
2. Op de vordering wordt niet beslist dan nadat degene aan wie de sanctie is opgelegd door de kantonrechter is gehoord, althans behoorlijk is opgeroepen. De oproeping van degene die als ingezetene is ingeschreven op een in de basisregistratie personen opgenomen adres, maar niet op het daarin opgenomen adres woonachtig is, dan wel geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, geschiedt in de Staatscourant. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.
@@ -406,11 +406,11 @@
##### Artikel 28a
Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-03-01&g=2022-03-01) heeft plaatsgevonden, kan Onze Minister het rijbewijs innemen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. Onze Minister kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, wordt de termijn waarin van de bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, verlengd met één jaar. De inneming van het rijbewijs duurt ten hoogste vier weken.
Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-10-01&g=2022-10-01) heeft plaatsgevonden, kan Onze Minister het rijbewijs innemen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. Onze Minister kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, wordt de termijn waarin van de bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, verlengd met één jaar. De inneming van het rijbewijs duurt ten hoogste vier weken.
##### Artikel 28b
Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-03-01&g=2022-03-01) heeft plaatsgevonden, kan Onze Minister het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden buiten gebruik stellen of, indien dit voertuig niet wordt aangetroffen, een soortgelijk voertuig waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, vermag te beschikken. Onze Minister kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, wordt de termijn waarin van de bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, verlengd met één jaar. De buitengebruikstelling duurt ten hoogste vier weken.
Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-10-01&g=2022-10-01) heeft plaatsgevonden, kan Onze Minister het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden buiten gebruik stellen of, indien dit voertuig niet wordt aangetroffen, een soortgelijk voertuig waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, vermag te beschikken. Onze Minister kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. Indien betaling in termijnen door Onze Minister is toegestaan, wordt de termijn waarin van de bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, verlengd met één jaar. De buitengebruikstelling duurt ten hoogste vier weken.
##### Artikel 29
@@ -426,7 +426,7 @@
1. Degene wiens rijbewijs kan worden ingenomen door Onze Minister, is verplicht op eerste vordering van Onze Minister het rijbewijs in te leveren op een door Onze Minister te bepalen tijdstip en aan te wijzen plaats.
2. De termijn, bedoeld in [artikel 28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=28a&z=2022-03-01&g=2022-03-01), vangt aan op het tijdstip waarop de inlevering van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.
2. De termijn, bedoeld in [artikel 28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=28a&z=2022-10-01&g=2022-10-01), vangt aan op het tijdstip waarop de inlevering van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.
3. Indien aan de verplichting tot inlevering van het rijbewijs niet wordt voldaan, is Onze Minister bevoegd dat rijbewijs op kosten van de in het eerste lid bedoelde persoon te doen inleveren. [Afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=5.3) is niet van toepassing.
@@ -436,11 +436,11 @@
##### Artikel 31
1. Indien de in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2022-03-01&g=2022-03-01), bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van de in artikel 3, eerste lid, omschreven bevoegdheid bevinden dat de bestuurder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, dan wel geregistreerd staat voor het niet voldoen van een hem eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde administratieve sanctie, kunnen zij vorderen dat het bedrag van de opgelegde en van de reeds verschuldigde administratieve sanctie en van de administratiekosten terstond geheel zal worden voldaan dan wel dat zekerheid wordt gesteld dat het bedrag van de bedoelde sanctie tijdig geheel zal worden voldaan.
2. Indien de in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2022-03-01&g=2022-03-01), bedoelde ambtenaren hebben vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is en waarvan aannemelijk is dat de kentekenhouder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, dan wel dat de kentekenhouder geregistreerd staat voor het niet voldoen van een hem eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde sanctie, zijn zij bevoegd bij wijze van voorlopige maatregel het voertuig naar een door hen aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te stellen, dan wel aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. Zij kunnen vorderen dat, alvorens het voertuig aan de bestuurder wordt teruggegeven, naast de kosten van overbrenging en bewaring, eveneens het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten en van de eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde en inmiddels verschuldigde administratieve sanctie en de administratiekosten zal worden voldaan.
3. Voldoening van het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie en van de administratiekosten laat de bevoegdheid tegen de beschikking van de ambtenaar beroep in te stellen als omschreven in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=9&z=2022-03-01&g=2022-03-01) onverlet. Wordt het beroep gegrond verklaard, dan wordt het bedrag van de administratieve sanctie en van de administratiekosten teruggegeven. [Artikel 29, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=29&z=2022-03-01&g=2022-03-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. Indien de in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van de in artikel 3, eerste lid, omschreven bevoegdheid bevinden dat de bestuurder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, dan wel geregistreerd staat voor het niet voldoen van een hem eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde administratieve sanctie, kunnen zij vorderen dat het bedrag van de opgelegde en van de reeds verschuldigde administratieve sanctie en van de administratiekosten terstond geheel zal worden voldaan dan wel dat zekerheid wordt gesteld dat het bedrag van de bedoelde sanctie tijdig geheel zal worden voldaan.
2. Indien de in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bedoelde ambtenaren hebben vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is en waarvan aannemelijk is dat de kentekenhouder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, dan wel dat de kentekenhouder geregistreerd staat voor het niet voldoen van een hem eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde sanctie, zijn zij bevoegd bij wijze van voorlopige maatregel het voertuig naar een door hen aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te stellen, dan wel aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. Zij kunnen vorderen dat, alvorens het voertuig aan de bestuurder wordt teruggegeven, naast de kosten van overbrenging en bewaring, eveneens het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten en van de eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde en inmiddels verschuldigde administratieve sanctie en de administratiekosten zal worden voldaan.
3. Voldoening van het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie en van de administratiekosten laat de bevoegdheid tegen de beschikking van de ambtenaar beroep in te stellen als omschreven in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=9&z=2022-10-01&g=2022-10-01) onverlet. Wordt het beroep gegrond verklaard, dan wordt het bedrag van de administratieve sanctie en van de administratiekosten teruggegeven. [Artikel 29, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=29&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 17a
@@ -448,23 +448,23 @@
##### Artikel 33
1. Van iedere inbewaringstelling maakt de betrokken ambtenaar proces-verbaal op. Hij zendt dit proces-verbaal binnen vierentwintig uur aan de officier van justitie in het arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied. Een afschrift van het proces-verbaal wordt gelijktijdig uitgereikt of toegezonden aan de bestuurder, alsmede aan degene aan wie het kenteken van het motorrijtuig is opgegeven. Daarbij wordt hij gewezen op het bepaalde in [artikel 29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=29&z=2022-03-01&g=2022-03-01).
1. Van iedere inbewaringstelling maakt de betrokken ambtenaar proces-verbaal op. Hij zendt dit proces-verbaal binnen vierentwintig uur aan de officier van justitie in het arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied. Een afschrift van het proces-verbaal wordt gelijktijdig uitgereikt of toegezonden aan de bestuurder, alsmede aan degene aan wie het kenteken van het motorrijtuig is opgegeven. Daarbij wordt hij gewezen op het bepaalde in [artikel 29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=29&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
2. Tegen een inbewaringstelling kan elke belanghebbende beroep instellen bij de rechtbank op grond dat
- a. de inbewaringstelling met een algemeen verbindend voorschrift strijdt;
- b. de ambtenaar van zijn in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=32&z=2022-03-01&g=2022-03-01) omschreven bevoegdheid op een kennelijk onredelijke wijze heeft gebruik gemaakt.
- b. de ambtenaar van zijn in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=32&z=2022-10-01&g=2022-10-01) omschreven bevoegdheid op een kennelijk onredelijke wijze heeft gebruik gemaakt.
3. Het beroepschrift wordt ingediend bij de officier van justitie in het arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied. De officier van justitie brengt het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter kennis van de rechtbank van het arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied.
4. Het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken worden door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen vier dagen nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.
5. De kantonrechter beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na de dag waarop het beroepschrift bij de officier van justitie is ingediend. Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift en de uitspraak zijn de [artikelen 11, derde, vierde lid en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=11&z=2022-03-01&g=2022-03-01), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=12&z=2022-03-01&g=2022-03-01), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13&z=2022-03-01&g=2022-03-01), [13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13a&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en [13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13b&z=2022-03-01&g=2022-03-01) van overeenkomstige toepassing.
5. De kantonrechter beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na de dag waarop het beroepschrift bij de officier van justitie is ingediend. Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift en de uitspraak zijn de [artikelen 11, derde, vierde lid en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=11&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=12&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13&z=2022-10-01&g=2022-10-01), [13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en [13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=V&artikel=13b&z=2022-10-01&g=2022-10-01) van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de kantonrechter het beroepschrift gegrond acht, gelast hij de onmiddellijke teruggave van het voertuig.
7. Het instellen van beroep schorst de bevoegdheid van de officier van justitie, bedoeld in [artikel 29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=29&z=2022-03-01&g=2022-03-01), tot de dag na die waarop de kantonrechter zijn beslissing heeft gegeven.
7. Het instellen van beroep schorst de bevoegdheid van de officier van justitie, bedoeld in [artikel 29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=29&z=2022-10-01&g=2022-10-01), tot de dag na die waarop de kantonrechter zijn beslissing heeft gegeven.
### Hoofdstuk IX. Voorlopige maatregelen
@@ -472,11 +472,11 @@
1. Met geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
- a. hij die niet voldoet aan vordering van een krachtens [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2022-03-01&g=2022-03-01), aangewezen toezichthouder;
- a. hij die niet voldoet aan vordering van een krachtens [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01), aangewezen toezichthouder;
- b. hij die de gegevens waarop de in het eerste lid bedoelde vordering betrekking heeft, onjuist opgeeft;
- c. hij die niet voldoet aan de in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=30&z=2022-03-01&g=2022-03-01) omschreven verplichting.
- c. hij die niet voldoet aan de in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=30&z=2022-10-01&g=2022-10-01) omschreven verplichting.
2. Het strafbare feit is een overtreding.
@@ -486,7 +486,7 @@
##### Artikel 36
1. Behoudens in geval van een verzetschrift als bedoeld in [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-03-01&g=2022-03-01), een beroepschrift bedoeld in [artikel 26a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26a&z=2022-03-01&g=2022-03-01) en een verzetschrift als bedoeld in [artikel 27, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-03-01&g=2022-03-01), is op grond van deze wet geen recht verschuldigd in de zin van de [Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899).
1. Behoudens in geval van een verzetschrift als bedoeld in [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26&z=2022-10-01&g=2022-10-01), een beroepschrift bedoeld in [artikel 26a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=26a&z=2022-10-01&g=2022-10-01) en een verzetschrift als bedoeld in [artikel 27, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=27&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is op grond van deze wet geen recht verschuldigd in de zin van de [Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899).
2. Indien het verzetschrift wordt ingetrokken omdat Onze Minister geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzetschrift is tegemoetgekomen, wordt het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door Onze Minister. In de overige gevallen kan Onze Minister, indien het verzet wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
@@ -6708,11 +6708,11 @@
##### Artikel 5b
1. Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarmee een niet-kentekenplichtige aanhangwagen wordt voortbewogen, dan wel waaraan een niet-kentekenplichtige aanhangwagen is gekoppeld, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in [artikel 31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=31&z=2022-03-01&g=2022-03-01), de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het trekkend motorrijtuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.
1. Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarmee een niet-kentekenplichtige aanhangwagen wordt voortbewogen, dan wel waaraan een niet-kentekenplichtige aanhangwagen is gekoppeld, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in [artikel 31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=31&z=2022-10-01&g=2022-10-01), de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het trekkend motorrijtuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.
2. Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een kentekenplichtige aanhangwagen, wordt de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van de aanhangwagen ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Indien het kenteken van de aanhangwagen niet is vastgesteld, dan wel indien de aanhangwagen niet kentekenplichtig is, wordt de administratieve sanctie opgelegd aan degene die ten tijde van de gedraging eigenaar of houder was van de aanhangwagen.
3. Indien sprake is van een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid dan wordt daarbij gewezen op het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2022-03-01&g=2022-03-01).
3. Indien sprake is van een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid dan wordt daarbij gewezen op het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2022-10-01&g=2022-10-01).
### Hoofdstuk IV. Administratief beroep en bezwaar bij de officier van justitie
@@ -8520,7 +8520,7 @@
##### Artikel 5c
Indien geen administratieve sanctie kan worden opgelegd, omdat degene die ten tijde van de geconstateerde gedraging met of door middel van een motorrijtuig met een kenteken als bedoeld in artikel 4 van het Kentekenreglement was ingeschreven in het kentekenregister immuniteit geniet op grond van het volkenrecht, verstrekt de officier van justitie de gegevens, genoemd in [artikel 4, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=4&z=2022-03-01&g=2022-03-01) aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken ten behoeve van het versturen van een notificatie aan deze kentekenhouder.
Indien geen administratieve sanctie kan worden opgelegd, omdat degene die ten tijde van de geconstateerde gedraging met of door middel van een motorrijtuig met een kenteken als bedoeld in artikel 4 van het Kentekenreglement was ingeschreven in het kentekenregister immuniteit geniet op grond van het volkenrecht, verstrekt de officier van justitie de gegevens, genoemd in [artikel 4, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=III&artikel=4&z=2022-10-01&g=2022-10-01) aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken ten behoeve van het versturen van een notificatie aan deze kentekenhouder.
### Hoofdstuk IV. Administratief beroep en bezwaar bij de officier van justitie
@@ -8532,11 +8532,11 @@
##### Artikel 32
Indien aan de in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=31&z=2022-03-01&g=2022-03-01), bedoelde vordering niet wordt voldaan, is de ambtenaar bevoegd bij wijze van voorlopige maatregel het voertuig in bewaring te stellen, totdat het bedrag van de opgelegde en van de reeds verschuldigde administratieve sanctie en van de administratiekosten, alsmede de inmiddels daarop gevallen kosten van de inbewaringstelling zijn voldaan. Daartoe kan hij op kosten van de bestuurder het voertuig naar een door hem aangewezen nabijgelegen plaats overbrengen of doen overbrengen en aldaar in bewaring doen stellen. Zo nodig roept hij hierbij de hulp van de sterke arm in. [Artikel 29, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=29&z=2022-03-01&g=2022-03-01), is van overeenkomstige toepassing.
Indien aan de in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=IX&artikel=31&z=2022-10-01&g=2022-10-01), bedoelde vordering niet wordt voldaan, is de ambtenaar bevoegd bij wijze van voorlopige maatregel het voertuig in bewaring te stellen, totdat het bedrag van de opgelegde en van de reeds verschuldigde administratieve sanctie en van de administratiekosten, alsmede de inmiddels daarop gevallen kosten van de inbewaringstelling zijn voldaan. Daartoe kan hij op kosten van de bestuurder het voertuig naar een door hem aangewezen nabijgelegen plaats overbrengen of doen overbrengen en aldaar in bewaring doen stellen. Zo nodig roept hij hierbij de hulp van de sterke arm in. [Artikel 29, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VIII&artikel=29&z=2022-10-01&g=2022-10-01), is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk XI. Slotbepalingen
## Bijlage. als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2022-03-01&g=2022-03-01)
## Bijlage. als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01)
| | | | Feit | Overtreden artikel | Tarief in euro per feit en categorie | Tarief in euro per feit en categorie | Tarief in euro per feit en categorie | Tarief in euro per feit en categorie | Tarief in euro per feit en categorie | Tarief in euro per feit en categorie | Tarief in euro per feit en categorie | Tarief in euro per feit en categorie |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
@@ -9178,7 +9178,7 @@
| R | 308 | | als (snor)fietser niet het verplichte fietspad of fiets/bromfietspad gebruiken | [5 lid 1 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=5) | | | 100 | 60 | | | | |
| R | 309 | | als (snor)fietser bij gebreke van een verplicht fietspad of fiets/bromfietspad niet de rijbaan gebruiken | [5 lid 2 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=5) | | | 100 | 60 | | | | |
| R | 312 | b | als snorfietser met ingeschakelde verbrandingsmotor het onverplichte fietspad gebruiken | [5 lid 3 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=5) | | | 100 | | | | | |
| R | 312 | c | als bestuurder van een snorfiets niet de rijbaan gebruiken terwijl dit bij verkeersbesluit, bedoeld in [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VI&artikel=15&z=2022-03-01&g=2022-03-01), van de wet, is bepaald en dit bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft met een onderbord is aangeduid | [5 lid 8 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=5) | | | 100 | | | | | |
| R | 312 | c | als bestuurder van een snorfiets niet de rijbaan gebruiken terwijl dit bij verkeersbesluit, bedoeld in [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=VI&artikel=15&z=2022-10-01&g=2022-10-01), van de wet, is bepaald en dit bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft met een onderbord is aangeduid | [5 lid 8 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=5) | | | 100 | | | | | |
| R | 310 | | als bromfietser niet het fiets/bromfietspad gebruiken | [6 lid 1 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=6) | | | 100 | | | | | |
| R | 311 | | als bromfietser niet de rijbaan gebruiken bij ontbreken van een fiets/bromfietspad (bord G12a) | [6 lid 2 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=6) | | | 100 | | | | | |
| R | 311 | a | als bestuurder van een bromfiets op meer dan twee wielen of een bromfiets met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder is dan 0,75 m, niet de rijbaan gebruiken | [6 lid 3 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=6) | | | 100 | | | | | |
@@ -9311,7 +9311,7 @@
| R | 438 | k | – geen voortdurend voor tegemoetkomende weggebruikers zichtba(a)r(e) wit(te)- of ge(e)l(e) licht(en) aan de voorzijde voeren en/of voortdurend voor van achteren naderende weggebruikers zichtbaar rood licht aan de achterzijde voeren | [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=35) en [35a RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=35a) | | | | 60 | | | | |
| R | 438 | l | – verblindend wit of geel licht aan de voorzijde voeren | [35a lid 1 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=35a) | | | | 60 | | | | |
| R | 438 | m | – knipperende verlichting voeren | [35a lid 2 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=35a) | | | | 60 | | | | |
| | | | als bestuurder van een snorfiets, zijnde een bromfiets als bedoeld in [artikel 1, lid 1, onderdeel e, subonderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2022-03-01&g=2022-03-01), van de wet bij nacht of dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd | | | | | | | | | |
| | | | als bestuurder van een snorfiets, zijnde een bromfiets als bedoeld in [artikel 1, lid 1, onderdeel e, subonderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2022-10-01&g=2022-10-01), van de wet bij nacht of dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd | | | | | | | | | |
| R | 438 | n | – geen voortdurend voor tegemoetkomende weggebruikers zichtba(a)r(e) wit(te)- of ge(e)l(e) licht(en) aan de voorzijde voeren en/of voortdurend voor van achteren naderende weggebruikers zichtbaar rood licht aan de achterzijde voeren | [35c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=35c) jo. [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=35) en [35a RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=35a) | | | 70 | | | | | |
| R | 438 | o | – verblindend wit of geel licht aan de voorzijde voeren | [35c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=35c) jo. [35a lid 1 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=35a) | | | 70 | | | | | |
| R | 438 | p | – knipperende verlichting voeren | [35c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=35c) jo. [35a lid 2 RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=35a) | | | 70 | | | | | |
2022-03-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2021-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2020-07-25
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2020-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2019-07-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2019-05-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
2019-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2018-10-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2018-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2017-07-12
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2017-07-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2017-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2016-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2015-07-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2015-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2014-11-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2014-01-06
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2014-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2013-07-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2013-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2012-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2011-07-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2011-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2010-11-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2010-04-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2010-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
2009-07-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
2009-05-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2008-04-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2008-03-26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2008-02-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2007-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
2006-02-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2006-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2005-11-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2004-07-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2004-05-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2004-01-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2002-07-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — art. 2
2002-03-12
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — arts.
2002-03-12
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften — ver
original version
Tekst op deze datum