Wet van 4 juni 1992, houdende algemene regels van bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht)
Hoofdstuk 1. Van beroep uitgezonderde besluiten (artikel 8:5)
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8:51a
De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen.
Artikel 8:51b
Het bestuursorgaan deelt de bestuursrechter zo spoedig mogelijk mede of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen.
Indien het bestuursorgaan overgaat tot herstel van het gebrek, deelt het de bestuursrechter zo spoedig mogelijk schriftelijk mede op welke wijze het gebrek is hersteld.
Partijen kunnen binnen vier weken na verzending van de mededeling bedoeld in het tweede lid, schriftelijk hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren brengen. De bestuursrechter kan deze termijn verlengen.
Artikel 8:51c
De bestuursrechter deelt partijen mede op welke wijze het beroep verder wordt behandeld binnen vier weken na:
- a. ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan dat het geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen;
- b. het ongebruikt verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 8:51a, tweede lid;
- c. ontvangst van de zienswijzen; of
- d. het ongebruikt verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 8:51b, derde lid.
Afdeling 8.2.2a. Bestuurlijke lus
Afdeling 8.2.2a. Bestuurlijke lus
Afdeling 8.2.4. Vereenvoudigde behandeling
Afdeling 8.2.6. Uitspraak
Artikel 8:80a
Als de bestuursrechter artikel 8:51a toepast, doet hij een tussenuitspraak.
De tussenuitspraak vermeldt zoveel mogelijk op welke wijze het gebrek kan worden hersteld.
De artikelen 8:72, vierde lid, tweede volzin, aanhef en onder a, 8:77, 8:78, 8:79 en 8:119 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8:80b
De bestuursrechter kan de tussenuitspraak ook doen voordat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen.
De bestuursrechter kan de tussenuitspraak ook mondeling doen. Artikel 8:67, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De bestuursrechter kan zo nodig een voorlopige voorziening treffen. In dat geval bepaalt hij wanneer de voorlopige voorziening vervalt.
De voorlopige voorziening als bedoeld in het derde lid, vervalt in ieder geval zodra:
- a. het beroep is ingetrokken; of
- b. de bestuursrechter uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, heeft gedaan, tenzij bij die uitspraak een ander tijdstip is bepaald.
Titel 8.4. Herziening
Hoofdstuk 9. Klachtbehandeling
Titel 8.3. Voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak
Afdeling 8.2.5. Onderzoek ter zitting
Afdeling 9.1.3. Aanvullende bepalingen voor een klachtadviesprocedure
Afdeling 9.1.1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 9. Klachtbehandeling
Titel 8.6. Herziening
Afdeling 9.1.1. Algemene bepalingen
Afdeling 10.1.2. Delegatie
Afdeling 9.1.3. Aanvullende bepalingen voor een klachtadviesprocedure
Titel 10.1. Mandaat, delegatie en attributie
Afdeling 9.2.2. Bevoegdheid
Afdeling 9.2.1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Bijlage. bij de Algemene wet bestuursrecht
Hoofdstuk 3. Beroep in eerste aanleg bij een andere rechtbank (artikel 8:7, vierde lid)
Hoofdstuk 2. Beroep in eerste aanleg bij een bijzondere bestuursrechter (artikelen 8:4, tweede lid, en 8:6)
Kostenwet invordering rijksbelastingen, met uitzondering van artikel 7.
De artikelen 1:75, eerste en tweede lid, en 1:76, eerste en derde lid, van de Wet op het financieel toezicht, indien De Nederlandsche Bank N.V. een mededeling als bedoeld in artikel 3:159d van die wet heeft gedaan, alsmede artikel 3:159d, tweede lid, aanhef en onderdeel a of b, van die wet.
Hoofdstuk 2. Beroep in eerste aanleg bij een bijzondere bestuursrechter (artikelen 8:4, tweede lid, en 8:6)
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8:40a
Vervallen
Titel 8.2. Behandeling van het beroep
Afdeling 8.2.1. Griffierecht
Afdeling 8.1.6a. Verkeer langs elektronische weg met de bestuursrechter
Afdeling 8.1.6a. Verkeer langs elektronische weg met de bestuursrechter
Afdeling 8.2.1a. Algemene bepaling
Afdeling 8.2.3. Versnelde behandeling
Titel 8.3. Voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak
Titel 8.4. Herziening
Hoofdstuk 9. Klachtbehandeling
Titel 9.1. Klachtbehandeling door een bestuursorgaan
Afdeling 9.1.1. Algemene bepalingen
Titel 8.4. Schadevergoeding
Afdeling 9.1.1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 10. Bepalingen over bestuursorganen
Titel 8.6. Herziening
Afdeling 9.2.1. Algemene bepalingen
Titel 10.1. Mandaat, delegatie en attributie
Afdeling 10.1.1. Mandaat
Afdeling 9.2.3. Procedure
Afdeling 10.1.1. Mandaat
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Bijlage. bij de Algemene wet bestuursrecht
A. Ministerie van Justitie
B. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
E. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
H. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a.
Hoofdstuk 1. Van beroep uitgezonderde besluiten (artikel 8:5)
De artikelen 1:75, eerste en tweede lid, en 1:76, eerste en derde lid, van de Wet op het financieel toezicht, indien De Nederlandsche Bank N.V. een mededeling als bedoeld in artikel 3:159d van die wet heeft gedaan, alsmede artikel 3:159d, tweede lid, aanhef en onderdeel a of b, van die wet.
J. Ministerie van Economische Zaken
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk 1. Van beroep uitgezonderde besluiten (artikel 8:5)
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
G. Ministerie van Defensie
Hoofdstuk 2. Beroep in eerste aanleg bij een bijzondere bestuursrechter (artikelen 8:4, tweede lid, en 8:6)
Hoofdstuk 2. Beroep in eerste aanleg bij een bijzondere bestuursrechter (artikelen 8:4, tweede lid, en 8:6)
D. Ministerie van Verkeer en Waterstaat
F. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Hoofdstuk 1. Van beroep uitgezonderde besluiten (artikel 8:5)
Hoofdstuk 1. Van beroep uitgezonderde besluiten (artikel 8:5)
Hoofdstuk 1. Van beroep uitgezonderde besluiten (artikel 8:5)
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8:10a
De zaken die bij een andere bestuursrechter dan de rechtbank aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige kamer.
Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer.
De meervoudige kamer kan een zaak voorts verwijzen naar een grote kamer, indien haar dit met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling geraden voorkomt. De eerste volzin geldt niet, indien de zaak aanhangig is bij een gerechtshof.
Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
Afdeling 8.1.2a. Conclusie
Artikel 8:12a
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de president van de Centrale Raad van Beroep en de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen in zaken die bij hun college in behandeling zijn bij een meervoudige of grote kamer, een lid van het desbetreffende college verzoeken een conclusie te nemen.
Een dergelijk verzoek kan ook worden gericht aan een lid van een van de andere colleges in overeenstemming met de voorzitter onderscheidenlijk de president van dat college.
De conclusie wordt schriftelijk genomen, is met redenen omkleed en vermeldt:
- a. de naam van degene die haar heeft genomen en
- b. de dag waarop zij is genomen.
De conclusie wordt uiterlijk zes weken na sluiting van het onderzoek ter zitting ter kennis van het college gebracht en in afschrift aan partijen toegezonden. Aan artikel 8:64 behoeft daarbij geen toepassing te worden gegeven.
Partijen kunnen binnen twee weken na verzending van het afschrift van de conclusie hun schriftelijk commentaar daarop aan het college doen toekomen.
Artikel 8:79, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Degene die de conclusie heeft genomen, neemt geen deel aan de beraadslagingen over de zaak.
De conclusie bindt het college niet.
Afdeling 8.1.3. Verwijzing, voeging en splitsing
Titel 8.2. Behandeling van het beroep in eerste aanleg
Artikel 8:41a
De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief.
Artikel 8:45a
De Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt kunnen, niet optredende als partij, schriftelijke opmerkingen maken krachtens artikel 15, derde lid, eerste alinea, van de in artikel 8:45, vierde lid, genoemde verordening indien zij de wens daartoe te kennen hebben gegeven. De bestuursrechter kan daarvoor een termijn vaststellen.
Met toestemming van de bestuursrechter kunnen de Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt ook mondelinge opmerkingen maken. De bestuursrechter kan de Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt voor het maken van mondelinge opmerkingen uitnodigen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld daarbij aanwezig te zijn. Artikel 8:44, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De bestuursrechter doet partijen schriftelijk mededeling van de stukken die hij krachtens artikel 15, derde lid, tweede alinea, van de verordening aan de Europese Commissie of de Autoriteit Consument en Markt verstrekt met het oog op de door hen te maken opmerkingen.
Partijen kunnen binnen vier weken na de dag van verzending aan hen van de opmerkingen dan wel van het proces-verbaal van de opmerkingen van de Europese Commissie of de Autoriteit Consument en Markt schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot de opmerkingen naar voren brengen. De bestuursrechter kan deze termijn verlengen.
Artikel 8:51d
Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing.
Artikel 8:60a
De schriftelijke opmerkingen van de Europese Commissie of de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in artikel 8:45a, eerste lid, kunnen tot tien dagen voor de zitting worden ingediend.
Indien de Europese Commissie of de Autoriteit Consument en Markt ter zitting verschijnt voor het maken van mondelinge opmerkingen, wordt dit zoveel mogelijk aan partijen meegedeeld bij de uitnodiging voor de zitting. Artikel 8:45a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8:69a
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Titel 8.4
Titel 8.4. Schadevergoeding
Artikel 8:104
Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen hoger beroep instellen tegen:
- a. een uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, of artikel 8:67, eerste lid, van de rechtbank,
- b. een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de voorzieningenrechter van de rechtbank,
- c. een uitspraak van de rechtbank op een verzoek als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid.
Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:
- a. een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:54, eerste lid,
- b. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54a, tweede lid,
- c. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid,
- d. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid,
- e. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, in verband met artikel 8:84, vijfde lid, en
- f. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:87.
Tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid bedoelde uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegen:
- a. een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a, of
- b. een andere beslissing van de rechtbank.
Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen de voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid.
Artikel 8:105
Het hoger beroep wordt ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij een andere hogerberoepsrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.
Het hoger beroep, bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder c, wordt ingesteld bij de hogerberoepsrechter die ingevolge het eerste lid bevoegd is of zou zijn te oordelen over een uitspraak van de rechtbank omtrent het schadeveroorzakende besluit.
Artikel 8:106
De werking van een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, indien:
- a. de uitspraak betreft een besluit als bedoeld in artikel 9 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, of
- b. tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij een gerechtshof.
Het eerste lid geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit betreft.
Artikel 8:107
De griffier van de hogerberoepsrechter doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan.
De griffier van de rechtbank stelt de gedingstukken met de aantekeningen van de zitting, voor zover deze op de zaak betrekking hebben, en een afschrift van de uitspraak binnen een week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling ter beschikking aan de griffier van de hogerberoepsrechter.
Op verzoek van de hogerberoepsrechter stelt de griffier van de rechtbank het proces-verbaal van de zitting of de schriftelijke weergave van een in artikel 8:36e bedoelde beeld- of geluidsopname die het proces-verbaal vervangt, ter beschikking aan de griffier van de hogerberoepsrechter binnen een door de hogerberoepsrechter te bepalen termijn. De griffier van de hogerberoepsrechter stelt dit proces-verbaal of deze schriftelijke weergave ter beschikking aan partijen.
Artikel 8:108
Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74.
Op het hoger beroep, bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder c, zijn voorts de afdelingen 8.2.2a, 8.2.4a en 8.2.7 en de artikelen 8:28a, 8:70 en 8:72 niet van toepassing.
Indien hoger beroep kan worden ingesteld bij een gerechtshof, is voorts hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing.
Artikel 8:109
Het griffierecht voor het hoger beroep bedraagt:
- a. € 147 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak omtrent een besluit als omschreven in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht,
- b. € 297 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak omtrent een ander besluit, of
- c. € 596 als anders dan door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld.
Indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de aangevallen uitspraak in stand blijft, wordt van het bestuursorgaan een griffierecht geheven dat gelijk is aan het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde bedrag.
Artikel 8:110
Indien hoger beroep is ingesteld, kan degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep instellen. De voorschriften omtrent het hoger beroep zijn van toepassing, tenzij in deze titel anders is bepaald.
Het incidenteel hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden.
Binnen vier weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het incidenteel hoger beroep aan partijen heeft verzonden, kunnen deze partijen schriftelijk hun zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren brengen.
De hogerberoepsrechter kan de in het tweede en derde lid genoemde termijnen verlengen of, indien hij het hoger beroep behandelt met overeenkomstige toepassing van afdeling 8.2.3, verkorten.
Voor het incidenteel hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.
Artikel 8:111
Niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep, tenzij die niet-ontvankelijkheid het gevolg is van:
- a. overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep,
- b. overschrijding van de termijn voor betaling van het griffierecht, of
- c. de omstandigheid dat degene die het hoger beroep heeft ingesteld daartoe niet gerechtigd was.
Intrekking van het hoger beroep na aanvang van de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep.
Artikel 8:112
Incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep gegrond is.
Een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep vervalt als het hoger beroep niet-ontvankelijk of ongegrond is, dan wel wordt ingetrokken. In het laatste geval deelt de griffier de indiener mee dat zijn hoger beroep is vervallen.
Artikel 8:113
De hogerberoepsrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.
Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.
Artikel 8:114
Indien de hogerberoepsrechter de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigt, houdt de uitspraak tevens in dat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht vergoedt, tenzij de hogerberoepsrechter bepaalt dat het griffierecht door de griffier aan de indiener wordt terugbetaald.
In andere gevallen kan de uitspraak inhouden dat het bestuursorgaan of de griffier het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.
Artikel 8:115
De hogerberoepsrechter wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien:
- a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de hogerberoepsrechter deze uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank, onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep, of
- b. de hogerberoepsrechter om andere redenen van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld.
De griffier zendt de gedingstukken en een afschrift van de uitspraak zo spoedig mogelijk aan de griffier van de rechtbank.
Artikel 8:116
In de gevallen, bedoeld in artikel 8:115, eerste lid, onderdeel a, kan de hogerberoepsrechter de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien deze naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.
Artikel 8:117
Indien de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, kan de hogerberoepsrechter de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken.
Artikel 8:118
In geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan kan het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.
Indien het hoger beroep mondeling wordt ingetrokken, wordt het verzoek door de partij die daarbij aanwezig is mondeling gedaan, tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, is het verzoek niet-ontvankelijk.
Artikel 8:75a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8:119
De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
- a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
- b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
- c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Hoofdstuk 6, titel 8.1, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en artikel 8:13, titel 8.2, met uitzondering van artikel 8:41, tweede lid, titel 8.3 en titel 8.5, met uitzondering van artikel 8:109, zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.
Het griffierecht is gelijk aan het griffierecht dat ten tijde van de indiening van het verzoek verschuldigd zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd.
Indien de uitspraak wordt herzien, betaalt de griffier het griffierecht terug.
Hoofdstuk 9. Klachtbehandeling
Titel 8.5. Hoger beroep
Afdeling 9.1.2. De behandeling van klaagschriften
Afdeling 9.1.3. Aanvullende bepalingen voor een klachtadviesprocedure
Afdeling 9.1.3. Aanvullende bepalingen voor een klachtadviesprocedure
Hoofdstuk 10. Bepalingen over bestuursorganen
Afdeling 10.1.2. Delegatie
Afdeling 10.1.1. Mandaat
Titel 10.2. Toezicht op bestuursorganen
Afdeling 10.2.1. Goedkeuring
Afdeling 10.1.2. Delegatie
Afdeling 10.1.1. Mandaat
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Bijlage 1. : Regeling rechtstreeks beroep (artikel 7:1, eerste lid, onderdeel g)
Tegen een besluit, genomen op grond van een in deze regeling genoemd voorschrift dan wel anderszins in deze regeling omschreven, kan geen bezwaar worden gemaakt.
Belemmeringenwet Privaatrecht: de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, voor zover de verplichting noodzakelijk is voor de uitvoering van werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, van de Crisis- en herstelwet of voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in:
- a. artikel 3, eerste lid, van de Wet bereikbaarheid en mobiliteit
- b. artikel 21, tweede lid, van de Tracéwet
- c. de artikelen 3.30, eerste lid, onder a, 3.33, eerste lid, onder a, en 3.35, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening
- d. artikel 15, tweede lid, van de Spoedwet wegverbreding: de verlegging van kabels en leidingen, verband houdende met de uitvoering van een wegaanpassingsbesluit
Dienstenwet: de artikelen 59a en 59c
Gemeentewet: de artikelen 85, tweede lid, 87a, eerste lid, 124i, 155d en 268, eerste lid, alsmede een beschikking tot ophouding als bedoeld in artikel 154a
Huisvestingswet: artikel 40, eerste lid
Kaderwet dienstplicht: artikel 13
- a. de artikelen D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1 tot en met G 4, I 4, K 8, L 11, M 4, Q 6, S 2, X 4, derde lid, X 5, derde lid, X 7, vierde lid, en X 8, vierde lid
- b. artikel Y 2 in samenhang met artikel D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1, G 4, I 4, K 8, L 11 of M 4
- c. de artikelen Y 32 en Y 33
Landbouwkwaliteitswet: een besluit van een tuchtgerecht of een centraal tuchtgerecht, ingesteld door een controle-instelling als bedoeld in artikel 13
Mededingingswet: de artikelen 37, eerste lid, 44, eerste lid, en 47, eerste lid
Monumentenwet 1988: artikel 29
Provinciewet: de artikelen 83, tweede lid, 121g, 151d en 261, eerste lid
Telecommunicatiewet, voor zover het betreft een besluit van het college, genoemd in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit, genomen op grond van:
- a. hoofdstuk 5
- b. hoofdstuk 6, tenzij bezwaar kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002
- c. de hoofdstukken 6A, 6B en 12
- a. de artikelen 54, tweede lid, 56 en 59
- b. een aanwijzing als bedoeld in de artikelen 55, eerste lid, 57 of 58
- c. een kennisgeving als bedoeld in artikel 62a, eerste lid
- d. de afdelingen 3 en 5 van hoofdstuk 7
Waterschapswet: artikel 21, eerste lid, en artikel 41, vijfde lid
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften: artikel 32
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:
- a. een besluit inzake een verklaring als bedoeld in artikel 2.27
- b. een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2.34 of 3.13, tweede lid
Wet gemeenschappelijke regelingen:
- a. een ontslagbesluit als bedoeld in artikel 16, vijfde lid
- b. een besluit van een plusregio als bedoeld in hoofdstuk IX voor zover het bestuur van een gemeente daartegen beroep instelt
Wet luchtvaart: de artikelen 8.25f, eerste en tweede lid, en 8.25g, eerste lid
Wet milieubeheer: artikel 16.31, tweede lid
Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: de artikelen 2, eerste lid, 3 en 5
Wet op het financieel toezicht:
- a. hoofdstuk 5.1 en de artikelen 5:77, eerste lid, en 5:81, derde lid
- b. een besluit terzake van het ingevolge artikel 5:76, tweede lid, of 5:80b, vijfde lid, bepaalde, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80
- c. de artikelen 6:1 en 6:2
Wet politiegegevens: artikelen 25 en 28
- a. een besluit op een verzoek om een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 6.8 of 6.9
- b. een besluit omtrent herziening van een exploitatieplan, dat niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede een besluit omtrent de afrekening en herberekende exploitatiebijdragen van een exploitatieplan
- c. een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, of artikel 3.26, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zesde lid
Bijlage 1. : Regeling rechtstreeks beroep (artikel 7:1, eerste lid, onderdeel g)
Tegen een besluit, genomen op grond van een in deze regeling genoemd voorschrift dan wel anderszins in deze regeling omschreven, kan geen bezwaar worden gemaakt.
Belemmeringenwet Privaatrecht: de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, voor zover de verplichting noodzakelijk is voor de uitvoering van werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, van de Crisis- en herstelwet of voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in:
- a. artikel 3, eerste lid, van de Wet bereikbaarheid en mobiliteit
- b. artikel 21, tweede lid, van de Tracéwet
- c. de artikelen 3.30, eerste lid, onder a, 3.33, eerste lid, onder a, en 3.35, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening
- d. artikel 15, tweede lid, van de Spoedwet wegverbreding: de verlegging van kabels en leidingen, verband houdende met de uitvoering van een wegaanpassingsbesluit
Dienstenwet: de artikelen 59a en 59c
Gemeentewet: de artikelen 85, tweede lid, 87a, eerste lid, 124i, 155d en 268, eerste lid, alsmede een beschikking tot ophouding als bedoeld in artikel 154a
Huisvestingswet: artikel 40, eerste lid
Kaderwet dienstplicht: artikel 13
- a. de artikelen D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1 tot en met G 4, I 4, K 8, L 11, M 4, Q 6, S 2, X 4, derde lid, X 5, derde lid, X 7, vierde lid, en X 8, vierde lid
- b. artikel Y 2 in samenhang met artikel D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1, G 4, I 4, K 8, L 11 of M 4
- c. de artikelen Y 32 en Y 33
Landbouwkwaliteitswet: een besluit van een tuchtgerecht of een centraal tuchtgerecht, ingesteld door een controle-instelling als bedoeld in artikel 13
Mededingingswet: de artikelen 37, eerste lid, 44, eerste lid, en 47, eerste lid
Monumentenwet 1988: artikel 29
Provinciewet: de artikelen 83, tweede lid, 121g, 151d en 261, eerste lid
Telecommunicatiewet, voor zover het betreft een besluit van de Autoriteit Consument en Markt, genomen op grond van:
- a. hoofdstuk 5
- b. hoofdstuk 6, tenzij bezwaar kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002
- c. de hoofdstukken 6A, 6B en 12
Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming: artikel 4
- a. de artikelen 54, tweede lid, 56 en 59
- b. een aanwijzing als bedoeld in de artikelen 55, eerste lid, 57 of 58
- c. een kennisgeving als bedoeld in artikel 62a, eerste lid
- d. de afdelingen 3 en 5 van hoofdstuk 7
Waterschapswet: artikel 21, eerste lid, en artikel 41, vijfde lid
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften: artikel 32
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:
- a. een besluit inzake een verklaring als bedoeld in artikel 2.27
- b. een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2.34 of 3.13, tweede lid
Wet gemeenschappelijke regelingen:
- a. een ontslagbesluit als bedoeld in artikel 16, vijfde lid
- b. een besluit van een plusregio als bedoeld in hoofdstuk IX voor zover het bestuur van een gemeente daartegen beroep instelt
Wet luchtvaart: de artikelen 8.25f, eerste en tweede lid, en 8.25g, eerste lid
Wet milieubeheer: artikel 16.31, tweede lid
Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: de artikelen 2, eerste lid, 3 en 5
Wet op het financieel toezicht:
- a. hoofdstuk 5.1 en de artikelen 5:77, eerste lid, en 5:81, derde lid
- b. een besluit terzake van het ingevolge artikel 5:76, tweede lid, of 5:80b, vijfde lid, bepaalde, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80
- c. de artikelen 6:1 en 6:2
Wet politiegegevens: artikelen 25 en 28
- a. een besluit op een verzoek om een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 6.8 of 6.9
- b. een besluit omtrent herziening van een exploitatieplan, dat niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede een besluit omtrent de afrekening en herberekende exploitatiebijdragen van een exploitatieplan
- c. een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, of artikel 3.26, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zesde lid
Artikel 1. Geen beroep
Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan geen beroep worden ingesteld.
- a. artikel 38, indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 124 van de Gemeentewet voor zover het beroep niet wordt ingesteld door het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap, en indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 124a van de Gemeentewet voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten
- b. artikel 38, indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan hoofdstuk XVII van de Gemeentewet, voor zover het betreft de weigering om een besluit tot vernietiging te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging en voor zover het betreft de weigering om een voordracht tot vernietiging te doen
Bekendmakingswet: artikel 21, indien overeenkomstige toepassing is gegeven artikel 121 van de Provinciewet, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap
Burgerlijk Wetboek:
- a. Boek 1:
- b. Boek 2: de artikelen 63d, tweede lid, 156 en 266, voor zover de aanvraag is toegewezen
- c. Boek 7: artikel 671a.
Energiewet: de artikelen 6.1, derde lid, en 6.2, tweede lid
Faillissementswet: artikel 285
Financiële-verhoudingswet: artikel 9
- a. artikel 49
- b. artikel 85, tweede lid, voor zover het betreft de weigering om een besluit tot vernietiging te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging
- c. artikel 124, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester
- d. artikel 124a, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning
- f. artikel 268, voor zover het betreft de weigering om een besluit tot vernietiging te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging
- g. artikel 278, voor zover het betreft de weigering om een voordracht tot vernietiging te doen
- h. de artikelen 278a, vierde lid, en 281, tweede lid, indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 124 van de Gemeentewet voor zover het beroep niet wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester, en indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 124a van de Gemeentewet voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning
Geneesmiddelenwet: artikel 17, onderdeel a
Gerechtsdeurwaarderswet: artikel 3a, tweede lid
Instellingswet Autoriteit Consument en Markt: artikel 12h, eerste lid, voor zover de aanvraag is afgewezen
Invoeringswet Omgevingswet: artikel 4.45
Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a
- b. de artikelen 6.1.5, 6.1.6, tweede en derde lid, 6.1.12, vijfde lid, 6.3.2.1 tot en met 6.3.2.7 en 6.4.1
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen: artikel 21a, eerste en tweede lid
Kostenwet invordering rijksbelastingen, met uitzondering van artikel 7
- a. artikel 15, eerste lid, voor zover het betreft een weigering van de vergunning
- b. artikel 15, zesde lid, voor zover het betreft een afwijzing van het verzoek tot verlenging
- a. artikel 2.8
- b. artikel 2.13a, eerste lid, voor zover het betreft de eerste vaststelling en daarbij toepassing is gegeven aan op grond van artikel 2.24 van de Omgevingswet gestelde regels over vaststelling van geluidproductieplafonds op basis van de historische geluidproductie, vermeerderd met 1,5 dB
- c. artikel 2.21, eerste lid, in samenhang met artikel 2.21a, eerste lid, voor zover de geometrische begrenzing van het beperkingengebied niet is beperkt of uitgebreid op grond van artikel 2.21, eerste lid, ten opzichte van de afstand, bedoeld in artikel 2.21a, tweede lid
- d. artikel 2.32, voor zover het betreft de verlening of weigering van een ontheffing van een regel die is gesteld over een programma als bedoeld in afdeling 3.2
- f. artikel 2.36, tweede lid, betreffende de toepassing van artikel 121 van de Provinciewet, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap
- g. artikel 2.39
- h. artikel 3.1
- i. de artikelen 3.4, 3.6 tot en met 3.10, 3.14 en 3.15, voor zover het niet betreft een daarin opgenomen beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan
- o. een voorkeursbeslissing als bedoeld in artikel 5.47, eerste lid, onder b
- q. artikel 11.3
- t. artikel 22.18, voor zover het niet betreft een onderdeel van een programma dat voor een locatie de maatregelkeuze bevat
Participatiewet: de artikelen 52 en 81 en paragraaf 6.5
Pensioenwet: de artikelen 150m, tweede lid, 150oa, eerste lid, en 150q, tweede lid, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door het pensioenfonds
Politiewet 2012: de artikelen 18, 20, 34, 35, 36, eerste lid, 37, eerste lid, 39, derde en vijfde lid, en 52
- a. artikel 49
- b. artikel 83, tweede lid, voor zover het betreft de weigering om een besluit tot vernietiging te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging
- c. artikel 121, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning
- d. de artikelen 167, derde lid, en 179, derde lid
- e. artikel 261, voor zover het betreft de weigering om een besluit tot vernietiging te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging
- f. artikel 271, voor zover het betreft de weigering om een voordracht tot vernietiging te doen
- g. de artikelen 271a, vierde lid, en 274, tweede lid, indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 121 van de Provinciewet, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door provinciale staten, gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning
Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PbEU 2008, L 152): een kennisgeving als bedoeld in artikel 22, vierde lid
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, met uitzondering van beslissingen ten aanzien van de algemeen secretaris en de medewerkers van het bureau
Telecommunicatiewet: de artikelen 3.5, 3.5a, 3.5b, 3.22 en 18.9, eerste en tweede lid
Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten: de artikelen 2 en 4
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte: de artikelen 7, tweede, derde, vijfde, achtste en negende lid, en 7a, derde lid
Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225): de artikelen 16, 18 en 21, voor zover het betreft een weigering om een besluit te nemen of het niet tijdig nemen van een besluit;
Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PbEU 2021, L 22): de artikelen 21 tot en met 58, voor zover het betreft een weigering om een besluit te nemen of het niet tijdig nemen van een besluit
Waterschapswet: artikel 156, eerste lid, voor zover het betreft de weigering om een vernietiging te bevorderen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging
Wegenverkeerswet 1994: de artikelen 132c, vijfde lid, en 132d, tweede lid
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)