Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet)

Type Wet
Publication 2026-03-27
State In force
Source BWB
artikelen 561
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het bestaande samenstel van wettelijke regelingen inzake het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen te vervangen door een nieuwe regeling, die aan de thans te stellen eisen voldoet, en enige regels te stellen met betrekking tot bepaalde met mijnbouw verwante activiteiten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. delfstoffen: in de ondergrond aanwezige mineralen of substanties van organische oorsprong, in een aldaar langs natuurlijke weg ontstane concentratie of afzetting, in vaste, vloeibare of gasvormige toestand, met uitzondering van brongas, kalksteen, grind, zand, klei, schelpen en mengsels daarvan;
  • b. aardwarmte: in de ondergrond aanwezige warmte die aldaar langs natuurlijke weg is ontstaan;
  • c. continentaal plat: het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, waarop het Koninkrijk mede overeenkomstig het op 10 december 1982 te Montego-Bay gesloten Verdrag inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) soevereine rechten heeft en hetwelk is gelegen aan de zeezijde van de in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee bedoelde lijn;
  • d. verkenningsonderzoek: een onderzoek, zonder gebruikmaking van een boorgat, naar de aanwezigheid van delfstoffen of naar de aanwezigheid van aardwarmte, dan wel naar nadere gegevens omtrent delfstoffen of aardwarmte;
  • e. opsporen van delfstoffen: onderzoek doen naar de aanwezigheid van delfstoffen, dan wel naar nadere gegevens daaromtrent, met gebruikmaking van een boorgat;
  • f. winnen van delfstoffen: het met gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht of ander ondergronds werk onttrekken van delfstoffen aan de ondergrond anders dan in de vorm van monsters of formatiebeproevingen;
  • g. opsporen van aardwarmte: onderzoek doen naar de aanwezigheid van aardwarmte, dan wel naar nadere gegevens daaromtrent, met gebruikmaking van een boorgat;
  • h. winnen van aardwarmte: met gebruikmaking van boorgaten onttrekken van aardwarmte aan de ondergrond door het oppompen van formatiewater en het terugvoeren van dat formatiewater in het oorspronkelijke reservoirinterval, of door het uitwisselen van warmte met de ondergrond zonder het oppompen en terugvoeren van formatiewater;
  • i. opslaan van stoffen: het brengen of houden van stoffen op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem, dan wel het terughalen van die stoffen, anders dan het in de ondergrond brengen of houden of daaruit terughalen van stoffen gericht op het onttrekken van aardwarmte aan de ondergrond;
  • j. opsporingsvergunning: een vergunning voor het opsporen van delfstoffen;
  • k. winningsvergunning: een vergunning voor het winnen van delfstoffen, alsmede voor het opsporen van delfstoffen;
  • l. opslagvergunning: een vergunning voor het opslaan van stoffen;
  • m. vervallen;
  • n. mijnbouwwerk: een werk dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van werken:
  • 1°. ten behoeve van het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte;
  • 2°. ten behoeve van het opslaan van stoffen;
  • 3°. die samenhangen met de in de onderdelen 1° en 2° bedoelde werken;
  • o. mijnbouwinstallatie: een mijnbouwwerk dat verankerd is in of aanwezig is boven de bodem van een oppervlaktewater;
  • p. Onze Minister: Onze Minister van Klimaat en Groene Groei;
  • q. opsporen van CO2-opslagcomplexen: onderzoek naar opslagcomplexen met gebruikmaking van een boorgat of door het verrichten van proeven met injectie van CO2 om het opslagvoorkomen te karakteriseren;
  • r. opsporingsvergunning van CO2-opslagcomplexen: een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen;
  • s. CO2-opslagcomplex: opslagvoorkomen voor CO2 en de omringende geologische gebieden die een weerslag kunnen hebben op de algehele integriteit van de opslag en de veiligheid ervan;
  • t. opslagvoorkomen: een voorkomen dat gebruikt wordt voor opslag;
  • u. permanent opslaan van CO2: permanent opslaan van CO2 en stoffen die daarmee in directe samenhang worden opgeslagen met uitzondering van opslag van CO2 voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden of voor het beproeven van nieuwe producten en procedés indien de geplande opslagcapaciteit minder is dan 100 kiloton;
  • v. zwaar ongeval:
  • 1°. een incident met daarbij een explosie, brand of verlies van controle over de boorput of lekkage van olie, gas of gevaarlijke stoffen, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel,
  • 2°. een incident dat tot ernstige schade aan het mijnbouwwerk of de verbonden infrastructuur leidt, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel,
  • 3°. een incident leidend tot de dood of tot ernstige verwondingen van vijf of meer personen, die aanwezig zijn op het mijnbouwwerk waar het gevaar zijn oorsprong vindt of die betrokken zijn bij een olie- of gasactiviteit in verband met het mijnbouwwerk of de verbonden infrastructuur of
  • 4°. een zwaar milieuincident dat voortvloeit uit de incidenten als bedoeld onder a, b en c en dat leidt of naar verwachting zal leiden tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu, als bedoeld in richtlijn 2004/35/EG;
  • w. kennisgeving: een schriftelijke aankondiging van een voorgenomen activiteit;
  • x. exploitant: een houder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of indien er meerdere houders van de vergunning zijn, één van de vergunninghouders die overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, is aangewezen om de feitelijke werkzaamheden te verrichten of daartoe opdracht te verlenen;
  • y. boorgatactiviteit: elke activiteit, met inbegrip van het opschorten daarvan, met betrekking tot een boorgat waarbij per ongeluk stoffen kunnen vrijkomen, wat mogelijk tot een zwaar ongeval kan leiden, waarbij het in ieder geval gaat om:
  • 1°. het boren van een boorgat ten behoeve van de opsporing of winning van koolwaterstoffen,
  • 2°. het herstellen of aanpassen van een boorgat of
  • 3°. het definitief verlaten van een boorgat;
  • z. gecombineerde activiteit:
  • 1°. een activiteit die wordt uitgevoerd vanaf een mijnbouwwerk samen met één of meerdere andere mijnbouwwerken ten behoeve van aan het andere mijnbouwwerk gerelateerde doeleinden, waarbij de risico’s voor de veiligheid van personen of de bescherming van het milieu op één of alle mijnbouwwerken aanzienlijk wordt beïnvloed of
  • 2°. het gelijktijdig uitvoeren van werkzaamheden;
  • aa. onafhankelijke verificatie: een beoordeling en bevestiging van de geldigheid van bepaalde schriftelijke verklaringen, door een entiteit of organisatorisch onderdeel van de vergunninghouder of eigenaar van een mijnbouwwerk die niet onder de controle of invloed valt van de entiteit die of het organisatorisch onderdeel dat de verklaringen gebruikt;
  • ab. productie-installatie: een mijnbouwwerk dat gebruikt wordt voor het winnen of bewerken van koolwaterstoffen, met uitzondering van installaties, die bij of krachtens de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s zijn aangewezen voor de uitvoering van de Seveso-richtlijn en buisleidingen waarvoor bij of krachtens de Omgevingswet een veiligheidsbeheerssysteem verplicht is gesteld;
  • ac. niet-productie-installatie: een mijnbouwwerk niet zijnde een productie-installatie en niet zijnde een mijnbouwwerk bestemd voor:
  • 1°. het winnen van zout;
  • 2°. het winnen van aardwarmte;
  • 3°. het opslaan van stoffen;
  • 4°. een installatie, die bij of krachtens de Omgevingswet is aangewezen voor de uitvoering van de Seveso-richtlijn of
  • 5°. een buisleiding waarvoor bij of krachtens de Omgevingswet een veiligheidsbeheerssysteem verplicht is gesteld;
  • ad. richtlijn 2013/30/EU: richtlijn 2013/30/EU van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178);
  • ae. richtlijn 2008/56/EG: richtlijn 2008/56/EG van het Europees parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PbEU 2008, L 164);
  • af. essentiële wijziging: wezenlijke verandering die de kern betreffen;
  • ag. pijpleiding:
  • 1°. leiding die twee of meer mijnbouwwerken met elkaar verbindt ten behoeve van het vervoer van stoffen, te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;
  • 2°. andere leiding dan bedoeld onder 1°, aan te wijzen door Onze Minister, die een mijnbouwwerk verbindt met een ander werk ten behoeve van het vervoer van stoffen te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;
  • ah. risicobeoordeling: wetenschappelijke of anderszins geobjectiveerde beoordeling, die bestaat uit een gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingschatting en risicokarakterisatie;
  • ai. beheerder: natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een werk wordt aangelegd, gebruikt dan wel in stand gehouden;
  • aj. buiten werking: een situatie, waarin een mijnbouwwerk, kabel of pijpleiding, bestemd voor het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan van stoffen of het opsporen van CO2-opslagcomplexen niet meer als zodanig in werking is;
  • ak. buiten gebruik stellen van een boorgat: het permanent afsluiten van een boorgat;
  • al. kabel: leiding voor het vervoer van elektriciteit of elektronische signalen die:
  • 1°. twee of meer mijnbouwwerken verbindt of
  • 2°. tussen een mijnbouwwerk en een ander werk ligt en door Onze Minister is aangewezen;
  • am. toewijzing zoekgebied aardwarmte: het exclusieve recht om in een bepaald gebied een startvergunning aardwarmte aan te vragen;
  • an. startvergunning aardwarmte: een vergunning om aardwarmte op te sporen en gedurende de looptijd van de vergunning te winnen;
  • ao. vervolgvergunning aardwarmte: een vergunning om aardwarmte gedurende de looptijd van de vergunning te winnen;
  • ap. uitvoerder aardwarmte: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 24z, die in opdracht van de vergunninghouder de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot het opsporen en winnen van aardwarmte uitvoert of daartoe opdracht verleent;
  • aq. invloedssfeer: gebied in de ondergrond waar als gevolg van winning van aardwarmte een daling in temperatuur plaatsvindt;
Artikel 2
1.

Deze wet is mede van toepassing op het continentaal plat.

2.

Deze wet, met uitzondering van artikel 51, is met betrekking tot delfstoffen slechts van toepassing, voorzover de delfstoffen op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig zijn.

3.

Deze wet is met betrekking tot aardwarmte slechts van toepassing, voorzover de aardwarmte op een diepte van meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig is.

Artikel 3
1.

Delfstoffen zijn eigendom van de staat.

2.

De eigendom van delfstoffen die met gebruikmaking van een winningsvergunning worden gewonnen, gaat door het winnen daarvan over op de vergunninghouder met dien verstande dat in het geval een overeenkomst als bedoeld in artikel 93, eerste lid, tot stand is gekomen, een deel van de delfstoffen in eigendom overgaat op de vennootschap, bedoeld in artikel 82, eerste lid, voor een percentage als bedoeld in artikel 94, tweede lid, onder a, dat krachtens overeenkomst voor de vennootschap geldt.

3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van delfstoffen die met gebruikmaking van een opsporingsvergunning in de vorm van monsters of formatiebeproevingen aan de ondergrond worden onttrokken.

4.

De eigendom van stoffen die met gebruikmaking van een opslagvergunning worden teruggehaald, komt door het terughalen daarvan te berusten bij degene die eigenaar was van de stoffen direct voorafgaande aan het in de ondergrond brengen daarvan, dan wel bij degene die ten tijde van het terughalen de rechtsopvolger is van die eigenaar.

5.

De staat wordt voor alle met de eigendom van delfstoffen verband houdende handelingen vertegenwoordigd door Onze Minister.

Artikel 4

De rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte van de aardbodem, die een gedoogplicht heeft als bedoeld in artikel 10.9 van de Omgevingswet, heeft recht op een door Onze Minister vast te stellen vergoeding voor het gebruik van de oppervlakte van de houder van een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen, onverminderd het recht dat de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte heeft op vergoeding van de door deze activiteiten veroorzaakte schade, bedoeld in afdeling 15.2 van de Omgevingswet. De hoogte van de vergoeding voor het gebruik is afhankelijk van de impact van het mijnbouwwerk op de gebruiksrechten en waarde van de oppervlakte voor de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte.

Artikel 5

Vervallen

Hoofdstuk 2. Vergunningen voor opsporen en winnen van delfstoffen en aardwarmte

§ 2.1. Algemene bepalingen

Artikel 6

Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister:

  • a. delfstoffen op te sporen;
  • b. delfstoffen te winnen.
Artikel 7
1.

Een vergunning wordt niet verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een gebied waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander gehouden vergunning voor dezelfde delfstof geldt.

2.

Een vergunning wordt evenmin verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een voorkomen waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander gehouden opslagvergunning geldt.

3.

Een vergunning wordt evenmin verleend, voor zover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een gebied dat is gelegen binnen het op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen Natura 2000-gebied Waddenzee.

4.

Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de in artikel 11, eerste lid, bedoelde andere delfstoffen.

Artikel 8

Een winningsvergunning wordt slechts verleend, indien aannemelijk is dat de delfstoffen binnen het gebied waarvoor de vergunning zal gelden economisch winbaar zijn.

Artikel 9
1.

Onverminderd de artikelen 7 en 8 kan een vergunning slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd:

  • a. op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager,
  • b. op grond van de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten voor opsporing of winning te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
  • c. op grond van het gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin, daaronder mede verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin, waarvan de aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25, eerste lid onder een eerdere vergunning,
  • d. indien een keuze moet worden gemaakt uit twee of meer aanvragen om een vergunning die bij een beoordeling op grond van de onderdelen a, b en c gelijkwaardig zijn gebleken, in het belang van het doelmatig en voortvarend opsporen en winnen,
  • e. indien:
  • 2°. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 regels zijn gesteld over:
  • –. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof,
  • –. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
  • –. de soort activiteit, of
  • –. de soort delfstof,
  • f. indien het in de aanvraag aangeduide gebied door Onze Minister niet geschikt wordt geacht voor de in de aanvraag vermelde activiteit om reden van het belang van:
  • 1°. de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat,
  • 2°. het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
  • 3°. nadelige gevolgen die voor het milieu worden veroorzaakt, of
  • 4°. nadelige gevolgen die voor de natuur worden veroorzaakt.
2.

Een vergunning kan op grond van de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op te leggen verplichtingen als bedoeld in de artikelen 46, 47 en 102.

3.

Met het oog op de toepassing van het eerste en tweede lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld die bij de beslissing op een aanvraag om een vergunning in acht worden genomen. Zodanige regels worden in elk geval gesteld met betrekking tot opsporings- en winningsvergunningen voor koolwaterstoffen.

4.

Van de plaatsing in de Staatscourant van een regeling als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid wordt mededeling gedaan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Van een besluit tot wijziging van zodanige regeling wordt eveneens mededeling gedaan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 10
1.

Onverminderd de artikelen 7 en 8 wordt de houder van een opsporingsvergunning die met gebruikmaking van die vergunning de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen heeft aangetoond, op zijn aanvraag, ingediend gedurende de geldingsduur van die vergunning, een winningsvergunning voor die delfstoffen verleend voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning geldt. Indien de opsporingsvergunning geldt voor een gebied dat niet overeenkomstig artikel 11, vijfde lid, is begrensd en de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen slechts in een deel van het gebied is aangetoond, wordt de winningsvergunning verleend voor het deel van het gebied, waarvoor verlening uit geologisch oogpunt gerechtvaardigd is.

2.

Het eerste lid geldt niet, indien weigering van de winningsvergunning gerechtvaardigd wordt door een van de in artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c, e en f, genoemde gronden. Artikel 9, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is ingediend, blijft de opsporingsvergunning, voorzover deze betrekking heeft op het aangevraagde gebied, tenminste gelden tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist onherroepelijk wordt. Indien een winningsvergunning wordt verleend, vervalt op het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt, voor het gebied waarvoor de winningsvergunning geldt, de opsporingsvergunning voor de betrokken delfstoffen. Voorzover hierdoor voorschriften als bedoeld in artikel 12 vervallen die nog niet zijn uitgewerkt, gaan zij gelden als voorschriften die zijn verbonden aan de winningsvergunning.

§ 2.2. Beperkingen en voorschriften

Artikel 11
1.

In een vergunning wordt bepaald voor welke in artikel 6 bedoelde activiteiten en voor welke delfstoffen zij geldt. Indien in een winningsvergunning is opgenomen dat zij geldt voor bepaalde delfstoffen, geldt zij tevens voor andere delfstoffen die onvermijdelijk meekomen en aardwarmte die onvermijdelijk meekomt met de winning van die bepaalde delfstoffen.

2.

In een vergunning wordt bepaald voor welk tijdvak zij geldt. Dit geschiedt zodanig dat het tijdvak niet langer is dan noodzakelijk om de activiteiten, waarvoor de vergunning wordt verleend, te verrichten.

3.

In een vergunning wordt bepaald voor welk gebied zij geldt. Ten behoeve van de afbakening van het gebied wordt de begrenzing aan de oppervlakte aangegeven. Tenzij de vergunning anders bepaalt, wordt het gebied gevormd door het aangegeven oppervlak en de ondergrond daarvan.

4.

De afbakening van het gebied geschiedt zodanig dat de uitoefening van de activiteiten uit technisch en economisch oogpunt op zo goed mogelijke wijze kan plaatsvinden. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met het oog op de toepassing van de vorige volzin met betrekking tot een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen.

5.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een opsporingsvergunning voor daarbij aangegeven delfstoffen slechts kan worden verleend voor een gebied, waarvan de begrenzing een gevolg is van een voorafgaande geometrische verdeling van het gebied waarvoor deze wet geldt of van een deel daarvan. In dat geval is het vierde lid niet van toepassing.

Artikel 12
1.

In een opsporingsvergunning wordt bepaald binnen welke tijdvakken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, de in de vergunning aangegeven opsporingsactiviteiten dienen te worden verricht. In de vergunning kan tevens worden bepaald binnen welke tijdvakken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, de in de vergunning aangegeven verkenningsonderzoeken dienen te worden verricht.

2.

In een vergunning voor opsporing en winning van koolwaterstoffen wordt de omvang van de middelen bepaald die de houder van de vergunning verplicht is aan te houden om te voldoen aan financiële verplichtingen die voort kunnen vloeien uit aansprakelijkheden voor schade door zware ongevallen met mijnbouwwerken.

Artikel 13

Een vergunning kan onder andere beperkingen dan die bedoeld in artikel 11 worden verleend of aan een vergunning kunnen andere voorschriften dan die bedoeld in de artikelen 12 en 98 worden verbonden uitsluitend in verband met:

  • a. de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten voor opsporing of winning te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
  • c. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:
  • 1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof,
  • 2°. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
  • 3°. de soort activiteit, of
  • 4°. de soort delfstof,
  • d. de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
  • e. het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot opslaan van stoffen,
  • f. de nadelige gevolgen die voor het milieu worden veroorzaakt,
  • g. de nadelige gevolgen die voor de natuur worden veroorzaakt, of
  • h. het belang van de landsverdediging.

§ 2.2. Beperkingen en voorschriften

Artikel 14

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanvraag om een vergunning dient te geschieden en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke daarbij moeten worden overgelegd.

Artikel 15
1.

Zodra een aanvraag om een vergunning is ingediend, worden anderen in de gelegenheid gesteld om aanvragen om een soortgelijke vergunning in te dienen voor dezelfde delfstof voor hetzelfde gebied.

2.

Onze Minister plaatst hiertoe een uitnodiging in de Staatscourant. De uitnodiging maakt melding van het bepaalde in artikel 17. Indien het een aanvraag om een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen betreft, wordt de uitnodiging tevens geplaatst in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.

Anderen kunnen aanvragen indienen tot dertien weken na de dag van plaatsing van de uitnodiging in de Staatscourant of, ingeval het koolwaterstoffen betreft, het Publicatieblad van de Europese Unie.

4.

De procedure, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, wordt niet toegepast met betrekking tot:

  • b. een aanvraag om een winningsvergunning die wordt ingediend door de houder van een opsporings- of winningsvergunning naar aanleiding van de aantoning van een voorkomen, waarvan aannemelijk is dat het zich gedeeltelijk in zijn gebied en gedeeltelijk in het aangevraagde aangrenzende gebied bevindt;
  • c. een aanvraag voor een gebied, waarvoor op grond van artikel 7 geen vergunning wordt verleend;
  • d. een aanvraag die wordt ingediend overeenkomstig het derde lid.
5.

In het geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, stelt Onze Minister anderen die ten tijde van de in dat onderdeel bedoelde indiening houder zijn van een opsporings- of winningsvergunning voor dezelfde delfstof, voor gebieden die grenzen aan het in dat onderdeel bedoelde aangevraagde aangrenzende gebied, in de gelegenheid om tot dertien weken na die indiening een aanvraag om een winningsvergunning voor die delfstof voor dat gebied in te dienen.

Artikel 16
1.

Gedeputeerde staten van de provincie waarop de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft worden in de gelegenheid gesteld binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn advies uit te brengen over de ingediende aanvraag.

2.

Gedeputeerde staten betrekken bij het advies:

  • a. het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft en
  • b. het dagelijks bestuur van de waterschappen van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft met het oog op waterkwaliteit, waterkwantiteit en infrastructurele werken.
Artikel 17
1.

Onze Minister beslist op een aanvraag om een vergunning binnen zes maanden na de ontvangst daarvan. Indien artikel 15, eerste of vijfde lid, toepassing heeft gevonden, beslist Onze Minister op alle aanvragen binnen zes maanden na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 15, derde, onderscheidenlijk vijfde lid.

2.

Onze Minister kan de termijn, waarbinnen hij op een aanvraag beslist, eenmaal met ten hoogste zes maanden verlengen.

3.

In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister de termijn, waarbinnen hij op een aanvraag beslist, tweemaal met ten hoogste een jaar verlengen indien de aanvraag betrekking heeft op:

4.

Van een beschikking tot verlening van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

§ 2.4. Wijziging, overgang en intrekking

Artikel 18
1.

Onverminderd artikel 32c kan Onze Minister een vergunning slechts wijzigen:

  • a. op aanvraag van de houder van de vergunning,
  • b. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake de manier waarop de aanvrager de activiteiten voor opsporing of winning verricht of voornemens is te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
  • d. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:
  • 1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof,
  • 2°. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
  • 3°. de soort activiteit,
  • 4°. de soort delfstof,
  • e. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
  • f. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
  • h. voor zover de vergunning geldt voor een gebied gelegen binnen de Waddenzee als aangewezen krachtens de Omgevingswet of op de Waddeneilanden, of
  • i. voor zover de vergunning geldt voor het op grond van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Trb. 1973, 155) aangewezen werelderfgoedgebied Waddenzee.
2.

Een vergunning kan niet zodanig worden gewijzigd dat zij komt te gelden voor:

  • a. andere activiteiten of andere delfstoffen;
  • b. een groter gebied.
3.

Een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een vergunning geldt wordt slechts ingewilligd, indien het in de vergunning vastgestelde tijdvak onvoldoende is om de activiteiten, waarvoor de vergunning geldt, te voltooien en deze activiteiten zijn verricht in overeenstemming met de vergunning. In een beschikking, waarbij het tijdvak waarvoor een vergunning geldt wordt verlengd, kan het gebied waarvoor die vergunning geldt worden beperkt tot een deel van het gebied. Artikel 11, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

In afwijking van het derde lid wordt een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een vergunning geldt afgewezen indien de vergunning geldt voor een gebied dat is gelegen binnen het op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen Natura 2000-gebied Waddenzee.

5.

Een aanvraag om verkleining van het gebied waarvoor een vergunning geldt, wordt slechts ingewilligd met inachtneming van artikel 11, derde en vierde lid.

6.

Van een beschikking tot wijziging van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 19

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  • a. het splitsen van een vergunning, waardoor twee of meer vergunningen voor twee of meer gebieden ontstaan;
  • b. het samenvoegen van twee of meer vergunningen, waardoor een vergunning voor een gebied ontstaat.
Artikel 20
1.

De houder van een vergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. Artikel 7, tweede lid, en artikel 9, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel d, zijn van overeenkomstige toepassing. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden. Een toestemming kan onder beperkingen worden verleend.

2.

Indien de houder van een vergunning een deel van zijn vergunning op een ander wil doen overgaan, dient hij tevens een aanvraag in om splitsing van de vergunning als bedoeld in artikel 19, onderdeel a.

3.

Van een beschikking tot verlening van toestemming wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

4.

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de schriftelijke toestemming, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 21
1.

Onze Minister kan een vergunning slechts geheel of gedeeltelijk intrekken:

  • a. indien de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest,
  • b. indien de vergunning niet langer nodig is voor de goede uitvoering van de activiteiten waarvoor zij geldt,
  • c. indien dit wordt gerechtvaardigd door een wijziging in de technische of financiële mogelijkheden van de houder,
  • d. indien niet overeenkomstig de vergunning is of wordt gehandeld,
  • e. indien voor de houder van de vergunning of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon als zodanig geldende regels niet worden nageleefd,
  • f. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake de manier waarop de aanvrager de activiteiten voor opsporing of winning verricht of voornemens is te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
  • h. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:
  • 1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof,
  • 2°. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
  • 3°. de soort activiteit, of
  • 4°. de soort delfstof,
  • i. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
  • j. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
  • l. voor zover de vergunning geldt voor een gebied gelegen binnen de Waddenzee als aangewezen krachtens de Omgevingswet of op de Waddeneilanden, of
  • m. voor zover de vergunning geldt voor het op grond van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Trb. 1973, 155) aangewezen werelderfgoedgebied Waddenzee.
2.

Onze Minister gaat niet over tot gehele of gedeeltelijke intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel d of e, dan nadat hij de houder schriftelijk heeft gewaarschuwd en de houder of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon zich na de waarschuwing voortdurend of opnieuw aan de overtreding schuldig maakt.

3.

Onze Minister kan een winningsvergunning op aanvraag van de houder geheel of gedeeltelijk intrekken. Een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking kan slechts worden afgewezen, indien het noodzakelijk is dat de houder een aan de vergunning verbonden voorschrift of een voor hem als zodanig geldende regel naleeft.

4.

De houder van een opsporingsvergunning kan met een schriftelijke verklaring aan Onze Minister afstand doen van de vergunning met dien verstande dat de vergunning niet eerder vervalt dan met ingang van de dag nadat:

  • a. Onze Minister de verklaring heeft ontvangen en
  • b. de houder van de vergunning een aan de vergunning verbonden voorschrift of een voor hem als zodanig geldende regel heeft nageleefd.
5.

De vergunning vervalt van rechtswege:

  • a. als de houder een natuurlijke persoon is, met ingang van de dag na die waarop die persoon is overleden;
  • b. als de houder een rechtspersoon is, met ingang van de dag na die waarop die persoon heeft opgehouden te bestaan.
6.

Van een beschikking tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning of van het vervallen van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

§ 2.5. Bijzondere bepalingen

Artikel 22
1.

Dit artikel is van toepassing op het houden van een vergunning door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon.

2.

Bij de aanvraag om een vergunning worden de personen gezamenlijk als aanvrager van de vergunning beschouwd. Na verlening worden zij gezamenlijk als houder van de vergunning beschouwd.

3.

Artikel 20 is van overeenkomstige toepassing als een van de personen zijn aandeel in de vergunning op een ander wil doen overgaan.

4.

In afwijking van artikel 21, vijfde lid, vervalt de vergunning niet als één van de houders die een natuurlijke persoon is, overlijdt dan wel één van de houders die een rechtspersoon is, ophoudt te bestaan, maar gaat diens aandeel in de vergunning over op de medehouders.

5.

Een van de personen wordt aangewezen om de feitelijke werkzaamheden te verrichten of daartoe opdracht te verlenen. Het verrichten van de feitelijke werkzaamheden of het verlenen van opdracht daartoe is slechts aan de aangewezen persoon toegestaan.

6.

De aanwijzing geschiedt voor de eerste maal in de vergunning.

7.

De houder van de vergunning kan uit zijn midden een andere persoon aanwijzen, nadat hij daartoe van Onze Minister schriftelijk toestemming heeft gekregen.

8.

Indien de aangewezen persoon niet meer in staat is tot het verrichten van de feitelijke werkzaamheden of het verlenen van opdracht daartoe, trekt Onze Minister de aanwijzing in. Indien geen van de personen is aangewezen, wijst Onze Minister een van hen aan.

9.

Onze Minister neemt de besluiten die verband houden met de aanwijzing op basis van de in artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c, genoemde gronden. Artikel 9, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23
1.

De houder van een winningsvergunning voor koolwaterstoffen gaat niet over tot het winnen uit een voorkomen dat naar redelijkerwijs kan worden aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, zolang geen overeenkomst van kracht is als bedoeld in artikel 42, tweede lid, tenzij Onze Minister ontheffing heeft verleend van de verplichting om een overeenkomst te sluiten.

2.

Indien tijdens of na het winnen van koolwaterstoffen blijkt of is gebleken dat het desbetreffende voorkomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, is de vergunninghouder, bedoeld in het eerste lid, verplicht terstond na het bekend worden van dat feit de voor het aangrenzende gebied tot het winnen van de delfstoffen gerechtigde daarvan in kennis te stellen en medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst als bedoeld in artikel 42, tweede lid, eerste volzin. Artikel 42, tweede lid, tweede tot en met vierde volzin, zijn van toepassing.

Artikel 24

Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 6, is niet van toepassing op het opsporen of het winnen van delfstoffen in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid. Bij het nemen van een besluit omtrent een vergunning voor deze activiteiten sluit Onze Minister aan bij de bepalingen van dit hoofdstuk, voorzover dit met het bijzondere karakter van de vergunning te verenigen is.

Hoofdstuk 3. Vergunningen voor het opslaan van stoffen en voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen

Artikel 25
1.

Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister:

  • a. stoffen op te slaan;
  • b. CO2-opslagcomplexen op te sporen.
2.

Het verbod geldt niet met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur omschreven categorieën van gevallen.

3.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 26
1.

Een opslagvergunning wordt niet verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een gebied waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander gehouden opslagvergunning geldt.

2.

Een opslagvergunning wordt evenmin verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een voorkomen waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander gehouden vergunning als bedoeld in artikel 6 geldt of waarvoor een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt.

3.

Ingeval aan een houder van een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen een opslagvergunning voor hetzelfde gebied en voor dezelfde stof is verleend, vervalt de opsporings- of winningsvergunning op het tijdstip waarop de verleende opslagvergunning onherroepelijk wordt.

4.

Met ingang van het tijdstip waarop een winningsvergunning als bedoeld in het derde lid vervalt, gelden de delfstoffen in het gebied waarvoor de winningsvergunning gold, als stoffen die na winning door de houder van de opslagvergunning, bedoeld in het derde lid, zijn opgeslagen en waarvan de eigendom bij hem berust.

5.

Het derde lid is niet van toepassing op een houder van een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen indien hem voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze leden een onherroepelijke opslagvergunning voor hetzelfde gebied en voor dezelfde stof is verleend.

6.

In afwijking van het eerste lid wordt een vergunning voor het permanent opslaan van CO2 of een vergunning voor opsporen van CO2-opslagcomplexen niet verleend voor zover de vergunning bij de inwerkingtreding ervan zou gaan gelden voor een CO2-opslagcomplex waarvoor op dat tijdstip reeds een vergunning als bedoeld in artikel 25 geldt, ongeacht wie de houder van de desbetreffende vergunning is.

7.

In afwijking van het tweede lid kan voor een voorkomen waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 6 geldt, ten hoogste één vergunning voor permanent opslaan van CO2 of een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen worden verleend.

Artikel 27
1.

Onverminderd artikel 26 kan een opslagvergunning slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd:

  • a. op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager,
  • b. op grond van de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten voor het opslaan van stoffen te verrichten, waaronder de daarbij te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
  • c. op grond van het gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin waarvan de aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten onder een eerdere vergunning op grond van deze wet,
  • d. in het belang van de veiligheid voor omwonenden en het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
  • e. in het belang van de landsverdediging,
  • f. in het belang van een planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
  • g. ter nakoming van het op 7 november 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het op 29 december 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen (Trb. 1998, 134 en Trb. 2000, 27),
  • h. indien het algemeen belang vereist dat het gebied waarvoor een opslagvergunning wordt aangevraagd, wordt gebruikt voor de opslag van andere dan in de aanvraag omschreven stoffen,
  • i. indien een keuze moet worden gemaakt uit twee of meer aanvragen om een vergunning die bij een beoordeling op grond van de onderdelen a tot en met h gelijkwaardig zijn gebleken, in het belang van het doelmatig en voortvarend opslaan,
  • k. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:
  • 1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van het opslaan van stoffen,
  • 2°. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
  • 3°. de soort activiteit, of
  • 4°. de soort stof die wordt opgeslagen.
2.

Een vergunning kan op grond van de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op te leggen verplichtingen als bedoeld in de artikelen 46, 47 en 102.

3.

Onverminderd artikel 26 wordt een vergunning voor permanent opslaan van CO2 geweigerd indien:

  • a. bij opslag onder de voorgestelde exploitatievoorwaarden een significant risico van lekkage bestaat of significante milieu- of gezondheidsrisico’s bestaan;
  • b. door verlening van de vergunning zich in dezelfde hydraulische eenheid meer dan één opslagvoorkomen zou gaan bevinden en de potentiële drukinteracties zodanig zijn dat beide voorkomens niet tegelijk aan de eisen van veiligheid kunnen voldoen.
4.

Met het oog op de toepassing van het eerste, tweede en derde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld, die bij de beslissing op een aanvraag om een vergunning in acht worden genomen.

Artikel 28

In een opslagvergunning anders dan een vergunning voor permanent opslaan van CO2 wordt bepaald voor welke stoffen, voor welk gebied en voor welk tijdvak zij geldt. Daarbij wordt bepaald dat:

  • a. de in de ondergrond gebrachte stoffen voor een in de vergunning geregeld tijdstip teruggehaald moeten worden, of
  • b. de stoffen definitief in de ondergrond achtergelaten moeten worden.
Artikel 29
1.

Een opslagvergunning kan voorts onder andere beperkingen dan die bedoeld in artikel 28 worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

2.

De beperkingen en voorschriften, anders dan de voorschriften op grond van artikel 98, kunnen slechts worden gerechtvaardigd door het belang van de veiligheid voor omwonenden, het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan, de landsverdediging of het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.

3.

In afwijking van het tweede lid kunnen aan een vergunning voor permanent opslaan van CO2 ook beperkingen en voorschriften als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, worden verbonden.

4.

In aanvulling op het tweede lid kan een vergunning onder beperkingen worden verleend of kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden:

  • a. in verband met de manier waarop de aanvrager de activiteiten voor het opslaan van stoffen verricht of voornemens is te verrichten, waaronder de daarbij te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
  • c. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:
  • 1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied voor het opslaan van stoffen,
  • 2°. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
  • 3°. de soort activiteit, of
  • 4°. de soort stof die wordt opgeslagen.
Artikel 30
1.

Onze Minister kan een opslagvergunning wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken, indien dit wordt gerechtvaardigd op grond van de in artikel 29, tweede, derde en vierde lid, genoemde gronden.

2.

Voorts kan Onze Minister een opslagvergunning wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken, indien niet wordt voldaan aan artikel 39a.

3.

Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister ook op grond van artikel 31h een vergunning voor permanent opslaan van CO2 wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken.

4.

Van een beschikking tot wijziging of gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 31

De houder van een opslagvergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. De artikelen 20, tweede en derde lid, artikel 26, tweede en zevende lid, en 27 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32
1.

Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22 en een exploitant van een transportnetwerk als bedoeld in artikel 21 van de CCS-richtlijn zijn verplicht op voorwaarden die redelijk, transparant en niet-discriminerend zijn voor degene die daarom verzoekt CO2 in zijn opslagvoorkomen op te slaan respectievelijk door zijn transportnetwerk te transporteren.

2.

Een houder en een exploitant als bedoeld in het eerste lid kunnen het verzoek om opslag of transport weigeren op grond van een gebrek aan capaciteit, verbindingsmogelijkheden of onverenigbaarheid van technische specificaties.

3.

Beroep op een gebrek aan capaciteit of verbindingsmogelijkheden kan niet worden gedaan indien de houder en de exploitant, bedoeld in het eerste lid, het gebrek kunnen opheffen met het uitvoeren van de nodige capaciteitsverhogende werkzaamheden voor zover dit economisch verantwoord is of de verzoeker bereid is de werkzaamheden te betalen en de uit te voeren werkzaamheden geen negatief effect hebben op de milieuveiligheid van het transport en de opslag van CO2.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.

Hoofdstuk 4. De zorg voor een goede uitvoering van activiteiten

§ 4.1. Algemene verplichtingen

Artikel 33
1.

De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25, dan wel, ingeval de vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de met gebruikmaking van de vergunning verrichte activiteiten:

  • a. nadelige gevolgen voor mens en milieu worden veroorzaakt,
  • b. schade door bodembeweging wordt veroorzaakt,
  • c. de veiligheid wordt geschaad, of
  • d. het belang van een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen of aardwarmte wordt geschaad.
2.

De houder van een vergunning voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen neemt alle noodzakelijke maatregelen om de gevolgen van een zwaar ongeval voor mens en milieu te beperken.

3.

Een houder van een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte dan wel de laatste houder van een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de verrichte activiteiten:

  • a. nadelige gevolgen voor mens en milieu worden veroorzaakt;
  • b. schade door bodembeweging wordt veroorzaakt;
  • c. de veiligheid wordt geschaad.
4.

Een uitvoerder aardwarmte draagt zorg voor een goede en veilige uitvoering van het opsporen en winnen van aardwarmte en neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de verrichte activiteiten:

  • a. nadelige gevolgen voor mens en milieu worden veroorzaakt;
  • b. schade door bodembeweging wordt veroorzaakt;
  • c. de veiligheid wordt geschaad.
Artikel 34
1.

Het winnen van delfstoffen vanuit een voorkomen geschiedt overeenkomstig een winningsplan.

2.

De houder van een winningsvergunning of de krachtens artikel 22 aangewezen persoon dient een winningsplan in bij Onze Minister.

3.

Het winningsplan behoeft de instemming van Onze Minister.

4.

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, op:

  • a. de voorbereiding van een besluit omtrent instemming met een winningsplan en
  • b. de voorbereiding van een besluit omtrent wijziging van een instemming met een winningsplan en de voorbereiding van een besluit tot instemming met een gewijzigd of geactualiseerd winningsplan, tenzij de wijziging of actualisatie van ondergeschikte aard is omdat deze naar het oordeel van Onze Minister niet leidt tot een andere beoordeling van:
  • 1°. de effecten van de wijze van winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten,
  • 2°. de effecten van de bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging,
  • 3°. de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan.
5.

Onze Minister stelt in de gelegenheid advies uit te brengen over een instemming met een winningsplan als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, of een besluit omtrent wijziging van een instemming met een winningsplan of een besluit tot instemming met een gewijzigd of geactualiseerd winningsplan als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b:

  • a. gedeputeerde staten van een provincie binnen het gebied waarop een winningsplan betrekking heeft,
  • b. burgemeester en wethouders van een gemeente binnen het gebied waarop het winningsplan betrekking heeft en
  • c. het dagelijks bestuur van een waterschap binnen het gebied waarop een winningsplan betrekking heeft.
6.

Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.

7.

Afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op een besluit tot instemming met een winningsplan of een gewijzigd of geactualiseerd winningsplan voor koolwaterstoffen met dien verstande dat:

  • 1°. de instemming met het winningsplan, bedoeld in het derde lid,
  • 3°. andere daarvoor in aanmerking komende besluiten die door Onze Minister of Onze Minister die het aangaat worden genomen, waaronder omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de Omgevingswet en besluiten tot het stellen van maatwerkvoorschriften over activiteiten als bedoeld in artikel 4.30, 4.35 of 4.38 van de Omgevingswet.
8.

Het eerste, zesde en zevende lid is niet van toepassing op het winnen van delfstoffen in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid.

Artikel 35
1.

Het winningsplan bevat voor elk voorkomen binnen het vergunningsgebied ten minste een beschrijving van:

  • a. de verwachte hoeveelheid aanwezige delfstoffen en de ligging ervan;
  • b. de duur van de winning;
  • c. de wijze van winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten;
  • d. een schatting van de verwachte hoeveelheid per jaar te winnen delfstoffen;
  • e. de kosten op jaarbasis van het winnen van de delfstoffen;
  • f. de bodembeweging ten gevolge van de winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging, voorzover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, tenzij Onze Minister anders heeft bepaald;
  • g. de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan met een risicobeoordeling, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat.
2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het winningsplan.

Artikel 36
1.

Onze Minister kan zijn instemming met het opgestelde winningsplan slechts geheel of gedeeltelijk weigeren:

  • a. indien het in het winningsplan aangeduide gebied door Onze Minister niet geschikt wordt geacht voor de in het winningsplan vermelde activiteit om reden van het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
  • b. in het belang van het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
  • c. indien nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan,
  • d. indien nadelige gevolgen voor de natuur worden veroorzaakt, of
  • e. op grond van het gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin, daaronder mede verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin, waarvan de vergunninghouder blijk heeft gegeven bij activiteiten onder deze vergunning of een eerdere vergunning op grond van deze wet.
2.

Onze Minister kan zijn instemming verlenen onder beperkingen of daaraan voorschriften verbinden, indien deze gerechtvaardigd worden door een grond als genoemd in het eerste lid.

3.

Onze Minister kan zijn instemming intrekken of beperkingen en voorschriften stellen of wijzigen, indien dat gerechtvaardigd wordt door veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake een grond als genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met d.

4.

Onze Minister weigert de instemming met een winningsplan voor het winnen van delfstoffen, voor zover de winning zou geschieden uit een voorkomen dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen het op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen Natura 2000-gebied Waddenzee.

5.

Onze Minister weigert de instemming met de wijziging van een winningsplan voor het winnen van delfstoffen uit een voorkomen dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen het op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen Natura 2000-gebied Waddenzee, voor zover die wijziging een verlenging van het tijdvak of een uitbreiding van de omvang van de winning betreft.

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39
1.

De artikelen 34 tot en met 36 zijn van overeenkomstige toepassing op het opslaan van stoffen.

2.

Het eerste lid blijft buiten toepassing voor zover hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, toepassing vindt.

Artikel 40

Vervallen

Artikel 41
1.

Met het oog op de kans op beweging van de aardbodem worden metingen verricht voor de aanvang van het winnen van delfstoffen, tijdens het winnen en tot dertig jaar na het beëindigen van het winnen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent deze metingen en de rapportage over de uitkomsten daarvan, waarbij in elk geval wordt bepaald dat de rapportage een analyse van de metingen bevat.

2.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het opslaan van stoffen.

3.

Dit artikel geldt, tenzij in de desbetreffende vergunning anders is bepaald, niet met betrekking tot het winnen van delfstoffen of het opslaan van stoffen in het continentaal plat en onder de territoriale zee, voorzover het winnen of het opslaan plaatsvindt vanuit of in een voorkomen dat gelegen is aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.

4.

De verplichtingen van dit artikel rusten op de houder van de desbetreffende, in artikel 6 of 25 bedoelde vergunning, dan wel, indien de vergunning haar geldigheid heeft verloren, op de laatste houder van de vergunning. Indien de vergunning wordt gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, rusten de verplichtingen van dit artikel op de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon, dan wel, indien de vergunning haar geldigheid heeft verloren, de laatstelijk op grond van dat artikel aangewezen persoon.

Artikel 42
1.

Indien een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt voor een gebied waarvoor een ander een in dit lid genoemde vergunning houdt, kan Onze Minister de vergunninghouder verplichten in een door hem te bepalen omvang te gedogen dat de houder van die andere vergunning zijn daaruit voortvloeiende rechten uitoefent.

2.

Indien een vergunning voor het winnen van delfstoffen geldt voor een gebied, waarin zich een voorkomen bevindt dat naar redelijkerwijs kan worden aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt of een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt voor een invloedssfeer die naar redelijkerwijs kan worden aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, is de vergunninghouder verplicht om medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen de vergunninghouder en de voor het aangrenzende gebied tot het winnen van de delfstoffen of aardwarmte gerechtigde, tenzij Onze Minister van deze verplichting ontheffing verleent. De overeenkomst strekt er toe dat het winnen in onderlinge overeenstemming zal geschieden. In de overeenkomst kan worden bepaald dat verplichtingen die krachtens de hoofdstukken 2, 3 en 4 rusten op de in artikel 22 bedoelde aangewezen personen, rusten op een van deze aangewezen personen. Onze Minister kan eisen stellen aan de tot stand te brengen overeenkomst. De overeenkomst en de wijzigingen in de overeenkomst worden aan Onze Minister overgelegd.

3.

Indien een vergunning voor het winnen van koolwaterstoffen geldt voor een gebied waarvoor een vergunning voor permanent opslaan van CO2 geldt, is de houder van de winningsvergunning verplicht om medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen de vergunninghouder en de houder van de vergunning voor permanent opslaan van CO2. De overeenkomst strekt ertoe dat winnen en permanent opslaan van CO2 in onderlinge overeenstemming zal geschieden. In de overeenkomst kan worden bepaald dat verplichtingen die krachtens de hoofdstukken 2, 3 en 4 rusten op de in artikel 22 bedoelde aangewezen personen, rusten op een van deze aangewezen personen. Onze Minister kan eisen stellen aan de tot stand te brengen overeenkomst. De overeenkomst en de wijzigingen in de overeenkomst worden aan Onze Minister overgelegd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)