Besluit van 6 december 2002, houdende regels ter uitvoering van de Mijnbouwwet (Mijnbouwbesluit)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 485
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 30 augustus 2002, nr. WJZ 02042889;

Gelet op bijlage 14, deel II, bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, 165), het op 30 november 1990 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging (Trb. 1992, 1), het op 22 september 1992 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Trb. 1993, 141), het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Trb. 1978, 188), de artikelen 1, onderdelen n en o, 19, 25, 35, derde lid, 39, 41, eerste lid, 43, tweede lid, 49, 52, eerste lid, 123, vijfde lid, 130, 135, vierde lid, onderdeel a, vijfde en zevende lid, 136, eerste lid, 139, tweede lid, 141, tweede lid, 151 en 190 van de Mijnbouwwet, alsmede artikel 99, tweede lid, van de Wet bodembescherming;

De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 2002, nr. W10.02.0387/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 december 2002, nr. WJZ 02057343;

Hebben goedgevonden en verstaan:

[Treedt in werking op het tijdstip waarop de Mijnbouwwet in werking treedt.]

Hoofdstuk 1. Algemeen

§ 1.1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • e. veiligheid: veiligheid van personen en bescherming van zaken, voor zover hieromtrent geen regels zijn gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;
  • g. veiligheids- en milieukritische elementen: onderdelen van een installatie, met inbegrip van computerprogramma’s, die tot doel hebben zware ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, of waarvan het uitvallen een zwaar ongeval zou kunnen veroorzaken of substantieel zou kunnen bijdragen tot het ontstaan van een zwaar ongeval;
  • g. brijn: water met een verhoogde mineralenconcentratie dat overblijft na de onttrekking van water aan gewonnen brak grondwater;
  • h. Kustwacht: een door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Defensie opgerichte organisatie die door deze ministers als Kustwacht is aangeduid;
  • i. Kustwachtcentrum: het voor de uitvoering van kustwachttaken opgerichte coördinatiecentrum en maritiem informatieknooppunt ten behoeve van het doel van de Kustwacht;
  • j. stimuleren: het bewerken van een voorkomen om de productiviteit of injectiviteit te verbeteren.

Artikel 2

1.

Als mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de wet worden aangewezen:

  • a. boorgaten, bestemd voor de opsporing en winning van delfstoffen of aardwarmte of voor de opslag van stoffen, voor zover deze geen onderdeel uitmaken van de werken, genoemd in de onderdelen b tot en met e, en niet geheel buiten gebruik zijn gesteld;
  • b. werken voor het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte;
  • c. werken voor het opslaan van stoffen en het terughalen van opgeslagen stoffen met uitzondering van:
  • 1°. water ten behoeve van het opslaan van warmte of koude op een diepte van ten hoogste van 500 meter;
  • 2°. water ten behoeve van openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in de Drinkwaterwet;
  • 3°. grondwater en brijn dat zonder toevoeging van stoffen wordt teruggevoerd in hetzelfde gebied waarin het is gewonnen naar een diepte van ten hoogste 500 meter;
  • d. werken voor het bewerken van gewonnen delfstoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;
  • e. werken voor het bewerken van stoffen voorafgaande aan de opslag ervan dan wel voor het bewerken van opgeslagen en teruggehaalde stoffen voor het punt van aflevering aan de afnemer;
  • f. werken voor het meten en registreren van in de onderdelen d en e genoemde stoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;
  • g. werken voor het bevorderen van het transport van in de onderdelen d en e genoemde stoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;
  • h. werken voor het verblijf van bij mijnbouwactiviteiten betrokken personen die verankerd zijn in of aanwezig zijn boven de bodem van oppervlaktewater.
2.

Indien boorgaten of werken als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met h, fysiek met elkaar zijn verbonden, wordt het geheel als een mijnbouwwerk beschouwd.

§ 1.2. Overige algemene bepalingen

Artikel 3

1.

Bij het verrichten van mijnbouwactiviteiten worden maatregelen genomen ter voorkoming van schade.

2.

Indien bij het verrichten van mijnbouwactiviteiten ernstige schade dreigt te ontstaan of is ontstaan, wordt hiervan onmiddellijk mededeling gedaan aan de inspecteur-generaal der mijnen.

Artikel 4

1.

De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte stelt een werkplan vast waarin alle in een vergunningsgebied uit te voeren mijnbouwactiviteiten staan vermeld.

2.

Het werkplan is een jaarlijks voortschrijdend vijfjarenplan. De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte dient het plan in bij de inspecteur-generaal der mijnen binnen vier weken na verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 6, 24b of 25 van de wet en vervolgens jaarlijks voor 1 november van het jaar, voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop het plan betrekking heeft.

3.

Ingrijpende afwijkingen van de in het eerste kalenderjaar opgenomen mijnbouwactiviteiten waarop het desbetreffende werkplan betrekking heeft, worden tenminste vier weken voor de verrichting van de desbetreffende activiteit ter kennis gebracht van de inspecteur-generaal der mijnen.

4.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud van het werkplan.

Artikel 5

De bescheiden en de gegevens, bedoeld bij of krachtens dit besluit, worden door een uitvoerder, een houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte, een onderzoeker als bedoeld in artikel 9, een beheerder als bedoeld in artikel 92, onderdeel d, en een vergunninghouder als bedoeld in de artikelen 152 en 157 op deugdelijke wijze opgesteld en bijgehouden. Zij worden, voor zover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald, gedurende ten minste een jaar bewaard.

Artikel 6

1.

Tot de in artikel 130 van de wet bedoelde gevallen en wijze van vervoer worden gerekend:

  • a. vervoer dat plaatsvindt tussen 07.00 en 20.00 uur;
  • b. vervoer met een helikopter, met dien verstande dat ten hoogste aanspraak wordt gemaakt op vier plaatsen.
2.

Indien bij het verrichten van mijnbouwactiviteiten ernstige schade dreigt te ontstaan of is ontstaan, kan op aanwijzing van de inspecteur-generaal der mijnen het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vervoer plaatsvinden tussen 0.00 uur en 24.00 uur.

3.

De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 van de wet dan wel degene die een verkenningsonderzoek uitvoert of voornemens is uit te voeren, voorziet ambtenaren als bedoeld in de artikelen 129 en 131 van de wet, in de bij ministeriële regeling omschreven gevallen van transport, een verblijfplaats, maaltijden en andere benodigdheden.

Artikel 7

1.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop een melding of een aanvraag om een vergunning, ontheffing of instemming bij of krachtens de wet geschiedt en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke daarbij worden overgelegd.

2.

Als na een melding of het verlenen van een vergunning, ontheffing, of instemming wijzigingen optreden in de gegevens en bescheiden die zijn overgelegd, stelt degene die de melding heeft gedaan, respectievelijk de houder van de vergunning, ontheffing, of instemming, degene aan wie de gegevens of bescheiden zijn overgelegd, in kennis van de wijzigingen.

3.

Een ontheffing of vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien:

  • a. de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest,
  • b. de omstandigheden op grond waarvan de ontheffing of vergunning werd verleend, zich zodanig hebben gewijzigd, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de gewijzigde omstandigheden aanwezig waren geweest,
  • c. de ontheffing of vergunning vanwege het risico op schade niet gehandhaafd kan blijven, of
  • d. aan de ontheffing of vergunning verbonden beperkingen of voorschriften niet worden nageleefd.
4.

Een ontheffing of vergunning kan op verzoek van de houder worden gewijzigd of ingetrokken voor zover het gevaar van risico op schade zich daartegen niet verzet.

5.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere bij of krachtens dit besluit te nemen besluiten.

Artikel 8

1.

Indien bij mijnbouwactiviteiten op het continentaal plat een archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet of een vermoedelijk archeologisch monument wordt gevonden of een archeologische vondst als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangetroffen, is artikel 5.10 van de Erfgoedwet van toepassing en zijn de artikelen 19.9 en 15.1, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingswet, van overeenkomstige toepassing.

2.

De uitvoerder onderscheidenlijk de beheerder stelt de onderzoeksgegevens, bedoeld in artikel 48, onderscheidenlijk de gegevens voortvloeiend uit onderzoek naar de aanleg en ligging van een pijpleiding als bedoeld in artikel 92, onderdeel a, ter beschikking aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor zover die gegevens informatie kunnen verschaffen over de aanwezigheid van archeologische monumenten dan wel vermoedelijke archeologische monumenten in of op de bodem van de territoriale zee of het continentaal plat.

Hoofdstuk 2. Verkenningsonderzoek

§ 2.1. Algemeen

Artikel 9

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op verkenningsonderzoek dat plaatsvindt met gebruikmaking van kunstmatig opgewekte trillingen.

2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder onderzoeker: degene in wiens opdracht het verkenningsonderzoek wordt verricht, dan wel, bij afwezigheid van een opdrachtgever, degene die het verkenningsonderzoek verricht.

Artikel 10

1.

Tenminste vier weken voor de aanvang van een verkenningsonderzoek op land, verstrekt de onderzoeker aan de inspecteur-generaal der mijnen:

  • a. gegevens omtrent de wijze waarop het verkenningsonderzoek zal worden verricht;
  • b. een kaart waarop is aangegeven het gebied waarin en de lijnen waarlangs het verkenningsonderzoek zal worden verricht en de naam van de opdrachtnemer;
  • c. de data waarop het verkenningsonderzoek zal worden verricht.
2.

De onderzoeker doet de inspecteur-generaal der mijnen onmiddellijk mededeling van wijzigingen in de in het eerste lid bedoelde gegevens.

§ 2.2. Algemene regels voor verkenningsonderzoek in oppervlaktewater

Artikel 11

Deze paragraaf is van toepassing op een verkenningsonderzoek in oppervlaktewater.

Artikel 12

1.

Bij het verrichten van een verkenningsonderzoek worden maatregelen genomen ter voorkoming van storende geluidseffecten op zeezoogdieren.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde maatregelen.

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

§ 2.3. Bijzondere regels voor verkenningsonderzoek in oppervlaktewater

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18

Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Artikel 20

Vervallen

§ 2.4. Gebruik ontplofbare stoffen bij verkenningsonderzoek

Artikel 21

Het is verboden in oppervlaktewater ontplofbare stoffen te gebruiken voor verkenningsonderzoek.

Artikel 22

1.

Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister met gebruik van ontplofbare stoffen verkenningsonderzoek te verrichten anders dan in oppervlaktewater.

2.

Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. Die voorschriften kunnen in ieder geval betrekking hebben op:

a. aard, aanduiding en hoeveelheid van de te gebruiken ontplofbare stoffen;

b. wijze van gebruik van de onder a bedoelde stoffen;

c. maatregelen die worden genomen ter voorkoming van schade, en

d. de periode waarin gebruik kan worden gemaakt van de onder a bedoelde stoffen.

3.

Een vergunning wordt slechts geweigerd in het belang van het milieu of de veiligheid.

Artikel 23

1.

De onderzoeker draagt ervoor zorg dat een verkenningsonderzoek waarbij ontplofbare stoffen worden gebruikt:

  • a. op zodanige wijze wordt verricht dat de veiligheid van derden niet in gevaar wordt gebracht;
  • b. op zodanige wijze wordt verricht dat schade aan het milieu zoveel mogelijk wordt voorkomen dan wel beperkt;
  • c. in voorkomend geval tijdig voor de aanvang ervan wordt aangemeld bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het onderzoek zal plaatsvinden;
  • d. op zodanige afstand tot gebouwen, kunstwerken, openbare werken en andere zaken wordt verricht dat schade daaraan wordt voorkomen, en
  • e. de niet tot ontploffing gekomen stoffen onschadelijk worden gemaakt of afgevoerd.
2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het gebruik van ontplofbare stoffen.

Hoofdstuk 3. Het winnen en het opslaan van stoffen

§ 3.1. Het winningsplan

Artikel 24

1.

Het winningsplan, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet voor de winning van koolwaterstoffen bevat:

  • a. een beschrijving van de verwachte hoeveelheid en de samenstelling van de aanwezige koolwaterstoffen, onderverdeeld naar reservoirlaag en reservoircompartiment;
  • b. een opgaaf van de gegevens met betrekking tot de structuur van het voorkomen, onderverdeeld naar reservoirlaag en reservoircompartiment, met bijbehorende geologische, geofysische en petrofysische studies en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses;
  • c. een beschrijving van een wijze van winning die niet in strijd is met de bij of krachtens dit besluit geldende wettelijke voorschriften inzake winning van koolwaterstoffen;
  • d. een beschrijving van het mijnbouwwerk en de ligging ervan;
  • e. een opgaaf van het aantal boorgaten dat bij de winning wordt gebruikt;
  • f. een opgaaf van de volgorde en het tijdsbestek van het maken van de boorgaten;
  • g. een opgaaf van de ligging, lengte en diameter van de verbuizing van de boorgaten;
  • h. een opgaaf van de plaats en wijze waarop de koolwaterstoffen in de verbuizing treden;
  • i. een opgaaf van de samenstelling en hoeveelheden van de stoffen, die jaarlijks onvermijdelijk bij de winning van koolwaterstoffen meekomen;
  • j. een opgaaf van de hoeveelheden gewonnen koolwaterstoffen die jaarlijks bij de winning wordt gebruikt, afgeblazen of afgefakkeld;
  • k. een opgaaf van de samenstelling en hoeveelheden delfstoffen en andere stoffen die jaarlijks bij de winning in de ondergrond worden teruggebracht;
  • l. een opgaaf van de jaarlijkse kosten van de winning, onderverdeeld in kosten voor investeringen, onderhoud, bedrijfvoering, en de kosten van het verlaten en verwijderen van mijnbouwwerken;
  • m. een kaart met daarop de contouren van de verwachte uiteindelijke mate van bodemdaling;
  • n. een overzicht met het verloop van de verwachte mate van bodemdaling in de tijd;
  • o. een opgaaf van de onzekerheid omtrent de verwachte mate van bodemdaling als bedoeld in de onderdelen m en n;
  • p. een risico-analyse omtrent bodemtrillingen als gevolg van de winning;
  • q. een beschrijving van de mogelijke omvang en verwachte aard van de schade door bodembeweging;
  • r. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om bodembeweging te voorkomen of te beperken, en
  • s. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om schade door bodembeweging te voorkomen of te beperken.

De onderdelen m tot en met s zijn niet van toepassing op voorkomens die gelegen zijn aan de zeezijde van de lijn, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee.

2.

In het winningsplan, bedoeld in het eerste lid, wordt per onderdeel toegelicht welke overwegingen bij de gemaakte keuze van belang zijn geweest, voor zover relevant.

Artikel 25

1.

Het winningsplan, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet, voor de winning van zout bevat:

  • a. een beschrijving van de structuur van de zoutlaag waaruit gewonnen wordt en de ligging van de zoutlaag ten opzichte van andere aardlagen, met bijbehorende geologische, geofysische en rheomorfologische studies en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses;
  • b. een opgaaf van de verwachte hoeveelheid te winnen pekel en zout en de samenstelling van het te winnen zout;
  • c. een beschrijving van de ligging en de vorm van de holruimte tijdens en na de winning;
  • d. een opgaaf van de gesteentemechanische berekeningen van de stabiliteit van de holruimte tijdens en na de winning;
  • e. een opgaaf van de hoeveelheden stoffen die jaarlijks bij de winning worden geïnjecteerd, en
  • f. een beschrijving van de wijze waarop de holruimte na beëindiging van de winning buiten gebruik wordt gesteld.

§ 3.2. Het opslaan van stoffen

Artikel 26

1.

Voor het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de wet bevat een desbetreffend plan:

  • a. een beschrijving van de hoeveelheid en de samenstelling van de stoffen die worden opgeslagen;
  • b. een opgaaf van de gegevens met betrekking tot de structuur van het voorkomen en de ligging van het voorkomen ten opzichte van andere aardlagen, met bijbehorende geologische, geofysische en petrofysische studies en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses;
  • c. een opgaaf van de stoffen die worden gebruikt bij het in de ondergrond brengen van de stoffen;
  • d. een inventarisatie van de risico's ten aanzien van de verspreiding van de stoffen die in de ondergrond worden opgeslagen, het optreden van chemische processen in de ondergrond en de aantasting van de in de ondergrond aanwezige reservoirs met delfstoffen of de samenstelling van deze delfstoffen;
  • e. een inventarisatie van maatregelen die worden getroffen om de risico's, bedoeld in onderdeel d, te voorkomen;
  • f. een beschrijving van de wijze waarop het voorkomen na beëindiging van de opslag wordt achtergelaten, en
  • g. een risico-analyse omtrent bodembeweging als gevolg van de opslag.
2.

Artikel 24, eerste lid, onderdelen d tot en met g, en onderdelen l, q, r en s, alsmede artikel 24, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het eerste lid, onderdeel g, en de onderdelen q, r en s niet van toepassing zijn op voorkomens die gelegen zijn aan de zeezijde van de lijn die in de bijlage bij de wet is vastgelegd.

3.

Dit artikel is niet van toepassing indien § 3.5 van dit besluit van toepassing is.

Artikel 27

In geval de opslag van stoffen van tijdelijke aard is, bevat het plan voor het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 26, tevens:

  • a. beschrijving van de wijze waarop de stoffen die zijn opgeslagen, worden teruggehaald en van de stoffen die daarbij gebruikt worden, en
  • b. opgaaf van de samenstelling en hoeveelheden van de andere stoffen dan de opgeslagen stoffen die met het terughalen van de opgeslagen stoffen onvermijdelijk aan de bodem worden onttrokken.

§ 3.3. Uitzonderingen opslagvergunning

Artikel 28

De in artikel 25, tweede lid, van de wet bedoelde categorieën van gevallen, waarvoor het verbod om stoffen op te slaan zonder vergunning niet geldt, zijn het opslaan van:

  • a. stoffen ten behoeve van het afwenden van het onmiddellijk dreigende gevaar van een onbeheerste uitstroming van stoffen uit de ondergrond;
  • b. stoffen die gebruikt worden voor:
  • 1°. het opsporen en winnen van delfstoffen en aardwarmte;
  • 2°. het opslaan van stoffen, waarvoor een vergunning op basis van artikel 25 van de wet vereist is, of
  • 3°. het aanleggen van een boorgat dieper dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem, buiten de in de onderdelen 1° en 2° bedoelde gevallen;
  • c. stoffen die met de activiteiten, genoemd in onderdeel b, onder 1°, 2° en 3°, onvermijdelijk boven de oppervlakte meekomen, en worden teruggebracht in hetzelfde of een vergelijkbaar voorkomen als waaruit deze afkomstig zijn;
  • d. hemelwater dat is gevallen op het mijnbouwwerk en het terrein eromheen;
  • e. water dat wordt gebruikt voor het opslaan van warmte of koude op een diepte van ten hoogste 500 meter;
  • f. water ten behoeve van openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in de Drinkwaterwet;
  • g. grondwater en brijn dat zonder toevoeging van stoffen wordt teruggevoerd in hetzelfde gebied waarin het is gewonnen naar een diepte van ten hoogste 500 meter.

§ 3.4. Nadere regelen

Artikel 29

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van het winningsplan, bedoeld in de artikelen 24 en 25, en het plan voor het opslaan van stoffen als bedoeld in artikelen 26 en 27.

Hoofdstuk 4. Het meten van bodembeweging

§ 4.1. Metingen met het oog op bodembeweging

Artikel 30

1.

De uitvoerder verricht metingen naar bodembeweging ten gevolge van het winnen van delfstoffen als bedoeld in artikel 41 van de wet. De metingen worden verricht overeenkomstig een meetplan.

2.

De uitvoerder dient het meetplan in bij Onze Minister voor ieder voorkomen waaruit wordt gewonnen.

3.

Het meetplan behoeft de instemming van Onze Minister alvorens met de winning wordt aangevangen.

4.

Onze Minister beslist over het meetplan binnen acht weken na indiening ervan. De instemming is van rechtswege gegeven, indien Onze Minister niet binnen de instemmingstermijn een beslissing heeft genomen. De instemming van rechtswege wordt voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5.

Onze Minister kan de instemming onder beperkingen geven en aan zijn instemming voorschriften verbinden.

6.

Het meetplan beslaat de termijn van de winning en de daarop volgende dertig jaren. De uitvoerder actualiseert het meetplan gedurende de periode van winning en de daarop volgende vijf jaren jaarlijks en verstrekt daarvan voor 1 november afschrift aan Onze Minister. Onze Minister kan de uitvoerder een aanwijzing geven omtrent de tijdstippen waarop en de plaatsen waar gemeten wordt.

7.

Het meetplan bevat tenminste een beschrijving van:

  • a. de tijdstippen waarop de metingen worden verricht;
  • b. de plaatsen waar gemeten wordt, en
  • c. de meetmethoden.
8.

Een van de tijdstippen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, ligt voor de aanvang van de winning.

9.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het meetplan.

Artikel 31

1.

De uitvoerder draagt ervoor zorg dat de metingen op een zorgvuldige en betrouwbare wijze plaatsvinden.

2.

De uitvoerder overlegt de resultaten van de eerste meting, bedoeld in artikel 30, achtste lid, uiterlijk twee weken voor de aanvang van de winning aan de inspecteur-generaal der mijnen.

3.

De uitvoerder overlegt de resultaten van de metingen alsmede een analyse van die resultaten twaalf weken na het verrichten van de metingen aan de inspecteur-generaal der mijnen.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van en de wijze van verstrekking van de meetresultaten en de analyse daarvan.

Artikel 32

De artikelen 30 en 31 zijn van overeenkomstige toepassing op de opslag van stoffen.

§ 4.2. Zoutholten

Artikel 33

1.

In geval van zoutwinning en opslag van stoffen in een door zoutwinning ontstane holruimte bevat het meetplan, bedoeld in artikel 30, eerste lid, tevens een beschrijving van:

  • a. de tijdstippen waarop metingen in de holruimte worden uitgevoerd, en
  • b. de methode die voor het uitvoeren van holruimtemetingen wordt gebruikt.
2.

De uitvoerder overlegt de resultaten van de metingen, alsmede op de metingen gebaseerde holruimtekaarten en holruimtedoorsneden uiterlijk twaalf weken na het verrichten van de metingen aan de inspecteur-generaal der mijnen.

3.

De holruimtekaarten en holruimtedoorsneden worden onverwijld bijgewerkt, zodra nieuwe gegevens beschikbaar komen.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het tweede lid bedoelde kaarten en doorsneden.

Hoofdstuk 5. Mijnbouwwerken

Afdeling 5.1. Mijnbouwwerken, uitgezonderd mijnbouwinstallaties

§ 5.1.1. Algemeen

Artikel 34

Deze afdeling is van toepassing op mijnbouwwerken, uitgezonderd mijnbouwinstallaties.

Artikel 35

1.

Een voor de winning bestemd mijnbouwwerk is voorzien van meetapparatuur waarmee de hoeveelheden delfstoffen of aardwarmte die worden gewonnen, verbruikt, vernietigd of afgevoerd kunnen worden berekend.

2.

Een voor de opslag bestemd mijnbouwwerk is voorzien van apparatuur voor het meten van de hoeveelheden stoffen die in de ondergrond worden gebracht, daaruit worden teruggehaald, verbruikt, vernietigd of afgevoerd.

3.

Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid op een daartoe strekkende aanvraag waarbij mede wordt aangegeven op welke andere wijze gegevens als bedoeld in het eerste en tweede lid worden verkregen.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het aantal metingen, de soort metingen en de te gebruiken meetapparatuur.

§ 5.1.2. Regels over het gebruik van mijnbouwwerken

Artikel 36

Een mijnbouwwerk is zodanig afgescheiden van de omgeving en ten aanzien van de toegangen zijn zodanige maatregelen genomen dat het niet vrijelijk kan worden betreden door onbevoegden. Het terrein wordt op passende wijze bewaakt.

Artikel 37

1.

Het oprichten van een mijnbouwwerk geschiedt op veilige afstand tot:

  • a. opstallen, welke geen deel uitmaken van een mijnbouwwerk en waarin open vuur wordt of kan worden gebruikt;
  • b. openbare wegen;
  • c. spoorwegen;
  • d. kunstwerken, of
  • e. licht brandbare gewassen.
2.

De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte draagt er zorg voor dat het zorgsysteem, bedoeld in artikel 2.42e van het Arbeidsomstandighedenbesluit, en het document, bedoeld in artikel 2.42f van dat besluit, mede betrekking hebben op de veiligheid.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de veilige afstanden, het zorgsysteem en het document.

§ 4.1. Metingen met het oog op bodembeweging

Artikel 38

1.

Het is verboden op een mijnbouwwerk aardgas af te blazen of af te fakkelen in de open lucht dan wel andere verontreinigende stoffen uit te stoten.

2.

Het eerste lid geldt niet indien het afblazen of affakkelen van aardgas dan wel de uitstoot van andere verontreinigende stoffen onvermijdelijk is voor een normale bedrijfsvoering in het mijnbouwwerk. In dat geval worden alle maatregelen getroffen om schade ten gevolge van het afblazen of affakkelen van aardgas dan wel de uitstoot van andere verontreinigende stoffen zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld omtrent de in het tweede lid bedoelde maatregelen.

§ 5.1.4. Regels over het buiten gebruik stellen van mijnbouwwerken

Artikel 39

De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet is niet gehouden een melding als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet te doen in het geval het mijnbouwwerk voor een periode van maximaal een jaar buiten werking is, als gevolg van:

  • a. het uitvoeren van reparatie, onderhoud of aanpassingen van de bovengrondse installaties;
  • c. het doen van onderzoek na een ongeluk of incident;
  • d. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden en effecten van de opsporing, winning of opslag;
  • e. het niet kunnen uitvoeren van werkzaamheden door een van buiten komende oorzaak, waaronder het tijdelijk niet beschikbaar zijn van ondersteunende installaties, pijpleidingen, kabels, personeel, materialen, grondstoffen, hulpstoffen, diensten van derden die noodzakelijk zijn voor het in werking houden van het mijnbouwwerk of het niet tijdig kunnen beschikken over de benodigde vergunningen of toestemmingen.

Artikel 40

1.

Een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met g, dat een gedeelte is van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, tweede lid, is een geval als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de wet, voor de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de wet, tenzij:

  • b. de inspecteur-generaal der mijnen voor dat mijnbouwwerk:
  • 1°. een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 74, eerste lid, heeft ontvangen;
  • 2°. een rapport over een essentiële wijziging of een ontmanteling als bedoeld in de artikelen 45e en 45i van de wet heeft ontvangen.
2.

De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over de ontvangst van een werkprogramma of een rapport als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, respectievelijk 2°.

Afdeling 5.2. Mijnbouwinstallaties

§ 5.2.1. Algemeen

Artikel 41

Deze afdeling is van toepassing op mijnbouwinstallaties.

Artikel 42

1.

Artikel 35 is van overeenkomstige toepassing op mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken.

2.

Artikel 37, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op mijnbouwinstallaties.

§ 5.2.2. Het ontwerpen, plaatsen en gebruiken van mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken

Artikel 43

Deze paragraaf heeft betrekking op mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken.

Artikel 44

Vervallen

Artikel 45

Vervallen

Artikel 46

Bij het plaatsen van een mijnbouwinstallatie worden maatregelen genomen ter voorkoming van schade.

Artikel 47

Het plaatsen van een mijnbouwinstallatie gebeurt zodanig dat in de zeebodem aanwezige leidingen en kabels niet worden beschadigd.

Artikel 48

1.

Voorafgaande aan het plaatsen van een mijnbouwinstallatie verricht de uitvoerder onderzoek naar:

  • a. de gesteldheid van de bodem waar de mijnbouwinstallatie geplaatst zal worden met het oog op de stabiliteit van de installatie, en
  • b. de aanwezigheid van obstakels in de onmiddellijke omgeving van de locatie waar de mijnbouwinstallatie geplaatst zal worden.
2.

De uitvoerder meldt twee weken voor de uitvoering van het onderzoek dit voornemen aan de directeur Kustwacht.

Artikel 49

1.

Onmiddellijk na het plaatsen van de mijnbouwinstallatie, verstrekt de uitvoerder aan de inspecteur-generaal der mijnen nauwkeurige gegevens omtrent de locatie van de mijnbouwinstallatie.

2.

In het geval een bestaande productie-installatie de Nederlandse wateren binnenkomt of verlaat, stelt de exploitant van de productie-installatie de inspecteur-generaal der mijnen binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, die in ieder geval vóór de datum waarop de productie-installatie de Nederlandse wateren binnenkomt of verlaat ligt, hiervan op de hoogte.

Artikel 50

1.

Een mijnbouwinstallatie is voldoende sterk om de als gevolg van windsterkte, golfslag, zeestroming en gebruik van de installatie te verwachten krachten te weerstaan.

2.

Een mijnbouwinstallatie mag niet verzakken, verschuiven of afdrijven.

3.

Een mijnbouwinstallatie is met het oog op het landen van helikopters veilig geplaatst.

Artikel 51

1.

Een mijnbouwinstallatie is voorzien van een helikopterdek.

2.

Het helikopterdek:

  • a. is voldoende groot voor het gebruik door helikopters;
  • b. is voorzien van markering en apparatuur voor het landen en stijgen van helikopters;
  • c. is geschikt voor het parkeren van helikopters;
  • d. ligt vrij ten opzichte van andere delen van de mijnbouwinstallatie, en
  • e. is vrij van obstakels en brandbare stoffen.
3.

De uitvoerder overlegt aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een gedetailleerde tekening van het helikopterdek en een tekening van de mijnbouwinstallatie waarop het helikopterdek is aangegeven.

4.

Het helikopterdek wordt slechts gebruikt na instemming door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. Instemming wordt slechts geweigerd op grond van de eisen van het tweede lid. De instemming geldt voor een periode van maximaal drie jaar.

5.

Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing.

6.

Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden nadere regels gesteld omtrent de in het tweede lid genoemde eisen.

Artikel 52

1.

Een mijnbouwinstallatie is ter waarborging van de veiligheid voorzien van:

  • a. herkenningstekens,
  • b. geluidsbakens,
  • c. lichtbakens, en
  • d. voor zover Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zulks bepaalt: elektronische bakens of radarreflectoren.
2.

De mijnbouwinstallatie is voorts voorzien van communicatiemiddelen waarmee onder alle omstandigheden verbinding mogelijk is met de vaste wal en met vaartuigen, die voor verkenning, opsporing of winning in gebruik zijn.

3.

Een mijnbouwinstallatie is verder voorzien van apparatuur waarmee meteorologisch en oceanografische waarnemingen worden verricht, voor zover Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zulks bepaalt.

4.

De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde herkenningstekens:

  • a. bestaan voor een voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie uit de indicatie van het vergunningsgebied waarin de mijnbouwinstallatie is geplaatst met daaraan een toevoeging, waardoor een unieke aanduiding ontstaat; die aanduiding is eenmalig en kan niet gewijzigd worden;
  • b. zijn voor een voor de opsporing gebruikte mijnbouwinstallatie een unieke aanduiding die in het internationaal verkeer wordt gebruikt.
5.

De ononderbroken werking van de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde licht- en geluidsbakens is gewaarborgd.

6.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde verplichtingen. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing.

7.

Op verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu toont de uitvoerder aan dat de desbetreffende apparatuur, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen.

8.

Bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, worden regels gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde herkenningstekens, bakens, reflectoren, de in het tweede lid bedoelde communicatiemiddelen en de in het derde lid genoemde apparatuur en waarnemingen, alsmede het verstrekken van de daarmee verkregen gegevens aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

Artikel 53

1.

De uitvoerder is verplicht de technische integriteit van een voor de winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie te onderzoeken. De uitvoerder stelt daartoe iedere vijf jaar een onderzoeksprogramma op.

2.

Het onderzoeksprogramma beschrijft voor elk jaar welke onderdelen van de mijnbouwinstallatie op welke wijze worden onderzocht op de technische integriteit.

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inhoud van het onderzoeksprogramma en de in het tweede lid bedoelde jaarlijkse onderzoeken.

4.

De uitvoerder verstrekt Onze Minister het onderzoeksprogramma voor het eerst samen met de verklaringen, bedoeld in artikel 53a, eerste lid, onderdelen a en b.

Artikel 54

1.

Indien de sterkte of stabiliteit van een mijnbouwinstallatie wordt of dreigt te worden aangetast, doet de uitvoerder hiervan onmiddellijk mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen.

2.

In geval van een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie treft de uitvoerder onmiddellijk passende maatregelen en doet daarvan mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen.

3.

In geval van een voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie treft de uitvoerder onmiddellijk passende herstelmaatregelen. Na herstel van de installatie verstrekt de uitvoerder de inspecteur-generaal der mijnen een verklaring van een onafhankelijke deskundige, waarin de sterkte en stabiliteit van de installatie wordt beoordeeld.

Artikel 55

1.

Het is verboden zonder instemming van Onze Minister een uitsluitend voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie te plaatsen. Het verzoek tot instemming wordt uiterlijk acht weken voor aanvang van de beoogde plaatsing van de mijnbouwinstallatie ingediend.

2.

De instemming wordt geweigerd indien de mijnbouwinstallatie niet voldoet aan de eisen en normen, vastgelegd in de artikelen 46, 47, 50, 51 en 52.

3.

De instemming kan slechts worden geweigerd in verband met risico op schade of in verband met de opwekking van elektriciteit.

4.

De instemming kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden in verband met risico op schade of in verband met de opwekking van elektriciteit.

5.

De instemming is van rechtswege gegeven, indien Onze Minister over een verzoek tot instemming niet binnen acht weken na ontvangst heeft beslist. De instemming van rechtswege wordt voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

6.

Op een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie, voorzover deze wordt geplaatst op een alleen voor opsporing bestemde locatie, is het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van een instemmingstermijn van acht weken telkens wordt gelezen een termijn van twee weken.

7.

De uitvoerder doet uiterlijk drie dagen voor de beoogde datum van de plaatsing van een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie op een voor winning bestemde locatie schriftelijk mededeling hiervan aan de inspecteur-generaal der mijnen. Bij de mededeling wordt een verklaring van een onafhankelijke deskundige overgelegd dat de technische integriteit van de te plaatsen mijnbouwinstallatie gewaarborgd is. Overlegging van deze verklaring is niet vereist indien deze niet ouder is dan vijf jaar en de verklaring reeds eerder is verstrekt.

8.

Op een geheel of gedeeltelijk voor de opslag bestemde mijnbouwinstallatie is het eerste tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 56

1.

Bij het verzoek om instemming als bedoeld in artikel 55, eerste lid, worden in ieder geval overgelegd:

  • a. gegevens omtrent de aanwezigheid van leidingen en kabels in de nabijheid van de beoogde plaats van plaatsing;
  • b. gegevens omtrent de gesteldheid van de bodem en de aanwezigheid van obstakels als bedoeld in artikel 48;
  • c. bij een voor de winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie: het ontwerp van de dragende constructie alsmede een beschrijving van de wijze van plaatsing en een opgave van de herkenningstekens, geluidsbakens, lichtbakens en, voor zover Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zulks bepaalt, elektronische bakens of radarreflectoren van de mijnbouwinstallatie;
  • d. bij een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie op een voor de opsporing bestemde locatie: een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat de technische integriteit van de mijnbouwinstallatie gewaarborgd is, met dien verstande dat:
  • 1°. overlegging niet noodzakelijk is indien de verklaring niet ouder is dan vijf jaar en de verklaring reeds eerder is verstrekt;
  • e. bij een voor de winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie: een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat naar zijn voorlopige oordeel de te plaatsen mijnbouwinstallatie voldoet aan artikel 50.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de in de onderdelen d en e bedoelde verklaring.

§ 5.2.2. Het ontwerpen, plaatsen en gebruiken van mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken

Artikel 57

Deze paragraaf heeft betrekking op mijnbouwinstallaties die boven het oppervlaktewater uitsteken.

Artikel 58

De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet is niet gehouden een melding als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet te doen in het geval de mijnbouwinstallatie voor een periode van maximaal een jaar buiten werking is, als gevolg van:

  • a. het uitvoeren van reparatie, onderhoud of aanpassingen van het gedeelte van de mijnbouwinstallatie boven de waterbodem;
  • c. het doen van onderzoek na een ongeluk of een incident;
  • d. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden en effecten van de opsporing, winning of opslag in een gemeentelijk ingedeeld gebied;
  • e. het niet kunnen uitvoeren van werkzaamheden door een van buiten komende oorzaak, waaronder het tijdelijk niet beschikbaar zijn van ondersteunende installaties, pijpleidingen, kabels, personeel, materialen, grondstoffen, hulpstoffen, of diensten van derden die noodzakelijk zijn voor het in werking houden van het mijnbouwwerk of het niet tijdig kunnen beschikken over de benodigde vergunningen of toestemmingen.

Artikel 59

1.

Een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met g, dat verbonden is aan of onderdeel is van een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de wet is een geval als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de wet, voor de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de wet, tenzij:

  • b. de inspecteur-generaal der mijnen voor dat mijnbouwwerk:
  • 1°. een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 74, eerste lid, heeft ontvangen;
  • 2°. een rapport over een essentiële wijziging of een ontmanteling als bedoeld in de artikelen 45e en 45i van de wet heeft ontvangen.
2.

De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over de ontvangst van een werkprogramma of een rapport als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, respectievelijk 2°.

Artikel 60

1.

De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet overlegt voor een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 59, eerste lid, een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de wet, tenzij:

2.

De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over het oordeel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 61

1.

Bij de melding, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet vermeldt de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet in ieder geval:

  • a. de locatie van de mijnbouwinstallatie;
  • b. de datum waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
  • c. de wijze waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
  • d. op welke wijze derden waarvan apparatuur als bedoeld in artikel 52, derde lid, op de mijnbouwinstallatie aanwezig is, zijn geïnformeerd.
2.

Van de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister openbaar kennis gegeven in de Staatscourant.

Artikel 62

1.

De aanvraag tot instemming met een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de wet bevat ten minste een beschrijving van:

  • a. de aanduiding, locatie, aard en functie van de mijnbouwinstallatie, waaronder apparatuur van derden, ten tijde van de aanvraag om instemming met het verwijderingsplan;
  • b. de activiteiten, bedoeld in artikel 74, eerste lid, die hebben geleid tot wijziging van de inrichting van het boorgat;
  • c. de afspraken met de eigenaar van de waterbodem en andere belanghebbenden;
  • d. de methode en een schatting van de kosten van het buiten gebruik stellen van een boorgat en het verwijderen van de mijnbouwinstallatie;
  • e. de staat waarin het ondergrondse deel van het mijnbouwwerk wordt achtergelaten;
  • f. de datum van indiening van het werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat en de planning van de uitvoering;
  • g. het schoon en veilig achterlaten of verwijderen van kabels en pijpleidingen;
  • h. de wijze waarop de materialen die bij het mijnbouwwerk behoren, worden afgevoerd en de bestemming ervan;
  • j. de maatregelen die worden genomen ter voorkoming van waterverontreiniging;
  • k. de maatregelen die worden genomen om de waterbodem waarop de mijnbouwinstallatie is opgericht zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen of in het geval de waterbodem niet in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht, de toestand waarin de waterbodem na uitvoering van het verwijderingsplan wordt achtergelaten;
  • l. het beoogde gebruik van de waterbodem; en
  • m. in geval van een gedeeltelijke verwijdering van het mijnbouwwerk voor welk doel het mijnbouwwerk wordt hergebruikt en een beschrijving daarvan.
2.

Het verwijderingsplan vermeldt binnen welke perioden de beschreven werkzaamheden beginnen en eindigen en kan in een fasering van de verwijdering voorzien.

3.

In afwijking van het eerste lid, aanhef, kan bij het overleggen van informatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met k, worden volstaan met een verwijzing naar informatie die is of wordt overgelegd bij een aanvraag om een vergunning, een melding of de naleving van een verplichting tot het overleggen van gegevens en bescheiden krachtens de wet, respectievelijk de Omgevingswet, in het geval die informatie de relevante feiten bevat of zal bevatten die nodig zijn voor een besluit tot instemming met het verwijderingsplan, respectievelijk een besluit tot instemming met het verwijderingsplan onder het stellen van voorwaarden of voorschriften.

4.

Onze Minister beslist binnen dertien weken na het overleggen van een verwijderingsplan over de instemming.

5.

Van de instemming, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.

6.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de instemming met een verwijderingsplan.

§ 5.2.4. Het ontwerpen, plaatsen en buiten gebruik stellen alsmede verwijderen van mijnbouwinstallaties geheel onder oppervlaktewater gelegen

Artikel 63

1.

Een geheel onder oppervlaktewater gelegen mijnbouwinstallatie is voorzien van een beschermingsconstructie ter voorkoming van schade.

2.

De beschermingsconstructie is voldoende sterk en wordt stevig geplaatst om de als gevolg van zeestroming, ankers en vistuig te verwachten krachten te weerstaan.

3.

Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.

4.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het derde lid.

Artikel 64

1.

De artikelen 46 tot en met 49 en paragraaf 5.2.3 zijn van overeenkomstige toepassing op een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid.

2.

Als de inspecteur-generaal der mijnen voor een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 74, eerste lid, heeft ontvangen, is artikel 44, eerste, tweede en derde lid, van de wet niet van toepassing, indien het boorgat naar het oordeel van de inspecteur-generaal der mijnen in overeenstemming met het werkprogramma buiten gebruik is gesteld. De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over het oordeel.

Artikel 65

De uitvoerder doet acht weken voor plaatsing van een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid, mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen. Bij de mededeling worden het ontwerp van de constructie, de gegevens bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdelen a en b, alsmede een beschrijving van de wijze van plaatsing gevoegd.

Artikel 66

Vervallen

Afdeling 5.3. Boorgaten

§ 5.3.1. Algemeen

Artikel 67

1.

Bij het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, gebruiken, testen, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat worden maatregelen genomen ter voorkoming van schade.

2.

Het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, testen, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat geschiedt onder verantwoordelijkheid en in aanwezigheid van de uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte. Het gebruiken van een boorgat geschiedt onder verantwoordelijkheid van de uitvoerder.

Artikel 68

De activiteiten, bedoeld in artikel 67, eerste lid, worden slechts verricht indien de desbetreffende stoffen uit de ondergrondse formaties onder controle worden gehouden.

Artikel 69

1.

Een boorgat wordt voorzien van een geschikte verbuizing.

2.

Elke serie van de in het eerste lid bedoelde verbuizing wordt over voldoende afstand gecementeerd en daarna op deugdelijkheid getest.

3.

De eerste serie van de verbuizing wordt onmiddellijk nadat deze is gecementeerd deugdelijk afgesloten.

Artikel 70

De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte draagt tijdens de werkzaamheden ten behoeve van het aanleggen, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat er zorg voor dat:

  • a. een boorgat ter afsluiting wordt voorzien van beveiligingen;
  • b. de deugdelijkheid van de beveiligingen periodiek wordt getest, en
  • c. bij het boorgat betrokken personen periodiek deelnemen aan oefeningen in het gebruik van beveiligingen.

Artikel 71

Een boorgat wordt niet eerder voor winning van delfstoffen, winning van aardwarmte of opslag van stoffen in gebruik genomen dan nadat het daartoe deugdelijk is ingericht en afgewerkt, alsmede ter afsluiting van deugdelijke beveiligingen is voorzien.

Artikel 72

1.

Een boorgat wordt niet eerder buiten werking gesteld dan nadat:

  • a. voldoende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van schade, en
  • b. de delfstofhoudende lagen en de delfstofafzettingen, voor zover daaraan door water schade kan worden toegebracht, waterdicht zijn afgesloten.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het buiten gebruik stellen van een boorgat dat is gebruikt voor het permanent opslaan van CO2.

Artikel 73

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

  • a. beveiligingen en oefeningen in het gebruik van beveiligingen, bedoeld in artikel 70;
  • b. de inrichting van een boorgat en de beveiliging ervan, bedoeld in artikel 71;
  • c. het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 72a.

§ 5.3.2. Informatievoorziening in verband met boorgaten

Artikel 74

1.

Het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat geschiedt overeenkomstig een door de uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte opgesteld werkprogramma.

2.

De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte informeert de inspecteur-generaal der mijnen ten minste zeven dagen voor het tijdstip waarop met onderhoudswerkzaamheden van een boorgat wordt aangevangen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het buiten gebruik stellen van een boorgat dat is gebruikt voor het permanent opslaan van CO2.

Artikel 75

1.

Bij het aanleggen van een boorgat is een boorregister op het desbetreffende mijnbouwwerk aanwezig.

2.

Het boorregister wordt voortdurend bijgewerkt.

3.

De uitvoerder of de houder van een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte bewaart het boorregister gedurende ten minste vijf jaar nadat het mijnbouwwerk buiten gebruik is gesteld.

Artikel 76

1.

De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte maakt dagelijks een rapport op van het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat en brengt het rapport onmiddellijk ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.

2.

De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte brengt binnen vier weken na het voltooien van de in het eerste lid bedoelde activiteiten een desbetreffend eindrapport ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.

Artikel 77

Bij ministeriële regeling worden regels dan wel nadere regels gesteld omtrent:

  • a. de inhoud van het in artikel 74 bedoelde werkprogramma, voor zover het betreft het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat, en het tijdstip waarop het werkprogramma aan de inspecteur-generaal der mijnen wordt gezonden alsmede de gegevens en bescheiden die daarbij worden overgelegd;
  • b. de inhoud van de in artikel 76 bedoelde rapporten en de wijze waarop deze rapporten ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen worden gebracht.

Afdeling 5.4. Milieu en rampenbestrijdingsplan op mijnbouwinstallaties

§ 5.4.1. Algemeen

Artikel 78

Deze paragraaf is van toepassing op mijnbouwinstallaties.

Artikel 79

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. lozen: het al dan niet opzettelijk in oppervlaktewater doen terecht- of vrijkomen van stoffen, zoals door storten, pompen, doen wegvloeien of doen ontsnappen;
  • b. stoffen: chemische elementen en hun verbindingen, zoals deze voorkomen in de natuur of door toedoen van de mens worden voortgebracht;
  • c. preparaten: mengsels of oplossingen van stoffen;
  • d. olie: minerale olie in elke vorm;
  • e. oliehoudend mengsel: mengsel, dat olie in welk gehalte dan ook bevat;
  • f. sanitair afval:
  • 1°. spoelwater en ander afval, afkomstig van toiletten en wasruimtes;
  • 2°. spoelwater, afkomstig uit verblijven voor de voorlopige verzorging van gewonden en zieken;
  • 3°. ander afvalwater, indien vermengd met spoelwater als bedoeld onder 1° of 2°;
  • g. vuilnis: etensresten, alle soorten huishoudelijke afvalstoffen en vast afval, voortvloeiende uit de bedrijfsvoering.

Artikel 80

1.

Het is verboden olie, een oliehoudend mengsel, sanitair afval en vuilnis vanaf een mijnbouwinstallatie te lozen.

2.

Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het lozen van:

  • a. een oliehoudend mengsel in de gevallen en op de wijze als bepaald bij ministeriële regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
  • b. sanitair afval:
  • 1°. vanaf een mijnbouwinstallatie waarop niet meer dan tien personen aanwezig plegen te zijn;
  • 2°. vanaf een niet als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, waarop meer dan 50 personen aanwezig plegen te zijn of een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, indien dit afval is afgebroken door middel van een biologisch zuiveringssysteem;
  • 3°. vanaf een andere mijnbouwinstallatie dan bedoeld onder 1° en 2°, indien dit afval is behandeld door middel van een mechanisch vermalingssysteem;
  • c. vuilnis, voor zover bestaande uit etensresten, in de gevallen en op de wijze als door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, aangegeven.
3.

Het eerste lid geldt evenmin, indien het lozen:

  • a. noodzakelijk is om de veiligheid van de installatie te verzekeren dan wel om mensenlevens te redden;
  • b. het gevolg is van schade aan de installatie of aan de uitrusting daarvan, indien na het ontstaan van de schade of na de ontdekking van de lozing alle redelijke maatregelen zijn getroffen om de verdere lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken.
4.

Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, nadere regels gesteld met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde lozingen omtrent:

  • a. het meten en registreren van toegestane lozingen van oliehoudende mengsels;
  • b. de controle op het oliegehalte van de toegestane lozingen van oliehoudende mengsels.

Artikel 81

1.

Op een mijnbouwinstallatie worden met betrekking tot het met het normale gebruik van de installatie samenhangende of daaruit voortvloeiende lozingen van andere dan in artikel 80 genoemde stoffen of andere verontreinigende dan wel schadelijke stoffen zodanige maatregelen genomen dat verontreiniging van oppervlaktewater zoveel mogelijk wordt voorkomen.

2.

Het is verboden stoffen of preparaten te lozen als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)