Besluit van 6 december 2002, houdende regels ter uitvoering van de Mijnbouwwet (Mijnbouwbesluit)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 485
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Gedurende twaalf maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit kan de opslag van stoffen zonder een opslagplan als bedoeld in artikel 26 worden voortgezet.

2.

Indien een houder van een opslagvergunning voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn een opslagplan bij Onze Minister heeft ingediend en niet voor de afloop van die termijn de beslissing van Onze Minister onherroepelijk vaststaat, kan de opslag in elk geval worden voortgezet tot het laatstbedoelde tijdstip.

Artikel 173

1.

Een meetregister als bedoeld in artikel 134 van het Mijnreglement 1964 geldt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de Mijnbouwwet gedurende zes maanden als een meetplan als bedoeld in artikel 30.

2.

Indien een uitvoerder voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn een aanvraag om instemming als bedoeld in artikel 30 bij Onze Minister heeft ingediend en niet voor de afloop van die termijn de beslissing van Onze Minister onherroepelijk vaststaat, kan het gebruik van het meetregister worden voortgezet tot het laatstbedoelde tijdstip.

Artikel 174

1.

Een ontheffing als bedoeld in artikel 40, vierde lid, van het Mijnreglement continentaal plat geldt als een in artikel 51, vijfde lid, bedoelde ontheffing.

2.

Een verklaring als bedoeld in 36ja, eerste lid, van het Mijnreglement 1964 of 40, derde lid, van het Mijnreglement continentaal plat blijft geldig tot het tijdstip waarop de geldigheid van de verklaring verloopt.

Artikel 175

2.

Een boorregister en een boorprofiel als bedoeld in artikel 25 respectievelijk 34, tweede lid, van het Mijnreglement 1964 of in artikel 64 van het Mijnreglement continentaal plat gelden als een boorregister en een boorprofiel als bedoeld in artikel 75, eerste lid, respectievelijk 109, eerste lid, onderdeel a.

Artikel 176

1.

Gedurende vier maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit kan een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 34 zonder een sluitingsplan als bedoeld in artikel 39 geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld, met dien verstande dat gedurende die periode de artikelen 136 en 138 tot en met 143 van het Mijnreglement 1964 van toepassing blijven op het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van het mijnbouwwerk.

2.

Gedurende vier maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit kan een mijnbouwinstallatie zonder een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 60 buiten gebruik worden gesteld en verwijderd, met dien verstande dat gedurende die periode de artikelen 137a en 137b van het Mijnreglement 1964 respectievelijk de artikelen 68 tot en met 70 van het Mijnreglement continentaal plat van toepassing blijven op het buiten gebruik stellen en verwijderen van de mijnbouwinstallatie.

Artikel 177

Gegevens, bescheiden en monsters als bedoeld in de artikelen 108 tot en met 110, waarop artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is, en aan Onze Minister zijn verstrekt voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, verliezen in afwijking van artikel 116, tweede lid, hun vertrouwelijk karakter niet dan nadat tien jaren zijn verstreken met ingang van het tijdstip waarop de uitvoerder de betreffende gegevens, bescheiden en monsters of degene die de bedoelde onderwerpen heeft verstrekt, heeft verkregen.

Artikel 178

Een zekerheid die is gesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit voor de nakoming van hetgeen verschuldigd zal worden, ingeval Onze Minister bestuursdwang toepast ter handhaving van de bij of krachtens de Mijnwet continentaal plat gestelde verplichtingen ten aanzien van het verwijderen of achterlaten, dan wel het na verwijderen slopen of hergebruiken van niet meer in gebruik zijnde mijnbouwinstallaties, berust op artikel 47 van de wet.

Artikel 179

1.

De staat verstrekt het fonds, bedoeld in artikel 135, eerste lid, van de wet het eerste jaar na de inwerkingtreding van de wet alle geldelijke middelen die het fonds nodig heeft om aan zijn verplichtingen in dat jaar te kunnen voldoen.

2.

Het fonds betaalt de geldelijke middelen, bedoeld in het eerste lid, terug aan de staat in het jaar dat volgt op het jaar van inwerkingtreding van de wet, onmiddellijk nadat het de bijdragen heeft ontvangen die de mijnbouwondernemers op grond van de artikelen 122 en 124, in het eerstgenoemde jaar verschuldigd zijn.

Artikel 180

Een voor het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit verleende ontheffing op grond van het Lozingenbesluit bodembescherming blijft na dat tijdstip van kracht, met inbegrip van alle daaraan verbonden voorschriften en beperkingen.

Artikel 181

In afwijking van de artikelen 146, eerste lid, derde volzin, voor zover de verschuldigdheid is ontstaan voor de inwerkingtreding van de wet, en 155, tweede lid, van de wet blijven op de heffing en invordering van een bonus, een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst de artikelen 72, voor zover daarbij artikel 11, derde en vierde lid, artikel 20, derde lid, en hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, en 73 van de wet buiten toepassing.

Hoofdstuk 12. Wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur

§ 10.3. Vergunning voor gebruik voor andere doeleinden

Artikel 182

Wijzigt het Besluit op de lijkbezorging.

§ 10.3. Vergunning voor gebruik voor andere doeleinden

Artikel 183

Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000.

§ 12.3. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 184

Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit.

Artikel 185

Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

Artikel 186

Wijzigt het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 187

Wijzigt het Besluit stralingsbescherming.

§ 12.4. Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Artikel 188

Wijzigt het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen.

Artikel 189

Wijzigt het Rijksreglement ontgrondingen.

§ 12.5. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

Artikel 190

Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

Artikel 191

Wijzigt het Besluit milieu-effectrapportage 1994.

Artikel 192

Wijzigt het Besluit risico's zware ongevallen 1999.

Artikel 193

Wijzigt het Besluit saneringsmaatregelen industrieterreinen 1994.

Artikel 194

Wijzigt het Lozingenbesluit bodembescherming.

Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen

Artikel 195

Vervallen

Artikel 196

Vervallen

Artikel 197

Dit besluit wordt aangehaald als: Mijnbouwbesluit.

Artikel 198

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Mijnbouwwet in werking treedt, met dien verstande dat artikel 4 in werking treedt op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin die wet in werking is getreden.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 53a

1.

De uitvoerder verstrekt aan de inspecteur-generaal der mijnen uiterlijk twee dagen voordat een voor de winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie in gebruik wordt genomen:

  • a. een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat de technische integriteit van de mijnbouwinstallatie gewaarborgd is gezien het ontwerp, de bouw en de plaatsing;
  • b. een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat het onderzoeksprogramma, bedoeld in artikel 53, voor de mijnbouwinstallatie voldoet.
2.

Nadat de mijnbouwinstallatie in gebruik is genomen verstrekt de uitvoerder voorts de in het eerste lid bedoelde gegevens telkens een maand voor de afloop van een periode van vijf jaar, waarvan de eerste periode ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op die van de ingebruikneming.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde verklaringen.

§ 5.2.3. Het buiten gebruik stellen en verwijderen van mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken

§ 4.2. Zoutholten

Afdeling 5.3. Boorgaten

§ 5.3.1. Algemeen

§ 5.2.4. Het ontwerpen, plaatsen en buiten gebruik stellen alsmede verwijderen van mijnbouwinstallaties geheel onder oppervlaktewater gelegen

Afdeling 5.3. Boorgaten

§ 5.3.1. Algemeen

§ 5.3.2. Informatievoorziening in verband met boorgaten

Hoofdstuk 6. Pijpleidingen en kabels

§ 5.4.1. Algemeen

§ 6.2. Vergunningplicht pijpleidingen

§ 5.2.3. Regels over het buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwinstallaties

§ 5.4.1b. Kennisgevingen

§ 5.2.4. Regels over het ontwerpen, plaatsen, buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwinstallaties geheel onder oppervlaktewater gelegen

Hoofdstuk 7. Verstrekking, beheer en gebruik van gegevens

§ 5.3.1. Algemeen

§ 7.2. Vertrouwelijkheid, beheer, gebruik en ter inzage legging van gegevens

§ 7.3. Gegevens in verband met aardwarmte en boorgaten

Hoofdstuk 8. Waarborgfonds mijnbouwschade

§ 5.4.1. Algemeen

§ 6.3. Het gebruik van een pijpleiding

§ 8.3. De bijdrage aan het fonds

§ 6.3. Het gebruik van een pijpleiding

§ 5.4.1b. Kennisgevingen

Hoofdstuk 9. Splitsen en samenvoegen van vergunningen

§ 9.1. Algemeen

§ 5.4.2. Rampenbestrijdingsplan

§ 7.2. Vertrouwelijkheid, beheer, gebruik en ter inzage legging van gegevens

§ 7.3. Gegevens in verband met aardwarmte en boorgaten

Hoofdstuk 10. De veiligheid van groeven

§ 6.2. Vergunningplicht pijpleidingen

§ 10.2. Vergunning voor winning van kalksteen

§ 9.4. Overige regels

§ 8.3. De bijdrage aan het fonds

§ 9.2. Splitsen van vergunningen

Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 12. Wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur

§ 12.1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

§ 12.2. Ministerie van Justitie

§ 10.4. Veiligheid

§ 8.5. Het beheer van het fonds

§ 10.5. Het buiten gebruik stellen van een groeve

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

§ 3.5. Aanvullende bepalingen voor permanent opslaan en transport van CO2

Artikel 29a

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. lekkage: het weglekken van CO2 uit het CO2-opslagvoorkomen;
  • b. significant risico: een combinatie van een waarschijnlijkheid van het zich voordoen van schade en een omvang van schade die niet kan worden genegeerd;
  • c. significante onregelmatigheid: een onregelmatigheid bij de injectie- of opslagwerkzaamheden of in de toestand van het CO2-opslagcomplex zelf die het risico van lekkage doet ontstaan of een risico voor het milieu of de volksgezondheid oplevert;
  • d. richtlijn nr. 2009/31/EG: richtlijn nr. 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en verordening (EG) nr. 1013/2006 (PbEG L 140) van het Europese Parlement en de Raad.

Artikel 29b

Bij ministeriële regeling kunnen voor een vergunning voor permanent opslaan van CO2 regels worden gesteld omtrent:

  • a. het tijdvak van injectie van CO2 en het gebied;
  • b. de ligging en begrenzing van het opslagvoorkomen en het gebied van het opslagcomplex;
  • c. gegevens met betrekking tot de hydraulische eenheid;
  • d. voorschriften voor het opslagproces;
  • e. de totale hoeveelheid CO2 die overeenkomstig de vergunning ten hoogste kan worden opgeslagen;
  • f. de grenswaarden van de druk van de opgeslagen CO2;
  • g. de maximum toelaatbare snelheid en druk bij injectie van CO2 en de maximaal toelaatbare druk van het opgeslagen CO2.

Artikel 29c

1.

Onze Minister verbindt aan de vergunning voor permanent opslaan van CO2 het voorschrift risicobeheer als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdeel h, van de wet, op te nemen in een risicobeheerplan.

2.

Het risicobeheerplan bevat ten minste een beschrijving van maatregelen te nemen om het risico van een significante onregelmatigheid en de mogelijke gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en voldoet aan Bijlage I, fase 3.3. van de richtlijn nr. 2009/31/EG.

Artikel 29d

1.

Onze Minister verbindt aan de vergunning voor permanent opslaan van CO2 het voorschrift corrigerende maatregelen als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdeel k, van de wet uit te voeren volgens een plan.

2.

Het plan bevat ten minste een beschrijving van maatregelen om tijdens de injectie van CO2 en gedurende de verdere opslag significante onregelmatigheden te corrigeren of lekken te dichten teneinde lekkage te voorkomen of te doen ophouden.

Artikel 29e

1.

De uitvoerder neemt onmiddellijk passende maatregelen op basis van het plan, bedoeld in artikel 29d, zodra zich een lekkage of significante onregelmatigheid voordoet.

2.

Zodra zich een significante onregelmatigheid of lekkage voordoet, meldt de uitvoerder dit onmiddellijk bij de inspecteur-generaal der mijnen en verstrekt hem zo spoedig mogelijk gegevens over:

  • a. de oorzaken van de significante onregelmatigheid of lekkage;
  • b. de aard en de ernst van de gevolgen van de significante onregelmatigheid of lekkage;
  • c. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de significante onregelmatigheid of lekkage te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken;
  • d. de maatregelen die worden overwogen om te voorkomen dat een significante onregelmatigheid of een lekkage zich nogmaals kan voordoen.
3.

In geval van een lekkage of significante onregelmatigheid die een lekkagerisico inhoudt, stelt de uitvoerder de Nederlandse emissieautoriteit daarvan onmiddellijk op de hoogte.

Artikel 29f

1.

Onze Minister verbindt aan de vergunning voor permanent opslaan van CO2 het voorschrift monitoring als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdeel i, van de wet uit te voeren volgens het monitoringsplan.

2.

Het monitoringsplan omvat de wijze van de monitoring van:

  • a. de injectiefaciliteiten,
  • b. het opslagcomplex en
  • c. het milieu in de directe nabijheid van het opslagcomplex, en is in overeenstemming met Bijlage II, onderdeel 1.1., van de richtlijn nr. 2009/31/EG.
3.

Het monitoringsplan heeft betrekking op de periode die aanvangt op het tijdstip van inwerkingtreding van een vergunning voor het permanent opslaan van CO2 en eindigt op het tijdstip waarop de vergunning op grond van artikel 31j van de wet wordt ingetrokken.

4.

De keuze van de monitoringstechnologie in het monitoringsplan wordt gebaseerd op de beste praktijken die bij het opstellen van de ontwerp-vergunning beschikbaar zijn.

5.

Voorts wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden het monitoringsplan drie maanden voor aanvang van de injectie van CO2 te actualiseren en om de vijf jaar te actualiseren op basis van wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico, wijzigingen in de beoordeelde risico’s voor het milieu en de volksgezondheid, nieuwe wetenschappelijk kennis en verbeteringen inzake de beste beschikbare techniek. Het geactualiseerde monitoringsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan Onze Minister. De monitoring wordt uitgevoerd volgens het goedgekeurde monitoringsplan.

Artikel 29g

1.

Het document, bedoeld in artikel 31i, tweede lid, van de wet met betrekking tot afsluiting bevat ten minste:

  • 1°. voor zover het mijnbouwwerken, niet zijnde mijnbouwinstallaties, betreft:
  • a. een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van de boorgaten;
  • b. een beschrijving van de wijze waarop bij het mijnbouwwerk behorend materiaal zal worden afgevoerd;
  • c. een beschrijving van op het mijnbouwwerk aanwezige afvalstoffen en de bestemming ervan;
  • d. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen ter voorkoming van schade;
  • e. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om het terrein waarop het mijnbouwwerk is opgericht in de oorspronkelijke staat terug te brengen.
  • 2°. voor zover het mijnbouwinstallaties betreft:
  • a. een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van de boorgaten;
  • c. de wijze waarop zal worden aangetoond dat de plaats waarop de mijnbouwinstallatie op de zeebodem stond vrij van schroot en ander materiaal is;
  • d. de wijze waarop de mijnbouwinstallatie en het schroot en ander materiaal zal worden afgevoerd;
  • e. de eindbestemming van de mijnbouwinstallatie, de onderdelen ervan en schroot en ander materiaal en
  • f. de op de mijnbouwinstallatie aanwezige afvalstoffen en andere stoffen en de eindbestemming daarvan.
2.

Voorts bevat het plan gegevens omtrent de tijdstippen waarop de onderdelen van de afsluiting worden uitgevoerd.

Artikel 29h

1.

Onze Minister verbindt aan de vergunning voor permanent opslaan van CO2 het voorschrift activiteiten ter voorkoming of beperking van schade door bodembeweging als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdeel l, van de wet uit te voeren volgens een plan.

2.

Het plan omvat ten minste:

  • a. een kaart met daarop de contouren van de verwachte uiteindelijke mate van bodemdaling of -stijging,
  • b. een overzicht met het verloop van de verwachte mate van bodemdaling of -stijging in de tijd,
  • c. een opgaaf van de onzekerheid omtrent de verwachte mate van bodembeweging als bedoeld in de onderdelen b en c,
  • d. een risico-analyse omtrent bodemtrillingen als gevolg van de opslag,
  • e. een beschrijving van de mogelijk omvang en verwachte aard van de schade door bodembeweging,
  • f. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om bodembeweging te voorkomen of te beperken, en
  • g. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om schade door bodembeweging te voorkomen of te beperken.
3.

Dit artikel is niet van toepassing op opslagvoorkomens die gelegen zijn aan de zeezijde van de lijn die in de bijlage bij de wetis vastgelegd.

Artikel 29i

1.

Het is verboden bij het permanent opslaan van CO2 en het transporteren van CO2 door een transportnetwerk als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wetnaast CO2 andere stoffen op te slaan en te transporteren dan:

  • a. incidentele aanverwante stoffen, afkomstig uit de CO2-bron of het afvang- of injectieproces,
  • b. stoffen die nodig zijn voor transport of opslag in het opslagvoorkomen of
  • c. spoorelementen die aan het CO2 zijn toegevoegd als hulpmiddel bij het monitoren en het controleren van de beweging van CO2 binnen het CO2-opslagcomplex.
2.

De concentratie van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, mag geen niveaus overschrijden die de integriteit van het opslagvoorkomen of het relevante transportnetwerk in het gedrang brengen of een significant risico voor het milieu of de volksgezondheid vormen.

3.

Het CO2 en de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, worden niet eerder opgeslagen dan nadat de uitvoerder heeft vastgesteld dat deze voldoen aan het tweede lid.

Artikel 29j

1.

De vergunning bepaalt het bedrag waarvoor financiële zekerheid wordt gesteld voor het jaar waarin injectie volgens de aanvraag zal aanvangen en voor elk van de daaropvolgende vier jaren. Het bedrag voor het vierde jaar blijft voor opvolgende jaren van toepassing zolang het niet is aangepast.

2.

Het bedrag wordt per jaar vastgesteld op het totaal van:

  • a. een raming van de kosten van verwerving van broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, uitgaande van emissie als gevolg van ongecontroleerde uitstroom van CO2 gedurende de laatste drie maanden van het desbetreffende jaar;
  • b. een raming van de kosten van de uitvoering van het risicobeheerplan, genoemd in artikel 29c, uitgaande van uitvoering gedurende twee jaar;
  • c. een raming van de kosten van het nemen van de maatregel of maatregelen uit het plan met betrekking tot corrigerende maatregelen, bedoeld in artikel 29d, uitgaande van de meest ingrijpende in het plan voorziene maatregel of maatregelen;
  • d. een raming van de tot intrekking van de vergunning nog te maken kosten van uitvoering van het monitoringsplan, genoemd in artikel 29f, uitgaande van intrekking van de vergunning twintig jaar na afsluiting;
  • e. een raming van de kosten van uitvoering van het afsluitingsplan, bedoeld in artikel 29g;
3.

De vorm waarin de zekerheid wordt gesteld behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister. De vergunninghouder doet hiertoe ten minste zes maanden voordat de zekerheid gesteld zal worden een aanvraag. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag.

4.

Onze Minister stemt in indien de zekerheid in zodanige vorm is gesteld dat naar het oordeel van Onze Minister vaststaat dat de Staat daarmee gedurende de gehele periode alle verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, zo nodig ook zelf kan nakomen ten laste van de vergunninghouder. Onder financiële zekerheid in dit artikel wordt eveneens verstaan een uit oogpunt van zekerheid voor de Staat gelijkwaardige voorziening.

5.

Voor aanvang van injectie van CO2 toont de vergunninghouder Onze Minister aan dat de zekerheid in overeenstemming met de weten dit artikel is gesteld.

6.

Onverminderd artikel 31h, eerste lid, onder d, van de wet, beziet Onze Minister op de voet van het tweede lid telkens na vijf jaar gerekend vanaf verlening van de vergunning de hoogte van het bedrag voor de eerstkomende vijf jaar. Het bedrag dat voor het laatste jaar in de vergunning is vastgesteld blijft voor opvolgende jaren van toepassing zolang het niet is aangepast. De vergunninghouder verstrekt Onze Minister uiterlijk drie maanden voor afloop van een vijfjaarstermijn de voor de ramingen, bedoeld in het tweede lid, benodigde gegevens vergezeld van adequate cijfermatige onderbouwing en toelichting.

7.

De vergunninghouder staakt injectie van CO2 zodra voortgaande injectie zou leiden tot een hoeveelheid opgeslagen CO2 die meer dan 15% hoger is dan de hoeveelheid die betrokken is in de raming, bedoeld in het tweede lid onder a, voor de vaststelling van de hoogte van het bedrag waarvoor op dat moment zekerheid is gesteld.

8.

Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere maatstaven voor raming van kosten als bedoeld in het tweede lid vaststellen.

Artikel 29k

De uitvoerder verstrekt Onze Minister jaarlijks voor 1 april:

  • a. de resultaten van de monitoring van het opgeslagen CO2 over het daaraan voorafgaande kalenderjaar met vermelding van de gebruikte technologie,
  • b. het bewijs dat financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening is gesteld en aangehouden en
  • c. wijzigingen in de financiële en technische mogelijkheden van de vergunninghouder.

Artikel 29l

1.

Indien de uitvoerder een verzoek doet om het intrekken van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 als bedoeld in artikel 31j van de wet overlegt hij aan Onze Minister:

  • a. gegevens waaruit blijkt dat het opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten blijft,
2.

De financiële bijdrage, bedoeld in het eerste lid, houdt rekening met de in bijlage I van de richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en verordening (EG) nr. 1013/2006 (PbEG L 140) van het Europese Parlement en de Raad bedoelde parameters en elementen inzake de voorgeschiedenis van de opslag van CO2 die relevant zijn voor het bepalen van de verplichtingen die na de overdracht gelden en dekt tenminste de geraamde monitoringskosten voor een periode van 30 jaar na het intrekken van de vergunning.

Artikel 29m

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 29c tot en met 29h, tweede lid, en 29i tot en met 29l.

Hoofdstuk 3a. Het opsporen en winnen van aardwarmte

§ 4.2. Zoutholten

Hoofdstuk 5. Mijnbouwwerken

Afdeling 5.1. Mijnbouwwerken, uitgezonderd mijnbouwinstallaties

§ 5.1.1. Algemeen

§ 5.1.2. Regels over het gebruik van mijnbouwwerken

§ 5.1.3. Milieu

§ 5.1.4. Regels over het buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwwerken

Afdeling 5.2. Mijnbouwinstallaties

§ 5.2.1. Algemeen

§ 5.2.2. Het ontwerpen, plaatsen en gebruiken van mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken

§ 5.1.2. Regels over het gebruik van mijnbouwwerken

Afdeling 5.4. Milieu en rampenbestrijdingsplan op mijnbouwinstallaties

§ 5.4.1. Algemeen

§ 5.4.2. Rampenbestrijdingsplan

Hoofdstuk 6. Pijpleidingen en kabels

§ 6.4. Het beëindigen van het gebruik van een pijpleiding

§ 6.1. Algemeen

Hoofdstuk 7. Verstrekking, beheer en gebruik van gegevens

§ 6.2. Vergunningplicht pijpleidingen

§ 7.2. Vertrouwelijkheid, beheer, gebruik en ter inzage legging van gegevens

Hoofdstuk 8. Waarborgfonds mijnbouwschade

§ 8.1. Begripsbepalingen

§ 8.3. De bijdrage aan het fonds

§ 8.4. Verzoeken om uitkeringen ten laste van het fonds

Hoofdstuk 6. Pijpleidingen en kabels

§ 6.1. Algemeen

§ 9.3. Samenvoegen van vergunningen

Hoofdstuk 10. De veiligheid van groeven

§ 10.1. Algemeen

§ 6.5. Kabels

§ 7.1. Verstrekking gegevens

§ 10.4. Veiligheid

§ 10.5. Het buiten gebruik stellen van een groeve

Hoofdstuk 8. Waarborgfonds mijnbouwschade

Hoofdstuk 9. Splitsen, afsplitsen en samenvoegen van vergunningen

§ 9.1. Algemeen

§ 9.2. Splitsen van vergunningen

§ 9.2a. Afsplitsen van winningsvergunningen

§ 12.4. Ministerie van Verkeer en Waterstaat

§ 9.4. Overige regels

Hoofdstuk 10. De veiligheid van groeven

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 44a

Vervallen

§ 5.2.3. Het buiten gebruik stellen en verwijderen van mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken

§ 5.2.3. Regels over het buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwinstallaties

Afdeling 5.3. Boorgaten

§ 5.3.1. Algemeen

§ 5.3.2. Informatievoorziening in verband met boorgaten

Afdeling 5.4. Milieu en rampenbestrijdingsplan

§ 5.4.1. Algemeen

Artikel 84a

Deze paragraaf is van toepassing op mijnbouwwerken die gebruikt worden voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen.

Artikel 84b

1.

Een rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie bevat naast de documenten bedoeld in artikel 45c van de wet, de volgende gegevens:

  • c. overige informatie.
2.

Een exploitant van een productie-installatie raadpleegt een ondernemingsraad als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de ondernemingsraden of een personeelsvertegenwoordiging als bedoeld in artikel 35b van de Wet op de ondernemingsraden bij het opstellen van het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, voert een exploitant van een productie-installatie overleg met de belanghebbende werknemers. Over het rapport wordt tevens overleg gevoerd met de werknemers van andere werkgevers, die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk mede in het bedrijf of de inrichting werkzaam zijn.

3.

De exploitant van een productie-installatie voldoet aan de maatregelen die zijn vastgesteld in het rapport inzake grote gevaren voor de betreffende installatie.

4.

Het rapport inzake grote gevaren is aanwezig op het mijnbouwwerk.

5.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de overige informatie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 84c

1.

Een rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie bevat naast de documenten bedoeld in artikel 45g van de wet, de volgende gegevens:

  • c. overige informatie.
2.

Een eigenaar van een niet-productie-installatie raadpleegt een ondernemingsraad als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de ondernemingsraden of een personeelsvertegenwoordiging als bedoeld in artikel 35b van de Wet op de ondernemingsraden bij het opstellen van het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, voert een eigenaar overleg met de belanghebbende werknemers. Over het rapport wordt tevens overleg gevoerd met de werknemers van andere werkgevers, die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk mede in het bedrijf of de inrichting werkzaam zijn.

3.

De eigenaar van een niet-productie-installatie voldoet aan de maatregelen die zijn vastgesteld in het rapport inzake grote gevaren voor de betreffende installatie.

4.

Het rapport inzake grote gevaren is aanwezig op het mijnbouwwerk.

5.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de overige informatie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 84d

1.

Een intern rampenplan bevat de volgende gegevens:

  • c. een rampenbestrijdingsplan als bedoeld in artikel 85;
  • d. een analyse van de doeltreffendheid van de respons op olielekken.
2.

Bij het opstellen van het intern rampenplan als bedoeld in het eerste lid wordt rekening gehouden met de risicobeoordeling van zware ongevallen die tijdens het opstellen van het meest recente rapport inzake grote gevaren is uitgevoerd.

3.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over een intern rampenplan.

4.

Een exploitant van een productie-installatie of een eigenaar van een niet-productie-installatie stelt bij een zwaar ongeval het intern rampenplan onverwijld in werking.

5.

Een exploitant van een productie-installatie of een eigenaar van een niet-productie-installatie beschikt over de noodzakelijke apparatuur en deskundigheid ter uitvoering van het intern rampenplan.

Artikel 84e

1.

Een regeling voor onafhankelijke verificatie voor boorgatactiviteiten als bedoeld in artikel 45l van de wet, waarborgt op onafhankelijke wijze dat het ontwerp en de controlemaatregelen voor de boorgaten te allen tijde geschikt zijn voor de verwachte boorgatomstandigheden.

2.

Een onafhankelijke verificateur dient voldoende onafhankelijk en deskundig te zijn.

3.

Bij ministeriële regeling worden ten aanzien van de regeling als bedoeld in het eerste lid nadere regels gesteld over de selectie van de onafhankelijke verificateur, over het ontwerp van de regeling alsmede welke informatie moet worden voorgelegd over de regeling.

Artikel 84f

1.

Een regeling voor onafhankelijke verificatie voor installaties als bedoeld in artikel 45l van de wet, waarborgt op onafhankelijke wijze dat de veiligheids- en milieukritische elementen die worden vermeld in de risicobeoordeling voor de installatie als beschreven in het rapport inzake grote gevaren, geschikt zijn en dat de planning van inspecties en testen van de veiligheids- en milieukritische elementen geschikt en bijgewerkt zijn en verlopen zoals voorzien.

2.

Een onafhankelijke verificateur dient voldoende onafhankelijk en deskundig te zijn.

3.

De regeling voor onafhankelijke verificatie wordt voor een productie-installatie getroffen voordat het ontwerp is voltooid.

4.

De regeling voor onafhankelijke verificatie wordt voor een niet- productie-installatie getroffen voordat de activiteiten worden gestart.

5.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de selectie van de onafhankelijke verificateur, over het ontwerp van de regeling alsmede welke informatie moet worden voorgelegd over de regeling.

Artikel 84g

1.

Een eigenaar van een niet-productie-installatie en een exploitant van een productie-installatie nemen binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn op basis van het advies van de onafhankelijke verificateur passende maatregelen en reageren op het advies van de onafhankelijke verificateur.

2.

Een eigenaar van een niet-productie-installatie en een exploitant van een productie-installatie stellen het Staatstoezicht op de Mijnen in kennis van het advies van de onafhankelijke verificateur en de reactie op het advies, binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn.

Artikel 84h

Deze paragraaf is van toepassing op mijnbouwwerken die gebruikt worden voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen.

Artikel 84i

1.

Een kennisgeving als bedoeld in artikel 45m van de wet, bevat de volgende informatie:

  • b. overige informatie.
2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de kennisgeving.

Artikel 84j

1.

Een kennisgeving als bedoeld in artikel 45n van de wet, bevat de volgende informatie:

  • a. gegevens van het ontwerp van de boorgat;
  • b. de voorgestelde boorgatactiviteiten;
  • e. de bevindingen en opmerkingen van de onafhankelijke verificateur en de reactie van de exploitant en de door hem genomen maatregelen ten gevolge daarvan;
  • f. overige informatie.
2.

De exploitant voldoet in geval van een boorgatactiviteit aan de maatregelen die zijn vastgesteld in de kennisgeving van de boorgatactiviteit.

3.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de kennisgeving.

Artikel 84k

1.

Een kennisgeving, bedoeld in artikel 45p van de wet, bevat de volgende informatie:

  • b. overige informatie.
2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de kennisgeving.

Artikel 84l

1.

Een exploitant van een productie-installatie en eigenaren van niet-productie-installaties voldoen aan de maatregelen die zijn vastgesteld in de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 84j en 84k.

2.

Een exploitant van een voorgenomen productie-installatie houdt rekening met de opmerkingen van het Staatstoezicht op de mijnen ten aanzien van de kennisgeving van het ontwerp voor deze installatie, in het rapport inzake grote gevaren voor de productie-installatie.

§ 5.4.2. Rampenbestrijdingsplan

Artikel 84m

Deze paragraaf is van toepassing op mijnbouwwerken.

Artikel 88a

De exploitant van een productie-installatie die in Nederland is gevestigd of diens dochteronderneming doet op verzoek van het Staatstoezicht op de mijnen verslag over de omstandigheden van elk zwaar ongeval dat zich buiten de Europese Unie heeft voltrokken en waar deze bij betrokken is geweest.

Hoofdstuk 6. Pijpleidingen en kabels

§ 6.4. Het beëindigen van het gebruik van een pijpleiding

§ 6.5. Kabels

Hoofdstuk 7. Verstrekking, beheer en gebruik van gegevens

§ 5.4.2. Rampenbestrijdingsplan

§ 7.3. Gegevens in verband met aardwarmte en boorgaten

Hoofdstuk 8. Waarborgfonds mijnbouwschade

§ 8.1. Begripsbepalingen

§ 6.1. Algemeen

§ 6.4. Het beëindigen van het gebruik van een pijpleiding

Hoofdstuk 9. Splitsen, afsplitsen en samenvoegen van vergunningen

§ 9.1. Algemeen

§ 6.5. Kabels

§ 9.2a. Afsplitsen van winningsvergunningen

Artikel 136a

1.

Op een aanvraag als bedoeld in artikel 143, achtste lid, eerste volzin, van de wet van de houder van een winningsvergunning wijzigt Onze Minister de winningsvergunning door van het gebied waarop die vergunning betrekking heeft, af te splitsen een gebiedsdeel dat de vergunninghouder wil doen overgaan op een ander en verleent Onze Minister aan deze vergunninghouder een winningsvergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel.

2.

De op grond van het eerste lid verleende winningsvergunning voor een afgesplitst gebiedsdeel geldt tezamen met de winningsvergunning waarvan dat deel is afgesplitst voor hetzelfde gebied als waarvoor de winningsvergunning voorafgaand aan de afsplitsing geldt.

3.

Het tijdvak waarvoor de op grond van het eerste lid te verlenen vergunning geldt, eindigt op het tijdstip waarop het tijdvak van de winningsvergunning waarvan dat deel is afgesplitst eindigt.

Artikel 136b

Een aanvraag om afsplitsing van een winningsvergunning wordt niet ingewilligd indien dat ertoe leidt dat een voorkomen van delfstoffen of aardwarmte dan wel een voorkomen voor het opslaan van stoffen in het oorspronkelijke vergunningsgebied zich door deze afsplitsing in twee of meer verschillende vergunningsgebieden zal bevinden.

§ 9.3. Samenvoegen van vergunningen

§ 9.4. Overige regels

Artikel 143a

1.

Voor zover het niet verenigbaar is met het bij of krachtens de wet bepaalde om aan de winningsvergunning voor een afgesplitst gebiedsdeel de beperkingen en voorschriften te verbinden, die zijn verbonden aan de winningsvergunning waarvan dat gebiedsdeel is afgesplitst, kan Onze Minister aan de winningsvergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel aangepaste voorschriften en beperkingen verbinden.

2.

Onze Minister kan voorschriften en beperkingen aanpassen als bedoeld in het eerste lid, mede met het oog op:

  • a. het planmatig beheer of gebruik van delfstoffen, aardwarmte en andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater;
  • b. mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.

Hoofdstuk 10. De veiligheid van groeven

§ 7.3. Gegevens in verband met aardwarmte en boorgaten

§ 8.1. Begripsbepalingen

§ 8.5. Het beheer van het fonds

Artikel 161a

1.

De bedragen, verschuldigd op grond van artikel 133, eerste lid, van de wet zijn vaste bedragen.

2.

De bedragen, bedoeld in artikel 133, eerste lid, onderdeel a, van de wet worden in rekening gebracht voor het op aanvraag verlenen, wijzigen, intrekken of beoordelen van:

  • g. een ontheffing, instemming of beoordeling van een melding krachtens dit besluit of een krachtens dit besluit vastgestelde ministeriële regeling, die betrekking heeft op een productie-installatie, een niet-productie-installatie, een pijpleiding, een transmissie- of distributiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet of een mijnbouwwerk bedoeld voor het opsporen of winnen van aardwarmte;
3.

De bedragen die krachtens artikel 133, eerste lid, onderdeel b, van de wet in rekening worden gebracht voor de uitvoering van taken door de inspecteur-generaal der mijnen en de bedragen die krachtens het eerste lid in rekening worden gebracht worden onderscheiden:

  • a. per exploitant, eigenaar, verzoeker, aanvrager of houder van een zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte, of netbeheerder, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen actieve en niet-actieve exploitanten of eigenaren;
  • b. per activiteit, en
  • c. afhankelijk van de locatie op land of op zee, de eigenschappen en de grootte van de productie- installatie, de niet-productie-installatie, de pijpleiding, het transmissie- of distributiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet of het mijnbouwwerk bedoeld voor het opsporen of winnen van aardwarmte.
4.

Onze Minister brengt de bedragen in rekening en verzendt een beschikking daartoe aan de desbetreffende exploitant, eigenaar verzoeker, aanvrager of houder van een zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte, of netbeheerder.

Hoofdstuk 10a. Retributies

Hoofdstuk 12. Wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur

§ 12.1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

§ 12.1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

§ 10.3. Vergunning voor gebruik voor andere doeleinden

§ 10.4. Veiligheid

§ 12.5. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

Hoofdstuk 10a. Retributies

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 40a

1.

De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet overlegt voor een mijnbouwwerk als bedoeld inartikel 40, eerste lid, een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de wet, tenzij:

2.

De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over het oordeel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Afdeling 5.2. Mijnbouwinstallaties

§ 5.2.1. Algemeen

Artikel 45a

Vervallen

§ 5.1.3. Milieu

§ 5.2.4. Het ontwerpen, plaatsen en buiten gebruik stellen alsmede verwijderen van mijnbouwinstallaties geheel onder oppervlaktewater gelegen

Afdeling 5.2. Mijnbouwinstallaties

§ 5.2.1. Algemeen

§ 5.3.1. Algemeen

Afdeling 5.4. Milieu en rampenbestrijdingsplan

§ 5.4.1a. Rapport inzake grote gevaren en overige documenten

Hoofdstuk 6. Pijpleidingen en kabels

§ 5.3.2. Informatievoorziening in verband met boorgaten

§ 5.4.1a. Rapport inzake grote gevaren en overige documenten

Hoofdstuk 7. Verstrekking, beheer en gebruik van gegevens

§ 5.4.1b. Kennisgevingen

Hoofdstuk 6. Pijpleidingen en kabels

§ 8.1. Begripsbepalingen

Hoofdstuk 9. Splitsen, afsplitsen en samenvoegen van vergunningen

§ 8.5. Het beheer van het fonds

§ 7.2. Vertrouwelijkheid, beheer, gebruik en ter inzage legging van gegevens

§ 8.2. Het vermogen van het fonds

§ 8.4. Verzoeken om uitkeringen ten laste van het fonds

Hoofdstuk 12. Wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur

§ 12.3. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

§ 12.4. Ministerie van Verkeer en Waterstaat

§ 12.1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 40b

1.

Bij de melding, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet vermeldt de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet in ieder geval:

  • a. de locatie van het mijnbouwwerk;
  • b. de datum waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
  • c. de wijze waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
  • d. in het geval van een mijnbouwwerk voor zoutwinning welke maatregelen zijn genomen om de holruimte te monitoren vanuit een analyse in een systeembenadering van de risico’s van dat mijnbouwwerk;
  • e. bij een mijnbouwwerk anders dan een mijnbouwwerk voor zoutwinning, welke maatregelen noodzakelijk zijn aan de hand van de specifieke risico’s van dat mijnbouwwerk.
2.

Van de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 40c

1.

De aanvraag tot instemming met een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44a, eerste lid van de wet bevat ten minste een beschrijving van:

  • a. de aanduiding, locatie, aard en functie van het mijnbouwwerk ten tijde van de aanvraag om instemming met het verwijderingsplan;
  • b. de activiteiten, bedoeld in artikel 74, eerste lid, die hebben geleid tot wijziging van de inrichting van het boorgat;
  • c. de afspraken met de eigenaar van het terrein waarop het mijnbouwwerk is opgericht en andere belanghebbenden;
  • d. de methode en een schatting van de kosten van het buiten gebruik stellen van een boorgat en het verwijderen van de bovengrondse installaties;
  • e. de staat waarin het ondergrondse deel van het mijnbouwwerk wordt achtergelaten;
  • f. de datum van indiening van het werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat en de planning van de uitvoering;
  • g. het schoon en veilig achterlaten of verwijderen van kabels en pijpleidingen;
  • h. de wijze waarop de materialen die bij het mijnbouwwerk behoren, worden afgevoerd en de bestemming ervan;
  • j. de risico’s van een mijnbouwwerk dat is gebruikt voor de winning van zout na verwijdering van de bovengrondse installaties en het buiten gebruik stellen van het boorgat aan de hand van een analyse van deze risico’s in een systeembenadering en de bij dat mijnbouwwerk te nemen beheersmaatregelen, waaronder een beschrijving van een uit te voeren monitoring, indien:
  • 1°. die beheersmaatregelen nodig zijn in het belang van de veiligheid of het milieu en
  • k. de maatregelen die worden genomen om het terrein waarop het mijnbouwwerk is opgericht en de bodem van het terrein zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen of in het geval het terrein of de bodem niet in de oorspronkelijke staat worden teruggebracht, de toestand waarin het terrein na uitvoering van het verwijderingsplan wordt achtergelaten;
  • l. het beoogde gebruik van het terrein; en
  • m. in geval van een gedeeltelijke verwijdering van het mijnbouwwerk voor welk doel het mijnbouwwerk wordt hergebruikt en een beschrijving daarvan.
2.

Het verwijderingsplan vermeldt binnen welke perioden de beschreven werkzaamheden beginnen en eindigen en kan in een fasering van de verwijdering voorzien.

3.

In afwijking van het eerste lid, aanhef, kan bij het overleggen van informatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met k, worden volstaan met een verwijzing naar informatie die is of wordt overgelegd bij een aanvraag om een vergunning, een melding of de naleving van een verplichting tot het overleggen van gegevens en bescheiden krachtens de wet, respectievelijk de Omgevingswet, in het geval die informatie de relevante feiten bevat of zal bevatten die nodig zijn voor een besluit tot instemming met het verwijderingsplan, respectievelijk een besluit tot instemming met het verwijderingsplan onder het stellen van voorwaarden of voorschriften.

4.

Onze Minister beslist binnen dertien weken na het overleggen van een verwijderingsplan over de instemming.

5.

Van de instemming, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.

6.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag tot instemming met een verwijderingsplan.

Artikel 40d

1.

Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet een instemming met een verwijderingsplan, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de wet weigeren, indien:

  • a. het verwijderingsplan onvoldoende voorziet in een beschrijving van werkzaamheden, methode en kosten van de verwijdering die nodig zijn gedurende de periode van uitvoering van het verwijderingsplan, waaronder monitoring;
  • b. het verwachte resultaat van de uitvoering van het verwijderingsplan onvoldoende is beschreven;
  • c. het mijnbouwwerk in aanmerking komt voor hergebruik;
  • d. het mijnbouwwerk niet in aanmerking komt voor het in de aanvraag beschreven gedeeltelijk hergebruik als mijnbouwwerk;
  • e. in het geval van hergebruik het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 44a, tweede lid, van de wet, voor zover het hergebruik betreft, geen verklaring van geen bedenkingen heeft gegeven;
  • f. naar het oordeel van het bevoegde gezag krachtens de Omgevingswet het voorstel tot onderzoeken of saneren van de bodem niet voldoet;
  • g. de bestemming van de af te voeren materialen en afvalstoffen onduidelijk is;
  • h. de planning van de uitvoering van de verwijdering niet duidelijk is of voorziet in een onredelijk lange termijn;
  • i. de verwijdering van een mijnbouwwerk voor de winning van zout leidt tot:
2.

Onze Minister kan een instemming ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien:

  • a. het bevoegde gezag, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f, tot een afwijzend oordeel komt over het geheel of gedeeltelijk hergebruik van het mijnbouwwerk;
  • b. het bevoegde gezag krachtens de wet geen vergunning verstrekt voor het opsporen, winnen, of opslaan van delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk stoffen;
  • c. de houder van een vergunning de instemming voor het geheel of een gedeelte van het verwijderingsplan niet langer nodig heeft; of
  • d. de houder van een vergunning niet overeenkomstig de instemming handelt of heeft gehandeld.

Artikel 40e

1.

Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 44b, eerste lid, van de wet verlenen, indien het mijnbouwwerk:

  • b. doelmatiger kan worden verwijderd of hergebruikt, indien de houder van een vergunning het mijnbouwwerk tezamen met een ander mijnbouwwerk verwijdert of hergebruikt;
  • c. in aanmerking komt voor geheel of gedeeltelijk hergebruik als onderzoek is of wordt verricht naar de geschiktheid voor opsporing of winning van delfstoffen of aardwarmte of de opslag van stoffen;
  • d. redelijkerwijs rendabel opnieuw in gebruik genomen kan worden na:
  • 1°. verbetering van de omstandigheden op de markt voor koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen;
  • 2°. een technische innovatie voor de winning van koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen; of
  • e. in aanmerking komt voor een ander hergebruik dan het exploiteren van een mijnbouwwerk.
2.

Onze Minister vraagt advies over een aanvraag om ontheffing van de verplichting tot verwijderen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wetvoor het opnieuw in gebruik nemen:

  • a. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, voor de winning van koolwaterstoffen, aardwarmte en de opslag van CO2 aan de vennootschap, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de wet en
  • b. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onder 2°, tevens aan de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO als bedoeld in artikel 3 van de TNO-wet.
3.

Onze Minister kan de ontheffing voor hergebruik van het mijnbouwwerk voor een periode van maximaal vijf jaar verlenen.

4.

Onze Minister kan de ontheffing telkens voor een periode van maximaal vijf jaar verlengen.

5.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag om een ontheffing.

6.

Onze Minister kan, onverminderd artikel 7, derde lid, een ontheffing ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien de houder van een vergunning:

  • a. de ontheffing niet langer nodig heeft om in een hergebruik van het mijnbouwwerk te kunnen voorzien;
  • b. niet overeenkomstig de ontheffing handelt of heeft gehandeld.

Artikel 40f

1.

Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet een instemming met een rapport over de verwijdering, bedoeld in artikel 44c, derde lid, van de wet weigeren als het rapport:

  • a. onvoldoende informatie bevat;
  • b. het mijnbouwwerk niet is verwijderd overeenkomstig het verwijderingsplan waarmee is ingestemd; of
  • c. niet is verwijderd overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)