Besluit van 6 december 2002, houdende regels ter uitvoering van de Mijnbouwwet (Mijnbouwbesluit)
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, welke uitsluitend strekt ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie:
- a. de in het tweede lid bedoelde stoffen of preparaten aangewezen;
- b. regels gesteld die slechts kunnen inhouden:
- 1°. voorschriften inzake de bewerking die stoffen of preparaten voor lozing moeten ondergaan, de te lozen hoeveelheden ervan, en de plaats en de wijze van lozing;
- 2°. voorschriften omtrent het melden, meten en registreren van stoffen of preparaten die worden geloosd.
Artikel 82
De uitvoerder neemt onmiddellijk passende maatregelen in geval van lozingen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan als bedoeld in de artikelen 80 en 81. De bedoelde passende maatregelen houden in het voorkomen, bestrijden of beperken van de bedoelde nadelige gevolgen.
De uitvoerder meldt het voorval zo spoedig mogelijk aan het Kustwachtcentrum en de inspecteur-generaal der mijnen.
De uitvoerder verstrekt de inspecteur-generaal der mijnen zo spoedig mogelijk gegevens, zodra deze bekend zijn, omtrent:
- a. de oorzaken van het voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan;
- b. de ten gevolge van het voorval vrijgekomen stoffen, alsmede hun eigenschappen;
- c. andere gegevens die van belang zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor het milieu van het voorval te kunnen beoordelen;
- d. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de gevolgen van het voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken;
- e. de maatregelen die worden overwogen om te voorkomen dat een zodanig voorval zich nogmaals kan voordoen.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de in het tweede lid bedoelde melding en de gegevens, bedoeld in het derde lid.
Artikel 83
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, ter voorkoming van verontreiniging van oppervlaktewater regels gesteld omtrent het gebruik van bepaalde stoffen of preparaten op een mijnbouwinstallatie.
Het is verboden stoffen of preparaten te gebruiken als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met de in het eerste lid genoemde minister, welke uitsluitend strekt ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie:
- a. de in het tweede lid bedoelde stoffen of preparaten aangewezen;
- b. regels gesteld die slechts kunnen inhouden:
- 1°. voorschriften inzake de te gebruiken hoeveelheden stof of preparaten en de wijze van gebruik;
- 2°. voorschriften omtrent het melden, meten en registreren van stoffen of preparaten die worden gebruikt.
Artikel 84
Het is verboden op een mijnbouwinstallatie aardgas af te blazen of af te fakkelen in de open lucht dan wel andere verontreinigende stoffen uit te stoten.
Het eerste lid geldt niet indien het afblazen of affakkelen van aardgas dan wel de uitstoot van andere verontreinigende stoffen onvermijdelijk is voor een normale bedrijfsvoering in het mijnbouwwerk. In dat geval worden alle maatregelen getroffen om schade ten gevolge van het afblazen of affakkelen van aardgas dan wel de uitstoot van andere verontreinigende stoffen zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de in het tweede lid bedoelde maatregelen.
§ 5.4.2. Rampenbestrijdingsplan
Artikel 85
Een uitvoerder of een uitvoerder aardwarmte draagt er zorg voor dat er een rampenbestrijdingsplan is voor elk mijnbouwwerk dat in gebruik is ten behoeve van de opsporing, winning of opslag van stoffen of de opsporing of winning van aardwarmte.
Een rampenbestrijdingsplan met betrekking tot een voor de winning of opslag bestemd mijnbouwwerk wordt ten minste iedere vijf jaar herzien.
Het rampenbestrijdingsplan wordt voor de eerste maal ten minste vier weken voor de aanvang van de opsporing, winning of opslag, ingediend bij het Staatstoezicht op de mijnen en, in het geval, bedoeld in het tweede lid, onverwijld na de herziening.
Artikel 86
Een rampenbestrijdingsplan bevat een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen ter bestrijding of ter beperking van de gevolgen van voorvallen op een mijnbouwwerk dan wel in de omgeving daarvan, die een ernstig gevaar opleveren voor het milieu of voor zover van toepassing voor de veiligheid van de scheepvaart of visserij.
Onder de maatregelen en de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval verstaan:
- a. de werkzaamheden die worden verricht ter bestrijding van een voorval als bedoeld in het eerste lid;
- b. de aanwezige materialen en bestrijdingsmiddelen die daarbij worden gebruikt;
- c. wie of welke instelling is belast met de in onderdeel a bedoelde werkzaamheden, en
- d. wie belast is met het toezicht op het feitelijk verrichten van de in onderdeel a bedoelde werkzaamheden.
Artikel 87
Indien zich een voorval als bedoeld in artikel 86, eerste lid, voordoet op een mijnbouwwerk, wordt onmiddellijk uitvoering gegeven aan het rampenbestrijdingsplan.
Zodra daartoe de mogelijkheid bestaat, meldt de uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte het voorval aan de inspecteur-generaal der mijnen en bij een voorval op een mijnbouwinstallatie, aan het Kustwachtcentrum.
Artikel 88
Indien zich een voorval als bedoeld in artikel 86, eerste lid, voordoet in de omgeving van een mijnbouwwerk, meldt de uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte het voorval onmiddellijk aan de inspecteur-generaal der mijnen en bij een voorval op een mijnbouwinstallatie, aan het Kustwachtcentrum.
De uitvoerder verleent of de uitvoerder aardwarmte en de houder van een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte verlenen op aanwijzing van Onze Minister zoveel mogelijk hulp en bijstand bij het bestrijden van het voorval of het beperken van de gevolgen ervan.
Artikel 89
De werkzaamheden ter bestrijding van voorvallen als bedoeld in artikel 86, eerste lid, of ter beperking van de gevolgen ervan geschieden onder toezicht van een daartoe aangewezen deskundig persoon en door vakkundig personeel, dat daartoe voldoende geoefend en geïnstrueerd is.
Artikel 90
Onze Minister kan bepalen dat een of meer door hem aangewezen uitvoerders of uitvoerders aardwarmte al dan niet gezamenlijk op daarbij aangegeven plaatsen en in een daarbij aangegeven omvang voor onmiddellijk gebruik ter beschikking hebben vaartuigen, helikopters of ander materieel ter bestrijding van voorvallen als bedoeld in artikel 86, eerste lid, of ter beperking van de gevolgen ervan.
Artikel 91
Onze Minister kan ten aanzien van het bestrijden van een voorval als bedoeld in artikel 86, eerste lid, of het beperken van de gevolgen ervan:
- a. aanwijzingen geven op welke wijze de desbetreffende werkzaamheden worden verricht en welke bestrijdingsmiddelen daarbij worden aangewend;
- b. bepalen dat de desbetreffende werkzaamheden worden opgedragen aan een ter zake deskundige en daarin gespecialiseerde instelling.
Hoofdstuk 6. Pijpleidingen en kabels
§ 6.1. Algemeen
Artikel 92
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. pijpleiding:
- 1°. leiding die twee of meer mijnbouwwerken met elkaar verbindt ten behoeve van het vervoer van stoffen, te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;
- 2°. andere leiding dan bedoeld onder 1°, aan te wijzen door Onze Minister, die een mijnbouwwerk verbindt met een ander werk ten behoeve van het vervoer van stoffen te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;
- b. kabel: leiding, gelegen in de territoriale zee of het continentaal plat, tussen twee of meer mijnbouwinstallaties of tussen een mijnbouwinstallatie en een ander werk, aangewezen door Onze Minister, ten behoeve van het vervoer van elektriciteit of elektronische signalen;
- c. de ligging: het traject, de diepte en de stabiliteit;
- d. beheerder: degene voor wiens rekening en risico een pijpleiding of kabel wordt aangelegd, gebruikt dan wel in stand gehouden;
- e. vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 94.
Artikel 93
Een pijpleiding bestaat uit pijpen die voldoende sterk zijn en op doelmatige wijze met elkaar zijn verbonden. De pijpleiding is tegen corrosie en uitwendige krachten beschermd.
De ligging van de pijpleiding is zodanig dat geen schade wordt veroorzaakt of zoveel mogelijk voorkomen.
De eigenschappen, de aanleg, de ligging en het onderhoud van de pijpleiding voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 6.2. Vergunningplicht pijpleidingen
Artikel 94
Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een pijpleiding in de territoriale zee of op het continentaal plat aan te leggen. Indien de pijpleiding zal worden aangelegd in een gebied als bedoeld in de artikelen 7.67, onderdeel b, onder 1°, of 7.67, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt de vergunning verleend door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie respectievelijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
De vergunning wordt geweigerd indien de pijpleiding niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 93 gestelde eisen.
De vergunning kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden in verband met risico op schade.
Indien de vergunning betrekking heeft op een project voor het aanleggen van een pijpleiding waarvoor op grond van artikel 16.43 van de Omgevingswet een milieueffectrapport moet worden gemaakt, is afdeling 16.4 van die wet van toepassing.
Artikel 95
Artikel 94 is van overeenkomstige toepassing op een pijpleiding waarvan het aanleggen zal plaatsvinden in of op een ander gebied dan bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, van dat artikel, en waarvoor op grond van artikel 16.43 van de Omgevingswet een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Artikel 96
Onze Minister beslist over de aanvraag om een vergunning binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag en, in geval artikel 94, vierde lid, of 95 van toepassing is, binnen de in artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn.
Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 94, eerste lid.
§ 5.2.3. Regels over het buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwinstallaties
Artikel 97
Een pijpleiding wordt niet voor de eerste maal in gebruik genomen, dan nadat Onze Minister de beheerder op diens verzoek heeft meegedeeld daarmee in te stemmen.
De beheerder doet het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk twee weken voordat hij de pijpleiding in gebruik wil nemen. Daarbij verstrekt de beheerder aan Onze Minister:
- a. een verklaring van een onafhankelijke deskundige, waarin wordt beoordeeld of de eigenschappen en de aanleg van de pijpleiding voldoen aan de bij of krachtens artikel 93 gestelde eisen, en
- b. gegevens waaruit blijkt dat de ligging van de pijpleiding die is aangelegd in de territoriale zee of het continentaal plat voldoet aan de bij of krachtens artikel 93 gestelde eisen en, voor zover van toepassing, aan de desbetreffende vergunningvoorschriften.
De instemming tot ingebruikname is van rechtswege gegeven, indien Onze Minister niet binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de in het eerste lid bedoelde mededeling heeft gedaan, tenzij zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 98. De instemming van rechtswege wordt voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 98
Indien de feitelijke ligging van een pijpleiding die is aangelegd in de territoriale zee of het continentaal plat afwijkt van de ligging zoals deze in de vergunning is aangegeven, verstrekt de beheerder aan Onze Minister de gegevens van de feitelijke ligging ervan binnen vier weken na de aanleg van de pijpleiding. Indien er kennelijk geen risico op schade is, kan Onze Minister de vergunning dienovereenkomstig wijzigen.
Op de voorbereiding van de beschikking tot aanpassing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 99
Gedurende het gebruik of de instandhouding van een pijpleiding onderzoekt de beheerder periodiek de eigenschappen, en tevens de ligging van de pijpleiding voor zover deze is aangelegd in de territoriale zee of het continentaal plat, aan de hand van de bij of krachtens artikel 93 gestelde eisen en, voor zover van toepassing, aan de desbetreffende vergunningvoorschriften.
De beheerder verstrekt slechts die resultaten van het onderzoek aan de inspecteur-generaal der mijnen, waarbij afwijkingen worden geconstateerd van de eisen, bedoeld in het eerste lid.
Op aanwijzing van Onze Minister kan de frequentie van het onderzoek worden verhoogd in verband met het risico op schade.
Onze Minister kan op aanvraag van de beheerder besluiten de frequentie van het onderzoek te verminderen tot een bij dat besluit aan te geven niveau.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:
- a. de inhoud en wijze waarop het onderzoek plaatsvindt;
- b. de frequentie waarmee het in het eerste lid bedoelde onderzoek plaatsvindt.
Artikel 100
Indien lekkage van een pijpleiding wordt geconstateerd, neemt de beheerder onmiddellijk alle passende maatregelen ter voorkoming of beperking van de schade.
De beheerder stelt de pijpleiding, of het betrokken deel ervan, onmiddellijk buiten gebruik en maakt deze drukvrij als de lekkage risico op schade oplevert. De nodige herstelwerkzaamheden worden zo spoedig mogelijk verricht.
De beheerder maakt onmiddellijk melding van een lekkage aan de inspecteur-generaal der mijnen en indien de pijpleiding op het continentaal plat of in de territoriale zee ligt, tevens aan het Kustwachtcentrum.
De beheerder verstrekt de inspecteur-generaal der mijnen zo spoedig mogelijk gegevens omtrent:
- a. de oorzaken van de lekkage en de omstandigheden waaronder deze zich heeft voorgedaan;
- b. de eventuele ten gevolge van de lekkage vrijgekomen stoffen, alsmede hun eigenschappen;
- c. andere gegevens die van belang zijn om de aard en de ernst van de lekkage te kunnen beoordelen;
- d. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de gevolgen van de lekkage te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken;
- e. de maatregelen die worden overwogen om te voorkomen dat een zodanige lekkage zich nogmaals kan voordoen.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing in gevallen waarbij schade of een risico op schade ontstaat op andere wijze dan in het eerste lid bedoeld.
Artikel 101
Een herstelde pijpleiding, of het betrokken deel ervan, wordt niet eerder opnieuw in gebruik genomen, dan nadat Onze Minister aan de beheerder op diens verzoek heeft medegedeeld daarmee in te stemmen.
De artikelen 97, tweede en derde lid, en 98 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 102
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het tijdelijk buiten gebruik stellen van een pijpleiding.
§ 6.4. Het beëindigen van het gebruik van een pijpleiding
Artikel 103
Onze Minister maakt bij een besluit als bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de weteen afweging van belangen aan de hand van de volgende criteria:
- a. de doelmatigheid van het gebruik van de ruimte;
- b. de gevolgen voor het milieu;
- c. de veiligheid op zee en land en
- d. de doelmatigheid van de kosten.
Onze Minister kan bij het overwegen tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de wet, over een pijpleiding op land het criterium, bedoeld in het eerste lid, onder a, achterwege laten, indien het besluit een pijpleiding betreft die is aangelegd vóór de inwerkingtreding van dit artikel.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de toepassing van de criteria.
Artikel 104
Onze Minister kan de beheerder aanwijzingen geven met betrekking tot de staat waarin de pijpleiding wordt achtergelaten.
Onze Minister kan de beheerder verplichten de ligging van de achtergelaten pijpleiding periodiek te controleren en kan zo nodig herstelmaatregelen voorschrijven.
§ 5.2.4. Regels over het ontwerpen, plaatsen, buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwinstallaties geheel onder oppervlaktewater gelegen
Artikel 105
Een kabel bezit zodanige eigenschappen en wordt zodanig aangelegd dat er geen schade wordt veroorzaakt.
De ligging van een kabel is zodanig dat er geen schade wordt veroorzaakt.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de eigenschappen, de aanleg en de ligging van een kabel.
Artikel 106
De artikelen 94 tot en met 104 zijn van overeenkomstige toepassing op een kabel, met dien verstande dat waar in de genoemde artikelen wordt verwezen naar artikel 93 in plaats daarvan gelezen wordt: artikel 105.
Artikel 107
Op een samenstel van een pijpleiding en een kabel zijn de paragrafen 5.1.4, 5.2.3 en 6.1 tot en met 6.5 voor pijpleidingen, respectievelijk kabels, op land, respectievelijk in oppervlaktewater van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 7. Verstrekking, beheer en gebruik van gegevens
§ 6.3. Het gebruik van een pijpleiding
Artikel 108
Degene in wiens opdracht verkenningsonderzoek wordt verricht, dan wel, bij afwezigheid van een opdrachtgever, degene die het verkenningsonderzoek verricht, dan wel een latere verkrijger van gegevens uit het verkenningsonderzoek, verstrekt Onze Minister de volgende gegevens:
- a. de resultaten van verricht geofysisch onderzoek;
- b. de resultaten van verricht geochemisch onderzoek, of
- c. de resultaten van verricht geologisch onderzoek.
Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens, binnen welke termijn en in welke gevallen aan Onze Minister worden verstrekt.
Artikel 109
De uitvoerder verstrekt Onze Minister de volgende gegevens die bij het aanleggen, gebruiken, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van het boorgat zijn verkregen:
- a. het profiel van het boorgat;
- b. de resultaten van in een boorgat verrichte geofysische, geochemische en geologische metingen;
- c. de resultaten van verrichte geofysische, geochemische en geologische metingen aan materiaal afkomstig uit een boorgat, en
- d. de resultaten van verrichte productie- of injectietesten.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden per boorgat verstrekt.
De uitvoerder verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, binnen twaalf weken nadat deze zijn verkregen.
Artikel 110
De uitvoerder verstrekt Onze Minister een representatief deel van uit een boorgat verkregen gesteentemonsters, die bij het aanleggen van een boorgat zijn verkregen. De uitvoerder verstrekt de monsters binnen twaalf weken nadat deze zijn verkregen.
De uitvoerder bewaart gedurende twaalf weken een representatief deel van uit een boorgat verkregen vloeistof- en gasmonsters, die bij het opsporen van delfstoffen zijn verkregen. Op verzoek van Onze Minister verstrekt de uitvoerder een representatief deel van de monsters.
Onze Minister kan op verzoek van de uitvoerder ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verplichting.
Artikel 111
De uitvoerder verstrekt Onze Minister per kalendermaand de volgende gegevens die bij het winnen van delfstoffen zijn verkregen:
- a. per boorgat: de gewonnen hoeveelheden en soorten delfstoffen;
- b. per vergunningsgebied: de hoeveelheden en soorten afgevoerde delfstoffen;
- c. per mijnbouwwerk: de hoeveelheden en soorten verbruikte delfstoffen;
- d. per mijnbouwwerk: de hoeveelheden en soorten vernietigde delfstoffen;
- e. per boorgat: de gewonnen hoeveelheden andere stoffen, dan delfstoffen;
- f. per boorgat: de ten behoeve van de winning in de ondergrond gebrachte hoeveelheden stoffen.
De uitvoerder verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na afloop van de betreffende kalendermaand.
Artikel 112
De uitvoerder verstrekt Onze Minister per kalendermaand de volgende gegevens die bij het ondergronds opslaan van stoffen zijn verkregen:
- a. per voorkomen: de hoeveelheden en soorten stoffen die zijn opgeslagen;
- b. per voorkomen: de hoeveelheden en soorten stoffen die zijn teruggehaald en afgevoerd;
- c. per mijnbouwwerk: de hoeveelheden en soorten stoffen die zijn teruggehaald en verbruikt, en
- d. per mijnbouwwerk: de hoeveelheden en soorten stoffen die zijn teruggehaald en vernietigd.
De uitvoerder verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na afloop van de desbetreffende kalendermaand.
Artikel 113
De uitvoerder verstrekt Onze Minister per voorkomen, waarin koolwaterstoffen zijn aangetroffen, jaarlijks voor 1 maart de volgende gegevens:
- a. de door de uitvoerder voor het voorkomen gebezigde naam;
- b. de opsporings- of winningsvergunning of opsporings- of winningsvergunningen waaronder het voorkomen is gelegen;
- c. een structuurkaart;
- d. het vermoedelijke jaar van aanvang van de winning, indien nog geen winning plaatsvindt;
- e. de hoeveelheid aangetoonde winbare delfstoffen per 1 januari van het verslagjaar;
- f. de verwachte jaarlijks te winnen hoeveelheden delfstoffen, tot het moment waarop de winning wordt beëindigd;
- g. eventueel gebruik van het voorkomen voor opslag;
- h. de reservoirdruk, voor zover bekend;
- i. het feitelijk gebruik van de in het voorkomen aanwezige boorgaten, en
- j. de gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdelen b, c en k, voor zover de gegevens wezenlijk afwijken van het ingediende winningsplan.
De uitvoerder verstrekt Onze Minister daarnaast jaarlijks de verwachte hoeveelheden winbare delfstoffen per vermoedelijk voorkomen in het vergunningsgebied dat niet door middel van opsporing is aangetoond, alsmede de daarbij behorende structuurkaarten.
Artikel 114
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gegevens, bedoeld in de artikelen 108 en 110 alsmede de wijze waarop deze worden verstrekt.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels worden gesteld omtrent de gegevens, bedoeld in de artikelen 109 en 111 tot en met 113 alsmede de wijze waarop deze worden verstrekt.
§ 7.2. Vertrouwelijkheid, beheer, gebruik en ter inzage legging van gegevens
Artikel 115
De in artikel 123, tweede lid, van de wet bedoelde instellingen beheren de op grond van
paragraaf 7.1. verstrekte gegevens zorgvuldig. De instellingen zijn verplicht de gegevens in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren.
Bij ministeriële regeling kunnen omtrent het eerste lid nadere regels worden gesteld.
Artikel 116
De gegevens, bedoeld in de artikelen 111, 112 en 113, eerste lid, onderdelen a en b, zijn openbaar, zodra vier weken zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens zijn verstrekt.
Op de gegevens en de monsters, bedoeld in de artikelen 108 tot en met 110, is artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet open overheid van toepassing, totdat vijf jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens zijn verstrekt.
In afwijking van het tweede lid is artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet open overheid van toepassing op de gegevens, bedoeld in artikel 108, eerste lid, onderdeel a, totdat een termijn van tien jaren is verstreken, indien:
- a. het verkenningsonderzoek niet is uitgevoerd door of in opdracht van een uitvoerder die voor het desbetreffende gebied over een vergunning beschikt om delfstoffen op te sporen, te winnen of op te slaan en
- b. de resultaten gedurende de termijn van tien jaren, bedoeld in de aanhef, tegen een redelijke vergoeding voor eenieder ter beschikking worden gesteld.
Op de gegevens, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdelen c tot en met j, is artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet open overheid van toepassing, totdat tien jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens zijn verstrekt.
Artikel 117
Onze Minister kan, zolang de termijnen van artikel 116 niet zijn verlopen, de in dat artikel bedoelde gegevens ter beschikking stellen aan de Mijnraad en de in artikel 81, onderdeel a, van de wet bedoelde vennootschap, voor zover deze gegevens worden gebruikt voor de volgende doeleinden:
- a. het adviseren van Onze Minister inzake verkenningsonderzoek, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte en het opslaan van stoffen in de ondergrond;
- b. het ten behoeve van Onze Minister maken van reserveramingen en prognoses van delfstoffen, aardwarmte en opslagpotentieel van de ondergrond;
- c. het in opdracht van Onze Minister systematisch karteren van de ondergrond.
Artikel 118
De gegevens, bedoeld in artikel 116, worden na afloop van de aldaar genoemde termijnen ter inzage gelegd op de plaats van beheer.
Onze Minister verstrekt op verzoek tegen kostprijs aan derden afschrift van de gegevens, bedoeld in het eerste lid. Monsters worden uitsluitend ter inzage gelegd.
Bij de vaststelling van de kostprijs worden niet de kosten van inzameling, verwerving en kwaliteitsbehoud verdisconteerd.
§ 6.2. Vergunningplicht pijpleidingen
Artikel 119
De artikelen 109 tot en met 111 en 115 tot en met 118 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van opsporing of winning van aardwarmte, met dien verstande dat de houder van de startvergunning aardwarmte of vervolgvergunning aardwarmte de persoon is die de gegevens, bedoeld in de artikelen 109, 110 en 111, verstrekt.
De artikelen 109, 110 en 115 tot en met 118 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van het gebruik van boorgaten als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel e, van de wet.
In afwijking van het eerste lid en artikel 116, tweede lid, is in geval van opsporing of winning van aardwarmte waarvoor op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie een subsidie is verstrekt, artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet open overheid van toepassing op de gegevens en de monsters, bedoeld in de artikelen 109 en 110, totdat 6 maanden zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens zijn verstrekt.
Hoofdstuk 8. Waarborgfonds mijnbouwschade
§ 8.1. Begripsbepalingen
Artikel 120
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 135, vierde lid, onderdeel a, van de wet;
- b. fonds: Waarborgfonds mijnbouwschade als bedoeld in artikel 135, eerste lid, van de wet;
- c. mijnbouwactiviteiten: activiteiten als bedoeld in artikel 134, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
- d. mijnbouwondernemer: persoon als bedoeld in artikel 134, eerste lid, onderdeel b, van de wet of diens rechtsopvolger;
- e. schadevergoeding: schadevergoeding als bedoeld in artikel 137 van de wet;
- f. verkenningsonderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet, met uitzondering van onderzoek door of in opdracht van een mijnbouwondernemer die behoort tot een van de eerste drie in artikel 121, tweede lid, genoemde sectoren.
§ 5.4.1. Algemeen
Artikel 121
Het vermogen van het fonds bedraagt per 1 januari van elk kalenderjaar ten minste € 250 000.
De sectoren, genoemd in onderstaande tabel, dragen overeenkomstig de in die tabel genoemde bedragen bij aan de vorming van het initiële vermogen van het fonds.
| Sector | Aandeel |
|---|---|
| Olie- en gaswinning | € 125 000 |
| Zoutwinning | € 75 000 |
| Opslag van stoffen | € 50 000 |
| Verkenningsonderzoek | € 0 |
Indien op 1 januari van enig kalenderjaar het vermogen waarover het fonds beschikt minder bedraagt dan het vermogen waarover het fonds op grond van het eerste lid dient te beschikken, wordt het tekort, voor zover niet veroorzaakt door de op een mijnbouwondernemer verhaalbare voorschotten, door de in het tweede lid genoemde sectoren aangevuld. Het aandeel van iedere sector wordt bepaald naar evenredigheid van de schadevergoedingen die in het voorafgaande kalenderjaar ten laste van het fonds zijn betaald in verband met de mijnbouwactiviteiten van de tot die sectoren behorende mijnbouwondernemers.
Indien in een sector geen mijnbouwondernemers meer zijn die een bijdrage kan worden opgelegd, wordt het aandeel van die sector in het vermogen van het fonds gelijkelijk verdeeld over de andere sectoren.
§ 8.3. De bijdrage aan het fonds
Artikel 122
De bijdrage die een mijnbouwondernemer, behorende tot een van de eerste drie in artikel 121, tweede lid, genoemde sectoren, verschuldigd is, omvat een bedrag ter dekking van het aandeel van de sector in het tekort, berekend overeenkomstig artikel 121, derde lid. De mijnbouwondernemers die tot dezelfde sector behoren, doen Onze Minister voor 1 maart gezamenlijk een gemotiveerd voorstel toekomen omtrent het in de eerste volzin genoemde bedrag. Hierbij wordt rekening gehouden met:
- a. de aard en omvang van de mijnbouwactiviteiten van elke mijnbouwondernemer in de vijf voorafgaande kalenderjaren;
- b. de uitkeringen die in de vijf voorafgaande kalenderjaren ten laste van het fonds in verband met de mijnbouwactiviteiten van elke mijnbouwondernemer zijn gedaan.
Onze Minister stelt voor 1 april de bijdrage voor elke mijnbouwondernemer vast, met inachtneming van het voorstel, bedoeld in het eerste lid, tenzij dat voorstel naar zijn oordeel niet voldoet aan de derde volzin van dat lid, dan wel het algemeen belang zich tegen dit voorstel verzet. Indien Onze Minister afwijkt van het voorstel, is de derde volzin van het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Indien de mijnbouwondernemers die tot dezelfde sector behoren niet voor 1 maart een voorstel overleggen, stelt Onze Minister voor 1 april de bijdrage ambtshalve vast. De eerste en de derde volzin van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 123
Artikel 122 is van overeenkomstige toepassing op de verdeling van het aandeel van een sector in de eenmalige vorming van het initiële vermogen van het fonds, bedoeld in artikel 121, tweede lid, over de mijnbouwondernemers die tot die sector behoren, met dien verstande dat voor onderdeel b van het tweede lid wordt gelezen de hoogte van de schadevergoedingen die elke mijnbouwondernemer in de vijf kalenderjaren voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet aan natuurlijke personen heeft betaald in verband met zijn mijnbouwactiviteiten.
Artikel 124
De bijdrage die een mijnbouwondernemer, behorende tot de laatste in artikel 121, tweede lid, genoemde sector, verschuldigd is, omvat een bedrag ter dekking van het aandeel van de sector in een tekort, berekend overeenkomstig artikel 121, derde lid. Het in de eerste volzin genoemde bedrag wordt bepaald door het aandeel van de sector in het tekort te verdelen over de mijnbouwondernemers die in het voorafgaande kalenderjaar verkenningsonderzoek hebben verricht, naar evenredigheid van het aantal onderzoeken dat ieder van hen in dat jaar heeft verricht. Onze Minister stelt de bijdrage voor 1 april vast.
Indien in het voorafgaande kalenderjaar geen verkenningsonderzoek is verricht, is de bijdrage verschuldigd door de mijnbouwondernemers die in het aan dat kalenderjaar voorafgaande tijdvak van vijf kalenderjaren verkenningsonderzoek hebben verricht. De tweede en derde volzin van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 125
Vervallen
Artikel 126
Onze Minister stelt bij beschikking de verschuldigde bijdrage vast.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de betaling wordt gedaan.
Artikel 127
Vervallen
Artikel 128
Vervallen
§ 7.3. Gegevens in verband met aardwarmte en boorgaten
Artikel 129
Onverminderd artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht, bevat een verzoek om schadevergoeding ten minste:
- a. naam en adres van de desbetreffende mijnbouwondernemer;
- b. een opgave van de plaats en tijdstip van de mijnbouwactiviteiten;
- c. een opgave van de aard en omvang van de zaakschade;
- d. een redelijke specificatie van het schadebedrag; en
- e. indien het een verzoek om schadevergoeding betreft, een opgave waaruit blijkt dat zich één van de omstandigheden, genoemd in artikel 137, onderdelen a of b, van de wet voordoet, alsmede een opgave van de in onderdeel c bedoelde vergoedingen van de schade uit anderen hoofde.
Artikel 130
Het fonds tekent op het verzoekschrift de datum van ontvangst aan en zendt de verzoeker onverwijld een ontvangstbevestiging, waarop die datum is vermeld.
Artikel 131
Onze Minister beslist op het verzoek binnen zes weken na ontvangst daarvan.
§ 7.1. Verstrekking gegevens
Artikel 132
Het bepaalde bij of krachtens de Comptabiliteitswet 2001 is van overeenkomstige toepassing op de financiële middelen van het fonds, tenzij dit naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën niet mogelijk of zinvol is.
De informatie over de jaarlijkse begroting en de jaarlijkse balanspositie per 31 december van het fonds wordt opgenomen in de begroting en het departementale jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken bij het daarvoor meest in aanmerking komende beleidsartikel, als ware het fonds een begrotingsreserve als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001.
De tijdelijk niet-benodigde middelen van het fonds worden in rekening-courant bij 's Rijks schatkist aangehouden.
Artikel 133
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inrichting en de administratie van het fonds, alsmede het op die inrichting en administratie uit te oefenen toezicht.
Hoofdstuk 9. Splitsen en samenvoegen van vergunningen
§ 6.4. Het beëindigen van het gebruik van een pijpleiding
Artikel 134
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder vergunning: opsporingsvergunning, winningsvergunning, startvergunning aardwarmte, vervolgvergunning aardwarmte of opslagvergunning.
§ 9.2. Splitsen van vergunningen
Artikel 135
Op aanvraag van de houder van een vergunning splitst Onze Minister de vergunning in twee of meer vergunningen voor twee of meer gebieden.
Aan de op grond van het eerste lid te verlenen vergunningen worden de beperkingen en voorschriften verbonden die zijn verbonden aan de te splitsen vergunning.
De op grond van het eerste lid te verlenen vergunningen gelden tezamen voor hetzelfde gebied als waarvoor de te splitsen vergunning geldt.
Het tijdvak waarvoor de op grond van het eerste lid te verlenen vergunningen gelden, eindigt op het tijdstip waarop het tijdvak van de te splitsen vergunning zou zijn geëindigd.
Artikel 136
Een aanvraag om splitsing wordt niet ingewilligd indien dat ertoe leidt dat een voorkomen van delfstoffen of aardwarmte dan wel een voorkomen voor het opslaan van stoffen in het oorspronkelijke vergunningsgebied zich door deze splitsing in twee of meer verschillende vergunningsgebieden zal bevinden.
§ 6.5. Kabels
Artikel 137
Op gezamenlijke aanvraag van de houders van twee of meer vergunningen voegt Onze Minister de vergunningen samen tot een vergunning voor een gebied.
Aan de op grond van het eerste lid te verlenen vergunning worden de voorschriften en beperkingen verbonden die zijn verbonden aan de samen te voegen vergunningen.
De op grond van het eerste lid te verlenen vergunning geldt voor hetzelfde gebied als waarvoor de samen te voegen vergunningen tezamen gelden.
Het tijdvak waarvoor de op grond van het eerste lid te verlenen vergunning geldt, eindigt op het tijdstip waarop het tijdvak zou eindigen van die samen te voegen vergunning waarvan het tijdvak het eerst zou zijn geëindigd.
Artikel 138
Vergunningen voor opsporen, winnen of opslaan van bepaalde stoffen worden uitsluitend samengevoegd met vergunningen voor opsporen, winnen onderscheidenlijk opslaan van dezelfde stoffen.
Startvergunningen aardwarmte en vervolgvergunningen aardwarmte worden uitsluitend samengevoegd met startvergunningen aardwarmte onderscheidenlijk vervolgvergunningen aardwarmte.
Vergunningen voor opsporen van CO2-complexen worden uitsluitend samengevoegd met vergunningen voor opsporen van CO2-complexen.
Artikel 139
Vervallen
Artikel 140
Een aanvraag om samenvoeging van twee of meerdere vergunningen wordt slechts ingewilligd, indien de voorwaarden van de desbetreffende totstandgekomen overeenkomsten, bedoeld in artikel 81, onderdeel d, respectievelijk artikel 81, onderdeel e, respectievelijk artikel 86a, eerste lid, van de wet, gelijkluidend zijn.
§ 7.1. Verstrekking gegevens
Artikel 141
Een aanvraag om splitsing of samenvoeging van opsporings- of winningsvergunningen, startvergunningen aardwarmte of vervolgvergunningen aardwarmte kan mede worden geweigerd:
a. in het belang van het doelmatig en voortvarend opsporen en winnen;
b. in het geval van een opsporings- of winningsvergunning indien deze in overwegende mate strekt tot vermindering van de afdrachten, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet.
Een aanvraag om splitsing of samenvoeging van opslagvergunningen kan mede worden geweigerd indien deze in overwegende mate strekt tot vermindering van de afdrachten, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet.
Een aanvraag om afsplitsing van winningsvergunningen kan mede worden geweigerd:
- a. in het belang van het doelmatig en voortvarend winnen;
- b. indien deze in overwegende mate strekt tot vermindering van de afdrachten, bedoeld in artikel 147, tweede lid, van de wet.
Artikel 142
Met toepassing van paragraaf 9.2 verleende vergunningen vervangen met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treden, de te splitsen vergunning. De te splitsen vergunning vervalt op het tijdstip waarop de met toepassing van paragraaf 9.2 verleende vergunningen onherroepelijk worden.
De met toepassing van paragraaf 9.3 verleende vergunning vervangt met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de samen te voegen vergunningen. De samen te voegen vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van paragraaf 9.3 verleende vergunning onherroepelijk wordt.
Artikel 143
Indien ten aanzien van de te splitsen vergunning of één van de samen te voegen vergunningen een overeenkomst als bedoeld in artikel 81, onderdeel d, respectievelijk artikel 81, onderdeel e, respectievelijk artikel 86a, eerste lid, van de wet tot stand is gekomen, verleent de in artikel 81, onderdeel a, bedoelde vennootschap en de vergunninghouders van de op grond van artikel 135 of 137 te verlenen vergunning of vergunningen medewerking aan de totstandkoming van een overeenkomst waarvan de voorwaarden gelijkluidend zijn aan die van eerder bedoelde overeenkomst.
De in het eerste lid laatstbedoelde overeenkomst behoeft de instemming van Onze Minister.
Tot het tijdstip waarop de instemming wordt verleend, verricht de vergunninghouder geen winningswerkzaamheden. Tot dat tijdstip behoeven besluiten als bedoeld in de artikelen 91, onderdeel c, en 97, tweede lid, van de wet de instemming van de aangewezen vennootschap.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op het verzoek tot instemming, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 144
De wijze waarop een aanvraag om splitsing, afsplitsing of samenvoeging geschiedt en de gegevens en de bescheiden, welke daarbij worden overgelegd, geschiedt bij ministeriële regeling te stellen regels.
Hoofdstuk 10. De veiligheid van groeven
§ 8.2. Het vermogen van het fonds
Artikel 145
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. het winnen van kalksteen: het met gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht of ander ondergronds werk onttrekken van kalksteen aan de ondergrond;
- b. groeve: ondergrondse ruimte ontstaan door het winnen van kalksteen;
- c. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie waarin een groeve geheel of voor het grootste deel is gelegen.
§ 6.2. Vergunningplicht pijpleidingen
Artikel 146
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten kalksteen te winnen.
Een vergunning kan slechts worden geweigerd ter bescherming van de veiligheid met het oog op instorting.
Gedeputeerde staten kunnen in het belang van de veiligheid met het oog op instorting aan een vergunning voorschriften verbinden of een vergunning onder beperkingen verlenen.
Artikel 147
In een vergunning als bedoeld in artikel 146 wordt bepaald voor welk tijdvak en welk gebied zij geldt. Het tijdvak waarvoor de vergunning geldt, kan op aanvraag van de vergunninghouder worden verlengd.
In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften worden gesteld of beperkingen opgenomen omtrent:
- a. de wijze van winning;
- b. de ligging, hoogte en breedte van de tunnels, schachten of andere ondergrondse werken;
- c. de afmeting van de pilaren;
- d. de maatregelen bij het aantreffen van aardpijpen;
- e. de maatregelen bij het kruisen van tunnels, schachten of andere ondergrondse werken, en
- f. de wijze waarop en frequentie waarmee metingen naar de gesteentemechanische veiligheid van de groeve worden gedaan en de resultaten daarvan worden verstrekt.
Artikel 148
Vervallen
Artikel 149
Indien een vergunning als bedoeld in artikel 146 wordt overgedragen of anders dan door overdracht overgaat op een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, doet deze persoon binnen vier weken na de verkrijging ervan mededeling aan gedeputeerde staten.
Artikel 150
De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 146 verstrekt jaarlijks aan gedeputeerde staten een geactualiseerde kaart van de groeve.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde kaart.
§ 8.4. Verzoeken om uitkeringen ten laste van het fonds
Artikel 151
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een groeve, die niet langer in gebruik is voor het winnen van kalksteen, voor een ander doeleinde te gebruiken of daaraan enige wijziging aan te brengen.
Artikel 146, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 152
In een vergunning als bedoeld in artikel 151 wordt bepaald voor welk doeleinde, welk tijdvak en welk gebied zij geldt. Het tijdvak waarvoor de vergunning geldt, kan op aanvraag van de vergunninghouder worden verlengd.
In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften worden gesteld of beperkingen opgenomen omtrent:
- a. de maatregelen ter voorkoming dat gedeelten van de groeve, die buiten het vergunningsgebied vallen, worden betreden;
- b. de wijze waarop en frequentie waarmee de metingen naar de gesteentemechanische veiligheid van de groeve worden gedaan en de resultaten daarvan worden verstrekt, en
- c. de plaatsen van de groeve waaraan wijzigingen worden aangebracht, de omvang van die wijzigingen en de wijze waarop deze tot stand worden gebracht.
Artikel 153
Het verbod van artikel 146, eerste lid, is niet van toepassing op wijziging van een groeve voor het gebruik voor een ander doeleinde.
Artikel 154
Artikel 149 is van overeenkomstige toepassing.
§ 6.4. Het beëindigen van het gebruik van een pijpleiding
Artikel 155
Het is verboden in een groeve ontplofbare stoffen voorhanden te hebben of te gebruiken.
Artikel 156
Een groeve is zo ingericht en van beveiligingen voorzien dat gevaar voor instorting zoveel mogelijk is uitgesloten.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inrichting en beveiligingen.
Artikel 157
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 neemt bij het winnen van kalksteen respectievelijk het gebruik voor een ander doeleinde alle nodige maatregelen ter voorkoming van instorting van een groeve, alsmede ter beperking van de gevolgen van een instorting.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde maatregelen.
Artikel 158
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 verricht periodiek metingen naar de gesteentemechanische veiligheid van een groeve en verstrekt daarvan de resultaten aan gedeputeerde staten.
Artikel 159
Wanneer de veiligheid van een groeve wordt bedreigd door instortingsgevaar, doet de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 hiervan onmiddellijk mededeling aan gedeputeerde staten.
De houder van de vergunning doet onmiddellijk mededeling van een instorting aan gedeputeerde staten.
§ 10.5. Het buiten gebruik stellen van een groeve
Artikel 160
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 doet tijdig van het voornemen tot het buitengebruik stellen van een groeve, of een gedeelte ervan, mededeling aan gedeputeerde staten. De houder verstrekt daarbij een geactualiseerde kaart van de groeve.
Bij het buiten gebruik stellen van de groeve, of een gedeelte ervan, worden alle nodige maatregelen genomen ter beperking van het gevaar voor instorting.
De toegangen tot de groeve worden behoorlijk afgesloten.
Artikel 161
Indien een groeve tijdelijk buiten gebruik wordt gesteld, is artikel 160, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 7. Verstrekking, beheer en gebruik van gegevens
Artikel 162
Van de aan een opsporingvergunning als bedoeld in artikel 143, eerste lid, onderdeel b, van de wet verbonden voorschriften vervallen die voorschriften die overeenkomen met het bepaalde in de volgende met een Romeinse cijfer aangeduide artikelen van het koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat van 27 januari 1967 (Stb. 24):
- a. artikel II, uitgezonderd artikel 21, eerste lid,
- b. artikel IX, en
- c. artikel X.
Van de aan de in het eerste lid bedoelde opsporingvergunning verbonden voorschriften vervallen die voorschriften die overeenkomen met het bepaalde in de volgende met een Romeinse cijfer aangeduide artikelen van het koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat van 6 februari 1976 (Stb. 102):
- a. artikel II, uitgezonderd artikel 21, eerste lid,
- b. artikel IX,
- c. artikel X, en
- d. artikel Xa.
Van de aan de in het eerste lid bedoelde opsporingvergunning verbonden voorschriften vervallen die voorschriften die overeenkomen met het bepaalde in artikel 2.1 van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stb. 212).
Van de aan de in het eerste lid bedoelde opsporingvergunning verbonden voorschriften vervallen die voorschriften die overeenkomen met het bepaalde in de volgende artikelen van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stcrt. 93):
- a. artikel 4.1, uitgezonderd het in artikel 4.2 opgenomen voorschrift,
- b. artikel 4.12,
- c. artikel 4.14, en
- d. artikel 4.16.
De voorschriften die krachtens artikel 4.1 van de Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996 aan een vergunning als bedoeld in artikel 143, eerste lid, onderdeel a, van de wet zijn verbonden, vervallen.
De aan de in het eerste lid bedoelde opsporingsvergunning verbonden voorschriften die betrekking hebben op het lozen vanaf een mijnbouwinstallatie vervallen.
Artikel 163
Van de aan een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143, tweede lid, onderdeel c, van de wet verbonden voorschriften vervallen die voorschriften die overeenkomen met het bepaalde in de volgende met een Romeinse cijfer aangeduide artikelen van het koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat van 27 januari 1967 (Stb. 24):
- a. artikel III, onderdeel a,
- b. artikel III, onderdeel b, uitgezonderd artikel 31, eerste lid,
- c. artikel V, uitgezonderd de artikelen 6 en 7,
- d. artikel VIII,
- e. artikel IX, en
- f. artikel X.
Van de aan de in het eerste lid bedoelde winningsvergunning verbonden voorschriften vervallen die voorschriften die overeenkomen met het bepaalde in de volgende met een Romeinse cijfer aangeduide artikelen van het koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat van 6 februari 1976 (Stb. 102):
- a. artikel III, onderdeel a,
- b. artikel III, onderdeel b, uitgezonderd artikel 31, eerste lid,
- c. artikel V, uitgezonderd de artikelen 6 en 7,
- d. artikel VIII,
- e. artikel IX,
- f. artikel X, en
- g. artikel Xa.
Van de aan de in het eerste lid bedoelde winningsvergunning verbonden voorschriften vervallen die voorschriften die overeenkomen met het bepaalde in artikel 3.1 van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stb. 212).
Van de aan de in het eerste lid bedoelde winningsvergunning verbonden voorschriften vervallen die voorschriften die overeenkomen met het bepaalde in de volgende artikelen van de Regeling vergunningen continentaal plat 1996 (Stcrt. 93):
- a. artikel 5.1,
- b. artikel 5.7,
- c. artikel 5.8, en
- d. artikel 5.9.
De voorschriften die krachtens artikel 5.1 van de Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996 aan een vergunning als bedoeld in artikel 143, tweede lid, onderdeel a, van de wet zijn verbonden, vervallen.
De aan de in het eerste lid bedoelde winningsvergunning verbonden voorschriften die betrekking hebben op het lozen vanaf een mijnbouwinstallatie vervallen.
Artikel 164
Vergunningen als bedoeld in de artikelen 1 en 28, tweede lid, van het Groevenreglement 1947 voor ontginning van kalksteen gelden als vergunningen als bedoeld in artikel 146.
Vergunningen als bedoeld in de artikelen 1 en 28, tweede lid, van het Groevenreglement 1947 voor andere doeleinden dan ontginning van kalksteen gelden als vergunningen als bedoeld in artikel 151, met dien verstande dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit de voorschriften of beperkingen verbonden aan deze vergunningen vervallen voor zover deze geen betrekking hebben op de gesteentemechanische veiligheid van de groeve.
Gedeputeerde staten kunnen aan de vergunningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, beperkingen en voorschriften verbinden als bedoeld in artikel 147 respectievelijk 152.
Artikel 165
Een vergunning als bedoeld in artikel 168 van het Mijnreglement 1964 geldt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de Mijnbouwwet gedurende zes maanden als een vergunning als bedoeld in artikel 22.
Indien een uitvoerder voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 22 bij Onze Minister heeft ingediend en niet voor de afloop van die termijn de beslissing van Onze Minister onherroepelijk vaststaat, kan het gebruik van ontplofbare stoffen worden voortgezet tot het laatstbedoelde tijdstip.
Artikel 166
De aan een opsporingsvergunning als bedoeld in artikel 143, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet ter bescherming van het milieu verbonden voorwaarden, beperkingen of voorschriften gelden als te zijn verbonden aan een mijnbouwmilieuvergunning of milieuvergunning als bedoeld in artikel 143, vijfde of zesde lid, van de wet of te zijn vervallen indien de laatste of voorlaatste vergunning ontbreekt.
Artikel 167
Toestemming om verkenningsonderzoek in te stellen op de delen van het continentaal plat als bedoeld in de artikelen 4.12 tot en met 4.17 van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 geldt als een vergunning als bedoeld in de artikelen 18 en 20.
Toestemming om opsporingsonderzoek of winningsonderzoek te verrichten op de delen van het continentaal plat als bedoeld in de artikelen 4.12 tot en met 4.17 respectievelijk de artikelen 5.7 tot en met 5.10 van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 geldt als een ontheffing als bedoeld in de artikelen 44 en 45.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een in de territoriale zee of het continentaal plat gelegen mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63.
Artikel 168
Op een voor de winning of de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie die geplaatst is voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Mijnbouwwet is artikel 55 niet van toepassing.
Artikel 169
Op een pijpleiding die voor 1 januari 2003 is aangelegd:
- a. is artikel 93 van overeenkomstige toepassing, voor zover bij de in dat artikel genoemde ministeriële regeling niet anders is bepaald;
- b. zijn niet van toepassing de artikelen 94, 95 en 97.
Artikel 170
Een inspectieplan als bedoeld in artikel 34, derde lid, en een verklaring als bedoeld in het zesde lid van dat artikel van het Mijnreglement continentaal plat geldt als een onderzoeksprogramma als bedoeld in artikel 53 respectievelijk een verklaring als bedoeld in artikel 56, onderdeel e.
Een rampenbestrijdingsplan als bedoeld in artikel 96a van het Mijnreglement continentaal plat geldt als een rampenbestrijdingsplan als bedoeld in artikel 85.
Artikel 171
Een werkplan als bedoeld in artikel 20 van het Mijnreglement 1964 of 28 van het Mijnreglement continentaal plat dat is opgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Mijnbouwwet geldt gedurende het eerste kalenderjaar waarin die wet in werking is getreden als een werkplan als bedoeld in artikel 4.
Artikel 172
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)