Besluit van 6 december 2002, houdende regels ter uitvoering van de Mijnbouwwet (Mijnbouwbesluit)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 485
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag tot instemming met het rapport over de verwijdering.

Afdeling 5.2. Mijnbouwinstallaties

§ 5.2.1. Algemeen

§ 5.2.2. Het ontwerpen, plaatsen en gebruiken van mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken

Artikel 62a

1.

Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een instemming met een verwijderingsplan, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de wet weigeren, indien:

  • a. het verwijderingsplan onvoldoende voorziet in een beschrijving van de werkzaamheden, methode en kosten van de verwijdering die nodig zijn gedurende de periode van uitvoering van het verwijderingsplan, waaronder monitoring;
  • b. het verwachte resultaat van de uitvoering van het verwijderingsplan onvoldoende is beschreven;
  • c. het mijnbouwwerk in aanmerking komt voor hergebruik;
  • d. het mijnbouwwerk niet in aanmerking komt voor een gedeeltelijk hergebruik als mijnbouwwerk;
  • e. in het geval van hergebruik het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 44a, tweede lid, van de wet, niet heeft verklaard dat het bevoegde gezag daartegen, voor zover het hergebruik betreft, geen bedenkingen heeft;
  • f. naar het oordeel van het bevoegd gezag krachtens de Omgevingswet het voorstel tot onderzoeken of saneren van de bodem niet voldoet;
  • g. de bestemming van de af te voeren materialen en afvalstoffen onduidelijk is; of
  • h. de planning van de uitvoering van de verwijdering niet duidelijk is of voorziet in een onredelijk lange termijn.
2.

Onze Minister kan een instemming ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien:

  • a. het bevoegde gezag, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f, krachtens wetten als bedoeld in die onderdelen tot een afwijzend oordeel komt over het geheel of gedeeltelijk hergebruik van het mijnbouwwerk;
  • b. het bevoegde gezag krachtens de wet geen vergunning verstrekt voor het opsporen, winnen, of opslaan van delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk stoffen;
  • c. de houder van een vergunning de instemming voor het geheel of een gedeelte van het verwijderingsplan niet langer nodig heeft; of
  • d. de houder van een vergunning niet overeenkomstig de instemming handelt of heeft gehandeld.

Artikel 62b

1.

Onze Minister kan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 44b, eerste lid, van de wet, verlenen, indien de mijnbouwinstallatie of het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 59, eerste lid:

  • b. doelmatiger kan worden verwijderd of hergebruikt, indien de houder van een vergunning het mijnbouwwerk tezamen met een ander mijnbouwwerk verwijdert of hergebruikt;
  • c. in aanmerking komt voor geheel of gedeeltelijk hergebruik als onderzoek is of wordt verricht naar de geschiktheid voor opsporing of winning van delfstoffen of aardwarmte of de opslag van stoffen;
  • d. redelijkerwijs rendabel opnieuw in gebruik genomen kan worden na:
  • 1°. verbetering van de omstandigheden op de markt voor koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen;
  • 2°. een technische innovatie voor de winning van koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen; of
  • e. in aanmerking komt voor een ander hergebruik dan het exploiteren van een mijnbouwwerk.
2.

Onze Minister vraagt advies over een aanvraag om ontheffing van de verplichting tot verwijderen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet voor het opnieuw in gebruik nemen:

  • a. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, voor de winning van koolwaterstoffen, aardwarmte en de opslag van CO2 aan de vennootschap, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de wet en
  • b. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onder 2°, tevens aan de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO als bedoeld in artikel 3 van de TNO-wet.
3.

Onze Minister kan de ontheffing voor hergebruik van de mijnbouwinstallatie voor een periode van maximaal vijf jaar verlenen.

4.

Onze Minister kan de ontheffing telkens voor een periode van maximaal vijf jaar verlengen.

6.

Onze Minister kan, onverminderd artikel 7, derde lid, een ontheffing ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien de houder van een vergunning:

  • a. de ontheffing niet langer nodig heeft om in een hergebruik van het mijnbouwwerk te kunnen voorzien;
  • b. niet overeenkomstig de ontheffing handelt of heeft gehandeld.

Artikel 62c

1.

Onze Minister kan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een instemming met een rapport over de verwijdering, bedoeld in artikel 44c, derde lid, van de wet weigeren als het rapport:

  • a. onvoldoende informatie bevat;
  • b. de mijnbouwinstallatie niet is verwijderd overeenkomstig het verwijderingsplan waarmee is ingestemd; of
  • c. niet is verwijderd overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden.
2.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op het besluit tot instemming met het rapport over de verwijdering.

§ 5.2.2. Het ontwerpen, plaatsen en gebruiken van mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken

Afdeling 5.3. Boorgaten

Artikel 72a

Het buiten gebruik stellen van een boorgat heeft tot doel om het boorgat permanent af te sluiten door zones met stromingspotentieel te isoleren.

Artikel 73a

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het buiten werking stellen van een boorgat, bedoeld in artikel 72.

§ 5.3.2. Informatievoorziening in verband met boorgaten

Afdeling 5.4. Milieu en rampenbestrijdingsplan

§ 5.4.1. Algemeen

§ 5.4.1a. Rapport inzake grote gevaren en overige documenten

§ 5.4.1b. Kennisgevingen

§ 5.3.2. Informatievoorziening in verband met boorgaten

Hoofdstuk 6. Pijpleidingen en kabels

§ 6.1. Algemeen

§ 5.4.1a. Rapport inzake grote gevaren en overige documenten

Artikel 103a

Als een in gemeentelijk ingedeeld gebied gelegen pijpleiding op land of in oppervlaktewater buiten werking is als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet is paragraaf 5.1.4, respectievelijk paragraaf 5.2.3, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beheerder:

  • a. bij een melding overeenkomstig artikel 40b, respectievelijk artikel 61, de volgende informatie overlegt:
  • 1°. de periode, waarin de pijpleiding is aangelegd;
  • 2°. de overeenkomst met de grondeigenaar;
  • 3°. de relevante feiten voor een afweging van belangen als bedoeld in artikel 103;
  • b. bij een aanvraag om instemming met een verwijderingsplan in afwijking van artikel 40c, eerste lid, aanhef, ten minste een beschrijving overlegt als bedoeld in artikel 40c, eerste lid, onder a, c, d, g, h, i, k, l en m;
  • c. bij een aanvraag om instemming met een verwijderingsplan in afwijking van artikel 62, eerste lid, aanhef, ten minste een beschrijving overlegt als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onder a, c, d, g tot en met m.

Artikel 103b

Als een in niet gemeentelijk ingedeeld gebied gelegen pijpleiding buiten werking is als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet is paragraaf 5.2.3 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beheerder:

  • a. bij een melding overeenkomstig artikel 61 de volgende informatie overlegt:
  • 1°. de periode, waarin de pijpleiding is aangelegd;
  • 2°. de overeenkomst met de grondeigenaar;
  • 3°. de relevante feiten voor een afweging van belangen als bedoeld in artikel 103;

Hoofdstuk 7. Verstrekking, beheer en gebruik van gegevens

§ 7.3. Gegevens in verband met aardwarmte en boorgaten

Hoofdstuk 8. Waarborgfonds mijnbouwschade

§ 7.1. Verstrekking gegevens

Hoofdstuk 9. Splitsen, afsplitsen en samenvoegen van vergunningen

§ 7.2. Vertrouwelijkheid, beheer, gebruik en ter inzage legging van gegevens

§ 9.2. Splitsen van vergunningen

§ 7.3. Gegevens in verband met aardwarmte en boorgaten

§ 8.3. De bijdrage aan het fonds

Hoofdstuk 10. De veiligheid van groeven

§ 8.4. Verzoeken om uitkeringen ten laste van het fonds

§ 10.2. Vergunning voor winning van kalksteen

§ 9.1. Algemeen

§ 10.5. Het buiten gebruik stellen van een groeve

Hoofdstuk 10a. Retributies

Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 12. Wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur

§ 10.5. Het buiten gebruik stellen van een groeve

§ 12.3. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

§ 12.4. Ministerie van Verkeer en Waterstaat

§ 12.5. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 29n

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • –. startvergunning: een startvergunning aardwarmte;
  • –. toewijzing zoekgebied: een toewijzing zoekgebied aardwarmte;
  • –. vervolgvergunning: een vervolgvergunning aardwarmte.

Paragraaf 3a.1. Toewijzing zoekgebied, startvergunning en vervolgvergunning

Artikel 29o

1.

Onze Minister betrekt bij de beoordeling van een aanvraag voor een toewijzing zoekgebied in verband met het zicht op de financiering van de opsporing en winning in ieder geval de financiële omstandigheden van de aanvrager.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de grond, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 29p

1.

Onze Minister betrekt bij de beoordeling van een aanvraag voor een startvergunning in ieder geval:

  • a. in verband met onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van omwonenden in hoeverre wordt voldaan aan de norm voor het lokaal persoonlijk risico van maximaal 1 op de 100.000 per jaar dat een individu mag lopen in of nabij de verschillende bouwwerken waar dat individu verblijft, als gevolg van bodemtrilling door de opsporing en winning van aardwarmte;
  • b. in verband met de financiële mogelijkheden van de aanvrager:
  • 1°. de financiële omstandigheden van de aanvrager;
  • 2°. de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten voor de opsporing en winning van aardwarmte en de daarbij behorende aansprakelijkheden en de kosten voor het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de startvergunning te dragen;
  • 3°. afspraken tussen de aanvrager en de uitvoerder aardwarmte over het dragen van de kosten voor de bij de opsporing en winning behorende aansprakelijkheden, indien deze zijn gemaakt.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 29q

1.

Onze Minister kan een aanvraag voor een startvergunning geheel of gedeeltelijk afwijzen:

  • a. indien het ontwerp van de put geen dubbele verbuizing bevat ter hoogte van de zoet en brak waterlagen, tenzij is aangetoond dat een alternatief ontwerp de putintegriteit ten minste even goed borgt als een dubbele verbuizing;
  • b. indien de aanvrager niet over een beheerssysteem en beheersplan voor de putintegriteit beschikt dat voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels;
  • c. indien de integriteit van de afsluitende aardlagen niet voldoende is geborgd.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 29r

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit inzake een aanvraag voor een vervolgvergunning, indien ten opzichte van de startvergunning voorschriften of beperkingen zouden moeten worden verbonden met betrekking tot het beperken van het gevolg, effect of risico als bedoeld in artikel 24ag, eerste lid, van de wet.

Artikel 29s

1.

Onze Minister betrekt bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervolgvergunning in ieder geval:

  • a. in verband met onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van omwonenden in hoeverre wordt voldaan aan de norm voor het lokaal persoonlijk risico van maximaal 1 op de 100.000 per jaar dat een individu mag lopen in of nabij de verschillende bouwwerken waar dat individu verblijft, als gevolg van bodemtrilling door de winning van aardwarmte;
  • b. in verband met de financiële mogelijkheden van de aanvrager:
  • 1°. de financiële omstandigheden van de aanvrager;
  • 2°. de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten voor de winning van aardwarmte en de daarbij behorende aansprakelijkheden en de kosten voor het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de vervolgvergunning te dragen;
  • 3°. afspraken tussen de aanvrager en de uitvoerder aardwarmte over het dragen van de kosten voor de bij de winning behorende aansprakelijkheden, indien deze zijn gemaakt.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 29t

1.

Onze Minister kan een aanvraag voor een vervolgvergunning geheel of gedeeltelijk afwijzen:

  • a. indien de put geen dubbele verbuizing bevat ter hoogte van de zoet en brak waterlagen, tenzij is aangetoond dat een alternatieve inrichting van de put de putintegriteit ten minste even goed borgt als een dubbele verbuizing;
  • b. indien de aanvrager niet over een operationeel beheerssysteem en beheersplan voor de putintegriteit beschikt dat voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels;
  • c. indien de integriteit van de afsluitende aardlagen niet voldoende is geborgd.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 29u

1.

Onze Minister verbindt aan een startvergunning of vervolgvergunning voorschriften of beperkingen die betrekking hebben op:

  • a. de injectiedruk;
  • b. de injectietemperatuur;
  • c. het debiet;
  • d. het berekenen en beperken van scheurgroei in de afsluitende aardlagen;
  • e. het beheerssysteem en beheersplan voor de putintegriteit, bedoeld in de artikelen 29q en 29t;
  • f. het gebruik van mijnbouwhulpstoffen, indien van toepassing.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 29v

1.

Onze Minister bepaalt in een vergunning die betrekking heeft op aardlagen die zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, het bedrag waarvoor financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte wordt gesteld voor:

  • a. het jaar waarin de opsporing volgens de aanvraag voor de startvergunning zal aanvangen en voor het daaropvolgende jaar, indien het een startvergunning betreft;
  • b. het jaar waarin de vervolgvergunning wordt verleend en voor elk van de daaropvolgende vier jaren, indien het een vervolgvergunning betreft.
2.

Het bedrag wordt per jaar vastgesteld op het totaal van:

  • a. een raming van de kosten voor de monitoring en reactieve maatregelen met betrekking tot de beheersing van de putintegriteit;
  • b. een raming van de kosten voor het nemen van maatregelen voor de borging van de integriteit van de afsluitende aardlagen.
3.

Onze Minister bepaalt in de vergunning de vorm waarin de financiële zekerheid wordt gesteld. De financiële zekerheid wordt in zodanige vorm gesteld dat naar het oordeel van Onze Minister vaststaat dat de Staat daarmee gedurende de periode waarvoor zekerheid wordt gesteld, alle verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, zo nodig ook zelf kan nakomen ten laste van de vergunninghouder.

4.

De houder van een startvergunning toont voor aanvang van de opsporing van aardwarmte aan Onze Minister aan dat de financiële zekerheid in overeenstemming met dit artikel is gesteld.

5.

De houder van een vervolgvergunning toont binnen zes maanden na de datum van het verlenen van de vervolgvergunning aan Onze Minister aan dat de financiële zekerheid in overeenstemming met dit artikel is gesteld en houdt het bedrag dat voor het laatste jaar in de startvergunning is vastgesteld, in stand tot dit moment.

6.

Onverminderd artikel 24ab, tweede lid, onderdeel b, onder 3°, van de wet blijft het bedrag dat voor het laatste jaar in de startvergunning is vastgesteld, van toepassing voor opvolgende jaren gedurende de periode waarvoor de startvergunning geldt.

7.

Onverminderd artikel 24ao, tweede lid, onderdeel b, onder 3°, van de wet beziet Onze Minister op de voet van het tweede lid telkens na vijf jaar gerekend vanaf de datum van het verlenen van de vervolgvergunning de hoogte van het bedrag per jaar voor de eerstkomende vijf jaar. Het bedrag dat voor het laatste jaar in de vervolgvergunning is vastgesteld blijft voor opvolgende jaren van toepassing zolang het niet is aangepast. De vergunninghouder verstrekt Onze Minister uiterlijk drie maanden voor afloop van een vijfjaarstermijn de voor de ramingen, bedoeld in het tweede lid, benodigde gegevens vergezeld van een adequate cijfermatige onderbouwing en toelichting.

8.

De vergunninghouder verstrekt ten minste elk jaar aan Onze Minister het bewijs dat financiële zekerheid is gesteld en aangehouden.

9.

Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere maatstaven voor de raming van de kosten, bedoeld in het tweede lid, vaststellen.

Artikel 29w

1.

Onze Minister kan aan een startvergunning of vervolgvergunning voorschriften of beperkingen verbinden die betrekking hebben op:

  • a. de seismische risicoanalyse;
  • b. het meten, registreren en melden van bodembeweging als gevolg van de opsporing of winning van aardwarmte;
  • c. de wijze van handelen in geval van bodembeweging als gevolg van de opsporing of winning van aardwarmte.
2.

Onze Minister kan aan een startvergunning of vervolgvergunning in verband met de financiële mogelijkheden van de aanvrager voorschriften of beperkingen verbinden die betrekking hebben op:

  • a. de financiële omstandigheden van de aanvrager;
  • b. de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten voor de opsporing of winning van aardwarmte en de daarbij behorende aansprakelijkheden en de kosten voor het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de betreffende vergunning te dragen;
  • c. financiële zekerheden die gesteld dienen te worden ter dekking van de kosten voor de bij de opsporing of winning en de daarbij behorende aansprakelijkheden, anders dan de zekerheden, bedoeld in de artikelen 46 en 47 van de wet, en artikel 29v. Deze voorschriften of beperkingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op:
  • 1°. de vorm en de omvang van de financiële zekerheden;
  • 2°. het tijdstip van het stellen van financiële zekerheden;
  • 3°. het melden van wijzigingen in de financiële zekerheden;
  • d. het melden van afspraken, of wijzigingen daarvan, tussen de aanvrager en de uitvoerder aardwarmte over het dragen van de kosten voor de bij de opsporing of winning behorende aansprakelijkheden, indien deze zijn gemaakt.
3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 29x

1.

Indien meer aanvragen voor een toewijzing zoekgebied die zouden kunnen worden toegewezen, zijn ingediend, rangschikt Onze Minister een aanvraag hoger naarmate:

  • a. de aanvraag beter past binnen provinciale of gemeentelijke beleidsplannen ten aanzien van aardwarmte voor het betreffende gebied;
  • b. de realistisch te verwachten hoeveelheid te winnen aardwarmte groter is;
  • c. de aanvrager al eerder is gestart met winning van aardwarmte in een gebied dat grenst aan het betreffende gebied;
  • d. de aanvrager over ervaring met de ontwikkeling van aardwarmteactiviteiten of andere mijnbouwactiviteiten beschikt;
  • e. de kwaliteit van de aanvraag beter is.
2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de onderlinge weging van de rangschikkingscriteria, bedoeld in het eerste lid, en kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure van de rangschikking en de rangschikkingscriteria.

Artikel 29y

1.

Indien meer aanvragen voor een startvergunning die zouden kunnen worden toegewezen, zijn ingediend, rangschikt Onze Minister een aanvraag hoger naarmate:

  • a. de aanvraag beter past binnen provinciale of gemeentelijke beleidsplannen ten aanzien van aardwarmte voor het betreffende gebied;
  • b. de realistisch te verwachten hoeveelheid te winnen aardwarmte groter is;
  • c. de aanvrager al eerder is gestart met winning van aardwarmte in een gebied dat grenst aan het betreffende gebied;
  • d. de kwaliteit van de aanvraag beter is.
2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de onderlinge weging van de rangschikkingscriteria, bedoeld in het eerste lid, en kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure van de rangschikking en de rangschikkingscriteria.

Paragraaf 3a.2. De uitvoerder aardwarmte

Artikel 29z

1.

Een aanvraag om instemming met de aanwijzing van de uitvoerder aardwarmte als bedoeld in artikel 24z, vierde lid, van de wet bevat een beschrijving van de technische en financiële capaciteiten van de uitvoerder aardwarmte.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag om instemming.

Artikel 29aa

1.

Onze Minister weigert instemming met de aanwijzing van een uitvoerder aardwarmte, bedoeld in artikel 24z, derde lid, van de wet, indien de technische of financiële capaciteiten van de uitvoerder niet toereikend zijn voor een goede uitvoering van de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot de mijnbouwactiviteiten.

2.

Onze Minister betrekt bij de beoordeling van de technische capaciteiten van de uitvoerder aardwarmte in ieder geval:

  • a. de ervaring met mijnbouwactiviteiten waarover de uitvoerder aardwarmte beschikt;
  • b. de kennis over mijnbouwactiviteiten waarover de uitvoerder aardwarmte beschikt;
  • c. de verantwoordelijkheidszin, waarvan de uitvoerder aardwarmte eerder blijk heeft gegeven bij feitelijke werkzaamheden met betrekking tot mijnbouwactiviteiten onder een eerdere vergunning.
3.

Onze Minister betrekt bij de beoordeling van de financiële capaciteiten van de uitvoerder aardwarmte in ieder geval:

  • a. de financiële omstandigheden van de uitvoerder aardwarmte;
  • b. afspraken tussen de aanvrager van de startvergunning of de houder van de startvergunning of vervolgvergunning en de uitvoerder aardwarmte over het dragen van de kosten voor de bij de opsporing of winning behorende aansprakelijkheden, indien deze zijn gemaakt.
4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 29ab

1.

Onze Minister kan aan de instemming met de uitvoerder aardwarmte voorschriften of beperkingen verbinden die betrekking hebben op:

  • a. de financiële omstandigheden van de uitvoerder aardwarmte;
  • b. financiële zekerheden die gesteld dienen te worden ter dekking van de kosten voor de opsporing of winning en de daarbij behorende aansprakelijkheden. Deze voorschriften of beperkingen kunnen betrekking hebben op:
  • 1°. de vorm en de omvang van de financiële zekerheden;
  • 2°. het tijdstip van het stellen van financiële zekerheden;
  • 3°. het melden van wijzigingen in de financiële zekerheden;
  • c. het melden van afspraken, of wijzigingen daarvan, tussen de aanvrager van de startvergunning of de houder van de startvergunning of vervolgvergunning en de uitvoerder aardwarmte over het dragen van de kosten voor de bij de opsporing of winning behorende aansprakelijkheden, indien deze zijn gemaakt.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de instemming.

Paragraaf 3a.3. Deelneming in opsporing en winning van aardwarmte

Artikel 29ac

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • –. vergunninghouder: de houder van een toewijzing zoekgebied, startvergunning of vervolgvergunning.

Artikel 29ad

In de overeenkomst worden bepalingen die ertoe strekken dat ten behoeve van de voorgenomen opsporings- en winningswerkzaamheden wordt samengewerkt, opgenomen, waarbij:

  • a. de vennootschap voor 20% belang neemt, tenzij met de vergunninghouder een hoger percentage van ten hoogste 40% wordt overeengekomen;
  • b. de vergunninghouder het resterende belang neemt;
  • c. de waarde van de werken die door het doen van de in artikel 29ag, onderdeel a, bedoelde investeringen tot stand zijn gekomen en de opbrengst van de winning van aardwarmte in verhouding tot ieders belang in de samenwerking toebehoren aan de vergunninghouder en de vennootschap;
  • d. de vergunninghouder en de vennootschap ten behoeve van de samenwerking, in verhouding tot ieders belang in de samenwerking, de middelen verstrekken die bestemd zijn voor het doen van de uitgaven, bedoeld in artikel 29ag, onderdeel a;
  • e. op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is.

Artikel 29ae

In de overeenkomst wordt het bedrag vastgesteld van de door de houder van de toewijzing zoekgebied reeds gemaakte kosten die naar redelijkheid kunnen worden toegeschreven aan activiteiten en investeringen ten behoeve van de voorgenomen opsporings- en winningswerkzaamheden.

Artikel 29af

In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:

  • a. de voor hem uit de vergunning voortvloeiende rechten uit te oefenen ten behoeve van de samenwerking en overeenkomstig de gezamenlijke besluiten die met inachtneming van artikel 29ah zijn genomen door de vergunninghouder en de vennootschap;
  • b. zijn kennis en ervaring op het gebied van opsporing, winning en afzet van aardwarmte aan de samenwerking ten goede te doen komen.

Artikel 29ag

In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen die de vennootschap ertoe verplichten:

  • a. aan de vergunninghouder te vergoeden het percentage, gelijk aan het belang van de vennootschap in de samenwerking, van de uitgaven van de vergunninghouder die in overeenstemming met artikel 29ah zijn goedgekeurd of in overeenstemming zijn met een goedgekeurd jaarlijks investerings- en financieringsplan;
  • b. niet te beletten dat besluiten van de vergunninghouder gebaseerd worden op normale commerciële overwegingen;
  • c. zijn stem bij de besluitvorming volgens artikel 29ah uit te brengen op grond van transparantie, objectieve en niet-discriminerende beginselen;
  • d. aan de houder van de toewijzing zoekgebied terstond te vergoeden het percentage, gelijk aan het belang van de vennootschap in de samenwerking, van het bedrag, bedoeld in artikel 29ae, vermeerderd met een enkelvoudige rente, waarvan het percentage gelijk is aan dat van de wettelijke rente, over een tijdvak van ten hoogste vijf jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende kosten zijn gemaakt;
  • e. de informatie als bedoeld in artikel 29ai, eerste lid, onderdeel d, die de vennootschap voornemens is openbaar te maken, ter goedkeuring voor te leggen aan de vergunninghouder waarbij de vergunninghouder binnen een in de overeenkomst overeengekomen termijn bezwaar kan maken tegen openbaarmaking van die informatie.

Artikel 29ah

In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat:

  • a. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap wordt genomen in een vergadering, waarin de vergunninghouder en de vennootschap zich door een schriftelijk gevolmachtigde kunnen laten vertegenwoordigen;
  • b. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, in afwijking van onderdeel a, buiten vergadering kan worden genomen, mits de vergunninghouder en de vennootschap hier beide mee instemmen en dit gebeurt bij een gezamenlijke schriftelijke verklaring of bij een gelijkluidende schriftelijke verklaring van de vergunninghouder en de vennootschap, door deze of hun gevolmachtigde vertegenwoordigers ondertekend;
  • c. de vergunninghouder en de vennootschap bij gezamenlijke besluiten een stem hebben in verhouding tot ieders belang in de samenwerking;
  • d. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, waarbij in afwijking van onderdeel c de vergunninghouder en de vennootschap elk een beslissende stem hebben, vereist is voor:
  • 1°. het jaarlijkse investerings- en financieringsplan;
  • 2°. activiteiten en aanschaffingen die niet in het jaarlijkse investerings- en financieringsplan zijn opgenomen, en die een bedrag van € 500 000 te boven gaan of die 10% of meer van het totale bedrag van de in dat plan opgenomen uitgaven bedragen, indien het gaat om een bedrag van minder dan € 500 000;
  • 3°. de meerjarenplanning ten aanzien van de voorgenomen opsporings- en winningswerkzaamheden binnen het vergunningsgebied;
  • 4°. het aangaan, wijzigen of beëindigen van duurzame samenwerking met derden ter zake van opsporing en winning;
  • 5°. het aangaan en wijzigen van verplichtingen tot levering van aardwarmte;
  • 6°. het voortbestaan van de opsporings- of winningswerkzaamheden.

Artikel 29ai

1.

In de overeenkomst worden in verband met de kennisdeling en -borging bepalingen opgenomen met betrekking tot:

  • a. de totstandkoming van het putontwerp;
  • b. de keuze voor de locatie van boorgaten;
  • c. het vastleggen en verstrekken van informatie omtrent de organisatie en de uitvoering van de opsporings- en winningswerkzaamheden;
  • d. de aanwijzing van de informatie die de vennootschap overeenkomstig artikel 29ag, onderdeel e, ter goedkeuring aan de vergunninghouder dient voor te leggen, voordat deze openbaar wordt gemaakt.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 29aj

De vergunninghouder neemt geen besluit, inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor leveringen, voor het uitvoeren van werken of voor het verrichten van diensten, indien aannemelijk is dat dit besluit leidt tot financieel nadeel voor de vennootschap.

Artikel 29ak

1.

Onze Minister kan ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van de vennootschap of de houder van de toewijzing zoekgebied bepalen dat de verplichting, bedoeld in artikel 86a, eerste lid, van de wet niet geldt.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het verzoek, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 4. Het meten van bodembeweging

§ 4.1. Metingen met het oog op bodembeweging

Hoofdstuk 5. Mijnbouwwerken

Afdeling 5.1. Mijnbouwwerken, uitgezonderd mijnbouwinstallaties

§ 5.1.1. Algemeen

§ 5.1.4. Regels over het buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwwerken

Afdeling 5.2. Mijnbouwinstallaties

§ 5.2.1. Algemeen

Afdeling 5.3. Boorgaten

Afdeling 5.4. Milieu en rampenbestrijdingsplan

§ 6.3. Het gebruik van een pijpleiding

Hoofdstuk 7. Verstrekking, beheer en gebruik van gegevens

§ 8.3. De bijdrage aan het fonds

Hoofdstuk 9. Splitsen, afsplitsen en samenvoegen van vergunningen

§ 9.2. Splitsen van vergunningen

§ 9.3. Samenvoegen van vergunningen

§ 10.1. Algemeen

§ 10.2. Vergunning voor winning van kalksteen

§ 10.5. Het buiten gebruik stellen van een groeve

Artikel 181a

Artikel 119, derde lid, is niet van toepassing op gegevens met betrekking tot opsporing of winning van aardwarmte waarvoor een aanvraag voor een subsidie op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie is ingediend voor 1 mei 2023.

Hoofdstuk 12. Wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur

§ 12.1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

§ 12.2. Ministerie van Justitie

§ 12.3. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

§ 12.4. Ministerie van Verkeer en Waterstaat

§ 12.5. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 40g

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de inhoud van het nazorgplan, bedoeld in artikel 52g, derde lid, van de wet.

§ 5.2.2. Het ontwerpen, plaatsen en gebruiken van mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken

Afdeling 5.3. Boorgaten

§ 5.3.1. Algemeen

Afdeling 5.4. Milieu en rampenbestrijdingsplan

§ 6.3. Het gebruik van een pijpleiding

Hoofdstuk 8. Waarborgfonds mijnbouwschade

§ 8.1. Begripsbepalingen

§ 8.2. Het vermogen van het fonds

§ 9.2a. Afsplitsen van winningsvergunningen

§ 9.3. Samenvoegen van vergunningen

§ 9.4. Overige regels

Hoofdstuk 10. De veiligheid van groeven

§ 10.1. Algemeen

§ 10.2. Vergunning voor winning van kalksteen

§ 10.3. Vergunning voor gebruik voor andere doeleinden

§ 10.4. Veiligheid

Hoofdstuk 10a. Retributies

Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 12. Wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur

§ 12.1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

§ 12.2. Ministerie van Justitie

§ 12.3. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

§ 12.4. Ministerie van Verkeer en Waterstaat

§ 12.5. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)