Mijnbouwregeling

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 496
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Afdeling 8.2. Werkprogramma's voor boorgaten en putten alsmede rapportages voor boorgaten

§ 8.2.1. Werkprogramma voor het aanleggen, uitbreiden of wijzigen van boorgaten

Artikel 8.2.1.1
1.

Een werkprogramma voor het aanleggen, uitbreiden of wijzigen van een boorgat bevat:

  • a. voor boorgaten op zee:
  • 1°. de letter- en nummeraanduiding van het blok waarin het boorgat zal worden aangelegd;
  • 2°. de aanduiding van het boorgat:
  • 3°. de plaats van het aanzetpunt van het boorgat uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het ETRS89 systeem en
  • 4°. een opgave van de hoogte van de boortafel of van een ander, nader aan te geven, referentiepunt in meters ten opzichte van zowel de gemiddelde waterstand als de zeebodem;
  • b. voor boorgaten op land:
  • 1°. de naam van de gemeente waarin het boorgat zal worden aangelegd;
  • 2°. de benaming van het boorgat;
  • 3°. de plaats van het aanzetpunt daarvan uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het ETRS89 systeem en
  • 4°. een opgave van de hoogte van het maaiveld in meters ten opzichte van N.A.P alsmede de hoogte van de boortafel of in plaats van de boortafel een ander, nader aan te geven referentiepunt in meters ten opzichte van N.A.P.
2.

Voorts bevat het werkprogramma ten minste:

  • a. de precieze locatie waar een boorgat het voorkomen zal binnendringen en de voorgenomen diepte van het boorgat;
  • b. een schematische opgave van:
  • 1°. de selectiecriteria waarop de verbuizingsdiepten zijn gekozen, rekening houdend met de maximaal toelaatbare instromingsvolumes bij de verwachte formatiesterkten;
  • 2°. de geologische formaties, welke vermoedelijk zullen worden doorboord;
  • 3°. de verbuizingsdiepten van nabijgelegen boorgaten met hun gebruikte spoelingsgewichten, temperatuur en formatiesterktetesten vergeleken met die van het aan te leggen boorgat met de gecorreleerde stratigrafische kolom;
  • 4°. de in het boorgat te verwachten poriëndrukken en bezwijkdrukken van het gesteente met de beoogde boorspoelingsdrukken, en
  • 5°. elke plaats waar:
  • –. spoelingverliezen kunnen optreden;
  • –. een plastisch gesteente te verwachten is, of
  • –. koolwaterstofaccumulatie aanwezig kan zijn;
  • c. het type van de te gebruiken boorinstallatie;
  • d. een beschrijving:
  • 1°. de wijze van isolatie van de zoet- en zoutwaterlagen onder opgave van:
  • –. de lokale grondwaterhydrologie;
  • –. de identificatie van zoet- en zoutwaterlagen;
  • –. de beoogde isolatie na het doorboren van de zoet- en zoutwaterlagen;
  • –. de wijze van verificatie van de nieuwe isolatie na doorboring;
  • 2°. met tekeningen van elke verbuizingsserie met vermelding van de diameter;
  • 3°. van de soort materiaal, het gewicht per lengte eenheid, en de diepte waarop het inbouwen van elk serie wordt voorzien, en
  • 4°. van de voorgenomen diameter van het boorgat over het boortraject tot elk van de onder 2° bedoelde diepten;
  • e. een opgave van alle voorkomende belastingsituaties van iedere serie van de verbuizing onder correctie van invloeden door corrosie, slijtage en vermoeiing alsmede de ontwerp- en veiligheidsfactoren die worden gebruikt om de verbuizing zeker te stellen bij deze belastingsituaties;
  • f. een schematische opgave van het triaxiale spanningsanalysediagram waarin wordt aangetoond dat de berekende triaxiale spanningen voor alle voorkomende belastingssituaties met de bijbehorende veiligheidsfactoren niet kunnen leiden tot plastische vervorming van iedere serie van de verbuizing;
  • g. een opgave van de aan te brengen cementatie van elke verbuizingsserie met vermelding van de voorgenomen diepte van de top van de annulaire cementkolom;
  • h. een opgave van de beproevingsdruk van elke verbuizingsserie;
  • i. een opgave van de te houden petrofysische metingen;
  • j. een opgave van de toe te passen methodes van formatiesterkte testen;
  • k. een opgave van de te nemen kerntrajecten;
  • l. een opgave van de te gebruiken boorspoeling alsmede een gedetailleerde toelichting op de gemaakte keuze;
  • m. een opgave van de bij het aanleggen, uitbreiden of wijzigen van het boorgat te gebruiken chemicaliën, hun hoeveelheden alsmede een beschrijving van het gebruik van die chemicaliën waaruit blijkt dat wordt voldaan aan:
  • 1°. de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de bij of krachtens titel 9.3 van de Wet milieubeheer voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften;
  • 2°. de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en de bij of krachtens titel 9.3a van de Wet milieubeheer voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften en
  • 3°. de biocidenverordening en de bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften;
  • n. indien een boorgruisreiningingssysteem zal worden gebruikt: een opgave van het systeem dat zal worden gebruikt alsmede van de eventueel daarbij te gebruiken chemicaliën;
  • o. een situatietekening van het voorgenomen verloop van het boorgat en een opgave van de met betrekking tot het verloop van het boorgat toe te passen meettechniek;
  • p. indien het boorgat op zodanige plaats nabij een of meer, al dan niet buiten gebruik gestelde, bestaande boorgaten zal worden aangelegd dat gevaar voor het boorgat of een ander reeds bestaand boorgat niet is uitgesloten: een berekening van de te verwachten minimale afstand alsmede de te verwachten minimale scheidingsfactoren op basis van de gebruikte meetinstrumenten;
  • q. een beschrijving van de ten behoeve van elke verbuizingsserie te gebruiken beveiligingsinstallatie, met vermelding van:
  • 1°. het type van elk onderdeel waaruit de installatie bestaat, en
  • 2°. de maximale druk die elk onderdeel kan weerstaan en die waarop elk onderdeel wordt getest;
  • r. indien het boorgat wordt getest een beschrijving van:
  • 1°. de te volgen werkwijze;
  • 2°. de inrichting van het boorgat, en
  • 3°. de daarmee samenhangende bovengrondse uitrusting;
  • s. een opgave van de te gebruiken technische hulp- en andere beveiligingsinstallaties en van de tijdstippen waarop deze worden opgesteld, en
  • t. een beschrijving met tekening van de voorgenomen afwerking van het boorgat.
Artikel 8.2.1.2
1.

Het werkprogramma voor het aanleggen, uitbreiden of wijzigen van een boorgat is tenminste vier weken voor de aanvang van de betrokken werkzaamheden in het bezit van de inspecteur-generaal der mijnen.

2.

Ingrijpende wijzigingen worden in een werkprogramma niet aangebracht dan nadat hiervan schriftelijk mededeling is gedaan aan de inspecteur-generaal der mijnen.

3.

Indien onvoorziene omstandigheden verhinderen dat de voorafgaande schriftelijke mededeling tijdig wordt gegeven, wordt de inspecteur-generaal der mijnen van de wijziging onmiddellijk telefonisch of anderszins in kennis gesteld, welke kennisgeving onmiddellijk schriftelijk wordt bevestigd.

§ 8.2.2. Rapportages

Artikel 8.2.2.1
1.

Een dagrapport van het verloop van elk boorgat wordt tijdens werkdagen uiterlijk om 09.00 uur volgend op de dag waarop het rapport betrekking heeft ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen gebracht.

2.

Het dagrapport bevat de gegevens, aangegeven in bijlage 11, en is in overeenstemming met die bijlage ingericht.

Artikel 8.2.2.2

Het eindrapport over de aanleg, uitbreiding, wijziging of reparatie van een boorgat, het stimuleren van een voorkomen via een put, alsmede het buiten gebruik stellen van een put bevat de gegevens, aangegeven in de bijlagen 12 en 12a, is in overeenstemming met die bijlagen ingericht en wordt binnen vier weken na de activiteit overgelegd.

§ 8.2.3. Werkprogramma voor reparatie van putten

Artikel 8.2.3.1
1.

Een werkprogramma voor de reparatie van een put bevat:

  • a. voor putten op zee:
  • 1°. de letter en nummeraanduiding van het blok waarbinnen de te repareren put zich bevindt;
  • 2°. de aanduiding van de put;
  • 3°. de plaats van het aanzetpunt van de put uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het ETRS89 systeem en
  • 4°. een opgave van de hoogte van de boortafel of van een ander, nader aan te geven referentiepunt in meters ten opzichte van zowel de gemiddelde waterstand als de zeebodem;
  • b. voor putten op land:
  • 1°. de naam van de gemeente waarbinnen de te repareren put zich bevindt;
  • 2°. de benaming van de put;
  • 3°. De plaats van het aanzetpunt van de put uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het ETRS89 systeem en
  • 4°. een opgave van de hoogte van zowel het maaiveld als de boortafel of een ander, nader aan te geven referentiepunt, een en ander in meters ten opzichte van N.A.P.
2.

Voorts bevat het werkprogramma ten minste:

  • a. de reden van de reparatie alsmede een kort overzicht van het gedrag van en problemen met de put sinds de aanleg of, indien deze eerder is gerepareerd, de laatste reparatie;
  • b. de datum van de oorspronkelijke afwerking of van de laatste reparatie;
  • c. een schets van de deviatie, indien van toepassing;
  • d. een opgave van het referentievlak van waaruit de dieptematen worden opgegeven;
  • e. een beschrijving met tekeningen van:
  • 1°. de productieverbuizing met specificaties;
  • 2°. de cementatiediepte, en
  • 3°. de diepte van de top van de annulaire cementkolommen;
  • f. over de integriteitsbeheersing van de put een beschrijving van:
  • 1°. de deugdelijkheid van de aanwezige annulaire cementkolommen onder opgave van de hiertoe uit te voeren integriteitsmetingen, en
  • 2°. de wijze waarop de integriteit van de put voor en na de diverse activiteiten wordt zeker gesteld;
  • g. een beschrijving met tekeningen van de afwerking boven of onder oppervlaktewater, inclusief specificaties van het spuitkruis;
  • h. een beschrijving van de ondergrondse afwerking van de put;
  • i. de verwachte maximale ingesloten bovengrondse druk en de drukken in de diverse annulaire ruimtes;
  • j. de formatiedruk en de referentiediepte;
  • k. de ondergrondse en bovengrondse temperatuur van de put;
  • l. de inhoud van de opvoerserie en van de annulaire ruimten;
  • m. het productiemechanisme;
  • n. de maximale productiecapaciteit (open flow potential);
  • o. de naam of typeaanduiding van de installatie waarmee de putreparatie wordt uitgevoerd alsmede de naam van de drilling contractor;
  • p. een beschrijving van de te gebruiken beveiligingsinstallatie voor de afsluiting van de put in de diverse fasen;
  • q. een chronologisch overzicht van de voorgenomen opeenvolgende reparatiewerkzaamheden, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met van tevoren aangenomen alternatieve mogelijkheden voorzien van in het bijzonder een toelichting op uit veiligheidsoverwegingen of anderszins kritische operaties;
  • r. gezien de ligging van de te repareren put en voor zover van toepassing: de methode waarop putten in de nabijheid worden veiliggesteld;
  • s. een opgave van de afwerking van de put na de reparatie;
  • t. de geschatte tijdsduur van de reparatie, en
  • u. een beschrijving van de stoffen en hoeveelheden stoffen die bij de reparatie worden geïnjecteerd onder vermelding van het registratienummer, bedoeld in artikel 64, negende lid, van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen of, in voorkomend geval, het toelatingsnummer, dat bij of krachtens de biocidenverordening of de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden aan de stof is gegeven, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan:
  • 1°. de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de bij of krachtens titel 9.3 van de Wet milieubeheer voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften;
  • 2°. de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en de bij of krachtens titel 9.3a van de Wet milieubeheer voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften en
  • 3°. de biocidenverordening en de bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor de uitvoering van die verordening gestelde voorschriften.
Artikel 8.2.3.2
1.

Het werkprogramma voor de reparatie van een put is tenminste twee weken vóór de aanvang van de betrokken werkzaamheden in het bezit van de inspecteur-generaal der mijnen.

2.

Artikel 8.2.1.2, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.2.3.3

Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op boorgaten.

§ 8.2.3a. Werkprogramma voor het stimuleren van een voorkomen via een put

Artikel 8.2.4.1
1.

Een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een put bevat:

  • a. voor putten op zee:
  • 1°. de letter- en nummeraanduiding van het blok waarbinnen de buiten gebruik te stellen put zich bevindt;
  • 2°. de aanduiding van de put, alsmede, in voorkomend geval, het nummer van de zijtak;
  • 3°. De plaats van het aanzetpunt van de put uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het ETRS89 systeem en
  • 4°. een opgave van de hoogte van de boortafel of van een ander nader aan te geven referentiepunt in meters ten opzichte van zowel de gemiddelde waterstand als de zeebodem;
  • b. voor putten op land:
  • 1°. de naam van de gemeente waarbinnen de buiten gebruik te stellen put zich bevindt;
  • 2°. de aanduiding van de put, alsmede, in voorkomend geval, het nummer van de zijtak;
  • 3°. de plaats van het aanzetpunt van de put uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het ETRS89 systeem en
  • 4°. een opgave van de hoogte van zowel het maaiveld als de boortafel of een ander, nader aan te geven referentiepunt, een en ander in meters ten opzichte van N.A.P.
2.

Voorts bevat het werkprogramma ten minste:

  • a. de reden voor het buiten gebruik stellen van de put;
  • b. de datum van de oorspronkelijke afwerking en, indien de put is uitgebreid, gewijzigd, gerepareerd, of voor een deel buiten gebruik gesteld de datum van de uitbreiding, wijziging, reparatie of gedeeltelijke buitengebruikstelling;
  • c. een tekening van de deviatie en een tabel met de gegevens daarvan;
  • d. een opgave van het referentievlak van waaruit de dieptematen worden opgegeven;
  • e. schematische tekeningen van de put vóór en na de buitengebruikstelling, met informatie over:
  • 1°. de maten en diepte van de verbuizing, waaronder de tubing, casing en liners, en de diepten van packers en plugs, alsmede eventuele obstructies;
  • 2°. de diepte van de top van de cementkolommen in de annulaire ruimten en in het geval van gebruik van een ander materiaal dan cement de bijbehorende specificaties en onderbouwing van die specificaties voor de diepte van de top in die ruimten;
  • 3°. de gas- en vloeistofsoort en het gewicht van het gas en de vloeistof in de put en de annulaire ruimten;
  • 4°. de zones met stromingspotentieel: diepten, gas- en vloeistofsoort en, in voorkomend geval, de geohydrologische basis;
  • 5°. de diepten en de gesteentesoort van de sluitlagen;
  • 6°. de geplande diepten van afsnijdingen van verbuizingen, en, in voorkomend geval, de geplande circulatiegaten in de verbuizing alsmede de weg te frezen of anderszins te verwijderen verbuizingsecties;
  • 7°. de locatie en het soort geplande mechanische ondersteuning;
  • 8°. de geplande diepten van boven- en onderkant van te plaatsen cementkolommen en in het geval van gebruik van een ander materiaal dan cement de bijbehorende specificaties en onderbouwing van die specificaties voor de geplande diepten, alsmede de wijze van verificatie;
  • f. de diepte waarop de put is afgewerkt en de diepte van het geperforeerde deel van de productieverbuizing;
  • g. een beschrijving van de afwerking van de put boven of onder oppervlaktewater, inclusief specificaties van het spuitkruis;
  • h. een beschrijving van de ondergrondse afwerking van de put;
  • i. de verwachte maximale ingesloten bovengrondse druk;
  • j. de formatiedruk en de referentiediepte;
  • k. de ondergrondse en bovengrondse temperatuur van de put;
  • l. de inhoud van de opvoerserie en van de annulaire ruimten met de verwachte annulaire drukken en vrijkomende gassen en vloeistoffen bij aflaten, alsmede, indien beschikbaar, de opbouwsnelheid daarvan;
  • m. de naam of typeaanduiding van de installatie waarmee de put buiten gebruik wordt gesteld alsmede de naam van de drilling contractor;
  • n. een beschrijving van de te gebruiken beveiligingsinstallatie voor de afsluiting van de put;
  • o. een chronologisch overzicht van de opeenvolgende werkzaamheden, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met van tevoren aangenomen alternatieve mogelijkheden voorzien van in het bijzonder een toelichting op uit veiligheidsoverwegingen of anderszins kritische operaties;
  • p. gezien de ligging van de buiten gebruik te stellen put en voor zover van toepassing: de methode waarop putten in de nabijheid worden veiliggesteld;
  • q. geologische informatie: de diepten van de formatietoppen, de formatiesterkte waar beschikbaar, eventuele overdrukken, aanwezigheid van koolwaterstoffen en type, en onshore, de geohydrologische basis;
  • r. een beschrijving van de zones met stromingspotentieel met de bijbehorende gassen en vloeistoffen, de maximum verwachte druk en de geschikte sluitlagen met een schatting van de sterkte;
  • s. een gefundeerde beoordeling dat geen schade door stroming tussen zones te verwachten is, indien zones met stromingspotentieel niet van elkaar worden afgesloten;
  • t. de geschatte tijdsduur van de geplande activiteiten voor het buiten gebruik stellen.
Artikel 8.2.4.2
1.

Het werkprogramma voor het buitengebruik stellen van een put is tenminste vier weken vóór de aanvang van de betrokken werkzaamheden in het bezit van de inspecteur-generaal der mijnen.

2.

Artikel 8.2.1.2, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.2.4.3

Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op boorgaten.

Afdeling 8.3. Regels bij het aanleggen, wijzigen, uitbreiden van boorgaten alsmede gebruik en reparatie van putten

§ 8.3.1. Beveiligingen bij het aanleggen, wijzigen of uitbreiden van boorgaten

Artikel 8.3.1.1

Deze afdeling is niet van toepassing op boorgaten waarmee wordt beoogd de aanwezigheid van zout aan te tonen dan wel te winnen, mits de uitvoerder in het document, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het besluit, heeft aangetoond dat er geen gevaar bestaat voor schadelijke uitstroming van ondergrondse gassen of vloeistoffen.

Artikel 8.3.1.2
1.

Gedurende de boorwerkzaamheden die voorafgaan aan het inbouwen en cementeren van de eerste drukhoudende serie der verbuizing worden voorzieningen getroffen voor het direct en met zo gering mogelijke belemmering afvoeren van vrijkomend gas of vrijkomende vloeistof, afkomstig uit een formatie met gas of vloeistof onder een hogere druk dan de boorvloeistofkolom.

2.

De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit:

  • a. een afsluiter die het boorgat kan afsluiten rondom het boorgereedschap dat zich in het boorgat bevindt, en
  • b. een spoelstuk met een inwendige diameter die tenminste gelijk is aan de in onderdeel a bedoelde afsluiter en tenminste is voorzien van één zijuitlaat met een afsluiter waarvan de bediening gekoppeld is aan de in onderdeel a bedoelde afsluiter, maar waarvan de werking tegengesteld is aan die van deze afsluiter.
3.

De voor deze voorzieningen benodigde afvoerleidingen hebben een inwendige diameter van ten minste 250 mm en worden met een zo gering mogelijk aantal bochten geïnstalleerd. Op de plaats van de bochten worden inwendige voorzieningen aangebracht die het eroderen van de leidingen zoveel mogelijk voorkomen.

4.

Het hulpmiddel voor de besturing van de voorzieningen wordt op een voor de boormeester goed bereikbare plaats opgesteld.

5.

Het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing indien de uitvoerder of uitvoerder aardwarmte in het document, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het besluit heeft aangetoond dat bij de boorwerkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, geen gevaar bestaat voor schadelijke uitstroming van onderaardse gassen of vloeistoffen.

Artikel 8.3.1.3
1.

Het boorgat wordt na het inbouwen en cementeren van de eerste drukhoudende serie der verbuizing voorzien van een beveiligingsinstallatie waarmee het boorgat onder alle omstandigheden kan worden afgesloten.

2.

De in het eerste lid bedoelde beveiligingsinstallatie is opgebouwd uit:

  • a. boorgatafsluiters;
  • b. een hoofdbedieningsverdeelwerk;
  • c. twee bedieningspanelen;
  • d. een smoorverdeelstuk;
  • e. leidingen tussen de hiervoor genoemde onderdelen, en
  • f. boorgereedschapafsluiters.
3.

De beveiligingsinstallatie, met uitzondering van het bedieningsgedeelte en de in artikel 8.3.1.4, eerste lid, onderdeel a, bedoelde compressielichaamafsluiter, kan te allen tijde tenminste de aan de bovenzijde van het boorgat te verwachten maximale druk weerstaan.

4.

Indien enig vermoeden bestaat dat er zwavelwaterstofhoudend gas aanwezig is, is de beveiligingsinstallatie bestand tegen blootstelling aan zwavelwaterstofhoudend gas.

Artikel 8.3.1.4
1.

De in artikel 8.3.1.3, eerste lid, bedoelde beveiligingsinstallatie bevat in ieder geval de volgende boorgatafsluiters:

  • a. een compressielichaamafsluiter;
  • b. een schuifafsluiter die een boorgat kan afsluiten rondom het boorgereedschap dat zich in het boorgat bevindt, en
  • c. een schuifafsluiter die een boorgat kan afsluiten waarin zich geen boorgereedschap bevindt.
2.

Na het inbouwen en cementeren van de tweede drukhoudende serie der verbuizing wordt, voordat de boorwerkzaamheden worden hervat, de beveiligingsinstallatie uitgebreid met:

  • a. een tweede schuifafsluiter als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
  • b. een voorziening ten behoeve van de schuifafsluiter, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, om boorgereedschap dat zich in het boorgat ter hoogte van deze afsluiter bevindt, door te snijden.
3.

De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde afsluiter is geschikt voor het inlaten van boorgereedschap, wanneer in het bovenste gedeelte van het boorgat een hogere dan atmosferische druk heerst.

4.

De in het eerste lid, onderdelen a, b en c, bedoelde afsluiters kunnen met behulp van een afstandsbediening worden gesloten en geopend.

5.

De in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde afsluiters kunnen worden geborgd tegen onbedoeld openen.

6.

De minister kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid.

Artikel 8.3.1.5
1.

Het hoofdbedieningsverdeelwerk:

  • a. wordt opgesteld op een goed bereikbare plaats gelegen buiten de boorvloer;
  • c. wordt zo ingericht en onderhouden dat te allen tijde een zodanige hoeveelheid elektrisch vermogen, luchtdruk en bedieningsvloeistof aanwezig is dat het boorgat kan worden afgesloten.
2.

De minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdeel a. De ontheffing kan onder voorschriften of beperkingen worden verleend.

Artikel 8.3.1.6
1.

Een van de in artikel 8.3.1.3, tweede lid, bedoelde bedieningspanelen wordt opgesteld op de boorvloer op een voor de boormeester goed bereikbare plaats.

2.

Het tweede bedieningspaneel wordt opgesteld op een plaats die ook tijdens calamiteiten voor een ieder goed bereikbaar is.

3.

Met behulp van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedieningspanelen kunnen de in artikel 8.3.1.4, eerste lid, onderdelen a, b en c, bedoelde boorgatafsluiters worden bediend.

4.

Het bedieningspaneel, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van visuele indicatoren die aangeven in welke stand de bijbehorende verdeelklep in het hoofdbedieningsverdeelwerk staat.

5.

Het vierde lid geldt niet, indien het hoofdbedieningsverdeelwerk op de boorvloer is opgesteld op een voor de boormeester goed bereikbare plaats.

Artikel 8.3.1.7
1.

Het smoorverdeelstuk is goed bereikbaar.

2.

Het smoorverdeelstuk is voorzien van tenminste twee verstelbare knijpstukken:

  • a. welke, wanneer het verdeelstuk in werking is, zonder gevaar afzonderlijk kunnen worden verwisseld, en
  • b. waarvan tenminste een op afstand kan worden versteld.
Artikel 8.3.1.8
1.

De van het hoofdbedieningsverdeelwerk deel uitmakende leidingen naar de boorgatafsluiters zijn zo flexibel dat beschadiging door het bewegen van de boorinstallatie niet plaatsvindt.

2.

De in het eerste lid bedoelde leidingen kunnen te allen tijde de maximale druk weerstaan die in het hoofdbedieningsverdeelwerk kan optreden.

3.

Het smoorverdeelstuk en de hiermee verbonden aan- en afvoerleidingen zijn zo verankerd dat krachten tengevolge van het aan- en afvoeren van gassen of vloeistoffen kunnen worden opgenomen zonder schade te veroorzaken aan het verdeelstuk of aan de aan- of afvoerleidingen.

4.

De leidingen van de beveiligingsinstallatie en de erbij behorende afsluiters voor en direct achter de smoorverdeelstukken kunnen tenminste dezelfde werkdruk weerstaan als de in artikel 8.3.1.4, eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde boorgatafsluiters.

Artikel 8.3.1.9
1.

Het in de boortafel afgehangen boorgereedschap kan worden afgesloten met behulp van een afsluitmechanisme, dat op de boorvloer aanwezig is op een zodanige plaats dat dit onmiddellijk in of op het boorgereedschap kan worden geplaatst.

2.

Het aandrijvend gedeelte van het boorgereedschap is voorzien van twee afsluiters om hol boorgereedschap inwendig af te kunnen sluiten.

3.

Indien gebruik gemaakt wordt van een meeneemstang als aandrijvend gedeelte, wordt van de in het tweede lid bedoelde afsluiters één boven en één onder de meeneemstang aangebracht. Indien van een ander aandrijvend gedeelte gebruik wordt gemaakt, is tenminste een van die afsluiters op afstand te bedienen.

Artikel 8.3.1.10

De annulaire ruimte tussen de laatst geplaatste drukhoudende serie der verbuizing en het zich hierin bevindende boorgereedschap is voorzien van tenminste twee zijuitlaten, elk met twee afsluiters die afzonderlijk kunnen functioneren met een zodanige doorlaat van tenminste 50 mm nominaal, dat de te verwachten hoeveelheid vloeistof of gas goed kan worden afgevoerd.

Artikel 8.3.1.11
1.

De beveiligingsinstallatie is zo ingericht, dat vloeistoffen ook op een andere wijze dan via het boorgereedschap in het boorgat kunnen worden gepompt, terwijl gelijktijdig gas of vloeistof via het smoorverdeelstuk afgevoerd kan worden.

2.

In elke leiding voor het inpompen van vloeistof in het boorgat en voor het afvoeren van gas of vloeistof zijn zo dicht mogelijk bij de boorgatafsluiters twee afsluiters geplaatst. Ten minste een van die afsluiters kan met behulp van het in artikel 8.3.1.6, eerste lid, bedoelde bedieningspaneel worden bediend.

3.

De leiding voor het inpompen van vloeistof in het boorgat is voorzien van een terugslagklep.

4.

De leiding voor het afvoeren van gas of vloeistof heeft een doorlaat van tenminste 75 mm nominaal.

5.

Andere openingen van de boorgatafsluiters dan die waarop een leiding als bedoeld in het tweede lid is aangesloten, worden afgesloten met behulp van:

  • a. twee afsluiters;
  • b. een geheel gesloten plaat, of
  • c. een afsluitplug.

§ 8.3.2. Testen van boorgat- en schuifafsluiters

Artikel 8.3.2.1

Bij een persproef tot de maximale druk die zich naar berekening in de serie der verbuizing kan voordoen, treedt, na het stilzetten van de perspompen en na de stabilisatie van de druk, geen lekkage op gedurende een periode van ten minste:

  • a. 10 minuten, indien het volume dat wordt beproefd 3 m3 of minder bedraagt, of
  • b. 20 minuten, indien het volume dat wordt beproefd groter is dan 3 m3.
Artikel 8.3.2.2
1.

De aangesloten boorgatafsluiters, smoorverdeelstukken en leidingen worden op een goede afsluitende werking getest met behulp van een persproef:

  • a. tenminste eenmaal per drie weken gedurende vijf minuten op 2,5 MPa en aansluitend gedurende de periode, genoemd in artikel 8.3.2.1, onderdelen a of b, op tenminste 50% van de te verwachten maximale druk die aan de bovenzijde van het boorgat onder de meest ongunstige condities kan optreden, en
  • b. gedurende vijf minuten op 2,5 MPa en aansluitend gedurende de periode, genoemd in artikel 8.3.2.1, onderdelen a of b, op de te verwachten maximale druk die aan de bovenzijde van het boorgat onder de meest ongunstige condities kan optreden:
  • 1°. binnen een week voor het mogelijk aanboren van een formatie waarvan verwacht kan worden dat deze productief is, en overigens
  • 2°. tenminste eenmaal per zes weken.
2.

Indien aan de beveiligingsinstallatie reparatiewerkzaamheden zijn verricht of wijzigingen zijn aangebracht, worden de betrokken gedeelten van de installatie en de delen die direct daarmee in verbinding staan getest overeenkomstig het eerste lid.

3.

Voor de test van de compressielichaamafsluiter met daarin het boorgereedschap met de kleinste in gebruik zijnde diameter is de testdruk in alle gevallen ten hoogste 70% van de maximaal toelaatbare werkdruk.

4.

De minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdeel a. De ontheffing kan onder voorschriften of beperkingen worden verleend.

Artikel 8.3.2.3
1.

Alle schuifafsluiters worden wekelijks op hun mechanische werking getest.

2.

De aanwezigheid van voldoende bedieningsvloeistof wordt eenmaal per week onder werkdruk getest voor de in gebruik zijnde boorgatafsluiters.

3.

Tenminste eenmaal per vier weken worden, met de bedieningsvloeistof onder maximaal gereduceerde druk, de in gebruik zijnde schuifafsluiters getest op hun functioneren.

4.

Direct nadat werkzaamheden aan het bedieningsgedeelte van de beveiligingsinstallatie hebben plaatsgevonden, worden de van toepassing zijnde testen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, voor dat gedeelte en de delen die direct daarmee in verbinding staan herhaald onder de werkdruk, bedoeld in artikel 8.3.1.8, tweede lid.

5.

De test, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats door afwisselend elk van de bedieningspanelen te gebruiken.

Artikel 8.3.2.4
1.

De uitvoerder of uitvoerder aardwarmte test voorafgaand aan het gebruik van de boorgatafsluiters met behulp van een persproef gedurende de periode, genoemd in artikel 8.3.2.1, onderdelen a en b, de combinatie van de boorgatafsluiters, de afhangingsconstructie van de verbuizingsserie en de verbinding tussen de boorgatafsluiter en de afhangingsconstructie van de verbuizingsserie tegen de laagste werkdruk van de boorgatafsluiters en de afhangingsconstructie van de verbuizingsserie.

2.

De uitvoerder of uitvoerder aardwarmte herhaalt de persproef:

  • a. voorafgaande aan het eerste gebruik van de boorgatafsluiters;
  • b. na een reparatie of vervanging van de boorgatafsluiters;
  • c. direct na het verstrijken van dertien weken waarin de boorgatafsluiters operationeel zijn, en
  • d. vervolgens telkens direct na het verstrijken van zesentwintig weken na de laatst uitgevoerde test.
3.

Voor de test van de compressielichaamafsluiter met daarin het boorgereedschap met de kleinste in gebruik zijnde diameter is de testdruk in alle gevallen ten hoogste 70% van de maximaal toelaatbare werkdruk.

Artikel 8.3.2.5
1.

De resultaten van de in de artikelen 8.3.2.2 en 8.3.2.4 bedoelde testen worden schriftelijk vastgelegd.

2.

Van de in artikel 8.3.2.3 genoemde testen worden de gegevens schriftelijk vastgelegd met gebruikmaking van een formulier, waarvan een model is opgenomen in bijlage 13.

Artikel 8.3.2.6
1.

De boorgatafsluiters worden tenminste eenmaal per twaalf gebruiksmaanden of tenminste eenmaal per vierentwintig maanden geïnspecteerd en gecontroleerd met inachtneming van de voorschriften van de fabrikant.

2.

Alle delen van een beveiligingsinstallatie worden tenminste eenmaal per vijf jaar gereviseerd conform de aanwijzingen van de fabrikant.

3.

Een beschrijving van de in het eerste en tweede lid bedoelde werkzaamheden wordt in een schriftelijk rapport vastgelegd.

4.

De in het eerste lid bedoelde voorschriften en de in het derde lid bedoelde rapporten worden op het boorwerk respectievelijk de mijnbouwinstallatie ter inzage van de inspecteur-generaal der mijnen gelegd. Deze voorschriften en rapporten worden daartoe tenminste zes jaar bewaard.

§ 8.3.2. Testen van boorgat- en schuifafsluiters

Artikel 8.3.3.1
1.

Wanneer bij een boring of werkzaamheden aan een produceerbare put de putbeveiligingsinstallatie is aangebracht, nemen alle direct bij de werkzaamheden aan de put betrokken personen ten minste eenmaal per week aan een van de onder artikel 8.3.3.2 genoemde putbeveiligingsoefeningen deel.

2.

Van personen als in het eerste lid bedoeld en van de door hen gehouden putbeveiligingsoefeningen wordt aantekening gehouden in het dagelijks boorregister.

Artikel 8.3.3.2
1.

De oefeningen worden gehouden door tijdens het werk afwisselend een situatie te simuleren die ten doel heeft een ongecontroleerde spuiter tijdig te onderkennen alsmede de juiste handelingen uit te voeren met pijpen in het boorgat.

2.

De in het eerste lid bedoelde oefeningen bestaan ten minste uit:

  • a. het onderkennen van drukverschil, toename of verlies van vloeistof in de put;
  • b. op de juiste hoogte afhangen van de pijpen in de putbeveiligingsinstallatie;
  • c. het aanbrengen van een veiligheidsafsluiter op de pijpen in de put;
  • d. het observeren van het vloeistofniveau in de put;
  • e. het insluiten van de put, en f. het opnemen van de benodigde tijd.
3.

Voor de uitvoering van een putbeveiligingsoefening is een procedure opgesteld, die bij de put voorhanden is.

§ 8.3.4. Reparatie van een put

Artikel 8.3.4.1
1.

Bij het vervangen van het spuitkruis (X-mas tree) door de boorgatafsluiters worden de artikelen 8.3.1.3 tot en met 8.3.2.6, met uitzondering van artikel 8.3.1.6, tweede lid, in acht genomen, met dien verstande dat, in afwijking van artikel 8.3.1.3, tweede lid, onderdeel c, kan worden volstaan met één bedieningspaneel.

2.

Tijdens het verwijderen en het terugplaatsen van het spuitkruis is een spuitend producerende put tenminste drievoudig beveiligd tegen uitstroming en zijn niet-spuitende, producerende putten tenminste tweevoudig beveiligd.

3.

Andere werkzaamheden dan die bedoeld in het eerste lid worden slechts verricht indien de put onder alle omstandigheden onder controle kan worden gebracht en gehouden.

4.

De minister kan ontheffing verlenen van het tweede lid. De ontheffing kan onder voorschriften of beperkingen worden verleend.

Afdeling 8.4. Inrichting van putten

Artikel 8.4.1
1.

Een spuitend produceerbare put is voorzien van een op een diepte van ten minste 50 meter onder het aardoppervlak of de bodem van oppervlaktewater aangebrachte beveiligingsinstallatie ter voorkoming van het ongecontroleerd spuiten van de put. Deze beveiligingsinstallatie is van boven het aardoppervlak of oppervlaktewater bedienbaar.

2.

Zodra bediening van de in het voorgaande lid bedoelde beveiligingsinstallatie niet meer mogelijk is, wordt de put automatisch ingesloten.

3.

De goede werking van de beveiligingsinstallatie wordt met behulp van periodieke testen aangetoond. De frequentie van de testen en de resultaten hiervan worden vastgelegd.

4.

De voorziening waarmee de opvoerserie is afgehangen (tubing hanger) is uitgevoerd met een inwendig profiel waarin een plug of afsluiter geïnstalleerd kan worden voor het verkrijgen van een volledige afsluiting van de opvoerserie.

5.

De minister kan van het eerste en tweede lid ontheffing verlenen, mits is aangetoond dat op andere wijze tenminste een zelfde niveau van veiligheid wordt bereikt. De ontheffing kan onder voorschriften of beperkingen worden verleend.

Artikel 8.4.2
1.

Van een op het land of boven oppervlaktewater afgewerkte put zijn alle zijuitlaten van de annulaire ruimten, die bedoeld zijn voor het inpompen van vloeistoffen of gassen dan wel voor het afvoeren van vloeistoffen of gassen, voorzien van twee afsluiters met een diameter van nominaal ten minste 50 mm.

2.

De in het eerste lid bedoelde annulaire ruimten zijn voorzien van tenminste één zijuitlaat. Het opvoerseriehuis (tubing head housing) is voorzien van tenminste twee zijuitlaten, elk voorzien van twee afsluiters met een diameter van nominaal ten minste 50 mm.

3.

Indien de in het eerste lid bedoelde ruimten tussen twee opeenvolgende verbuizingsseries niet in open verbinding staan met de ondergrond of niet gebruikt worden voor injectie of winning, kan het betreffende huis zijn voorzien van één zijuitlaat met één afsluiter met een diameter van nominaal ten minste 50 mm, met dien verstande dat die afsluiter is voorzien van een flens en afdichtkraan als aansluiting voor een manometer met afblaasmogelijkheid. Elke verdere zijuitlaat wordt overeenkomstig de eerste volzin uitgerust dan wel voorzien van een blinde flens.

4.

Afsluiters als bedoeld in het eerste en derde lid kunnen drukvrij worden gemaakt teneinde te worden verwisseld.

Artikel 8.4.3
1.

Van een onder oppervlaktewater afgewerkte put staan de ruimten tussen twee opeenvolgende drukhoudende verbuizingsseries niet in open verbinding met de ondergrond. De eerste zin is niet van toepassing op de annulaire ruimte van de productie verbuizingserie, die in open verbinding kan staan met de ondergrond voor expansie door temperatuurschommelingen tijdens productie. De productie annulaire ruimte is dan afgedicht bij de afhangconstructie.

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde ruimten zijn afgedicht bij de afhangingsconstructie van de verbuizingsserie, wordt deze afdichting direct na het installeren op deugdelijkheid beproefd.

3.

De ruimte tussen de opvoerserie(s) en de opeenvolgende verbuizing is toegankelijk door middel van een zijuitlaat die ten minste nominaal 50 mm is. Deze zijuitlaat is voorzien van:

  • a. ten minste een op afstand bedienbare afsluiter (bidirectional type) met een diameter van ten minste nominaal 50 mm, indien een permanente verbinding met andere faciliteiten voor de winning van delfstoffen aanwezig is, of
  • b. ten minste twee afsluiters met een diameter van ten minste nominaal 50 mm.
4.

De minister kan ontheffing verlenen van het eerste en derde lid, mits is aangetoond dat op andere wijze tenminste een zelfde niveau van veiligheid wordt bereikt. De ontheffing kan onder voorschriften of beperkingen worden verleend.

Artikel 8.4.4
1.

Bij producerende, injecterende en ingesloten putten worden de drukken in de tubing/casing annulus en in de eerste casing/casing annulus gecontroleerd. De geconstateerde afwijkingen in het in de eerste volzin bedoelde drukpatroon worden geregistreerd. Bij een onder oppervlaktewater afgewerkte put is de tweede volzin niet van toepassing op het controleren en registeren van de druk in de annulaire ruimte van de productie verbuizingsserie, die in verbinding staat met de ondergrond en waarbij de annulaire ruimte is afgedicht bij de afhangconstructie.

2.

Ten aanzien van annulaire drukken wordt op zo kort mogelijke termijn een diagnose gesteld van de oorzaak van die druk.

3.

Indien afwijkingen in annulaire drukken ontstaan als bedoeld in het eerste lid, wordt de inspecteur-generaal der mijnen schriftelijk ingelicht onder het overleggen van een actieprogramma voor het in te stellen onderzoek en eventueel te nemen maatregelen. In urgente gevallen wordt onmiddellijk telefonisch melding van die afwijkingen gedaan.

Artikel 8.4.5
1.

Het spuitkruis van een spuitend produceerbare put bestaat ten minste uit:

  • a. twee hoofdafsluiters waarmee de put kan worden afgesloten. De bovenste afsluiter is op afstand bedienbaar, en
  • b. een afsluiter aan de top van het spuitkruis met voorziening voor het aansluiten van een manometer voorzien van afdichtkraan met afblaasmogelijkheid.
2.

Indien het spuitkruis onder oppervlaktewater is gelegen, is het voorzien van:

  • a. twee hoofdafsluiters waarmee de put kan worden afgesloten, waarvan de bovenste afsluiter op afstand bedienbaar is;
  • b. ten minste een mogelijkheid tot het aflaten van druk aan de top van het spuitkruis;
  • c. een spuitarm, voorzien van een op afstand bedienbare afsluiter, en
  • d. een injectiearm met een op afstand bedienbare afsluiter, indien een injectiearm is aangebracht.
3.

Op afstand bedienbare afsluiters kunnen zonder noemenswaardige vertraging worden geactiveerd.

4.

De minister kan ontheffing verlenen van het tweede lid, mits is aangetoond dat op andere wijze tenminste een zelfde niveau van veiligheid wordt bereikt. De ontheffing kan onder voorschriften of beperkingen worden verleend.

Artikel 8.4.6

Het spuitkruis en de spuitstukken tot en met de eerste afsluiter, gelegen na de reduceerklep (smoorstuk) van een put, zijn berekend op een werkdruk die ten minste gelijk is aan de maximaal aan de putmond mogelijk optredende druk.

Artikel 8.4.7

Een onder oppervlaktewater gelegen putafwerking heeft een zodanige constructie dat de putafwerking niet wordt beschadigd door visserijmateriaal en het visserijmateriaal niet door de putafwerking.

Artikel 8.4.8
1.

Een spuitend produceerbare put wordt voorzien van een afdichtconstructie die de annulaire ruimte tussen de verbuizing en de opvoerserie(s) zo diep mogelijk afsluit van de productieve zone(s). In het eerste lid wordt na ‘de opvoerserie(s)’ ingevoegd: zo diep mogelijk.

2.

De afdichting of een pijpstuk onder deze afdichting wordt zo uitgevoerd dat hierin ter isolatie van de productieve zone of zones naar het spuitkruis ten minste een plug of veiligheidsklep aangebracht kan worden.

3.

De minister kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid. De ontheffing kan onder voorschriften of beperkingen worden verleend.

Artikel 8.4.9
1.

In de spuitleiding van een put is een beveiligingsinstallatie aanwezig die de put bij breuk van de leiding automatisch afsluit.

2.

Bij beschadiging van het spuitkruis of de spuitleiding van niet-spuitend produceerbare putten wordt de energietoevoer ten behoeve van het opvoermechanisme automatisch afgesloten.

3.

Bij een niet-spuitende produceerbare put, waarbij gebruik wordt gemaakt van een gasliftmethode, wordt aan de putaansluiting een beveiligingsinstallatie aangebracht teneinde bij breuk van de gasliftinjectieleiding ongecontroleerde gasuitstroming daaruit te voorkomen.

Artikel 8.4.10

Putten waaruit aardolie of aardwarmte wordt geproduceerd met gebruikmaking van een pompinstallatie zijn zo ingericht dat vrijkomend gas in de annulaire ruimte tussen de opvoerserie en de laatste serie der verbuizing zonder gevaar kan worden afgevoerd.

Afdeling 8.5. Het buiten gebruik stellen van boorgaten en putten

§ 8.5.1. Algemeen

Artikel 8.5.1.1

Deze afdeling is:

  • a. van toepassing op het geheel buiten gebruik stellen van boorgaten en putten;
  • b. van overeenkomstige toepassing op het gedeeltelijk buiten gebruik stellen van boorgaten en putten, waaronder het buiten gebruik stellen van een zijtak;
  • c. van overeenkomstige toepassing op boorgaten en putten die voor een ander doel dan de opsporing of winning van koolwaterstoffen zijn aangelegd of in gebruik zijn genomen voor de opslag van stoffen.
Artikel 8.5.1.2

Voordat een uitvoerder of uitvoerder aardwarmte een put buiten gebruik stelt, identificeert hij alle zones met stromingspotentieel en onderzoekt hij met welke maatregelen de stroming van gassen en vloeistoffen naar of van gesteentelagen buiten de zone of de oppervlakte kan worden voorkomen.

§ 9.2. Gebruik en lozing van chemicaliën

Artikel 8.5.2.1

De uitvoerder of uitvoerder aardwarmte stelt een put buiten gebruik door:

  • a. een afsluiting ter hoogte van iedere sluitlaag;
  • b. een topafsluiting; en
  • c. het verwijderen van putmateriaal nabij het aardoppervlak.
Artikel 8.5.2.2

De uitvoerder of uitvoerder aardwarmte kiest een afsluiting van een sluitlaag zodanig dat de afsluiting zich op gelijke hoogte bevindt met een sluitlaag, die:

  • a. ondoorlatend alsmede voldoende dik en sterk is om de verwachte maximale druk van gassen en vloeistoffen op die diepte te weerstaan;
  • b. geen breukvorming vertoont en
  • c. zich boven een zone met stromingspotentieel bevindt.
Artikel 8.5.2.3

Een afsluiting in de ondergrond strekt zich uit over de volledige doorsnede van de put en alle annulaire ruimten.

Artikel 8.5.2.4

De topafsluiting strekt zich uit over alle annulaire ruimten.

Artikel 8.5.2.5
1.

De uitvoerder of uitvoerder aardwarmte verifieert de aanwezigheid van een afsluiting met een voor het doel van de afsluiting relevante methode.

2.

De uitvoerder of uitvoerder aardwarmte voert de verificatie uit zonder schade aan te brengen aan de afsluiting.

Artikel 8.5.2.6

De gassen en vloeistoffen die achterblijven in de put, veroorzaken niet meer dan minimale schade, waaronder schade door corrosie, aan de afsluitingen, de sluitlaag en de verbuizing en hebben een hogere gewichtsgradiënt dan de formatiedrukgradiënten in de zones met stromingspotentieel.

Artikel 8.5.2.7

In een afsluiting bevinden zich geen kabels of leidingen.

Artikel 8.5.2.8
1.

Indien redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat een mechanische plug in contact kan komen met een corrosief medium of, indien de mechanische plug dient ter afsluiting van een hogedruk-reservoir als bedoeld in het tweede lid. wordt direct boven die plug een cementplug over een lengte van ten minste vijftig meter geplaatst.

2.

Als een hogedruk-reservoir wordt aangemerkt een reservoir waarvan de druk, benodigd om evenwicht te creëren ten tijde van het buiten gebruik stellen, gelijk is aan of hoger dan 1,4 maal de hydrostatische druk, gebaseerd op een soortelijk gewicht van 1,0.

Hoofdstuk 9. Gebruik en lozen van oliehoudende mengsels en chemicaliën

§ 8.5.3. Regels voor de uitvoering van het buiten gebruik stellen van putten

Artikel 9.1.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. Ospar-akkoord 2005-15: het Ospar-akkoord 2005-15 ter bepaling van het gedispergeerde oliegehalte van een oliehoudend mengsel;
  • b. toepassing van Ospar-akkoord 2005-15 ter bepaling van het gehalte aan BTEX in een oliehoudend mengsel: bepaling van het BTEX-gehalte van een oliehoudend mengsel, waarbij in het volgens Ospar-akkoord 2005-15 verkregen gaschromatogram de afzonderlijke oppervlakken van de pieken van BTEX worden gemeten;
  • c. gedispergeerde oliegehalte: het gehalte aan olie, bepaald volgens Ospar-akkoord 2005-15;
  • d. BTEX-gehalte: de som van de gehalten aan BTEX, verkregen door toepassing van ISO 11423-1:1997 of het Ospar-akkoord 2005-15 ter bepaling van het gehalte aan BTEX in een oliehoudend mengsel door gemeten piekoppervlakken te kwantificeren ten opzichte van een serie van standaardoplossingen van BTEX in n-pentaan;
  • e. totale oliegehalte: de som van het gedispergeerde en BTEX-gehalte van een oliehoudend mengsel;
  • f. Ospar-verdrag: verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, met bijlagen en aanhangsels (Trb. 1993, 16 en Trb. 1993, 141);
  • g. BTEX: benzeen, tolueen, ethylbenzeen, alsmede de isomeren van xyleen: orthoxyleen, metaxyleen en paraxyleen.
Artikel 9.1.2
1.

Deze paragraaf is van toepassing op mijnbouwinstallaties die boven het wateroppervlak uitsteken.

2.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende oliehoudende mengsels:

  • a. oliehoudende mengsels die zijn vrijgekomen bij de winning, de zuivering van aardolie, het brengen van aardolie in een opslagtank of het ontzouten van aardolie;
  • b. oliehoudende mengsels die zijn vrijgekomen bij de winning of de zuivering van aardgas, en
  • c. hemel-, schrob- of spoelwater dat olie in welk gehalte dan ook bevat.
3.

De uitvoerder draagt er zorg voor dat bij lozing van oliehoudende mengsels de daarin aanwezige gedispergeerde oliegehalten, genoemd in artikel 9.1.5, niet worden overschreden.

Artikel 9.1.3
1.

Het debiet van een oliehoudend mengsel als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onderdelen a, b of c, dat wordt geloosd vanaf een mijnbouwinstallatie, wordt gemeten met behulp van een debietmeter die de totale hoeveelheid geloosd oliehoudend mengsel aangeeft met een maximaal toelaatbare fout van vijf procent in plus of in min. De debietmeter wordt stroomafwaarts van de laatste olie/waterscheider geplaatst op een plaats waar de stroming zo homogeen mogelijk is.

2.

De minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid. De ontheffing kan onder voorschriften of beperkingen worden verleend.

Artikel 9.1.4
1.

Op een bemande mijnbouwinstallatie wordt per lozingspunt binnen uiterlijk vier uur na het begin van een lozing van een oliehoudend mengsel een representatief monster van het mengsel genomen en geanalyseerd. Nadien geschieden monsterneming en analyse volgens de onderstaande tabel.

(a) Per lozingspunt Frequentie monsterneming en analyse
oliehoudende mengsels als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onder a en b
Gedispergeerde olie
>= 2000 kilogram gedispergeerde olie per kalenderjaar Om de dag
< 2000 kilogram gedispergeerde olie per kalenderjaar 1 maal per week
BTEX
>= 2000 kilogram BTEX per kalenderjaar 1 maal per week
>= 200, < 2000 kilogram BTEX per kalenderjaar 1 maal per kwartaal
< 200 kilogram BTEX per kalenderjaar 2 maal per jaar
oliehoudende mengsels als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onder c
Gedispergeerde olie
>= 2000 kg gedispergeerde olie per kalenderjaar Om de dag
< 2000 kg gedispergeerde olie per kalenderjaar 1 maal per week
BTEX 2 maal per jaar
2.

Op een niet-bemande mijnbouwinstallatie wordt bij een bezoek van langer dan acht uur van een lozing van een oliehoudend mengsel een representatief monster genomen en geanalyseerd. Bij een verblijf op een niet-bemande mijnbouwinstallatie van vijf etmalen of meer is de tweede volzin van het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

3.

Onverminderd het tweede lid wordt op een niet-bemande mijnbouwinstallatie van een lozing van een oliehoudend mengsel in ieder geval eens per drie maanden ten minste één representatief monster genomen en geanalyseerd.

4.

Een monster wordt stroomafwaarts van de laatste olie/waterscheider genomen. Het monster wordt binnen twaalf uur na het nemen daarvan geanalyseerd indien de analyse op de mijnbouwinstallatie plaatsvindt en binnen zeven dagen indien de analyse elders geschiedt.

5.

Voor de bepaling van het gedispergeerde oliegehalte geschiedt de analyse van het monster volgens Ospar-akkoord 2005-15. Analyse van het gedispergeerde oliegehalte volgens een alternatieve methode is toegestaan, mits daarvoor voorafgaande instemming van de minister is verkregen en de resultaten van de analyse worden gekalibreerd volgens Ospar-akkoord 2006-06.

6.

Indien uit analyses van het gedispergeerde oliegehalte van een monster bij een lozingspunt van een mijnbouwinstallatie waar per kalenderjaar minder dan 2000 kilogram gedispergeerde olie wordt geloosd en eenmaal per week monsterneming plaatsvindt blijkt, dat gedurende twee opeenvolgende kalendermaanden het maandelijks gemiddelde gedispergeerde oliegehalte 30 milligram per liter of meer is, dient onmiddellijk nadien monsterneming om de dag en analyse overeenkomstig de tweede volzin van het vierde lid plaats te vinden. De minister wordt hiervan terstond mededeling gedaan.

7.

Indien uit analyses van het gedispergeerde oliegehalte van een monster bij een lozingspunt van een mijnbouwinstallatie waar per kalenderjaar minder dan 2000 kilogram gedispergeerde olie wordt geloosd en waar volgens het zesde lid om de dag monsterneming plaatsvindt, blijkt dat gedurende twee opeenvolgende kalendermaanden het maandelijks gemiddelde gedispergeerde oliegehalte minder dan 30 milligram per liter is, kan worden volstaan met monsterneming en analyse van eenmaal per week. De minister wordt hiervan terstond mededeling gedaan.

8.

Voor de bepaling van het BTEX-gehalte geschiedt de analyse van het monster door toepassing van Ospar-akkoord 2005-15 ter bepaling van het BTEX-gehalte van een oliehoudend mengsel. Analyse van het BTEX-gehalte volgens een alternatieve methode, daaronder mede begrepen een methode van kalibreren, is toegestaan, mits daarvoor voorafgaande instemming van de minister is verkregen en de resultaten van de analyse worden gekalibreerd volgens de opgegeven methode.

9.

In afwijking van het eerste lid wordt op een bemande mijnbouwinstallatie waarvan de gegevens, bedoeld in artikel 9.1.6, een periode beslaan van minder dan drie aaneengesloten kalendermaanden per lozingspunt binnen uiterlijk vier uur na het begin van een lozing van een oliehoudend mengsel een representatief monster van het mengsel genomen en geanalyseerd en vervolgens om de dag totdat de periode van drie kalendermaanden is gecompleteerd. Nadien is de tweede volzin van het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9.1.5
1.

Het in artikel 80, eerste lid, van het besluit bedoelde verbod geldt niet ten aanzien van een oliehoudend mengsel:

  • a. waarvan het gedispergeerde oliegehalte niet meer bedraagt dan 100 milligram olie per liter en het maandelijks gemiddelde gedispergeerde oliegehalte niet meer dan 30 milligram olie per liter, of
  • b. voor zover het het BTEX-gehalte van het mengsel betreft.
2.

Het eerste lid, onderdeel a, geldt voor elk van de in artikel 9.1.2, tweede lid, onderdelen a, b en c, bedoelde oliehoudende mengsels afzonderlijk. De minister kan ontheffing verlenen van de eerste volzin.

3.

Het is verboden een oliehoudend mengsel als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onderdeel a, te verdunnen om te kunnen voldoen aan het gestelde in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel.

4.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is het lozen van een oliehoudend mengsel als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onderdelen a en b, met een gedispergeerde oliegehalte van meer dan 100 milligram olie per liter gedurende vier uur toegestaan na het starten van de produktie na een onderbreking, mits de te lozen hoeveelheid olie zoveel mogelijk wordt beperkt. Bij de bepaling van het maandelijks gemiddelde gedispergeerde oliegehalte van een oliehoudend mengsel wordt het gedispergeerde oliegehalte van een monster dat genomen is binnen vier uur na het starten van de produktie niet meegerekend.

Artikel 9.1.6
1.

Een register wordt bijgehouden over de lozingen van oliehoudende mengsels.

2.

Het in het eerste lid bedoelde register is aanwezig op:

  • a. iedere bemande mijnbouwinstallatie en
  • b. de mijnbouwinstallatie vanaf welke leiding wordt gegeven aan de werkzaamheden in geval van een niet-bemande mijnbouwinstallatie.
3.

Het in het eerste lid bedoelde register bevat de gegevens per maand en per dag, aangegeven in bijlage 14 bij deze regeling.

4.

Een afschrift van het in het eerste lid bedoelde register wordt schriftelijk of elektronisch voor 1 maart van het jaar, volgend op het kalenderjaar waarop het register betrekking heeft, aan de inspecteur-generaal der mijnen toegezonden.

Artikel 9.1.7
1.

De in artikel 82, tweede lid, van het besluit bedoelde mededeling wordt onverwijld telefonisch aan de inspecteur-generaal der mijnen en de Kustwacht gedaan en binnen 24 uur per telefax bevestigd door invulling van het "Pollution Observation Report on Polluters and Combatible Spills", zoals opgenomen in het "Bonn Agreement Counter Pollution Manual", hoofdstuk IV, annex 2, 4 oktober 1993.

2.

Op een daartoe strekkend verzoek van de inspecteur-generaal der mijnen wordt hem binnen twee weken een rapport toegezonden dat een samenhangend overzicht geeft van alle feiten die hebben bijgedragen tot het voorval.

§ 9.3. Registratie van chemicaliën

Artikel 9.2.1

In de paragrafen 9.2 en 9.3 wordt verstaan onder:

  • a. ASTM: American Society for Testing and Materials;
  • b. BCF: bioconcentratie factor, bepaald volgens OECD 305 of ASTM E 1022;
  • c. boorgruis: mengsel van vaste materialen, vrijgekomen tijdens het aanleggen van het boorgat, dat boorvloeistof in welk gehalte dan ook bevat;
  • d. boorvloeistof: vloeistof voor het aanleggen van een boorgat, waaraan stoffen of preparaten in welk gehalte dan ook zijn toegevoegd;
  • e. CHARM-model: het model ter beoordeling van chemische gevaren en risico's, als bedoeld in Ospar-besluit 2000/2;
  • f. chemicaliën: stoffen of preparaten die opzettelijk worden gebruikt bij de opsporing en winning van delfstoffen op zee als bedoeld in Ospar-akkoord 2002-6 met toepassing van Ospar-aanbeveling 2010/4;
  • g. dieselolie: minerale oliën met een vlampunt kleiner dan 100 graden Celcius, waarvan het gehalte aan monocyclische aromaten meer is dan 0,5% per gewichtseenheid en waarvan het gehalte van polycyclische aromaten meer dan 1 milligram per kilogram bedraagt;
  • h. EC50: de concentratie van een teststof, die resulteert in een 50% respons wat betreft het effect, gemeten door de test, binnen een gedefinieerde blootstellingsperiode;
  • i. HOCNF-formulier: geharmoniseerd notificatieformulier als bedoeld in Ospar-aanbeveling 2010/3;
  • j. LC50: de mediane letale concentratie;
  • k. OECD: Organisation for Economic Co-operation and Development;
  • l. OBF-vloeistoffen: laag aromatische en paraffineachtige oliën alsmede vloeistoffen op basis van minerale oliën, die noch synthetisch zijn, noch van een categorie waarvan het gebruik anderszins is verboden;
  • m. OPF-vloeistoffen: organische boorvloeistoffen, welke bestaan uit een emulsie van water en andere toevoegingen, waarin de continue fase bestaat uit een niet met water vermengbare organische vloeistof van dierlijke, plantaardige of minerale oorsprong;
  • o. PEC/PNEC-verhouding: de generieke verhouding tussen de verwachte concentratie in het mariene milieu en de concentratie zonder verwachte effecten van chemicaliën, berekend volgens het CHARM-model, uitgaande van standaardlozingen;
  • p. Ospar LCPA: de Ospar-lijst van chemicaliën voor prioritaire actie, bedoeld in Ospar-akkoord 2004-12;
  • q. Ospar LSPC: de Ospar-lijst van stoffen van mogelijke zorg, bedoeld in Ospar-akkoord 2002-17;
  • r. Plonor-lijst: lijst van stoffen, genoemd in Ospar-akkoord 2013-06, die worden gebruikt en geloosd bij mijnbouwactiviteiten op zee en die aangemerkt worden als geen of geringe schade toebrengend aan het milieu;
  • s. pow: de verdelingscoëfficiënt van een stof tussen N-octanol en water, gemeten of berekend volgens het HOCNF-formulier;
  • t. synthetische vloeistof: een organische vloeistof die is ontstaan bij de synthese van oliën van dierlijke, plantaardige of minerale oorsprong.
Artikel 9.2.2

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik en de lozing van chemicaliën op mijnbouwinstallaties met in begrip van pijpleidingen als bedoeld in artikel 92, onder a, van het besluit op zee.

Artikel 9.2.3
1.

Het gebruik van de volgende chemicaliën is verboden:

  • a. boorvloeistof die op dieselolie is gebaseerd, en
  • b. OPF-vloeistof, indien de OPF-vloeistof wordt gebruikt in het gedeelte van een boorgat met een doorsnede van meer dan 12¼ inch (= 298,9 mm).
2.

De minister kan op aanvraag van de uitvoerder ontheffing verlenen van het verbod, gesteld in het eerste lid, onderdeel b, indien:

  • a. dat noodzakelijk is vanwege veiligheid of geologische omstandigheden, en
  • b. de uitvoerder aantoont dat de beginselen zijn toegepast van de best beschikbare technieken en de beste milieupraktijk, als bedoeld in bijlage 1 bij Ospar-besluit 2000/3.
3.

De Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. De ontheffing kan onder voorschriften of beperkingen worden verleend.

4.

Op gebruik van OPF-vloeistof in een boorgat met een kleinere doorsnede dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn de artikelen 9.2.5 en 9.2.6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9.2.4
1.

De lozing van de volgende chemicaliën is verboden:

  • a. OPF-vloeistoffen, al dan niet gemengd met boorgruis, en
  • b. boorgruis dat vervuild is met synthetische vloeistoffen.
2.

De minister kan op aanvraag van de uitvoerder ontheffing verlenen van het verbod gesteld in het eerste lid, onderdeel b, indien uit de aanvraag blijkt dat:

  • a. de schade aan het mariene milieu zoveel mogelijk wordt beperkt, en
  • b. de uitvoerder aantoont dat de beginselen zijn toegepast van de best beschikbare technieken en de beste milieupraktijk, als bedoeld in bijlage 1 bij het Ospar-besluit 2000/3.
3.

De minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. De ontheffing kan onder voorschriften of beperkingen worden verleend.

Artikel 9.2.5
1.

Onverminderd artikel 9.2.6, eerste lid, is het verboden andere chemicaliën dan genoemd in de artikelen 9.2.3 en 9.2.4 te gebruiken respectievelijk te lozen zonder ontheffing van de minister.

2.

De aanvraag om ontheffing wordt uiterlijk acht weken voor aanvang van het beoogde gebruik of de beoogde lozing ingediend bij de minister

3.

Bij de aanvraag wordt in elk geval opgegeven, in onderlinge samenhang:

  • a. de locatie waar het gebruik of de lozing zal plaatsvinden,
  • b. de periode of perioden waarin het gebruik of de lozing zal geschieden,
  • c. de verwachte hoeveelheden aan chemicaliën die in de onder b bedoelde periode of perioden zullen worden gebruikt of geloosd,
  • d. de doeleinden waarvoor de te gebruiken of te lozen chemicaliën zullen worden toegepast, en
  • e. het registratienummer dat aan de chemicaliën is toegekend en andere gegevens voor zover deze bij de kennisgeving, bedoeld in artikel 9.3.2, derde lid, zijn opgenomen.
4.

Voorts wordt bij de aanvraag voldoende beargumenteerd ingegaan op veiligheids- en gezondheidsaspecten en financiële factoren die gemoeid zijn met het gebruik of het lozen van chemicaliën alsmede op de technische prestaties van de chemicaliën.

5.

De minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. De ontheffing kan onder voorschriften of beperkingen worden verleend.

6.

De ontheffing wordt verleend voor ten hoogste drie jaar.

7.

De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden in verband met risico op schade aan het mariene milieu, veiligheids- en gezondheidsaspecten en de technische prestaties van de chemicaliën.

Artikel 9.2.6
1.

Indien een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 9.2.5, tweede lid, betrekking heeft:

  • a. op chemicaliën als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a wordt de aanvraag geweigerd;
  • b. op chemicaliën als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b tot en met e wordt de aanvraag geweigerd indien een vervangend middel beschikbaar is dat minder schadelijk is voor het mariene milieu en de technische prestaties ervan vergelijkbaar zijn met die van de chemicaliën waarvoor de aanvraag werd ingediend.
2.

De chemicaliën, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn:

  • a. de chemicaliën, genoemd in de Ospar LCPA;
  • b. chemicaliën, genoemd in de Ospar LSPC, chemicaliën als bedoeld in bijlage XIV en bijlage XVII bij de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en chemicaliën, die anorganisch zijn en een LC50 of EC50 van minder dan 1 mg/l hebben;
  • c. chemicaliën die een biodegradatie hebben van minder dan 20% gedurende 28 dagen volgens OECD 301, OECD 306, OECD 310, zoutwater Bodis of een gelijkwaardige test dan wel een halfwaardetijd volgens een simulatietest uitgevoerd in verband met de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen, die groter is dan 60 dagen in zeewater of 180 dagen in zeewatersediment volgens OECD 308, OECD 309 of een gelijkwaardige test;
  • d. chemicaliën die voldoen aan twee van de volgende drie criteria:
  • 1°. niet snel bio-afbreekbaar (een biodegradatie in 28 dagen minder dan 70% (OECD 301A, 301E, of een gelijkwaardige test), minder dan 60% (OECD 306 of een gelijkwaardige zoutwatertest) of bij afwezigheid van geldige resultaten van deze testen minder dan 60% (OECD 301B, 301C, 301D, 301F, zoetwater Bodis of een gelijkwaardige zoetwatertest));
  • 2°. groot potentieel voor bio-accumulatie log Pow ≥ 3 of BCF > 100, het molecuulgewicht in aanmerking nemende (M<700) of een negatieve beoordeling als bedoeld in bijlage 3 van het Ospar-akkoord 2008-5;
  • 3°. zeer toxisch (LC50 < 10 mg/l of EC50 < 10 mg/l);
  • e. de chemicaliën waarvan de door de uitvoerder berekende PEC/PNEC-verhouding 3 of meer is.
3.

Als geen vervangend middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, beschikbaar is, kan de minister voor ten hoogste drie jaar ontheffing verlenen indien het risico op schade aan het mariene milieu dat toelaat. Bij de beoordeling van de aanvraag om ontheffing wordt de door de uitvoerder berekende PEC/PNEC-verhouding van de chemicaliën in aanmerking genomen.

4.

Bij de aanvraag geeft de uitvoerder voldoende beargumenteerd aan waarom voor de chemicaliën geen vervangende middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, beschikbaar zijn.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)