Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 november 2005, nr. TRCJZ/2005/3295, houdende regels ter uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling Meststoffenwet)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-03-19
State In force
Source BWB
artikelen 635
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Artikel meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
1, eerste lid, onderdeel f 3
5d (10 nieuw), eerste lid 28
5f (12 nieuw), derde lid 29
5e (11 nieuw), vijfde lid 30 tot en met 33
5f (12 nieuw), vijfde lid 34
5e (11 nieuw), zesde lid 35
28, tweede lid, onderdeel b 36
36, onderdeel a 37
36, onderdeel b 38, 40
36, onderdeel c 39
26, tweede lid, onderdeel b 41
36, onderdeel d, 35, tweede lid 42
59d (38 nieuw) 36, onderdeel e 43, 44
41, onderdeel a 45
41, onderdelen b en c 46, 51
41, onderdeel b 47, 49
41, onderdelen d en e 48
46, onderdeel a 50
46, onderdeel d 52
52, eerste lid, onderdelen c en d, 70, vierde lid, onderdeel b 53
52, eerste lid, onderdelen a, c en d 54
52, eerste lid, onderdeel e 55, 56
52, eerste lid, onderdeel a 57, 59
51, 52, eerste lid, onderdeel b 58
52, derde lid 60
54, onderdeel b 61 tot en met 63, 66
54, onderdelen d en e 64, eerste tot en met derde lid
54, onderdeel c 65, 67
55, derde lid 68
56, onderdelen b en c 69
61, derde lid, 64, tweede lid, onderdeel c 70
64, eerste lid 71
64, tweede lid, onderdeel b 72
70, eerste lid, onderdeel a en derde lid 73, 74, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel a 74, tweede lid, 83, 92, 93, eerste en tweede lid, 94 en 95
70, vierde lid, onderdeel c 74, derde lid, 80 en 125
59d (38 nieuw) 74, vierde en vijfde lid, 75, 82, derde lid, 93, derde lid, en 126
70, vierde lid, onderdelen a en c 76, 77 en 98
70, vierde lid, onderdelen a tot en met d 78, 79 en 82, eerste en tweede lid
70, vierde lid, onderdelen c tot en met e 81
70, tweede lid, onderdeel b 84 tot en met 91
70, eerste lid, onderdeel c 96, 102 en 103
70, vierde lid, onderdelen a t/m c 98, 100 en 101, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel e 99
70, eerste lid, onderdeel b 101, tweede lid
70, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel a 101, derde lid
58f (27 nieuw), derde lid 104
58i (30 nieuw), tweede en derde lid 105 t/m 109
58j (31 nieuw), derde lid 110
60, tweede en derde lid 111
36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d 122, 123 en 127
36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d 124
71 128
69 (47 nieuw) 129
Artikel Wet bodembescherming Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
64 134

Bijlage

Tabel met de verschillende rechtsgrondslagen in de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet van de artikelen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Artikel meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
1, eerste lid, onderdeel f 3
5d (10 nieuw), eerste lid 28
5f (12 nieuw), derde lid 29
5e (11 nieuw), vijfde lid 30 tot en met 33
5f (12 nieuw), vijfde lid 34
5e (11 nieuw), zesde lid 35
28, tweede lid, onderdeel b 36
36, onderdeel a 37
36, onderdeel b 38, 40
36, onderdeel c 39
26, tweede lid, onderdeel b 41
36, onderdeel d, 35, tweede lid 42
59d (38 nieuw) 36, onderdeel e 43, 44
41, onderdeel a 45
41, onderdelen b en c 46, 51
41, onderdeel b 47, 49
41, onderdelen d en e 48
46, onderdeel a 50
46, onderdeel d 52
52, eerste lid, onderdelen c en d, 70, vierde lid, onderdeel b 53
52, eerste lid, onderdelen a, c en d 54
52, eerste lid, onderdeel e 55, 56
52, eerste lid, onderdeel a 57, 59
51, 52, eerste lid, onderdeel b 58
52, derde lid 60
54, onderdeel b 61 tot en met 63, 66
54, onderdelen d en e 64, eerste tot en met derde lid
54, onderdeel c 65, 67
55, derde lid 68
56, onderdelen b en c 69
61, derde lid, 64, tweede lid, onderdeel c 70
64, eerste lid 71
64, tweede lid, onderdeel b 72
70, eerste lid, onderdeel a en derde lid 73, 74, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel a 74, tweede lid, 83, 92, 93, eerste en tweede lid, 94 en 95
70, vierde lid, onderdeel c 74, derde lid, 80 en 125
59d (38 nieuw) 74, vierde en vijfde lid, 75, 82, derde lid, 93, derde lid, en 126
70, vierde lid, onderdelen a en c 76, 77 en 98
70, vierde lid, onderdelen a tot en met d 78, 79 en 82, eerste en tweede lid
70, vierde lid, onderdelen c tot en met e 81
70, tweede lid, onderdeel b 84 tot en met 91
70, eerste lid, onderdeel c 96, 102 en 103
70, vierde lid, onderdelen a t/m c 98, 100 en 101, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel e 99
70, eerste lid, onderdeel b 101, tweede lid
70, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel a 101, derde lid
58f (27 nieuw), derde lid 104
58i (30 nieuw), tweede en derde lid 105 t/m 109
58j (31 nieuw), derde lid 110
60, tweede en derde lid 111
36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d 122, 123 en 127
36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d 124
71 128
69 (47 nieuw) 129
Artikel Wet bodembescherming Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
64 134

I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten

I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten

Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:

ISO 5315 – Fertilizers – Determination of total nitrogen – Titrimetric method after distillation.

3. Kaliumoxide (K2O)

CSS 99020: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method (Dumas) (www.ecn.nl/horizontal).

4. Calciumoxide (CaO)

6. Zwaveltrioxide (SO3)

Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge. (www.ecn.nl/horizontal).

5. Magnesiumoxide (MgO)

Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:

10. Koper (Cu)

CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).

IV. Protocol analyse droge stofgehalte in meststoffen

Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:

CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).

1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As

2. Instrumentele analyse Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn en As

Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte van Organochloor Bestrijdingsmiddelen (OCB), polychloorbifenylen (PCB) en matig-vluchtige chloorbenzenen met gaschromatografie

6. Versturen van mesttransportgegevens

Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte aan minerale olie met gaschromatografie.

Tabel IB. Excretieforfaits en stikstofcorrectie biologisch gehouden dieren, behorende bij de artikelen 36, 43, 73, 74a en 96

2 Behorende bij artikel 36 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

4 Behorende bij artikel 73 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.

Bijlage D. Diergebonden normen

Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102

2 Behorende bij artikel 36 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest

4 Behorende bij artikel 73 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.

Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N respectievelijk kg P2O5 per jaar) in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.

Bijlage E. behorende bij de artikelen 53, 78, en 79

Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N respectievelijk kg P2O5 per jaar) in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.

D. Prestatiekenmerken GR-apparatuur voor het vervoer van dierlijke meststoffen

1. Inlezen gegevens

2. Koppeling GR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur

Indien in dit document de RvA wordt genoemd kan dit ook een andere nationale accreditatie-instantie zijn als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU 2008, L 218). Om voor accreditatie voor AP06 in aanmerking te komen, moet de organisatie door de RvA geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020.

6. Opslag van gegevens van de GR-apparatuur

Voor het aantonen dat de organisaties onafhankelijk en deskundig zijn wordt gebruik gemaakt van accreditatie. Accreditatie gaat uit van vertrouwen en is gebaseerd op internationale en Europees geharmoniseerde normen, met indien van toepassing aanvullende eisen. Gezien de behoefte de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen, zijn in het accreditatieprogramma eisen en voorwaarden opgenomen.

Het accreditatieprogramma bevat:

Accreditatieprogramma bemonstering vaste dierlijke meststoffen; AP06

5. Versturen van mesttransportgegevens

Het accreditatieprogramma bevat:

Organisaties die monsterneming als aparte activiteit op de verrichtingenlijst (scope van accreditatie) wensen, kunnen accreditatie verkrijgen op basis van NEN-EN-ISO/IEC 17025. In NEN-EN-ISO/IEC 17025 worden in 5.7 uitgebreide eisen gesteld aan de monsterneming en in 5.10.3.2 aan de rapportage van de resultaten van monsterneming.

Accreditatieprogramma bemonstering vaste dierlijke meststoffen; AP06

2.1. Zwavelzuur 5N

Indien een organisatie geaccrediteerd is of wordt voor inspectieactiviteiten (anders dan het nemen van monsters) volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020, behoort een aparte monsternemingsactiviteit binnen de scope tot de mogelijkheden. In deze situatie worden, naast de eisen uit NEN-EN-ISO/IEC 17020 ook de eisen met betrekking tot monsterneming uit NEN-EN-ISO/IEC 17025 toegepast.

Indien in dit document de RvA wordt genoemd kan dit ook een andere nationale accreditatie-instantie zijn als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU 2008, L 218). Om voor accreditatie voor AP06 in aanmerking te komen, moet de organisatie door de RvA geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020.

2.2. Toetredingsprocedure

4. Controle opdracht, te bemonsteren vracht en mestsoort

Ten behoeve van de toelating tot accreditatie dient de organisatie aan te tonen dat deze bekend is met de wijze van bemonsteren en dat de voorgeschreven werkwijze goed kan worden uitgevoerd.

Organisaties die wensen onafhankelijk monsternemer te worden in het kader van de Meststoffenwet, kunnen bij de RvA een accreditatie aanvragen. De organisatie vraagt tevens een erkenning aan bij de Minister, zoals verwoord in artikel 78c van de regeling.

4. Controle opdracht, te bemonsteren vracht en mestsoort

4.1. Controle van te bemonsteren vracht

Ter plaatse van de monsterneming en voorafgaand daaraan controleert de monsternemer of de te bemonsteren mest dezelfde mestcode(s) heeft als waarvoor bemonstering aangevraagd is. Als dat naar de overtuiging van de monsternemer niet het geval is, voert de monsternemer de bemonstering niet uit en legt hij dit vast als bijzonderheid.

Deze paragraaf beschrijft de wijze waarop een monster van een vracht vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het arriveert op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.

5.1. Het nemen van een representatief monster

5.3. Bemonsteren in containerbakken en opleggers

Tijdens het draaien van de transportband wordt een bak, emmer of kruiwagen onder de band geplaatst en wordt met een (hand)schep in één beweging de mest over de hele bandbreedte daarin geschept of geschraapt. Deze handeling wordt ten minste acht keer herhaald. De grepen moeten van gelijke grootte zijn en evenredig verdeeld zijn over de vracht, dat wil zeggen evenredig verdeeld over de draaitijd van de band. Die draaitijd moet dus vooraf bekend zijn, anders kan niet worden bemonsterd.

5.5. Bemonstering in big bags

De grepen worden genomen uit de laadbak. In het geval van bemonstering bij het laden kort na het laden van de laadbak. In het geval van bemonstering bij het lossen kort voor het lossen van de laadbak. De monsternemer ziet toe op het laden en lossen van de mest in of uit de laadbak van het transportmiddel om zich te vergewissen dat de bemonsterde vracht volledig bestaat uit de aangemelde mestcode(s) en om te controleren of er geen andere materialen dan de bemonsterde mest in de laadbak worden toegevoegd. Om te bepalen waar grepen worden genomen wordt de bak van de wagen in acht denkbeeldige rechthoeken van vergelijkbare omvang ingedeeld. Vervolgens wordt in ieder vak een greep genomen. Deze grepen worden op willekeurige, maar wel verschillende, diepten genomen. Bemonstering uit een laadbak van een transportmiddel is alleen toegestaan indien voorzieningen aanwezig zijn waardoor de hele oppervlakte van de bak op een veilige manier bereikbaar is en de grepen op voldoende diepte genomen kunnen worden. Of deze voorzieningen beschikbaar zijn dient vooraf vastgesteld te worden. Indien dat niet het geval is of niet op een ARBOveilige manier mogelijk is wordt de bemonstering door de monsternemer niet aangevangen dan wel gestaakt.

De monsternemer is gedurende het lossen van de vracht aanwezig; er mag niet gelost worden voordat de monsternemer aanwezig is. De mest wordt bemonsterd als deze gelost op een hoop ligt.

5.6.2. Bemonstering met de Edelmanboor

Bijlage G

bijlage G. , behorende bij de artikelen 68 en 69 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

5.6.1. Gebruik van de instrumenten

5.6.1. Gebruik van de instrumenten

Draai de volle boor af, en haal de boor licht draaiend omhoog. Plaats voor het lossen van het materiaal de boor schuin met de punt in een verzamelbak of op een zeil. Klop met de boor op de basis van de bak of zeil. Het materiaal komt los en het resterende materiaal kan met de hand of anderszins uit de boor worden genomen.

5.6.1. Gebruik van de instrumenten

Het laboratoriummonster wordt zodanig vervoerd en bewaard dat de temperatuur niet oploopt (afgeschermd tegen zoninstraling). Indien het monster niet binnen 24 uur wordt overgedragen aan het laboratorium, dient het monster binnen 12 uur na monstername in een koeling te zijn gebracht bij 4˚C met een toegestane afwijking van ten hoogste 3˚C. Overdracht aan een koerier van of namens het laboratorium geldt ook als overdracht aan het laboratorium, waarna dus AP05 verder van toepassing is.

5.6.4. Het maken van een laboratoriummonster

Ieder laboratoriummonster heeft een begeleidend document met in ieder geval de volgende gegevens:

8.1. Eerstelijnscontrole

Het harmonisatieoverleg adviseert de Minister van LNV over het systeem van onafhankelijke monstername en het functioneren daarvan.

8.3. Ringonderzoek

De RvA heeft de mogelijkheid om een accreditatie in te trekken, of de gehele of een deel van de scope (tijdelijk) te schorsen. De RvA oordeelt naar bevinden.

A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost

Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:

§ 5.2. Monstervoorbehandeling

Er wordt een controlekaart voor stikstof en voor fosfor opgesteld waarin de gemiddelde waardes van de duplobepalingen worden uitgezet. Hierbij bedraagt de standaardafwijking van de gemiddelde waarde van het controlemonster voor stikstof 2,29% en voor fosfor 3,42%. Toelichting: Deze percentages zijn berekend aan de hand van de herhaalbaarheid, waarbij de vereiste herhaalbaarheid gedeeld wordt door 2,8 en vervolgens met 1,6 wordt vermenigvuldigd teneinde de variatie tussen meetreeksen mee te nemen: intralaboratoriumreproduceerbaarheid.

§ 6.2.3. Duplo-analyse

Alle mestmonsters worden, na de voorgeschreven monstervoorbehandeling, in duplo onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Indien de serie waarin het desbetreffende monster zich bevindt aan de eisen voldoet, worden vervolgens de meetresultaten van het individuele mestmonster beoordeeld aan de hand van de herhaalbaarheidseisen. Voldoet een monster aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend en geregistreerd.

§ 6.2.3. Duplo-analyse

De resultaten worden beoordeeld door een persoon die onafhankelijk is van de uitvoerende medewerkers.

Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:

Wanneer sprake is van onbeheerste kwaliteit moet het laboratorium een onderzoek instellen naar de oorzaak. In het geval sprake is van niet voldoen aan de herhaalbaarheidseis, dan dient het tweedelijnscontrolemonster in een volgende serie opnieuw geanalyseerd te worden. De conclusies betreffende het onderzoek worden vermeld bij de kwaliteitscontrolekaart.

§ 6.4.1.2. Evaluatie van ringonderzoekresultaten

bijlage G. , behorende bij de artikelen 68 en 69 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Bijlage H. behorende bij artikel 80b en 81

§ 6.4.1.1. Procedurele aspecten

Een aantal keren per jaar worden op het laboratorium reeds geanalyseerde monsters aselect verzameld ten behoeve van heranalyse door het Wageningen Food Safety Research (WFSR). Het aantal te verzamelen monsters bedraagt per laboratorium en per keer 30 tot 40. Dit gebeurt indien daar aanleiding toe bestaat onaangekondigd.

§ 6.4.1.2. Evaluatie van ringonderzoekresultaten

Voor elk monster wordt voor stikstof en fosfaat het verschil berekend tussen het 10log getransformeerde meetresultaat van het laboratorium en het 10log getransformeerde meetresultaat van het WFSR.

§ 6.4.1.1. Procedurele aspecten

§ 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten

De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.

Hoofdstuk 8. Archivering van gegevens

AM: Analyse Mislukt

§ 7.3. Heranalyse

Heranalyse vindt plaats in duplo onder herhaalbaarheidscondities, op het gekoeld bewaarde analysemonster, binnen 21 dagen na de eerste verslaglegging.

De duploresultaten van de heranalyse dienen te voldoen aan de eisen voor de herhaalbaarheid, bedoeld in §6.1. Voldoet een monster niet aan deze eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten. De eerder gevonden duploresultaten worden dan verworpen.

§ 7.3. Heranalyse

Analysemonsters moeten bewaard worden tot het verstrijken va de eindtermijn voor het doen van een heranalyse. Producenten en afnemers van de mest kunnen tot tien dagen na verzending van het analyserapport bij het laboratorium een verzoek indienen om heranalyse(s) uit te voeren. Dit verzoek moet schriftelijk via de vervoerder worden ingediend. Heranalyse is slechts één maal mogelijk en vindt in hetzelfde laboratorium plaats als waar het monster voor analyse is aangeboden.

§ 7.4. Rapportage aan de minister

Hoofdstuk 8. Archivering van gegevens

Het is toegestaan de meetgegevens elektronisch op te slaan vermits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17025.

De aanvrager van de heranalyse ontvangt in dat geval van het laboratorium bericht van de bevestiging waarbij aangegeven wordt dat het eerder gerapporteerde resultaat onverkort van toepassing blijft.

§ 7.4. Rapportage aan de minister

Hoofdstuk 8. Archivering van gegevens

De RvA zal in een jaarlijkse geanonimiseerde rapportage aan de minister haar bevindingen weergeven. Tevens zullen de branchebreed waargenomen afwijkingen/tekortkomingen worden behandeld. Hiermee kunnen mogelijke knelpunten die zich in de praktijk voordoen worden opgespoord en zo nodig worden aangepast in het accreditatieprogramma.

Hoofdstuk 9. Controle op naleving

Opzet van ringonderzoeken en interpretatie van resultaten, R94.012 (3de versie), Kwaliteitsdienst Landbouwkundige Laboratoria, TNO voeding.

Hoofdstuk 10. Literatuur

Opzet van ringonderzoeken en interpretatie van resultaten, R94.012 (3de versie), Kwaliteitsdienst Landbouwkundige Laboratoria, TNO voeding.

Tabel I behorende bij de artikelen 54, 62, 63, 64, 66, 67, 68, 69 en 69c

NEN 7435 (2e ontwerp): Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan fosfor in destruaten.

3. Fosfaat (P2O5)

In artikel 98 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:

3. Uitgangspunten

Onderhoud t.b.v. voortschrijdend gemiddelde gehalte

4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.

4.2.2. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de tolerantie met behulp van figuur 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. (De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de toleranties valt.) Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 91b

Vervallen

§ 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost

§ 6. Diervoeders

§ 1. Mestproductie

Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht

§ 8. Voorzieningen ingeval van storingen in de bereikbaarheid of beschikbaarheid van rVDM

§ 1. Mestproductie

§ 4. Voorraden meststoffen

§ 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen

Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht

Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Gewas Klei Klei Klei Klei Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen
2006 2007 2008 2009 2006 2007 2008 2009
Grasland (kg N per ha per jaar)
Grasland met beweiden, klei 345 345 325 310
Grasland met beweiden, veen 290 290 265 265
Grasland met beweiden, zand/löss 300 290 275 260
Grasland met volledig maaien, klei 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 385 385 365 350
Grasland met volledig maaien, veen 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 330 330 300 300
Grasland met volledig maaien, zand/löss 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 355 350 345 340
Tijdelijk grasland (kg N per ha per periode) 8 De normen gelden niet voor tijdelijk grasland dat aansluit op maïs.
van 1 januari tot minstens 15 april 70 70 65 60 60 60 55 50
van 1 januari tot minstens 15 mei 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 120 120 115 110 105 100 95 90
van 1 januari tot minstens 15 augustus 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 275 275 260 250 240 230 220 210
van 1 januari tot minstens 15 september 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 310 310 295 280 270 260 250 235
van 1 januari tot minstens 15 oktober 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 april tot minstens 15 oktober 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober 310 310 295 280 270 260 250 235
vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober 105 105 100 95 90 85 85 80
vanaf 15 september tot minstens 15 oktober 35 35 30 30 30 30 25 25
vanaf 15 oktober 0 0 0 0 0 0 0 0
Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)
Consumptieaardappelrassen hoge norm 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). (zie bijlage A.1) 300 300 275 275 290 275
Consumptieaardappelrassen overig 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). 275 275 250 250 265 250
Consumptieaardappelrassen lage norm 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). (zie bijlage A.1) 250 250 225 225 240 225
Consumptieaardappel, vroeg (loofvernietiging voor 15 juli) 130 130 120 120 120 120
Pootaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.2) 150 150 140 140 140 140
Pootaardappelrassen overig 130 130 120 120 120 120
Pootaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.2) 110 110 100 100 100 100
Pootaardappelen, uitgroeiteelt (loofvernietiging na 15 augustus) 200 200 180 180 180 170
Zetmeelaardappelen 265 265 240 240 240 230
Suikerbieten 165 165 150 150 150 145
Cichorei 75 75 70 70 70 70
Voederbieten 180 180 165 165 165 165
Wintertarwe 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm).7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 245 240 220 220 190 160
Zomertarwe 155 155 140 140 140 140
Wintergerst 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 155 155 140 140 140 140
Zomergerst 90 90 80 80 90 80
Triticale 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 175 175 160 160 160 150
Winterrogge 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 155 155 140 140 140 140
Haver 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 110 110 100 100 100 100
Maïs, bedrijven met derogatie 4De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters. 160 160 160 160 155 155 155 150
Maïs, bedrijven zonder derogatie 4De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters. 205 205 185 185 185 175
Luzerne, eerste jaar 45 45 40 40 40 40
Luzerne, volgende jaren 0 0 0 0 0 0
Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars 180 180 165 165 165 155
Graszaad, Engels raaigras, overjarig 220 220 200 200 200 190
Graszaad, rietzwenkgras 155 155 140 140 140 135
Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt 65 65 60 60 60 55
Graszaad, veldbeemd 120 120 110 110 110 105
Graszaad, veldbeemd, volgteelt 65 65 60 60 60 55
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars 95 95 85 85 85 80
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt 40 40 35 35 35 35
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig 125 125 115 115 115 110
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt 50 50 45 45 45 45
Graszaad, westerwolds 120 120 110 110 110 105
Graszaad, Italiaans 145 145 130 130 130 125
Graszaad, overig 100 100 90 90 90 85
Graszaad, overig, volgteelt 50 50 45 45 45 45
Graszoden 375 375 340 340 340 340
Ui, zaaiui, overig 130 130 120 120 120 120
Winterui, 2e jaars plantui 185 185 170 170 170 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 145 145 130 130 130 125
Blauwmaanzaad 120 120 110 110 110 105
Karwij 165 165 150 150 150 145
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 100 100 90 90 90 85
Koolzaad, winter 225 225 205 205 205 195
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 175 175 160 160 160 150
Koolzaad, zomer 130 130 120 120 120 120
Vlas 75 75 70 70 70 70
Akkerbouw overig 220 220 200 200 200 190
Bladgewassen (kg N per ha per teelt)
Spinazie, 1e teelt 285 285 260 260 210 200
Spinazie, volgteelt 205 205 185 185 160 150
Slasoorten, 1e teelt 200 200 180 180 180 170
Slasoorten, volgteelt 115 115 105 105 105 105
Andijvie, 1e teelt 200 200 180 180 180 170
Andijvie, volgteelt 100 100 90 90 90 90
Selderij, bleek/groen 220 220 200 200 200 190
Prei 270 270 245 245 245 235
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 110 110 100 100 100 95
Bladgewassen, overig, eenmalige oogst 165 165 150 150 150 145
Bladgewassen, overig, meermalige oogst 300 300 275 275 275 260
Koolgewassen (kg N per ha per teelt)
Spruitkool 320 320 290 290 290 275
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 55 55 50 50 50 50
Wittekool 350 350 320 320 320 305
Rodekool 315 315 285 285 285 270
Savooiekool 315 315 285 285 285 270
Spitskool 315 315 285 285 285 270
Bloemkool 255 255 230 230 230 220
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 130 130 120 120 120 115
Broccoli 295 295 270 270 270 255
Chinese kool 200 200 180 180 180 170
Boerenkool 185 185 170 170 170 160
Paksoi 200 200 180 180 180 170
Raapstelen 155 155 140 140 140 135
Kruiden (kg N per ha per teelt)
Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst 165 165 150 150 150 145
Kruiden, bladgewas, meermalige oogst 300 300 275 275 275 260
Kruiden, wortelgewassen 220 220 200 200 200 190
Kruiden, zaadgewassen 110 110 100 100 100 95
Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)
Aardbei (wachtbed, vermeerdering) 130 130 120 120 120 115
Aardbei (productie) 185 185 170 170 170 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 90 90 80 80 80 75
Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) 210 210 190 190 190 180
Suikermaïs 220 220 200 200 200 190
Stam/stokboon, vers 130 130 120 120 120 115
Landbouwstambonen, rijp zaad 150 150 135 135 135 135
Veld- en tuinbonen, vers +rijp zaad 55 55 50 50 50 50
Tuinbonen, vers/peulen 80 80 75 75 75 75
Erwt, vers + rijp zaad 35 35 30 30 30 30
Peul 100 100 90 90 90 85
Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)
Asperge (excl. opkweek) 95 95 85 85 85 80
Knolselderij 220 220 200 200 200 190
Knolvenkel/venkel 200 200 180 180 180 170
Koolraap 185 185 170 170 170 160
Koolrabi 200 200 180 180 180 170
Kroten/rode bieten 205 205 185 185 185 175
Winterpeen/waspeen 120 120 110 110 110 110
Bospeen 55 55 50 50 50 50
Rabarber 275 275 250 250 250 240
Radijs 90 90 80 80 80 80
Schorseneer 185 185 170 170 170 170
Witlof 110 110 100 100 100 100
Vollegrondsgroenten, overig 220 220 200 200 200 190
Groenbemesters 5 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden. Voor groenbemesters op zand geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 december ploegen. Op klei geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 november ploegen. Een uitzondering wordt gemaakt voor groene braak en indien de groenbemester minimaal 10 weken in het groeiseizoen op het land staat indien aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld. De normen gelden niet voor groenbemesters die aansluiten op maïs. (kg N per ha per teelt)
Niet-vlinderbloemige groenbemesters (o.a. bladrammenas, gele mosterd, gras, granen) 65 65 60 60 60 60
Vlinderbloemige groenbemesters (wikke) 35 35 30 30 30 30
Tagetes 100 100 90 90 90 90
Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt 7 De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten.
Acidanthera 280 280 255 255 255 240
Anemone coronaria 145 145 130 130 130 125
Fritillaria imperialis 150 150 135 135 135 130
Hyacint 240 240 220 220 220 210
Iris, grofbollig 185 185 170 170 170 160
Iris, fijnbollig 155 155 140 140 140 135
Krokus, grote gele 190 190 175 175 175 165
Krokus, overig 100 100 90 90 90 85
Narcis 160 160 145 145 145 140
Tulp 220 220 200 200 200 190
Dahlia 120 120 110 110 110 105
Gladiool, pitten 285 285 260 260 260 245
Gladiool, kralen 210 210 190 190 190 180
Knolbegonia 165 165 150 150 150 145
Lelie 170 170 155 155 155 145
Zantedeschia 120 120 110 110 110 110
Overige bolgewassen 180 180 165 165 165 155
Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)
Appel 195 195 175 175 175 165
Blauwe bes 110 110 100 100 100 95
Braam 165 165 150 150 150 140
Framboos 165 165 150 150 150 140
Kers 195 195 175 175 175 165
Peer 195 195 175 175 175 165
Pruim 195 195 175 175 175 165
Rode bes 165 165 150 150 150 140
Druif 110 110 100 100 100 95
Zwarte bes 195 195 175 175 175 165
Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)
Buitenbloemen hoge norm (zie bijlage A3) 220 220 200 200 200 200
Buitenbloemen overig 165 165 150 150 150 150
Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)
Laanbomen: onderstammen 45 45 40 40 40 40
Laanbomen: spillen 100 100 90 90 90 90
Laanbomen: opzetters 125 125 115 115 115 115
Sierheesters 85 85 75 75 75 75
Coniferen (incl. kerstsparren en -dennen) 90 90 80 80 80 80
Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) 75 75 70 70 70 70
Bos- en Haagplantsoen 105 105 95 95 95 95
Vaste planten 195 195 175 175 175 175
Vruchtbomen: onderstammen 35 35 30 30 30 30
Vruchtbomen: moerbomen 120 120 110 110 110 110
Vruchtbomen 100 100 90 90 90 90
Trek- en besheesters 90 90 80 80 80 80
Snijgroen 105 105 95 95 95 95
Ericaceae 75 75 70 70 70 70
Buxus 105 105 95 95 95 95
Bosbouw (kg N per ha per jaar)
Snelgroeiend houtsoorten voor biomassaproductie 100 100 90 90 90 90
Vaste norm op bedrijfsniveau 6 Deze vaste norm op bedrijfsniveau geldt als het gewogen gemiddelde van de gebruiksnormen van de geteelde gewassen of gewasgroepen uit tabel A op het bedrijf in dat kalenderjaar minstens 100 kg N/ha bedraagt. (kg N per ha per jaar)
Vaste norm 110 110 110 110 110 110
Akkerbouwgewassen op löss
Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.1) 275 265
Consumptieaardappelrassen overig 250 240
Consumptieaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.1) 225 215
Wintertarwe 220 220

Consumptieaardappelrassen hoge norm

Consumptieaardappelrassen lage norm

Bijlage A.2. behorende bij artikel 28: Pootaardappelrassen

2. Fosfaat (P2O5)

2. Fosfaat (P2O5)

bijlage Ab. behorende bij de artikelen 8 en 9 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Zware metalen Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel
MgO SO3 Na2O CaO in CaSO4-meststof
Cd 33 33 42 2,5
Cr 2000 2000 2500 150
Cu 2000 2000 2500 150
Hg 20 20 25 1,5
Ni 800 800 1000 60
Pb 2667 2667 3333 200
Zn 8000 8000 10000 600
As 400 400 500 30

Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.

Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel
Organische microverontreinigingen MgO SO3 Na2O CaO in CaSO4-meststof
Σ PCDD/PCDF 0,020 0,020 0,025 0,00152
α-ΗCH 331 331 413 24,8
β-ΗCH 12,8 12,8 16 0,96
γ-ΗCΗ (lindaan) 1,3 1,3 1,6 0,10
HCB 41,6 41,6 52,0 3,12
Aldrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Dieldrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Σ aldrin/dieldrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Endrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Isodrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Σ endrin/isodrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Σ DDT + DDD + DDE 24,5 24,5 30,7 1,84
PCB-28 19,7 19,7 24,7 1,48
PCB-52 19,7 19,7 24,7 1,48
PCB-101 80 80 100 6
PCB-118 80 80 100 6
PCB – 138 80 80 100 6
PCB – 153 80 80 100 6
PCB – 180 80 80 100 6
Σ 6-PCB (excl. PCB-118) 400 400 500 30
Naftaleen 640 640 800 48
Fenanthreen 800 800 1000 60
Antraceen 640 640 800 48
Fluoranteen 197 197 247 15
Benzo(a)antraceen 245 245 307 18
Chryseen 245 245 307 18
Benzo(k)fluoranteen 288 288 360 22
Benzo(a)pyreen 309 309 387 23
Benzo(g,h,i)peryleen 224 224 280 17
Indeno(1,2,3-c,d)pyreen 251 251 313 19
Σ 10-PAK 12267 12267 15333 920
Minerale olie 997333 997333 1246667 74800

Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.

III. Protocol analyse neutraliserende waarde

Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststof van anorganische oorsprong:

Bijlage

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)