Wijzigingsgeschiedenis

Wet ziekteverzekering BES

14 versions · 2026-01-01
2026-01-01
Wet ziekteverzekering BES — art. 4

Wijzigingen op 2026-01-01

@@ -92,17 +92,27 @@
##### Artikel 3
1. De werknemer heeft in geval van ziekte op grond van deze wet tegenover Onze Minister recht op een uitkering.
2. Met ziekte worden gelijkgesteld zwangerschap en bevalling van de vrouwelijke verzekerde.
3. Met ziekte wordt tevens gelijkgesteld lichamelijk letsel als gevolg van een ongeval, tenzij de werknemer op grond daarvan recht heeft op ongevallengeld op grond van de [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497).
1. De werknemer heeft op grond van deze wet tegenover Onze Minister recht op een uitkering:
- a. in geval van ziekte;
- b. gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in [artikel 1614cd van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&artikel=1614cd);
2. Met ziekte wordt gelijkgesteld lichamelijk letsel als gevolg van een ongeval, tenzij de werknemer op grond daarvan recht heeft op ongevallengeld op grond van de [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497).
## Geneeskundige behandeling en verpleging
##### Artikel 4. Uitkering in verband met zwangerschap en bevalling voor zelfstandigen
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
1. De zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde die gedurende het kalenderjaar voorafgaand aan de zwangerschap belasting- of aangifteplichtig was voor de opbrengstbelasting, de vastgoedbelasting, de loonbelasting, de inkomstenbelasting of algemene bestedingsbelasting in het kader van de uitoefening van haar beroep of bedrijf en een belastbare som uit inkomsten uit de onderneming heeft van ten minste de belastingvrije som, genoemd in [artikel 24 van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=24) heeft recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling gedurende ten minste zestien weken.
2. Het recht op uitkering in verband met zwangerschap vangt aan zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde dat wenst vangt het recht op uitkering in verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft.
3. Het recht op uitkering in verband met bevalling vangt aan op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken, vermeerderd met het aantal dagen dat de uitkering in verband met zwangerschap tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen of, indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, minder dan tien weken heeft bedragen.
4. Als een kind van een ouder als bedoeld in het eerste lid tijdens de periode waarop een recht op uitkering in verband met bevalling bestaat vanwege zijn medische toestand in het ziekenhuis is opgenomen, wordt het recht op uitkering in verband met bevalling verlengd met de tijd dat het kind in het ziekenhuis heeft doorgebracht vanaf de achtste dag van opname tot en met de laatste dag waarop het recht op uitkering bestaat tot een maximum van tien weken.
De in de eerste zin bedoelde verlenging is uitsluitend van toepassing voor zover de aldaar bedoelde ziekenhuisopname langer duurt dan het aantal dagen waarmee de uitkering in verband met de bevalling als gevolg van de werkelijke datum van bevalling op grond van het derde lid wordt verlengd. Het ziekenhuis geeft op verzoek van de zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde een verklaring af, waarin de gehele duur van de opname van het kind in het ziekenhuis tijdens de uitkeringsperiode staat vermeld.
## Uitkeringen in geld
@@ -134,9 +144,11 @@
##### Artikel 6
1. Zo spoedig mogelijk na de aanvraag deelt Onze Minister, mede aan de hand van geneeskundige beoordeling, schriftelijk mee welke uitkering zal worden verstrekt aan de in [artikel 5, zesde lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bedoelde werkgever. Als de werkgever de in artikel 5, zesde lid, eerste zin, bedoelde verplichting niet naleeft, geschiedt de schriftelijke mededeling, bedoeld in de eerste zin, aan de werknemer.
2. Zodra de behandelende geneeskundige vaststelt dat de werknemer:
1. Onze Minister stelt op aanvraag, mede aan de hand van de geneeskundige beoordeling, vast of recht op ziekengeld bestaat. De werkgever aan wie op grond van [artikel 5, zesde lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), de uitkering wordt verstrekt informeert de werknemer zo spoedig mogelijk over de hiermee gemoeide aanspraak.
2. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door Onze Minister beschikbaar gesteld formulier.
3. Zodra de behandelende geneeskundige vaststelt dat de werknemer:
- a. zich onder geneeskundige behandeling moet stellen;
@@ -146,9 +158,9 @@
- d. niet of niet langer als bedlegerig patiënt behandeld behoeft te worden;
- e. arbeidsongeschikt is;
- f. niet of niet langer arbeidsongeschikt is; of
- e. naar zijn oordeel arbeidsongeschikt is;
- f. naar zijn oordeel niet of niet langer arbeidsongeschikt is; of
geeft hij van deze bevindingen en zijn daaruit volgende voorschriften schriftelijk kennis aan Onze Minister.
@@ -198,11 +210,11 @@
8. De premie komt ten gunste van het Rijk.
9. Ten laste van het Rijk komen de door Onze Minister verstrekte uitkeringen, bedoeld in de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en alle kosten verbonden aan de uitvoering van deze wet.
9. Ten laste van het Rijk komen de door Onze Minister verstrekte uitkeringen, bedoeld in de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en alle kosten verbonden aan de uitvoering van deze wet.
##### Artikel 8a
Voor zover op grond van deze wet niet anders is bepaald en in afwijking van [artikel 14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=14c&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is ten aanzien van de premieheffing en invordering op grond van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en de invordering daarvan [hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=VIII) van overeenkomstige toepassing.
Voor zover op grond van deze wet niet anders is bepaald en in afwijking van [artikel 14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=14c&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is ten aanzien van de premieheffing en invordering op grond van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en de invordering daarvan [hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=VIII) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8b
@@ -322,9 +334,9 @@
##### Artikel 14a
1. Op overtreding van [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en het niet of niet tijdig nakomen van een van de verplichtingen gesteld bij de [artikelen 5, zesde lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [6, eerste lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [8h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8h&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [8i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8i&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en krachtens [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=13&z=2025-07-01&g=2025-07-01) wordt een boete geheven van de tweede categorie.
2. Onder het niet voldoen aan de verplichtingen, genoemd in [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt mede verstaan het verstrekken van onjuiste inlichtingen.
1. Op overtreding van [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en het niet of niet tijdig nakomen van een van de verplichtingen gesteld bij de [artikelen 5, zesde lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [6, eerste lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [8h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8h&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [8i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8i&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en krachtens [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=13&z=2026-01-01&g=2026-01-01) wordt een boete geheven van de tweede categorie.
2. Onder het niet voldoen aan de verplichtingen, genoemd in [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt mede verstaan het verstrekken van onjuiste inlichtingen.
3. Indien er sprake is van herhaling van eenzelfde overtreding binnen twee jaar wordt het maximum van de boetes, genoemd in het eerste lid, verdubbeld.
@@ -334,9 +346,9 @@
##### Artikel 15
1. Overtreding van [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en het niet of niet tijdig nakomen van een van de verplichtingen gesteld bij de [artikelen 5, zesde lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [6, eerste lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [8h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8h&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [8i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8i&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en op grond van [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=13&z=2025-07-01&g=2025-07-01) wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde categorie.
2. Het opzettelijk, mondeling of schriftelijk verstrekken of doen verstrekken van inlichtingen als bedoeld in [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), die onjuist zijn alsmede het afleggen van een valse verklaring aan Onze Minister, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.
1. Overtreding van [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en het niet of niet tijdig nakomen van een van de verplichtingen gesteld bij de [artikelen 5, zesde lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [6, eerste lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [8h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8h&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [8i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8i&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en op grond van [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=13&z=2026-01-01&g=2026-01-01) wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde categorie.
2. Het opzettelijk, mondeling of schriftelijk verstrekken of doen verstrekken van inlichtingen als bedoeld in [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die onjuist zijn alsmede het afleggen van een valse verklaring aan Onze Minister, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.
3. Het opzettelijk door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding bewegen van een werknemer om geen gebruik te maken van een hem op grond van deze wet toekomend recht wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie
@@ -384,11 +396,11 @@
1. De belanghebbende kan tegen een beschikking op grond van deze wet beroep instellen bij het Gerecht, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=1).
2. Bij een beroep tegen een beschikking op grond van [artikel 7, aanhef en onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is [artikel 23, eerste lid, laatste zin, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=23) niet van toepassing.
3. Bij een bestuurlijke heroverweging van een beschikking op grond van [artikel 7, aanhef en onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is [artikel 24, eerste en tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=24) van overeenkomstige toepassing.
4. Met betrekking tot een beschikking op grond van [artikel 7, aanhef en onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), kan het Gerecht, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=1), indien het bestuursorgaan niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in [artikel 23 van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=23), daaruit de gevolgtrekking maken die hem geraden voorkomt.
2. Bij een beroep tegen een beschikking op grond van [artikel 7, aanhef en onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is [artikel 23, eerste lid, laatste zin, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=23) niet van toepassing.
3. Bij een bestuurlijke heroverweging van een beschikking op grond van [artikel 7, aanhef en onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is [artikel 24, eerste en tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=24) van overeenkomstige toepassing.
4. Met betrekking tot een beschikking op grond van [artikel 7, aanhef en onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01), kan het Gerecht, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=1), indien het bestuursorgaan niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in [artikel 23 van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=23), daaruit de gevolgtrekking maken die hem geraden voorkomt.
##### Artikel 14d
@@ -398,7 +410,7 @@
##### Artikel 12b
1. Onverminderd voorschriften als gesteld op grond van [artikel 7, eerste lid, onderdelen d of e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), kunnen bij ministeriële regeling controlevoorschriften worden vastgesteld. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.
1. Onverminderd voorschriften als gesteld op grond van [artikel 7, eerste lid, onderdelen d of e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01), kunnen bij ministeriële regeling controlevoorschriften worden vastgesteld. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.
2. De werknemer, alsmede de werkgever is verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan Onze Minister desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
@@ -418,19 +430,53 @@
##### Artikel 4a. Aanvraag van uitkering door zelfstandige
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
1. De zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling doet de aanvraag daartoe bij Onze Minister uiterlijk twee weken voor de datum waarop zij het recht op uitkering wil laten ingaan. Bij die aanvraag wordt in ieder geval gemeld:
- a. de vermoedelijke datum van de bevalling;
- b. de datum waarop zij het recht op uitkering op grond van [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wil laten ingaan.
2. Indien de aanvraag niet tijdig wordt gedaan, wordt de uitkering uitsluitend toegekend voor zover het tijdvak waarin sprake was van recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, valt in het jaar voorafgaand aan de aanvraag. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ten gunste van de zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde afwijken van de eerste zin.
3. Indien het recht op uitkering wordt verlengd op grond van [artikel 4, vierde of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), brengt de zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde Onze Minister daarvan op de hoogte, waarbij in het geval, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, zij de verklaring van het ziekenhuis overlegt.
##### Artikel 4b. Hoogte van de uitkering voor zelfstandige
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
De uitkering in verband met zwangerschap en bevalling voor de zelfstandige, de meewerkende echtgenoot of de gelijkgestelde, bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is gelijk aan het op grond van [artikel 9 van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=9) vastgestelde toepasselijke bedrag.
##### Artikel 4ba. Tegemoetkoming ontbrekende uitkering zwangerschap en bevalling
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
1. Onze Minister kan een financiële tegemoetkoming verstrekken aan een zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde waarvan aannemelijk is dat deze ten tijde van diens bevalling voldeed aan de voorwaarden voor een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling op basis van deze wet en die:
- a. zwanger was of is bevallen op of na 10 oktober 2010 en voor inwerkingtreding van [artikel VIII, onderdeel C, van de Wijzigingswet SZW-wetten BES 2024](onbekend);
- b. geen uitkering heeft gehad in verband met diens zwangerschap en bevalling.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:
- a. het bedrag van de tegemoetkoming dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
- b. de aanvraag van de tegemoetkoming en de besluitvorming daarover;
- c. de voorwaarden waaronder het recht op de tegemoetkoming tot stand komt;
- d. de voorwaarden waaronder de tegemoetkoming verstrekt wordt aan nabestaanden, indien de rechthebbende is overleden;
- e. de verwerking van persoonsgegevens benodigd voor de uitvoering van dit artikel.
3. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
##### Artikel 4c. Uitkering in verband met geboorteverlof
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
1. De werknemer die op grond van [artikel 1614ce van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&artikel=1614ce) recht heeft op geboorteverlof, heeft recht op uitkering in verband met geboorteverlof.
2. De uitkering in verband met geboorteverlof bedraagt 100 procent van het loon per dag van de werknemer voor de duur van de helft van het aantal uren dat de werknemer per week werkt. [Artikel 5, tweede lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. De werknemer die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met geboorteverlof dient de aanvraag daartoe in bij Onze Minister uiterlijk drie weken na de datum van de bevalling van zijn echtgenoot.
4. De aanvraag van de uitkering in verband met geboorteverlof gaat vergezeld van een bewijsstuk waaruit de datum van bevalling van de echtgenoot blijkt.
5. [Artikel 5, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
## Geneeskundige behandeling en verpleging
@@ -440,7 +486,13 @@
##### Artikel 6a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
1. De beschikking tot toekenning van de uitkering vermeldt het bedrag dat wordt verstrekt aan de werkgever, bedoeld in [artikel 5, zesde lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en indien de werkgever zijn verplichting, genoemd in artikel 5, zesde lid, eerste zin, niet naleeft, aan de werknemer.
2. Een beschikking op grond van deze wet wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
3. Deze redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in het vierde lid is gedaan.
4. Indien de beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
## Premie
@@ -456,7 +508,7 @@
- b. het recht op een lagere uitkering bestaat; of
- c. de werknemer of werkgever een verplichting die op grond van de [artikelen 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12b&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is opgelegd, niet is nagekomen.
- c. de werknemer of werkgever een verplichting die op grond van de [artikelen 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12b&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is opgelegd, niet is nagekomen.
2. Geen opschorting of schorsing vindt plaats indien het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op een uitkering.
@@ -472,11 +524,11 @@
1. Onze Minister kan een beschikking herzien dan wel intrekken indien:
- a. het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12b&z=2025-07-01&g=2025-07-01) heeft geleid tot een te hoge of ten onrechte toegekende uitkering;
- a. het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12b&z=2026-01-01&g=2026-01-01) heeft geleid tot een te hoge of ten onrechte toegekende uitkering;
- b. ten onrechte een uitkering is toegekend; of
- c. het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12b&z=2025-07-01&g=2025-07-01) ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op een uitkering bestaat.
- c. het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12b&z=2026-01-01&g=2026-01-01) ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op een uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan Onze Minister geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.
@@ -486,7 +538,7 @@
- a. het ten onrechte uitbetalen het gevolg is van het niet verstrekken van inlichtingen of het verstrekken van onjuiste inlichtingen;
- b. het ten onrechte uitbetalen het gevolg is van het geheel of gedeeltelijk verlies van het recht op een uitkering op grond van [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=7&z=2025-07-01&g=2025-07-01); of
- b. het ten onrechte uitbetalen het gevolg is van het geheel of gedeeltelijk verlies van het recht op een uitkering op grond van [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01); of
- c. Onze Minister anderszins foutief of ten onrechte een uitkering heeft uitbetaald.
@@ -506,8 +558,8 @@
##### Artikel 15c
1. Een herziening of intrekking van een beschikking op grond van [artikel 12d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12d&z=2025-07-01&g=2025-07-01), vindt uitsluitend plaats indien de herziening of intrekking ziet op een periode op of na de dag van inwerkingtreding van [artikel VIII, onderdeel Id](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050791&artikel=VIII).
2. Een terugvordering van een ten onrechte uitbetaalde uitkering op grond van [artikel 12e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12e&z=2025-07-01&g=2025-07-01), vindt uitsluitend plaats indien de terugvordering ziet op een periode op of na de dag van inwerkingtreding van [artikel VIII, onderdeel Id](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050791&artikel=VIII).
1. Een herziening of intrekking van een beschikking op grond van [artikel 12d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12d&z=2026-01-01&g=2026-01-01), vindt uitsluitend plaats indien de herziening of intrekking ziet op een periode op of na de dag van inwerkingtreding van [artikel VIII, onderdeel Id](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050791&artikel=VIII).
2. Een terugvordering van een ten onrechte uitbetaalde uitkering op grond van [artikel 12e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12e&z=2026-01-01&g=2026-01-01), vindt uitsluitend plaats indien de terugvordering ziet op een periode op of na de dag van inwerkingtreding van [artikel VIII, onderdeel Id](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050791&artikel=VIII).
## Citeertitel
2025-07-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 4, 4, 4 y 3 más
2025-01-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 12, 15
2021-01-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 12, 15
2020-01-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 12, 15
2019-01-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 12, 15
2018-01-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 8, 12, 15
2017-10-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 8, 12, 15
2016-01-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 8, 12, 15
2015-01-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 8, 12, 15
2013-07-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 8, 12, 15
2012-01-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 8, 12, 15
2011-01-01
Wet ziekteverzekering BES — arts. 1, 1, 1 y 29 más
2010-10-10
Wet ziekteverzekering BES
original version Tekst op deze datum