Wet van 16 december 2010 houdende vaststelling van de Wet Belastingwet BES (Belastingwet BES)

Type Wet Bes
Publication 2026-04-11
Laatst bijgewerkt 2026-04-14
State In force
Source BWB
artikelen 282
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • c. voor de invoer van eerste levensbehoeften, geneesmiddelen en medische kunst- en hulpmiddelen als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, onderdelen a, d en e, alsmede van andere goederen waarvan de levering in het openbare lichaam is vrijgesteld.
2.

De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking op een schriftelijk verzoek van een producent voor de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde aanwijzing.

Afdeling 4. Wijze van heffing

Artikel 6.21
1.

Ter zake van het heffen en invorderen van de belasting bij invoer zijn de bepalingen van de douanewetgeving van overeenkomstige toepassing.

2.

Bij ministeriële regeling kan, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, teruggaaf van bij invoer verschuldigde belasting worden verleend in de gevallen waarin op grond van de douanewetgeving aanspraak op teruggaaf van rechten bij invoer bestaat of, in andere gevallen, om redenen van billijkheid.

3.

Belasting waarvan op grond van het tweede lid teruggaaf wordt verleend komt niet voor aftrek op de voet van artikel 6.3, onderdeel b, in aanmerking. Heeft de aftrek reeds plaatsgevonden dan wordt de producent die de aftrek heeft genoten het in aftrek gebrachte bedrag alsnog, op aangifte als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, verschuldigd.

Titel 4. Bijzondere regelingen

Artikel 6.22
1.

Op schriftelijk verzoek van de ondernemer kan aan hem door de inspecteur:

  • a. ontheffing van het voldoen van belasting worden verleend indien de ondernemer een natuurlijke persoon is, in het openbaar lichaam woont of is gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting heeft, en de ondernemer aannemelijk kan maken dat hij per kalenderjaar een omzet exclusief algemene bestedingsbelasting zal behalen van USD 32.000 of minder;
  • b. teruggaaf worden verleend van de belasting die door hem reeds op aangifte is voldaan in het kalenderjaar met ingang waarvan hij van de belasting is ontheven.
2.

In afwijking van het eerste lid, kan ook de aldaar bedoelde ontheffing worden verleend aan de ondernemer, een andere dan een natuurlijk persoon, die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend sociale of culturele prestaties verricht. Om in aanmerking te kunnen komen voor ontheffing dient de ondernemer voorafgaand aan het verrichten van de sociale of culturele prestaties, een schriftelijk verzoek aan de inspecteur te richten.

3.

Indien een ondernemer meer dan één bedrijf of beroep heeft of uitoefent, worden deze bedrijven of beroepen voor de toepassing van dit artikel gezamenlijk in aanmerking genomen.

4.

De ondernemer aan wie een ontheffing is verleend, is verplicht periodiek aan de inspecteur een opgave te doen van zijn omzet. Voor het vaststellen van deze periode zijn de bepalingen van artikel 6.15 en 8.11 van overeenkomstige toepassing. Indien de ondernemer verzuimt een opgave te doen, kan de inspecteur de ontheffing intrekken.

5.

Indien de ondernemer die is ontheven van het voldoen van de belasting in een kalenderjaar een bedrijfsomzet exclusief algemene bestedingsbelasting heeft behaald van meer dan USD 32.000 wordt hij alsnog over zijn prestaties in dat jaar belasting verschuldigd. In dat geval vervalt de ontheffing van die ondernemer. De ondernemer is verplicht de verschuldigde belasting op de eerste aangifte van het volgende kalenderjaar te voldoen.

6.

De ontheffingen als bedoeld in het eerste en tweede lid worden verleend bij voor bezwaar vatbare beschikking en gelden met ingang van het kalenderjaar waarin de inspecteur de ontheffing heeft verleend. Op de ondernemer aan wie een ontheffing als bedoeld in het eerste en tweede lid is verleend, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk onverkort van toepassing.

7.

Indien na afloop van een kalenderjaar blijkt dat de ondernemer, zijnde een natuurlijke persoon, die in het openbaar lichaam woont of is gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting heeft, over dat kalenderjaar een omzet exclusief algemene bestedingsbelasting heeft behaald van USD 32.000 of minder en hem voor dat jaar geen ontheffing was verleend, krijgt op schriftelijk verzoek teruggaaf van de door hem over dat jaar op aangifte voldane belasting.

8.

Het in het eerste, vijfde en zevende lid vermelde bedrag wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door een ander. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor van artikel 25 van de Wet inkomstenbelasting BES en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.

9.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van de toepassing van dit artikel en kunnen ondernemers worden aangewezen waarop in afwijking van het bepaalde in de tweede volzin van het zesde lid de bepalingen van dit hoofdstuk niet of gedeeltelijk niet van toepassing zijn.

Titel 5. Bijzondere bepalingen

Artikel 6.23

De ondernemer die in een openbaar lichaam woont of is gevestigd, wordt geacht zijn leveringen en diensten in dat openbaar lichaam te verrichten, voor zover hij niet aan de hand van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers het tegendeel aantoont. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de ondernemer die in een openbaar lichaam een vaste inrichting heeft, voor zover de leveringen en diensten vanuit die inrichting worden verricht.

Artikel 6.24

Het is verboden in de gevallen waarin ingevolge dit hoofdstuk algemene bestedingsbelasting verschuldigd is, goederen en diensten aan te bieden tegen prijzen waarin de algemene bestedingsbelasting niet is begrepen.

Artikel 6.25
1.

Met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels, is een ondernemer verplicht:

  • a. aantekening te houden van de door hem en aan hem verrichte leveringen van goederen en verleende diensten, van de invoer van goederen in en de uitvoer van goederen uit het openbaar lichaam waarin hij woont of is gevestigd, alsmede van andere gegevens die van belang zijn met betrekking tot de heffing van de belasting;
  • b. dagelijks aantekening te houden van de uitgaven en ontvangsten ter zake van de aan hem en door hem verrichte leveringen van goederen en verleende diensten;
  • c. zijn boekhouding met betrekking tot zijn omzet op zodanige duidelijke en overzichtelijke wijze te voeren en met vermelding van zodanige bijzonderheden dat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld of de belastingheffing op de juiste wijze plaatsvindt en de over een bepaald belastingtijdvak door hem verschuldigde belasting kan worden vastgesteld;
  • d. in zijn administratie kopieën te bewaren van de door hemzelf dan wel, in zijn naam en voor zijn rekening, door zijn afnemer of een derde uitgereikte facturen, en alle door hemzelf ontvangen facturen.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, nadere regels worden gesteld in hoeverre ondernemers die geen prestaties verrichten als bedoeld in artikel 6.2, alsmede ondernemers die uitsluitend vrijgestelde prestaties verrichten, of ondernemers die zowel vrijgestelde als belaste prestaties verrichten, zijn ontheven van verplichtingen ingevolge dit hoofdstuk.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, nadere regels worden gesteld in welke gevallen lichamen als bedoeld in de artikelen 6.8 en 6.12, alsmede ondernemers aan wie de levering of de dienst wordt verricht als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, gehouden zijn te voldoen aan de in het eerste lid genoemde verplichtingen.

Artikel 6.26

Bij ministeriële regeling kunnen:

  • a. nadere regels worden gesteld welke tot vergemakkelijking van de heffing kunnen leiden;
  • b. andere in het kader van het hoofdstuk passende nadere regels worden gesteld inzake de toepassing van dit hoofdstuk en ter aanvulling van de in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen.

Titel 6. Slotbepalingen

Artikel 6.27
1.

Hij die ingevolge een vóór de inwerkingtreding van een wijziging in de wetgeving inzake algemene bestedingsbelasting gesloten overeenkomst verplicht is goederen te leveren of een dienst te verlenen, is bevoegd hetgeen met betrekking tot die goederen of die dienst wegens algemene bestedingsbelasting meer is gevorderd dan vóór de inwerkingtreding van die wijziging had kunnen geschieden, terug te vorderen van degene aan wie hij de goederen moet leveren of de dienst moet verlenen. Hiermee strijdige bedingen zijn nietig.

2.

Hij aan wie ingevolge een vóór de inwerkingtreding van een wijziging in de wetgeving inzake algemene bestedingsbelasting gesloten overeenkomst goederen worden geleverd of een dienst wordt verleend, is bevoegd van hem die verplicht is de goederen te leveren of de dienst te verlenen, terug te vorderen hetgeen met betrekking tot die goederen of dienst wegens algemene bestedingsbelasting minder is gevorderd dan vóór de inwerkingtreding van die wijziging had kunnen geschieden. Hiermee strijdige bedingen zijn nietig.

Artikel 6.28

Ingeval van wijziging van de in dit hoofdstuk genoemde tarieven van heffing wordt:

  • a. de algemene bestedingbelasting die na de dag voorafgaande aan de dag waarop een nieuw percentage van toepassing is, verschuldigd wordt ter zake van leveringen en diensten die worden verricht vóór of op eerstgenoemde dag, berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht;
  • b. indien algemene bestedingsbelasting vóór de dag waarop een nieuw percentage van toepassing wordt verschuldigd is ter zake van leveringen en diensten die worden verricht op of na die dag, hetgeen meer verschuldigd zou zijn geweest indien de belasting zou zijn berekend naar het percentage dat geldt op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht, alsnog verschuldigd op die dag.

Hoofdstuk VII. Overdrachtsbelasting

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 7.1

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. overdracht: de verkrijging door natuurlijke personen en rechtspersonen van onroerende zaken of schepen als ook de vestiging, afstand en opzegging van vruchtgebruik, van gebruik en van bewoning, erfdienstbaarheden, erfpacht, opstal, grondrenten, hetzij in geld hetzij in natura verschuldigd, alsmede de rechtsvorderingen dienende om onroerende zaken of de rechten waaraan deze zijn onderworpen terug te eisen of te doen overdragen;
  • b. onroerende zaken: onroerende zaken welke op de BES eilanden gelegen zijn en de rechten waaraan deze zijn onderworpen;
  • c. schepen: op de BES eilanden geregistreerde schepen, metende ten minste 20 kubieke meters bruto inhoud.
Artikel 7.2

Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek BES en het Wetboek van Koophandel BES omtrent overdracht van onroerende zaken en schepen, moeten oprichtingen van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap, coöperatie of vereniging waarbij onroerende zaken of schepen worden ingebracht, op straffe van nietigheid geschieden bij op de BES eilanden verleden authentieke akte.

Titel 2. Aard van belasting

Artikel 7.3
1.

Onder de naam overdrachtsbelasting wordt een belasting geheven ter zake van de overdracht van onroerende zaken en van schepen.

2.

Met overdracht, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld de inbreng van onroerende zaken of geregistreerde schepen door de commanditaire vennoot in een open commanditaire vennootschappen op aandelen.

Artikel 7.4
1.

Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en beperkingen is van de belasting vrijgesteld de overdracht:

  • a. aan de staat of een openbaar lichaam, alsmede aan een naamloze vennootschap of besloten vennootschap waarvan alle aandelen al dan niet middellijk toebehoren aan de staat of een openbaar lichaam, mits het lichaam dat de onroerende zaak of het schip, direct dan wel indirect, verkrijgt, schriftelijk verklaart de onroerende zaak, onderscheidenlijk het schip, niet op een zodanige wijze te gaan gebruiken dat daarmee in concurrentie wordt getreden met belastingplichtigen die winst beogen, met dien verstande dat indien de onroerende zaak, onderscheidenlijk het schip, binnen vijf jaar na verkrijging alsnog op een zodanige wijze gebruikt gaat worden dat daarmee wel in concurrentie wordt getreden met belastingplichtigen die winst beogen, de belasting alsnog is verschuldigd zodra sprake is van het in concurrentie treden met belastingplichtigen die winst beogen;
  • b. krachtens boedelmenging;
  • c. krachtens verdeling van een huwelijksgemeenschap of nalatenschap, waarin de verkrijger was gerechtigd als rechtverkrijgende;
  • d. bij inbreng van een onderneming in maat- of vennootschappen;
  • e. krachtens of op grond van verdelingen tussen deelgenoten indien de titel van de gemeenschap is vermeld en de gemeenschap behoorlijk is aangetoond;
  • f. krachtens of op grond van een verdeling tussen deelgenoten als bedoeld in artikel 7.11 voor zover de overeenkomst betrekking heeft op het geval van overlijden en geen vergoeding is bedongen;
2.

Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op verdelingen tussen deelgenoten als bedoeld in artikel 7.6 tot en met 7.11 waarvan de titel van de gemeenschap is vermeld en de gemeenschap behoorlijk is aangetoond.

Titel 3. Verdeling van een gemeenschap

Artikel 7.5

Voor zover de titel van de gemeenschap niet is vermeld of de gemeenschap niet behoorlijk is aangetoond, is op akten van verdeling de belasting verschuldigd over de toegedeelde waarde van de onroerende zaken of schepen.

Artikel 7.6
1.

Op akten van verdeling van onroerende zaken of schepen voor zover deze zijn ingebracht in een maatschap of een naamloze vennootschap, besloten vennootschap, coöperatie of vereniging, is de belasting verschuldigd over de waarde ten tijde van de verdeling van de onroerende zaak of schip voor zover deze waarde niet is toe te rekenen aan de inbrenger of diens erfgenamen.

2.

Indien een deelgenoot op de in artikel 7.11 bedoelde wijze of door aankoop na de oprichting van de in het eerste lid bedoelde maatschap of naamloze vennootschap, besloten vennootschap, coöperatie of vereniging een aandeel verkrijgt in de door anderen ingebrachte onroerende zaken of schepen wordt dit aandeel voor de berekening van de op de verdeling verschuldigde belasting geacht door die deelgenoot of zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden te zijn ingebracht, mits blijkt, dat voor de verkrijging van dat aandeel de belasting is betaald.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op de verdeling van onroerende zaken of schepen voor zover deze verdeling plaatsvindt in het kader van de ontbinding van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap of een open commanditaire vennootschap en ter zake van de inbreng van de onroerende zaak of het schip overdrachtsbelasting is betaald.

Artikel 7.7
1.

Indien de onverdeeldheid van onroerende zaken of schepen uitsluitend uit een overdracht is ontstaan, is op de akte van verdeling van die onverdeeldheid de belasting verschuldigd over de in het tweede lid opgenomen waarde.

2.

De waarde van de overdracht is het aan hen, die zelf of wier erflaters of rechtsvoorgangers uitsluitend bij overdracht een aandeel verkregen hadden, toegedeelde onder aftrek van de waarde van het aandeel krachtens de titel van gemeenschap in elk hun toegedeeld goed, voor de verkrijging waarvan de belasting is betaald.

3.

Het eerste lid is niet toepassing indien de onverdeeldheid is ontstaan door:

  • a. inbreng in een maatschap, naamloze vennootschap of besloten vennootschap;
  • b. overdracht van het geheel door de enige rechthebbende of alle deelgenoten tezamen aan gezamenlijke verkrijgers;
  • c. ontbinding van een coöperatie of vereniging, mits wegens de inbreng de belasting is betaald.
Artikel 7.8

Indien bij een verdeling als bedoeld bij artikelen 7.6 en 7.7 aan verschillende deelgenoten tezamen goederen zijn toegedeeld en later tot verdeling van die goederen wordt overgegaan, is op de latere akte of akten wegens deze verdeling belasting verschuldigd, die, indien de daarbij gedane toedelingen reeds bij de eerste akte hadden plaats gehad, meer verschuldigd zou zijn geweest dan hierop is geheven.

Artikel 7.9
1.

Op akten van verkoop van aandelen in onroerende zaken of schepen, voor zover deze zijn ingebracht in een maatschap of die aandelen zijn ontstaan door ontbinding van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap, coöperatie of vereniging, is, indien die overdracht geschiedt aan een deelgenoot krachtens dezelfde titel of aan zijn erven of rechtverkrijgenden, de belasting eveneens verschuldigd van de waarde van de kopers aandeel krachtens die titel.

2.

Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien:

  • a. de goederen onderdeel uitmaken van een onverdeeldheid vanwege een in artikel 7.3 bedoelde inbreng in een open commanditaire vennootschap, indien wegens de inbreng de belasting is betaald;
  • b. de koper zelf de onroerende zaak of het schip heeft ingebracht.
Artikel 7.10
1.

Akten, die ten aanzien van gezamenlijk bezeten onroerende zaken of schepen de verklaring bevatten, dat daarvan de verdeling heeft plaats gehad, zonder opgaaf van al de verdeelde goederen, van haar waarde en van de wijze van verdeling, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk als akten van verdeling aangemerkt. De belasting is verschuldigd over de waarde van de onroerende zaken en schepen tenzij partijen de ontbrekende opgaven doen en aantonen dat geen of minder belasting verschuldigd is.

2.

De te veel geheven belasting wordt teruggegeven, indien de vereiste schriftelijke opgaven en gemelde aantoning alsnog geschieden binnen het jaar volgend op het jaar waarin de verdeling heeft plaatsgevonden.

Artikel 7.11
1.

Indien, met uitzondering van het geval van huwelijksgemeenschap, een aandeel in onroerende zaken of schepen ingevolge een overeenkomst tussen de deelgenoten bij uittreding uit de bestaande gemeenschap aan de overige deelgenoten verblijft tegen of zonder vergoeding aan de uitgetredene, is bij elk zodanig uittreden de belasting verschuldigd alsof het aandeel van de uitgetredene bij de uittreding aan de verkrijgers ware overgedragen.

2.

Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing indien bedoelde overeenkomst betrekking heeft op het geval van overlijden, doch slechts voor zover de belasting schuldig is over de waarde die aan de erfgenamen of rechtverkrijgenden van de overledene wordt vergoed.

Titel 4. Bedrag en grondslagen

Artikel 7.12

De belasting bedraagt 5 percent van de waarde van de onroerende zaak of het schip. De waarde is ten minste gelijk aan die van de tegenprestatie.

Artikel 7.13

Onder waarde wordt verstaan: waarde in het economische verkeer.

Artikel 7.14

In geval van overdracht binnen zes maanden na een vorige overdracht van dezelfde onroerende zaak of hetzelfde schip door een ander wordt de waarde verminderd met het bedrag waarover ter zake van de vorige overdracht overdrachtsbelasting of algemene bestedingsbelasting was verschuldigd, voor zover de algemene bestedingsbelasting niet ingevolge artikel 6.3, aanhef en onderdeel a, in aftrek is of kan worden gebracht.

Titel 5. Belastingschuld, voldoening, teruggave en verjaring

Artikel 7.15

De belasting wordt geheven van de verkrijger.

Artikel 7.16

De belasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.

Artikel 7.17
1.

Indien een overdracht of andere rechtshandeling, als bedoeld in dit hoofdstuk, onder een opschortende voorwaarde heeft plaatsgevonden, kan naar keuze van de verkrijger in plaats van voldoening als bedoeld in het artikel 7.16 en artikel 8.11, zekerheid voor de belasting worden gesteld ten genoege van de inspecteur.

2.

Indien de verkrijger kan bewijzen dat de in het vorige lid bedoelde opschortende voorwaarde niet is vervuld, wordt op zijn verzoek:

  • a. de zekerheid vrijgegeven en kan de voldoening als bedoeld in artikel 7.16 definitief achterwege blijven, of
  • b. indien geen zekerheid is gesteld, de belasting die ter zake is voldaan, teruggegeven.
Artikel 7.18

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld welke ertoe strekken, dat de belasting ter zake van een verkrijging waarvan een notariële akte is opgemaakt, wordt voldaan ter gelegenheid van de aanbieding van die akte ter registratie.

Artikel 7.19
1.

De verkrijger heeft een recht op teruggaaf van te zijner laste verschuldigde belasting indien:

  • a. een overeenkomst of rechtshandeling, waarvan de belasting is betaald, is vernietigd bij een rechterlijke uitspraak, die in kracht van gewijsde is gegaan;
  • c. gebleken is dat te veel of ten onrechte overdrachtsbelasting is betaald.
2.

Voor de in dit hoofdstuk bedoelde teruggaven moet belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, onder overlegging van een gewaarmerkt afschrift van de in dit artikel bedoelde uitspraak of vonnis of van andere bescheiden, een schriftelijk daartoe strekkend verzoek worden ingediend bij de inspecteur, die bij voor bezwaar vatbare beschikking op het verzoek tot teruggave beslist.

Artikel 7.20
1.

Het Rijk heeft voor de belasting en de boete een voorrecht gedurende twee jaren na de dagtekening van de akte of bij ontstentenis van een akte gedurende twee jaren volgend op het jaar waarin de overdracht heeft plaatsgevonden.

2.

Het in het eerste lid bedoelde voorrecht gaat boven hypotheek en alle andere voorrechten, met uitzondering van die van artikel 288, onder a, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.

Artikel 7.21

Het recht tot dwanginvordering van de belasting verschuldigd op een niet geregistreerde akte verjaart na twintig jaren na de dagtekening van deze akte. Als die dagtekening geldt de dagtekening van de akte, tenzij het tegendeel blijkt. Het recht tot dwanginvordering van de belasting van een niet geregistreerd vonnis verjaart na drie jaren na de dagtekening van het vonnis.

Titel 6. Bijzondere bepalingen

Artikel 7.22

De notarissen zijn niet verplicht hun diensten te verlenen voor het verlijden van akten, aan overdrachtsbelasting onderworpen, wanneer niet een voldoende som ter voldoening van de belasting in hun handen ter verrekening is gestort of voor de betaling van de belasting voldoende zekerheid is gesteld. Wat betreft de aan de belasting onderworpen overdrachten waarvoor vonnissen zijn gegeven, zijn de belanghebbenden verplicht tot gelijke storting als gemeld in handen van de griffier, uiterlijk op de voorlaatste werkdag van de termijn van registratie.

Artikel 7.23
1.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter zake van de registratie van akten, alsmede ter zake van daarmee samenhangende verplichtingen, verboden en aansprakelijkheids- en strafbepalingen.

2.

Op de aansprakelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.61 en 8.62 van overeenkomstige toepassing.

3.

Op een bij of krachtens het eerste lid strafbaar gesteld feit is titel 6 van hoofdstuk VIII van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.24

Bij ministeriële regeling kunnen:

  • a. regels worden gesteld welke tot vergemakkelijking van de heffing kunnen leiden;
  • b. andere in het kader van het hoofdstuk passende regels worden gesteld inzake de toepassing van dit hoofdstuk en ter aanvulling van de in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen.

Hoofdstuk VIIa. Kansspelbelasting

Titel 1. Belastingplicht

Artikel 7a.1

Onder de naam «kansspelbelasting» wordt een directe belasting geheven van:

  • b. degene die gelegenheid geeft tot deelname aan een binnenlands kansspel en aan wie daarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in de Loterijwet BES;
  • c. de gerechtigden tot de prijzen van binnenlandse kansspelen, niet zijnde kansspelen waarvoor degene, bedoeld in onderdeel a of b, gelegenheid biedt;
  • d. de op de BES eilanden wonende of gevestigde gerechtigden tot de prijzen van buitenlandse kansspelen.
Artikel 7a.2
1.

Onder kansspelen worden verstaan gelegenheden, gegeven tot mededinging naar:

  • a. prijzen en premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, met uitzondering van levensverzekeringen en premieleningen;
  • b. prijzen en premies, uitgeloofd ten behoeve van de deelnemers aan een prijsvraag van welke aard ook, tenzij een wetenschappelijke of kunstzinnige prestatie wordt gevorderd, dan wel een prestatie waarmee het algemeen maatschappelijk belang wordt gediend.
2.

Kansspelen worden als binnenlands beschouwd, indien zij worden gehouden door natuurlijke personen of door lichamen in de zin van artikel 1.3, onderdeel c, van deze wet, van wie een of meer op de BES eilanden wonen of zijn gevestigd.

3.

Kansspelen worden als buitenlands beschouwd, indien zij niet vallen onder het tweede lid.

Titel 2. Voorwerp van de belasting

Artikel 7a.3
1.

De belasting wordt geheven:

  • a. in de gevallen waarin artikel 7a.1, onderdeel a, van toepassing is, naar het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen, dan wel, zo een ander dan de belastingplichtige de prijzen ter beschikking stelt, naar hetgeen in een tijdvak ontvangen wordt voor het geven van gelegenheid tot deelneming aan kansspelen;
2.

Onder prijzen worden verstaan alle goederen waaraan in het economische verkeer waarde kan worden toegekend, welke aan de deelnemers van de kansspelen uit hoofde van hun deelneming toevallen.

3.

Voor zover de prijzen niet in geld bestaan, worden zij in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.

Titel 3. Vrijstellingen

Artikel 7a.4
1.

Indien artikel 7a.1, onderdeel b, c of d, van toepassing is, is van de belasting vrijgesteld:

  • a. de prijs welke niet meer bedraagt dan USD 600;
  • b. de prijs welke niet uitgaat boven de prestatie welke staat tegenover de deelneming uit hoofde waarvan aanspraak op de prijs bestaat.
2.

Alle prijzen uit loterijen en prijsvragen welke verschuldigd zijn door dezelfde schuldenaar en vallen op loten of onderdelen van loten op grond van dezelfde toevallige gebeurtenis, worden voor de toepassing van het eerste lid tezamen als één prijs beschouwd.

Titel 4. Tarief

Artikel 7a.5
1.

De belasting bedraagt 10 percent.

2.

Neemt, in het geval waarin artikel 7a.1, onderdeel c, van toepassing is, degene die de prijs verschuldigd is, de belasting voor zijn rekening, dan wordt voor het berekenen van de belasting de prijs met 100/90 vermenigvuldigd.

Titel 5. Wijze van heffing

Artikel 7a.6
1.

In de gevallen waarin artikel 7a.1, onderdeel a, van toepassing is, moet de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting op aangifte worden voldaan.

2.

De belasting is verschuldigd op de laatste dag van het tijdvak, bedoeld in artikel 7a.3, eerste lid, onderdeel a.

3.

Indien het in artikel 7a.3, eerste lid, onderdeel a, bedoelde verschil over een tijdvak negatief is, wordt het verrekend met het positieve verschil over een volgend tijdvak. De verrekening geschiedt in de volgorde waarin zich negatieve en positieve verschillen voordoen.

Artikel 7a.7

De belastingplichtige is gehouden volgens door Onze Minister te stellen regelen een register te houden en daarin de gegevens te boeken welke voor de heffing van de belasting van belang zijn.

Artikel 7a.8
1.

In de gevallen waarin artikel 7a.1, onderdeel b, van toepassing is, wordt de belasting geheven door inhouding op de prijs.

2.

Inhoudingsplichtige is de belastingplichtige, bedoeld in artikel 7a.1, onderdeel b, die de prijs verschuldigd is.

3.

De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de prijs ter beschikking is gesteld.

4.

De inhoudingsplichtige is verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen. Overtreft de belasting de prijs voor zover deze in geld bestaat, dan wordt het ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het in het derde lid omschreven tijdstip, met dien verstande dat de inhoudingsplichtige bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op de gerechtigde tot de prijs. De inhoudingsplichtige kan de afgifte van de prijs voor zover deze niet in geld bestaat opschorten tot voldoening van deze vordering plaatsvindt.

Artikel 7a.9
1.

De inhoudingsplichtige is gehouden volgens door Onze Minister te stellen regelen een register te houden en daarin de gegevens te boeken welke voor de heffing van de belasting van belang zijn.

2.

Degene bij wie de prijs is betaalbaar gesteld, is gehouden op verzoek van de gerechtigde tot de prijs aan hem volgens door Onze Minister te stellen regelen, zodra de prijs is uitbetaald, tegoedgeschreven, verrekend of afgegeven, een gedagtekende nota uit te reiken, waaruit van de inhouding blijkt.

Artikel 7a.10
1.

In de gevallen waarin artikel 7a.1, onderdeel c of d, van toepassing is, moet de belasting op aangifte worden voldaan.

2.

De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de prijs:

  • a. ontvangen of verrekend wordt, ter beschikking van de belastingplichtige wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel
  • b. vorderbaar en tevens inbaar wordt.

Hoofdstuk VIII. Formeel belastingrecht en invordering van bes belastingen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 8.1
1.

De bevoegdheid van een directeur, inspecteur of ontvanger is niet bepaald naar de geografische indeling van het Rijk.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de hoofdlijnen van de inrichting van de rijksbelastingdienst en omtrent de functionaris, bedoeld in het eerste lid, onder wie de belastingplichtige en de belastingschuldige ressorteren.

Artikel 8.2
1.

De vaststelling van een belastingaanslag geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag. De inspecteur stelt het aanslagbiljet ter invordering van de daaruit blijkende belastingaanslag aan de ontvanger ter hand.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het door de inspecteur nemen van een beschikking of het doen van uitspraak strekkende tot – al dan niet nadere – vaststelling van een ingevolge de belastingwet verschuldigd of terug te geven bedrag.

3.

De inspecteur vermeldt op het aanslagbiljet of in de kennisgeving van de beschikking of uitspraak in ieder geval de termijn of de termijnen waarbinnen het verschuldigde of terug te geven bedrag moet worden betaald.

Titel 2. Wijze van heffing

Afdeling 1. De aangifte

Artikel 8.3. Aangifte, uitnodiging op verzoek
1.

Met betrekking tot de BES belastingen kan de inspecteur degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is uitnodigen tot het doen van aangifte. Worden door deze wet aangelegenheden van een derde aangemerkt als aangelegenheden van degene die vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is, dan kan de inspecteur ook die derde uitnodigen tot het doen van aangifte.

2.

Degene die een daartoe strekkend verzoek bij de inspecteur indient, wordt in elk geval uitgenodigd tot het doen van aangifte.

3.

In de uitnodiging tot het doen van aangifte wordt opgave verlangd van gegevens en kan overlegging of toezending worden gevraagd van bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn.

4.

Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden.

5.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald:

  • a. voor welke belastingen of groepen van belastingplichtigen of inhoudingsplichtigen het doen van aangifte uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden; en
  • b. onder welke voorwaarden hiervan door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking ontheffing kan worden verleend.
Artikel 8.4. Aangifteplicht, heffing bij wege van aanslag
1.

Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven, moet het aangiftebiljet binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste twee maanden na uitreiking van het biljet bij de inspecteur worden ingeleverd.

2.

De inspecteur maant, na verloop van de in het eerste lid bedoelde termijn, de belastingplichtige aan binnen een door hem te stellen termijn van ten minste vijf werkdagen aangifte te doen, tenzij uitstel voor het doen van aangifte overeenkomstig artikel 8.6 is verleend.

3.

Bij de inlevering van het aangiftebiljet wordt op verzoek een ontvangstbewijs afgegeven.

4.

De belastingplichtige aan wie niet binnen zes maanden na het ontstaan van de belastingschuld een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden binnen vijftien dagen na afloop van deze termijn de inspecteur te verzoeken een aangiftebiljet uit te reiken.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat over dat tijdvak, na verrekening van voorheffingen, geen belasting verschuldigd is of geen aanslag zal worden opgelegd.

Artikel 8.5. Aangifteplicht, heffing door voldoening of afdracht
1.

Met betrekking tot belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, moet de aangifte worden gedaan bij de inspecteur.

2.

Heeft de aangifte betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een termijn van vijftien dagen na het einde van dat tijdvak. Heeft de aangifte betrekking op een tijdstip, dan wordt zij gedaan binnen een termijn van vijftien dagen na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

3.

De belastingplichtige dan wel inhoudingsplichtige aan wie niet reeds een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald de inspecteur te verzoeken een aangiftebiljet uit te reiken.

4.

De directeur kan bepalen onder welke voorwaarden het aangiftebiljet bij de ontvanger kan worden ingediend.

Artikel 8.6. Uitstel indiening
1.

De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden uitstel verlenen voor het indienen van het aangiftebiljet. Uitstel wordt niet langer verleend dan tot achttien maanden na de datum waarop de belastingschuld is ontstaan.

2.

In afwijking van hetgeen in deze wet is bepaald, is de belastingplichtige die voornemens is de BES eilanden metterwoon te verlaten dan wel voornemens is zijn plaats van vestiging over te brengen naar een niet op de BES eilanden gelegen plaats, verplicht terstond aangifte te doen voor de inkomstenbelasting, bedoeld in de Wet inkomstenbelasting BES, de opbrengstbelasting en de algemene bestedingsbelasting tot het einde van de belastingplicht.

Afdeling 2. Heffing bij wege van aanslag

Artikel 8.7. Afwijken van aangifte, aanslagtermijn
1.

De aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur.

2.

De inspecteur kan bij het vaststellen van de aanslag van de aangifte gemotiveerd afwijken, alsmede bij het ontbreken van de aangifte de aanslag ambtshalve vaststellen.

3.

De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd. Indien binnen zes maanden voor het einde van de termijn een verzoek als bedoeld in artikel 8.3, tweede lid, wordt gedaan, of gegevens worden verstrekt zonder een aan die verstrekking van gegevens voorafgaande uitnodiging tot het doen van aangifte en die gegevens ook en op dezelfde wijze zouden moeten worden verstrekt in geval van een aan die verstrekking van gegevens voorafgaande uitnodiging tot het doen van aangifte, wordt die termijn met zes maanden verlengd.

4.

Een belastingschuld waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, wordt geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak of de belastingplicht eindigt.

Artikel 8.8. Voorlopige aanslag
1.

De inspecteur kan, ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, na aanvang van het belastingtijdvak aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld.

2.

De voorlopige aanslag blijft beperkt tot het bedrag waarmee de aanslag vermoedelijk de voorheffingen te boven zal gaan.

3.

Een voorlopige aanslag kan worden gevolgd door één of meer voorlopige aanslagen.

4.

De voorlopige aanslag en de voorheffingen worden verrekend met de aanslag.

5.

Een voorlopige aanslag kan de inspecteur ook opleggen aan niet op de BES eilanden wonende of gevestigde belastingplichtigen, die slechts tijdelijk op de BES eilanden een bedrijf of beroep uitoefenen.

6.

Een voorlopige aanslag kan direct na het ontstaan van de belastingschuld of, bij tijdvak- belastingen, direct na aanvang van het tijdvak, altijd worden opgelegd tot het bedrag dat de inspecteur juist voorkomt indien:

  • a. de belastingplichtige in staat van faillissement is verklaard of, indien sprake is van een lichaam, in geval van ontbinding, beëindiging of vereffening ervan;
  • b. de belastingplichtige de BES eilanden metterwoon wil verlaten dan wel zijn plaats van vestiging wil overbrengen naar een plaats niet op de BES eilanden;
  • c. het bedrijf van de belastingplichtige wordt gestaakt of aanmerkelijk wordt ingekrompen, of de belastingplichtige op de BES eilanden gelegen onroerende goederen of daarop gevestigde rechten vervreemdt.
7.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid nadere regels worden vastgesteld.

Artikel 8.9. Besluit geen aanslag

De inspecteur neemt het besluit om aan hem die aangifte heeft gedaan, geen aanslag op te leggen, bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 8.10. Navordering
1.

Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

2.

Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:

  • a. een voorlopige aanslag, een voorheffing, of een voorlopige teruggaaf ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend;
  • b. een bij de belastingplichtige in aanmerking te nemen bestanddeel van het voorwerp van enige belasting ten onrechte in aanmerking is genomen bij hem of bij zijn echtgenoot;
3.

De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 8.7, vierde lid, is hierbij van toepassing. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd.

4.

Indien te weinig belasting is geheven over het bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, vervalt, in afwijking van het derde lid, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

5.

Indien binnen zes maanden voor het einde van de termijn, bedoeld in het derde lid, eerste zin, of van de termijn, bedoeld in het vierde lid, gegevens worden verstrekt zonder een aan die verstrekking van gegevens voorafgaande uitnodiging tot het doen van aangifte en die gegevens ook en op dezelfde wijze zouden moeten worden verstrekt in geval van een aan die verstrekking van gegevens voorafgaande uitnodiging tot het doen van aangifte, wordt die verstrekking van gegevens aangemerkt als het op uitnodiging doen van aangifte, bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, en wordt de termijn met zes maanden verlengd.

Afdeling 3. Heffing bij wege van voldoening en afdracht op aangifte

Artikel 8.11. Verplichting, voldoening of afdracht op aangifte
1.

In geval de belastingwet voldoening van in een tijdvak verschuldigde belasting dan wel afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting voorschrijft, is de belastingplichtige dan wel de inhoudingsplichtige gehouden binnen vijftien dagen na afloop van dat tijdvak de belasting overeenkomstig de aangifte te betalen bij de ontvanger.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald, waarbij tevens regels kunnen worden gesteld volgens welke in de loop van dat tijdvak één of meer voorlopige betalingen moeten worden gedaan.

3.

In geval over een belastingtijdvak geen belasting is verschuldigd, moet aangifte worden gedaan bij de inspecteur binnen vijftien dagen na het einde van dat tijdvak.

4.

In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen vijftien dagen na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

5.

Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de in het eerste en in het vierde lid genoemde termijn van vijftien dagen met de duur van dit uitstel verlengd.

Artikel 8.12. Naheffing
1.

De inspecteur kan, indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen niet of niet volledig is betaald, de niet of te weinig betaalde belasting naheffen.

2.

Met niet of niet volledig betaald zijn als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend.

3.

De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd.

4.

De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.

Titel 2. Heffing van BES belastingen

Afdeling 1. De aangifte

Artikel 8.13. Volmacht, weigeren vertegenwoordiging
1.

Vertegenwoordiging is mogelijk op grond van schriftelijke volmacht. Op vordering van de inspecteur dient het stuk waaruit van de volmacht blijkt, te worden overgelegd.

2.

Degene die is opgeroepen om mondeling aan de inspecteur inlichtingen en gegevens te verstrekken, en zich doet vertegenwoordigen, is gehouden op vordering van de inspecteur zijn vertegenwoordiger te vergezellen.

3.

De inspecteur kan de vertegenwoordiging door een bepaalde persoon gemotiveerd weigeren.

Artikel 8.14. Vertegenwoordiging
1.

De bevoegdheden en de verplichtingen van een minderjarige, een onder curatele gestelde of iemand die in staat van faillissement is verklaard, of wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden uitgeoefend en nagekomen door hun wettelijke vertegenwoordiger, curator of bewindvoerder. Desgevorderd zijn laatstgenoemden tot nakoming van die verplichtingen gehouden.

2.

De bevoegdheden van een lichaam kunnen worden uitgeoefend en zijn verplichtingen kunnen worden nagekomen door iedere bestuurder. Desgevorderd is ieder van hen tot nakoming van die verplichtingen gehouden.

3.

Indien iemand is overleden, kunnen de erfgenamen in het uitoefenen van de bevoegdheden en het nakomen van de verplichtingen welke de overledene zou hebben gehad, als hij in leven was gebleven, worden vertegenwoordigd door één hunner, de executeurtestamentair, de bewindvoerder of de curator over de nalatenschap. Desgevorderd is ieder van de genoemde personen tot nakoming van die verplichtingen gehouden.

4.

Stukken betreffende belastingaangelegenheden van een overledene kunnen worden gericht aan een van de in het derde lid genoemde personen.

5.

Ieder, die op de BES eilanden in dienst is van – of werkzaam is ten behoeve van – vennootschappen, verenigingen, maatschappijen, stichtingen of lichamen, als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel c, of een ieder die bij ontbinding of vereffening, met de vereffening is belast, kan, na in de gelegenheid te zijn gesteld om van zijn bezwaren te doen blijken, door de inspecteur worden aangewezen als hun vertegenwoordiger.

Artikel 8.15. Uitsluiting vertegenwoordiging

De inspecteur kan vertegenwoordiging uitsluiten in de nakoming van een verplichting van degene die zelf tot nakoming in staat is.

Artikel 8.16. Niet voor strafvervolging

De bepalingen van deze afdeling gelden niet met betrekking tot strafvordering.

Afdeling 2. Heffing bij wege van aanslag

Artikel 8.17. Domiciliekeuze

In bezwaar- en beroepschriften is degene die niet op de BES eilanden een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, verplicht domicilie kiezen op de BES eilanden.

Artikel 8.18. Geen vaste woon- of vestigingsplaats

Ingeval ingevolge de belastingwet een aangiftebiljet of ander stuk moet worden uitgereikt aan degene die niet op de BES eilanden een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan die uitreiking ook geschieden:

  • a. middels bezorging of afgifte bij de op de BES eilanden gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep;
  • b. aan de woning of het kantoor van zijn op de BES eilanden wonende of gevestigde vertegenwoordiger.

Afdeling 3. Toekenning van bevoegdheden

Artikel 8.19. Hardheidsclausule

Onze Minister is bevoegd:

  • a. bij ministeriële regeling nadere regels te geven ter uitvoering van de belastingwet;
  • b. voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen.
Artikel 8.20. Ambtshalve vermindering
1.

Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de inspecteur ambtshalve worden verminderd. Een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf kan door hem ambtshalve worden verleend.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die een onjuist bedrag op aangifte heeft voldaan of afgedragen, of van wie een onjuist bedrag is ingehouden.

3.

De termijn waarbinnen de belanghebbende aanspraak kan maken op het ambtshalve verlenen van vermindering van een onjuiste belastingaangifte of beschikking of op het ambtshalve verlenen van een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf vervalt:

  • a. voor aanslagbelastingen: door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag, onderscheidenlijk de vermindering, de ontheffing of de teruggaaf, betrekking heeft, waarbij voor afwijkende tijdvakken deze termijn gaat lopen na afloop van het boekjaar of belastingtijdvak, terwijl voor tijdstipbelastingen de termijn gaat lopen na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan;
  • b. voor aangiftebelastingen: door verloop van vijf jaar na het einde van het belastingjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of waarop de vermindering, de ontheffing of de teruggaaf betrekking heeft.
4.

Tenzij is gebleken in hoeverre de belastingaanslag of de beschikking onjuist is, verleend de inspecteur geen vermindering, ontheffing of teruggaaf als een verzoek om vermindering of teruggaaf betrekking heeft op een belastingaanslag, onderscheidenlijk een beschikking, waarvoor:

  • a. de vereiste aangifte niet is gedaan; of
  • b. niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 8.13, tweede lid, 8.83, 8.84, 8.86, 8.87 en 8.87a voor zover het verplichtingen van administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen.

Afdeling 3. Heffing bij wege van voldoening en afdracht op aangifte

Artikel 8.21. Geheimhouding
1.

Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige BES belasting.

2.

De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:

  • a. enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
  • b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;
  • c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.
3.

Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.

Titel 3. Bijzondere bepalingen voor de belastingheffing

Afdeling 1. Vertegenwoordiging

Artikel 8.22. Verzuim aangifte doen
1.

Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 8.4, tweede lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste USD 1 400 kan opleggen.

2.

Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 8.5, tweede lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste USD 1 400 kan opleggen.

3.

De bevoegdheid tot het opleggen van een boete wegens het niet dan wel niet tijdig doen van de aangifte vervalt door het verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden gedaan.

Artikel 8.23. Verzuim voldoening of afdracht op aangifte
1.

Indien de belastingplichtige of inhoudingsplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 8.11, eerste lid, gestelde termijn heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste USD 5 600 kan opleggen.

2.

Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.

3.

De bevoegdheid tot het opleggen van de in het eerste lid bedoelde boete vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

4.

Artikel 8.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.24. Verzuim verstrekken opgave werknemers en niet-werknemers
1.

Indien de administratieplichtige niet, niet tijdig of niet volledig de opgave, bedoeld in artikel 8.87, tweede en derde lid, verstrekt, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste USD 2 800 kan opleggen.

2.

De bevoegdheid tot het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de opgave, bedoeld in artikel 8.87, tweede en derde lid, had moeten worden verstrekt.

Artikel 8.25. Vergrijp aanslagbelastingen
1.

Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag te laag is vastgesteld dan wel anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

2.

De grondslag voor de boete is:

  • a. het bedrag van de navorderingsaanslag, dan wel
  • b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag waarop de navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen;

een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige niet zou zijn geheven.

3.

De inspecteur kan, in afwijking van het eerste lid, binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag een boete opleggen indien de feiten of omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend worden binnen zes maanden vóór de afloop van de in artikel 8.10, derde en vierde lid, bedoelde termijn en er tevens aanwijzingen zijn dat het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld dan wel anderszins te weinig belasting is geheven. In dat geval doet de inspecteur vóór of gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mededeling aan de belastingplichtige dat wordt onderzocht of in verband met de navordering het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.

4.

Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als gevolg daarvan geen navorderingsaanslag kan worden vastgesteld, kan de inspecteur de boete, bedoeld in het eerste lid, niettemin opleggen. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door het verloop van de termijn die geldt voor het vaststellen van de navorderingsaanslag, die zou kunnen zijn vastgesteld indien geen verliezen in aanmerking zouden zijn genomen.

Artikel 8.26. Vergrijp aangiftebelastingen
1.

Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

2.

De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald.

3.

Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.

4.

De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens niet tijdig betalen, vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

5.

Artikel 8.25, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

6.

Artikel 8.12, tweede lid, en derde lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2. Domiciliekeuze

Artikel 8.27. Aankondiging vergrijpboete
1.

Alvorens een vergrijpboete op te leggen, stelt de inspecteur de belastingplichtige of inhoudingsplichtige in kennis van zijn voornemen daartoe, onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

2.

De inspecteur stelt de belastingplichtige of inhoudingsplichtige in de gelegenheid binnen een door hem daarvoor te stellen termijn van ten minste twee weken de in die kennisgeving vermelde gronden gemotiveerd te betwisten.

3.

Indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste of tweede lid, heeft dat niet de nietigheid van de boete tot gevolg.

Artikel 8.28. Boete bij beschikking
1.

De inspecteur legt de boete op bij voor bezwaar vatbare beschikking.

2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 8.27, eerste en tweede lid, stelt de inspecteur de belastingplichtige of inhoudingsplichtige, uiterlijk bij de in het eerste lid bedoelde beschikking, in kennis van de gronden waarop de oplegging van de boete berust.

3.

Op verzoek van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige die de kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de inspecteur er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

4.

Indien de boete gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van een belastingaanslag, wordt het bedrag van de boete afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld.

5.

De boete wordt ingevorderd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de invordering van de belasting ter zake waarvan de boete is opgelegd.

Artikel 8.29. Verplichtingen gelden mede voor boeteoplegging

Titel 7 van dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing bij het opleggen van bestuurlijke boeten, met dien verstande dat de belastingplichtige of inhoudingsplichtige tegen wie het onderzoek naar de oplegging van een bestuurlijke boete is gericht slechts gehouden is toe te laten dat de inspecteur gegevensdragers of de inhoud daarvan raadpleegt dan wel toegang te verlenen tot gebouwen of gronden.

Artikel 8.30. Zwijgrecht

Indien de inspecteur jegens de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is, voor zoveel nodig in afwijking van titel 7, de belastingplichtige onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring af te leggen voor zover het betreft de boete-oplegging.

Artikel 8.31. Verhoor
1.

De inspecteur kan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige ten aanzien van wie de redelijke verwachting bestaat dat hem een vergrijpboete kan worden opgelegd, oproepen voor een verhoor. In deze oproep deelt de inspecteur hem mee dat hij zich desgewenst kan doen bijstaan.

2.

Voordat het verhoor aanvangt, deelt de inspecteur de belastingplichtige of inhoudingsplichtige mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

3.

De inspecteur kan op verzoek van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige die het Nederlands, Papiaments of Engels onvoldoende begrijpt, toestaan dat deze zich tijdens het verhoor door een tolk laat bijstaan.

Artikel 8.32. Inzage

De inspecteur stelt de belastingplichtige of inhoudingsplichtige op diens verzoek in de gelegenheid inzage te nemen in, dan wel kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels te vervaardigen van de gegevensdragers waarop het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete berust.

Artikel 8.33. Inkeerbepaling

Ingeval een belastingplichtige of inhoudingsplichtige alsnog een juiste en volledige aangifte doet dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt in plaats van een vergrijpboete een verzuimboete opgelegd van ten hoogste 15% van de belasting die op grond van de juiste en volledige aangifte of juiste en volledige inlichtingen is verschuldigd.

Artikel 8.34. Samenloop boete en strafrechterlijke uitspraak
1.

Een opgelegde boete vervalt indien de belastingplichtige of inhoudingsplichtige wegens het vergrijp op grond waarvan de boete verschuldigd is, bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vrijgesproken, ontslagen van rechtsvervolging of veroordeeld.

2.

De inspecteur legt een in deze afdeling bedoelde vergrijpboete niet op voor zover het niet aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

3.

Ingeval na het opleggen van een vergrijpboete blijkt dat de grondslag daarvoor ontbreekt maar wel een grondslag aanwezig is voor een verzuimboete, kan deze lagere boete daarvoor in de plaats worden gesteld. De reeds opgelegde boete wordt dan verminderd tot het bedrag van de verzuimboete.

Artikel 8.35. Geen boete na overlijden
1.

Geen boete wordt opgelegd aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige die is overleden.

2.

Indien een boete op het tijdstip van het overlijden van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet onherroepelijk vaststaat, vernietigt de inspecteur de beschikking waarbij de boete is opgelegd op verzoek van een belanghebbende bij beschikking.

Artikel 8.36. Evenredige vermindering

Indien de grondslag voor een boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting, wordt de opgelegde boete naar evenredigheid verlaagd bij vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding van belasting, voor zover deze vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding het bedrag betreft waarover de boete is berekend.

Artikel 8.37. Anderen dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van anderen dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige aan wie ingevolge de belastingwet een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

Titel 5. De invordering van bes belastingen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 8.38. Taken en bevoegdheden ontvanger
1.

De ontvanger is belast met de invordering van BES belastingen.

2.

Naast de bevoegdheden die de ontvanger heeft ingevolge deze wet beschikt hij ook over de bevoegdheden die een schuldeiser heeft op grond van enige andere wettelijke bepaling.

Artikel 8.39. Kosten
1.

De kosten van vervolging zijn ten laste van degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de kosten van vervolging worden bepaald.

Artikel 8.40. Toerekening van betalingen

De toerekening en afschrijving van de betalingen of van de tot verhaal van het verschuldigde ontoereikende opbrengst bij uitwinning geschiedt in de volgende orde:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)