Wet van 16 december 2010 houdende vaststelling van de Wet Belastingwet BES (Belastingwet BES)
De opgeroepen getuige en de deskundige of de tolk die zijn benoeming heeft aanvaard en door het Gerecht in eerste aanleg wordt opgeroepen, zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven. In de oproeping van de deskundige wordt vermeld de opdracht die moet worden vervuld, en de plaats en het tijdstip waarop de opdracht moet worden vervuld.
Namen en woonplaatsen van de opgeroepen getuigen en deskundigen en de feiten waarop het horen betrekking zal hebben onderscheidenlijk de opdracht die moet worden vervuld, worden bij de uitnodiging, bedoeld in artikel 8.107, aan partijen zo veel mogelijk medegedeeld.
Alvorens zijn taak te aanvaarden legt de deskundige of tolk de eed of belofte af, dat hij de hem opgedragen werkzaamheden eerlijk, nauwgezet en naar beste weten zal verrichten en geheim zal houden, wat geheim behoort te blijven.
Aan door het Gerecht in eerste aanleg opgeroepen deskundigen en tolken worden een vergoeding toegekend volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
Artikel 8.110. Getuigen en deskundigen van partijen
Partijen kunnen getuigen en deskundigen meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit oproepen, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan het Gerecht in eerste aanleg mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8.107, gewezen.
Het Gerecht in eerste aanleg kan afzien van het horen van door een partij meegebrachte of opgeroepen getuigen en deskundigen indien hij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
Artikel 8.111. Schorsing, sluiting en heropening van het onderzoek
Het Gerecht in eerste aanleg kan het onderzoek ter zitting schorsen. Indien bij de schorsing geen tijdstip van een nadere zitting is bepaald, bepaalt het Gerecht in eerste aanleg dit zo spoedig mogelijk. Artikel 8.107, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het Gerecht in eerste aanleg sluit het onderzoek, wanneer hij van oordeel is dat het is voltooid.
Zodra het onderzoek is gesloten, deelt de voorzitter mee wanneer uitspraak gedaan zal worden.
Indien het Gerecht in eerste aanleg van oordeel is dat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest, kan hij het onderzoek heropenen. Het Gerecht in eerste aanleg bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet.
De griffier doet zo spoedig mogelijk mededeling aan partijen van de heropening van het onderzoek en de wijze waarop dit wordt voortgezet.
Artikel 8.112. Schriftelijke uitspraak
Tenzij mondeling uitspraak wordt gedaan, doet het Gerecht in eerste aanleg binnen zes weken na de sluiting van het onderzoek schriftelijk uitspraak. In bijzondere omstandigheden kan het Gerecht in eerste aanleg deze termijn met ten hoogste zes weken verlengen, van welke verlenging mededeling wordt gedaan aan partijen.
De schriftelijke uitspraak vermeldt:
- a. de namen van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden;
- b. de gronden van de beslissing;
- c. de beslissing;
- d. de naam van de rechter of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld; en
- e. de dag waarop de beslissing is uitgesproken.
De uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.
Het Gerecht in eerste aanleg spreekt de beslissing, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, in het openbaar uit, in tegenwoordigheid van de griffier.
Artikel 8.113. Mondelinge uitspraak
Het Gerecht in eerste aanleg kan na de sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak doen. De uitspraak kan voor ten hoogste twee weken worden verdaagd onder aanzegging aan partijen van het tijdstip van de uitspraak.
De mondelinge uitspraak bestaat uit de beslissing en de gronden van de beslissing.
Van de mondelinge uitspraak wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
Het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal vermeld.
Het Gerecht in eerste aanleg spreekt de beslissing, bedoeld in het tweede lid, in het openbaar uit, in tegenwoordigheid van de griffier.
Artikel 8.114. Omkering bewijslast
Indien het beroep is gericht tegen een belastingaanslag met betrekking tot welke ten onrechte de vereiste aangifte niet is gedaan, of niet volledig is voldaan aan de verplichting ingevolge de artikelen 8.83, 8.84 en 8.86 verklaart het Gerecht in eerste aanleg het beroep tegen de belastingaanslag ongegrond, tenzij gebleken is dat, en zo ja in hoeverre, de uitspraak op bezwaar onjuist is.
Artikel 8.115a. Proceskostenveroordeling
Het Gerecht in eerste aanleg is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij het Gerecht in eerste aanleg en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 8.95, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Een natuurlijk persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in het eerste lid uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
Artikel 8.115b. Schadevergoeding
Indien het Gerecht in eerste aanleg het beroep gegrond verklaart, kan hij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.
Indien het Gerecht in eerste aanleg de omvang van de schadevergoeding bij zijn uitspraak niet of niet volledig kan vaststellen, bepaalt hij in zijn uitspraak dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover de behandeling van de zaak wordt heropend. Het Gerecht in eerste aanleg bepaalt daarbij op welke wijze de behandeling wordt voortgezet.
Artikel 8.116. Toezending afschrift
Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak zendt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan partijen.
Afdeling 4. Beroep op een ander college
Artikel 8.117. Bevoegdheid in burgerlijke en strafzaken
Alle rechtsvorderingen tot betaling van belastingen, alsmede alle strafvervolgingen wegens misdrijven in belastingzaken behoren tot de kennisneming van de rechter in eerste aanleg op de zittingsplaats, waar de ontvanger waaronder de belastingschuldige ressorteert is gevestigd of het misdrijf is gepleegd en in hoger beroep tot de kennisneming van het Hof.
Artikel 8.118. Toepasselijk recht
Behoudens de bepalingen van deze wet worden burgerlijke rechtsvorderingen behandeld overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, strafvervolgingen overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering BES.
Artikel 8.119. Maximum
Waar in wettelijke regelingen ten aanzien van belastingen, bijdragen en vergoedingen op de overtreding een geldboete tot een bepaald bedrag als straf is gesteld, geldt dit bedrag voor de toepassing van artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES als het daar bedoelde maximum.
Titel 9. Bepalingen van internationaal recht
Afdeling 1. Voorkoming van dubbele belasting
Artikel 8.120. Voorkoming van dubbele belasting. Andere staten.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld, waardoor in aansluiting aan de desbetreffende bepalingen voorkomende in de wetgeving van een ander deel van het Koninkrijk of van een andere staat dan wel in de besluiten van een volkenrechtelijke organisatie, dubbele belasting geheel of gedeeltelijk wordt voorkomen.
Artikel 8.121. Voorkoming van dubbele belasting. Nederland
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter voorkoming van dubbele belasting in gevallen waarin daaromtrent niet op andere wijze is voorzien, regels worden gesteld teneinde gehele of gedeeltelijke vrijstelling of vermindering te verlenen van de belasting die betrekking heeft op inkomen of vermogen uit Nederland.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overlegd.
Artikel 8.122. Diplomatieke, consulaire en andere vertegenwoordigers
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waardoor ten aanzien van op de BES eilanden wonende diplomatieke, consulaire en andere vertegenwoordigers van een vreemde Mogendheid alsmede hun gezinsleden, de hun toegevoegde ambtenaren en de bij hen inwonende in hun dienst zijnde personen vrijstelling van belasting wordt verleend.
Artikel 8.123. Internationale organisaties
Indien een gedeelte van een inkomen wordt genoten van een internationale organisatie en dit gedeelte ingevolge bepalingen van internationaal recht van de heffing van belasting op de BES eilanden is vrijgesteld, wordt behoudens voor zover bij die bepalingen een nadere wijze van berekenen is voorgeschreven, de inkomstenbelasting verschuldigd over het overige gedeelte van het inkomen gesteld op het verschil tussen de belasting berekend zonder inachtneming van de vrijstelling en de belasting welke volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels aan het vrijgestelde gedeelte van het inkomen dient te worden toegerekend.
Afdeling 2. Internationale bijstandsverlening
Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Artikel 8.124. Reikwijdte
De bepalingen van deze afdeling strekken tot uitvoering van regelingen van internationaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede renten daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden.
Deze afdeling is tevens van toepassing op het verzoek tot het verlenen van wederzijdse bijstand van een bevoegde autoriteit van een andere staat voor zover Nederland met die staat een regeling is overeengekomen die voorziet in het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing, alsmede renten daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden.
Paragraaf 2. Vormen van door de BES eilanden te verlenen bijstand
Artikel 8.125. Op verzoek verstrekken van inlichtingen
Op verzoek van een bevoegde autoriteit kan Onze Minister haar de inlichtingen verstrekken waarom zij vraagt en die voor haar van belang kunnen zijn bij de heffing van belastingen, alsmede renten of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden.
Artikel 8.126. Automatisch verstrekken van inlichtingen
Onze Minister kan in overleg met een bevoegde autoriteit gevallen of groepen van gevallen aanwijzen in welke hij zonder voorafgaand verzoek inlichtingen zal verstrekken, alsmede de voorwaarden bepalen waaronder de verstrekking zal geschieden.
Artikel 8.127. Spontaan verstrekken van inlichtingen
Onze Minister kan een bevoegde autoriteit uit eigen beweging inlichtingen verstrekken die voor haar van belang kunnen zijn bij de bepaling van een belastingschuld in de gevallen waarin:
- a. vermoed wordt dat in de staat van de bevoegde autoriteit ten onrechte een vermindering, ontheffing, teruggaaf of vrijstelling van belasting zou worden verleend dan wel heffing van belasting ten onrechte achterwege zou blijven ingeval de inlichtingen niet zouden zijn verstrekt;
- b. op de BES eilanden een vermindering, ontheffing, teruggaaf of vrijstelling van belasting is verleend die van invloed kan zijn op de belastingheffing in de staat van die bevoegde autoriteit;
- c. op de BES eilanden rechtshandelingen of andere handelingen zijn verricht met het doel de heffing van belasting in de staat van de bevoegde autoriteit geheel of ten dele onmogelijk te maken;
- d. zulks overigens naar het oordeel van Onze Minister is geboden.
Paragraaf 3. Notificatie van stukken
Artikel 8.128. Notificatie
Op verzoek van een bevoegde autoriteit van een staat kan Onze Minister overgaan tot de notificatie van stukken.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder de notificatie van stukken verstaan de uitreiking aan de geadresseerde op de BES eilanden van een door een administratieve autoriteit van een staat uitgevaardigd document, houdende een akte of beslissing, inzake de heffing van belastingen, alsmede renten of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de notificatie van stukken en de behandeling van het verzoek daartoe.
Paragraaf 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
Artikel 8.129. Onderzoek
Onze Minister laat door een ambtenaar van de rijksbelastingdienst zo nodig een onderzoek instellen ten behoeve van het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in de artikelen 8.125, 8.126 of 8.127.
Een onderzoek als bedoeld in het eerste lid kan ook plaatsvinden op verzoek van een bevoegde autoriteit van een staat. In voorkomend geval deelt Onze Minister deze bevoegde autoriteit mee op welke gronden hij een onderzoek niet noodzakelijk acht.
Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek zijn de bepalingen van Titel 7 van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden administratieplichtigen aangewezen die gehouden zijn eigener beweging bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen te verstrekken aan Onze Minister met het oog op de uitvoering van regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing en invordering van belastingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de in de eerste volzin bedoelde gegevens en inlichtingen aan Onze Minister dienen te worden verstrekt.
Geen beroep kan worden ingesteld tegen de aankondiging van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, alsmede tegen het onderzoek zelve.
Artikel 8.130. Gelijktijdig onderzoek
Onze Minister kan met één of meer bevoegde autoriteiten van een staat overeenkomen om gelijktijdig, elk op het eigen grondgebied, bij één of meer personen ten aanzien van wie zij een gezamenlijk of complementair belang hebben, controles te verrichten en de aldus verkregen inlichtingen uit te wisselen.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende het gelijktijdige onderzoek en de behandeling van een voorstel daartoe.
Artikel 8.131. Aanwezigheid buitenlandse ambtenaar
Onze Minister kan met een bevoegde autoriteit van een staat overeenkomen dat, ter uitwisseling van inlichtingen in het kader van de in artikel 8.124 bedoelde wederzijdse bijstand, door de bevoegde autoriteit van een staat gemachtigde ambtenaren onder de door Onze Minister gestelde voorwaarden:
- a. aanwezig kunnen zijn in de kantoren van de ambtenaren van de rijksbelastingdienst op de BES eilanden;
- b. aanwezig kunnen zijn bij onderzoeken die op de BES eilanden worden uitgevoerd.
Indien de verlangde inlichtingen vermeld staan in bescheiden waartoe de ambtenaren, bedoeld in onderdeel a, toegang hebben, ontvangen de ambtenaren van de bevoegde autoriteit van de staat een afschrift van die bescheiden.
In de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister toestaan dat ambtenaren van de bevoegde autoriteit van die staat op de BES eilanden personen kunnen ondervragen en bescheiden kunnen onderzoeken.
De door een bevoegde autoriteit van een staat gemachtigde ambtenaren die op de BES eilanden aanwezig zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waaruit hun identiteit en hun officiële hoedanigheid blijkt.
Artikel 8.132. Aanwezigheid ambtenaar BES
Onze Minister en een bevoegde autoriteit van een staat kunnen overeenkomen dat, in het kader van het verstrekken van inlichtingen aan de BES eilanden, door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de rijksbelastingdienst onder de door de bevoegde autoriteit van een staat gestelde voorwaarden:
- a. aanwezig kunnen zijn in de kantoren waar de ambtenaren van de bevoegde autoriteit van een staat hun taken vervullen;
- b. aanwezig kunnen zijn bij administratief onderzoek dat wordt uitgevoerd op het grondgebied van de bevoegde autoriteit van een staat.
Voor zover het in de staat van de bevoegde autoriteit wettelijk is toegestaan, kunnen in het kader van de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, de bij een administratief onderzoek aanwezige ambtenaren van de rijksbelastingdienst, personen ondervragen en bescheiden onderzoeken.
Ambtenaren van de rijksbelastingdienst, die overeenkomstig het eerste lid op het grondgebied van de bevoegde autoriteit van een staat aanwezig zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waaruit hun identiteit en hun officiële hoedanigheid blijkt.
Artikel 8.133. Strafrechtelijke bepaling
Titel 6 van dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 8.129 en 8.133a en de daarop berustende bepalingen en artikel 8.133b.
Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Artikel 8.134. Begrenzingen verlenen bijstand
Onze Minister verstrekt geen inlichtingen indien de verstrekking daarvan niet strekt tot uitvoering van regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede renten daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden.
Onze Minister behoeft geen inlichtingen te verstrekken indien:
- a. de openbare orde van de BES eilanden zich daartegen verzet;
- b. die inlichtingen op de BES eilanden krachtens wettelijke bepalingen of op grond van de administratieve praktijk niet zouden kunnen worden verkregen voor de heffing en invordering belastingen, alsmede voor de renten daarover of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden;
- c. aannemelijk is dat de bevoegde autoriteit in de eigen staat niet eerst de gebruikelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van de door haar gevraagde inlichtingen heeft benut, die zij in de gegeven situatie had kunnen benutten zonder het beoogde resultaat in gevaar te brengen;
- d. de bevoegde autoriteit voor wie de inlichtingen zouden zijn bestemd, niet bevoegd of in staat is Onze Minister soortgelijke inlichtingen te verstrekken;
- e. daarmee een commercieel, een industrieel of een beroepsgeheim zou worden onthuld;
- f. de verstrekking strijdig zou zijn met algemeen aanvaarde beginselen van belastingheffing of overige begrenzingen die voortvloeien uit de van toepassing zijnde bepalingen van internationaal en interregionaal recht.
Paragraaf 2. Vormen van door de BES eilanden te verlenen bijstand
Artikel 8.135. Geheimhoudingsplicht andere staat
Onze Minister verstrekt geen inlichtingen aan een bevoegde autoriteit indien de wetgeving van de staat van die autoriteit geen verplichting tot geheimhouding oplegt aan ambtenaren van de belastingadministratie van die staat met betrekking tot hetgeen hun wordt medegedeeld of blijkt bij de uitvoering van de belastingwetten van die staat.
Artikel 8.136. Gebruik inlichtingen
Tenzij een bevoegde autoriteit anders bepaalt, kunnen de door haar aan Onze Minister verstrekte inlichtingen uitsluitend worden gebruikt voor de heffing belastingen, alsmede renten daarover of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden.
Uitsluitend met toestemming van de bevoegde autoriteit van een staat kan Onze Minister de door hem van haar ontvangen inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van een andere staat verstrekken.
Onze Minister kan aan een bevoegde autoriteit toestemming verlenen de inlichtingen voor een ander doel te gebruiken dan voor de heffing van belastingen.
Onze Minister kan op een daartoe strekkend verzoek een bevoegde autoriteit toestemming verlenen de van hem ontvangen inlichtingen aan een bevoegde autoriteit van een andere staat te verstrekken.
Afdeling 3. Bijstand bij invordering
Artikel 8.137. Bijstand bij invordering
Op verzoek van de ontvanger, bedoeld in artikel 1.3, onderdeel k, onderneemt de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990, de nodige stappen om een schuldvordering van eerstgenoemde ontvanger in te vorderen alsof het een schuldvordering van laatstgenoemde ontvanger betrof.
Op verzoek van de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990, onderneemt de ontvanger, bedoeld in artikel 1.3, onderdeel k, de nodige stappen om een schuldvordering ontstaan in Nederland, in te vorderen alsof het een schuldvordering van laatstgenoemde ontvanger betrof.
De bepalingen van het eerste of tweede lid zijn slechts van toepassing op een schuldvordering die onderwerp is van een executoriale titel op de BES eilanden of in Nederland, die niet wordt bestreden.
Op verzoek van de verzoekende ontvanger neemt de aangezochte ontvanger met het oog op de invordering van een in dit artikel bedoelde schuld conservatoire maatregelen zelfs indien de vordering wordt bestreden en nog niet invorderbaar is.
Aan de in te vorderen schuld, bedoeld in dit artikel, behoeft geen preferentiële behandeling te worden toegekend ten opzichte van vergelijkbare schuldvorderingen.
Hoofdstuk IX. Spaartegoeden
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 9.1
Vervallen
Artikel 9.2
Vervallen
Artikel 9.3
Vervallen
Artikel 9.4
Vervallen
Artikel 9.5
Vervallen
Titel 2. Identificatieverplichtingen
Artikel 9.6
Vervallen
Titel 3. De uitwisseling van informatie
Artikel 9.7
Vervallen
Artikel 9.8
Vervallen
Artikel 9.9
Vervallen
Artikel 9.10
Vervallen
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Artikel 10.1
Deze wet wordt aangehaald als: Belastingwet BES.
Artikel 10.2
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 6.5a
Bij overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen, al dan niet tegen vergoeding of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, wordt geacht dat geen leveringen of diensten plaatsvinden en treedt, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, degene op wie de goederen overgaan in de plaats van de overdrager.
Indien van een overgang als bedoeld in het tweede lid deel uitmaakt de levering van goederen die de overdrager als producent heeft voortgebracht, worden deze goederen voor de overdrager geacht te zijn belast als bedoeld in artikel 6.3, aanhef en slot.
Degene op wie de goederen overgaan als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de volgende levering van goederen, die door de overdrager als producent zijn voortgebracht, aangemerkt als producent van die goederen en voor zover van toepassing als vervaardiger van die goederen in de zin van artikel 6.4, eerste lid.
Afdeling 2. Maatstaf en tarief van heffing
Afdeling 3. Vrijstellingen
Afdeling 4. Wijze van heffing
Titel 3. Heffing ter zake van invoer
Afdeling 1. Belastbaar feit
Afdeling 2. Maatstaf en tarief van heffing
Afdeling 3. Vrijstellingen
Afdeling 4. Wijze van heffing
Titel 4. Bijzondere regelingen
Titel 5. Bijzondere bepalingen
Titel 6. Slotbepalingen
Hoofdstuk VII. Overdrachtsbelasting
Titel 1. Algemene bepalingen
Titel 2. Aard van belasting
Titel 3. Verdeling van een gemeenschap
Titel 4. Bedrag en grondslagen
Titel 5. Belastingschuld, voldoening, teruggave en verjaring
Titel 6. Bijzondere bepalingen
Hoofdstuk VIIa. Kansspelbelasting
Titel 1. Belastingplicht
Titel 2. Voorwerp van de belasting
Titel 3. Vrijstellingen
Titel 4. Tarief
Titel 5. Wijze van heffing
Hoofdstuk VIIb. Minimumbelasting
Titel 1. Algemene bepalingen
Titel 2. Heffing van BES belastingen
Afdeling 1. De aangifte
Afdeling 2. Heffing bij wege van aanslag
Afdeling 3. Heffing bij wege van voldoening en afdracht op aangifte
Titel 2. Heffing van BES belastingen
Afdeling 1. De aangifte
Afdeling 2. Heffing bij wege van aanslag
Afdeling 3. Toekenning van bevoegdheden
Afdeling 3. Heffing bij wege van voldoening en afdracht op aangifte
Titel 3. Bijzondere bepalingen voor de belastingheffing
Afdeling 1. Vertegenwoordiging
Artikel 8.24a. Verzuim indienen jaarrekening
Indien een lichaam dat op grond van artikel 8.87a gehouden is een jaarrekening in te dienen de jaarrekening niet of niet tijdig indient, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste USD 14 000 kan opleggen.
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de jaarrekening, bedoeld in artikel 8.87a, eerste lid, had moeten worden ingediend.
Afdeling 3. Toekenning van bevoegdheden
Titel 5. De invordering van bes belastingen
Afdeling 2. Voorschriften inzake het opleggen van bestuurlijke boeten
Afdeling 2. Invordering in eerste aanleg
Afdeling 3. Invordering in tweede aanleg
Afdeling 4. Bijzondere bepalingen voor de invordering
Paragraaf 1. Verhaalsrechten
Paragraaf 2. Uitstel van betaling en kwijtschelding
Paragraaf 3. Verrekening en verjaring
Afdeling 5. Aansprakelijkheid
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 2. Aansprakelijkheidsbepalingen
Titel 6. Bepalingen van strafrecht en strafvordering
Titel 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing en invordering
Titel 8. Rechtspleging
Afdeling 1. Bezwaar
Afdeling 2. Raad van beroep voor belastingzaken
Afdeling 3. Beroep
Artikel 8.102a. Behandeling door een enkelvoudige en een meervoudige kamer
Zaken die bij het Gerecht in eerste aanleg aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer.
De enkelvoudige kamer kan een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen.
Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
Artikel 8.102b. Gelijke toepassing voorschriften en bevoegdheden
De voorschriften omtrent de behandeling van het beroep zijn op de behandeling zowel door een enkelvoudige als door een meervoudige kamer van toepassing.
Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer heeft tevens de bevoegdheden en de verplichtingen die de voorzitter van een meervoudige kamer heeft.
Artikel 8.106a. Vereenvoudigde behandeling
Het Gerecht in eerste aanleg kan onmiddellijk uitspraak doen indien een nader onderzoek het Gerecht niet nodig voorkomt, omdat:
- a. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is;
- b. het beroep kennelijk ongegrond is;
- c. het beroep kennelijk gegrond is, of
- d. de inspecteur kennelijk aan de bezwaren van de belanghebbende tegemoet is gekomen.
Artikel 8.106b. Verzet
Tegen de in artikel 8.106a bedoelde uitspraak kunnen partijen schriftelijk verzet doen bij het Gerecht in eerste aanleg. Artikel 8.103 is van overeenkomstige toepassing.
Alvorens een uitspraak te doen op het verzet, kan het Gerecht in eerste aanleg de partij die het verzet deed in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het verzet ongegrond is, dan gaat het niet tot ongegrondverklaring over dan na de indiener van het verzetschrift die daarom vroeg in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt de in artikel 8.106a bedoelde uitspraak en wordt de zaak alsnog in behandeling genomen.
Afdeling 3a. Hoger beroep
Afdeling 4. Beroep op een ander college
Titel 9. Bepalingen van internationaal recht
Afdeling 1. Voorkoming van dubbele belasting
Afdeling 2. Internationale bijstandsverlening
Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Paragraaf 2. Vormen van door de BES eilanden te verlenen bijstand
Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Paragraaf 2. Vormen van door de BES eilanden te verlenen bijstand
Paragraaf 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
Paragraaf 6. Geheimhouding; gebruik van inlichtingen
Afdeling 1. Voorkoming van dubbele belasting
Hoofdstuk IX. Spaartegoeden
Titel 1. Algemene bepalingen
Titel 1. Algemene bepalingen
Titel 1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8.116a. Hoger beroep
Partijen kunnen bij het Hof hoger beroep instellen tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg als bedoeld in de artikelen 8.112 en 8.113.
De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 8.116.
De partij die hoger beroep instelt, wordt aangeduid als appellant in hoger beroep, de wederpartij als verweerder in hoger beroep.
Artikel 8.116b. Overeenkomstige toepassing
Op het hoger beroep zijn de artikelen van afdeling 3, met uitzondering van de artikelen 8.102a en 8.102b, van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze afdeling niet anders is bepaald.
Artikel 8.116c. Griffierecht
Van de indiener van het beroepschrift in hoger beroep wordt ten behoeve van ’s Rijks schatkist een griffierecht geheven ten bedrage van USD 60.
De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het griffierecht binnen zes weken na de verzending van zijn mededeling dient te zijn betaald aan het Hof.
Indien het griffierecht niet tijdig is betaald, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
Indien het Hof het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, vergoedt de inspecteur het door de indiener van het beroepschrift betaalde griffierecht.
Artikel 8.116d. Strekking uitspraak
Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg, hetzij met overneming hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van die uitspraak, hetgeen het Gerecht in eerste aanleg had behoren te doen.
Wanneer het Gerecht in eerste aanleg de niet-ontvankelijkheid heeft uitgesproken en het Hof deze uitspraak vernietigt met een ontvankelijkverklaring, wordt de zaak terugverwezen naar het Gerecht in eerste aanleg om te worden hervat in de stand waarin de behandeling zich bevond. Tegen de nieuwe uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg staat hoger beroep open overeenkomstig deze afdeling.
In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, kan het Hof de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien zij naar zijn oordeel geen nadere behandeling door het Gerecht in eerste aanleg behoeft.
Afdeling 4. Beroep op een ander college
Titel 9. Bepalingen van internationaal recht
Afdeling 1. Voorkoming van dubbele belasting
Afdeling 2. Internationale bijstandsverlening
Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Paragraaf 3. Notificatie van stukken
Paragraaf 3. Notificatie van stukken
Paragraaf 4a. Verplichtingen ten behoeve van de automatische uitwisseling van inlichtingen volgens de Common Reporting Standard
Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Afdeling 2. Internationale bijstandsverlening
Hoofdstuk IX. Spaartegoeden
Titel 1. Algemene bepalingen
Titel 1. Algemene bepalingen
Titel 2. Identificatieverplichtingen
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8.133a
Met betrekking tot een rapporterende financiële instelling zijn artikel 2a en hoofdstuk II, afdeling 4a, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, met uitzondering van artikel 2a, eerste lid, onderdelen a, b en f, onder 3°, van die wet, van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. rapporterende financiële instelling: een financiële instelling op de BES eilanden, niet zijnde een niet-rapporterende financiële instelling;
- b. financiële instelling op de BES eilanden:
- 1°. een op de BES eilanden gevestigde financiële instelling, met uitzondering van de niet op de BES eilanden gelegen filialen van die instelling;
- 2°. een op de BES eilanden gelegen filiaal van een niet op de BES eilanden gevestigde financiële instelling.
Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 2a en hoofdstuk II, afdeling 4a, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, bedoeld in het eerste lid, wordt:
- a. onder een niet-rapporterende financiële instelling mede verstaan een bij ministeriële regeling aangewezen financiële instelling met een laag risico om te worden gebruikt voor belastingontduiking;
- b. onder een uitgezonderde rekening mede verstaan een bij ministeriële regeling aangewezen financiële rekening met een laag risico om te worden gebruikt voor belastingontduiking;
waarbij een financiële instelling of rekening alleen kan worden aangewezen indien deze voldoet aan de vereisten waaraan de financiële instellingen, onderscheidenlijk rekeningen, moeten voldoen die op grond van artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen door Onze Minister als niet-rapporterende financiële instelling, onderscheidenlijk uitgezonderde rekening, kunnen worden aangewezen.
Paragraaf 2. Vormen van door de BES eilanden te verlenen bijstand
Afdeling 3. Bijstand bij invordering
Hoofdstuk IX. Spaartegoeden
Titel 2. Identificatieverplichtingen
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8.27a. Vergrijpboete na verzuimboete
Indien nieuwe bezwaren bekend zijn geworden kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen wegens hetzelfde feit als waarvoor eerder een verzuimboete is opgelegd. Als nieuwe bezwaren als bedoeld in de eerste volzin kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige of van derden en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, die later bekend zijn geworden of niet zijn onderzocht.
Bij het opleggen van een vergrijpboete als bedoeld in het eerste lid vermeldt de inspecteur waaruit de nieuwe bezwaren bestaan.
De eerder opgelegde verzuimboete wordt verrekend met de wegens hetzelfde feit opgelegde vergrijpboete.
Bij toepassing van dit artikel vervalt de voorwaarde van gelijktijdigheid als bedoeld in artikel 8.25, eerste lid.
Titel 5. De invordering van bes belastingen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Afdeling 3. Invordering in tweede aanleg
Afdeling 2. Invordering in eerste aanleg
Paragraaf 3. Verrekening en verjaring
Afdeling 5. Aansprakelijkheid
Paragraaf 1. Verhaalsrechten
Artikel 8.65a. Bestuurdersaansprakelijkheid volledig rechtsbevoegd lichaam
Hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting, de premie op grond van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES, de premie op grond van de Wet algemene weduwen en wezenverzekering BES, de premie op grond van het Besluit premie zorgverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ziektekostenverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ongevallenverzekering BES, de premie op grond van de Cessantiawet BES en de premie op grond van het Besluit Zorgverzekering BES, de vastgoedbelasting, de opbrengstbelasting, de algemene bestedingsbelasting, de overdrachtsbelasting, de kansspelbelasting en de accijnzen verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.
Het lichaam, bedoeld in het eerste lid, is verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van de in dat lid bedoelde belastingen, premies of accijnzen in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger en, indien de ontvanger dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de mededeling, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken, alsmede de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling, het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden.
Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de belasting, premie of accijns het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling.
Indien het lichaam niet of niet op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op de voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk, met dien verstande dat wordt vermoed dat het niet betalen aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaren wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bestuurder mede verstaan:
- a. de gewezen bestuurder tijdens wiens bestuur de belasting-, premie- of accijnsschuld is ontstaan;
- b. degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder;
- c. indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is: ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.
De tweede volzin van het vierde lid is niet van toepassing op de gewezen bestuurder.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder belasting, premie of accijns uitsluitend verstaan de belasting, premie of accijns die het lichaam als inhoudingsplichtige of als ondernemer is verschuldigd.
Indien de bestuurder van het lichaam ingevolge dit artikel aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van zijn schuld ter zake, zijn de door die bestuurder onverplicht verrichte rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid tot verhaal op hem is verminderd, vernietigbaar en kan de ontvanger deze vernietigingsgrond inroepen, indien aannemelijk is dat deze rechtshandelingen geheel of nagenoeg geheel met dat oogmerk zijn verricht. Artikel 45, vierde en vijfde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES is van overeenkomstige toepassing.
Titel 6. Bepalingen van strafrecht en strafvordering
Titel 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing en invordering
Titel 8. Rechtspleging
Afdeling 1. Bezwaar
Afdeling 2. Raad van beroep voor belastingzaken
Afdeling 3. Beroep
Afdeling 3a. Hoger beroep
Afdeling 4. Beroep op een ander college
Titel 9. Bepalingen van internationaal recht
Afdeling 1. Voorkoming van dubbele belasting
Afdeling 2. Internationale bijstandsverlening
Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Afdeling 3. Bijstand bij invordering
Hoofdstuk IX. Spaartegoeden
Titel 2. Identificatieverplichtingen
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8.133b
Artikel 10g, eerste lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen is van overeenkomstige toepassing op verkrijging van toegang met het oog op de tenuitvoerlegging en handhaving van artikel 8.133a en de daarop berustende bepalingen, alsmede met het oog op het nakomen van overeenkomsten met rechtsgebieden op grond waarvan het land Nederland informatie als bedoeld in de artikelen 10b en 10c van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen aan die rechtsgebieden zal verstrekken.
Paragraaf 5. Begrenzing van door de BES eilanden te verlenen bijstand
Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Afdeling 3. Bijstand bij invordering
Hoofdstuk IX. Spaartegoeden
Titel 1. Algemene bepalingen
Titel 2. Identificatieverplichtingen
Titel 3. De uitwisseling van informatie
Hoofdstuk IX. Spaartegoeden
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8.89a. Factuurplicht administratieplichtigen
Administratieplichtigen zijn gehouden ter zake van levering van goederen en het voor derden verrichten van werkzaamheden of diensten een factuur uit te reiken en een kopie daarvan te bewaren. Deze factuur dient doorlopend genummerd en gedagtekend te zijn en dient op duidelijke en overzichtelijke wijze te bevatten:
- a. de datum waarop de levering, de werkzaamheid of de dienst is verricht;
- b. een omschrijving van de aard en de hoeveelheid van de goederen, werkzaamheden of diensten die zijn geleverd of zijn verricht, alsmede het ter zake daarvan in rekening gebrachte bedrag en het bedrag aan algemene bestedingsbelasting; en
- c. de naam, het adres en het door de Belastingdienst toegekende registratienummer van degene die de levering, de werkzaamheid of de dienst heeft verricht alsmede, indien dit een administratieplichtige is, van degene aan wie de levering, de werkzaamheid of de dienst is verricht.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.
Titel 8. Rechtspleging
Afdeling 1. Bezwaar
Afdeling 3. Beroep
Afdeling 3a. Hoger beroep
Afdeling 4. Beroep op een ander college
Titel 9. Bepalingen van internationaal recht
Afdeling 1. Voorkoming van dubbele belasting
Afdeling 2. Internationale bijstandsverlening
Paragraaf 3. Notificatie van stukken
Paragraaf 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
Paragraaf 4a. Verplichtingen ten behoeve van de automatische uitwisseling van inlichtingen volgens de Common Reporting Standard
Paragraaf 2. Vormen van door de BES eilanden te verlenen bijstand
Afdeling 3. Bijstand bij invordering
Hoofdstuk IX. Spaartegoeden
Titel 3. De uitwisseling van informatie
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 7b.1. Toepassing Wet minimumbelasting 2024
Met betrekking tot groepsentiteiten als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet minimumbelasting 2024 die op grond van artikel 1.5 in samenhang met artikel 5.2 zijn gevestigd op de BES eilanden of die een op de BES eilanden gelegen vaste inrichting zijn als bedoeld in onderdeel c van de definitie van vaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, van de Wet minimumbelasting 2024 is de Wet minimumbelasting 2024, met uitzondering van de artikelen, bedoeld in het derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij:
- a. wordt gelezen voor:
- 1°. Nederland: de BES eilanden;
- 2°. in Nederland: op de BES eilanden;
- b. in de in artikel 1.2, eerste lid, van die wet opgenomen definities van kwalificerende binnenlandse bijheffing, kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en kwalificerende onderbelastewinstmaatregel, en in artikel 6.2, tweede lid, onderdeel a, onder 4°, van die wet de zinsnede «, met betrekking tot derde staten,» buiten toepassing blijft;
- c. in artikel 4.1, eerste lid, aanhef, van die wet de zinsnede «of door een in een lidstaat gevestigde uiteindelijkemoederentiteit die een uitgesloten entiteit is» buiten toepassing blijft;
- d. in artikel 13.3, eerste en tweede lid, van die wet wordt gelezen voor artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht: artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.
In afwijking van de in artikel 1.2, eerste lid, van de Wet minimumbelasting 2024 opgenomen definitie van derde staat wordt daaronder voor de toepassing van die wet op groepsentiteiten als bedoeld in het eerste lid, aanhef, verstaan: het Koninkrijk der Nederlanden met uitzondering van de BES eilanden, en elke andere staat.
Artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, en vijfde lid, de hoofdstukken 11 en 12 en artikel 14.3 van de Wet minimumbelasting 2024 zijn niet van overeenkomstige toepassing op groepsentiteiten als bedoeld in het eerste lid, aanhef.
Artikel 7b.2. Voldoening op aangifte
De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting wordt op aangifte voldaan.
In afwijking van artikel 8.5, tweede lid, eerste zin, en artikel 8.11, derde lid, stelt de inspecteur de termijn voor het doen van aangifte zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan zeventien maanden na het einde van het tijdvak.
In afwijking van artikel 8.11, eerste lid, is de belastingplichtige gehouden de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen binnen zeventien maanden na het einde van het tijdvak.
Indien artikel 8.4, zevende lid, van de Wet minimumbelasting 2024 toepassing vindt op een bedrag aan ingevolge hoofdstuk 3 van die wet verschuldigde binnenlandse bijheffing vervalt de betalingsverplichting voor dat bedrag aan binnenlandse bijheffing.
Artikel 7b.3. Naheffing
In afwijking van artikel 8.12, vierde lid, vervalt de bevoegdheid tot naheffing door verloop van zes jaren en vier maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting is verschuldigd.
Indien artikel 7b.8, eerste en tweede lid, toepassing vindt, vervalt in afwijking van artikel 8.12, vierde lid, de bevoegdheid tot naheffing door verloop van zes jaren en zeven maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting is verschuldigd.
Indien artikel 8.4, zevende lid, van de Wet minimumbelasting 2024 toepassing vindt op een bedrag aan ingevolge hoofdstuk 3 van die wet verschuldigde binnenlandse bijheffing vervalt:
- a. de bevoegdheid tot naheffing met betrekking tot dat bedrag; en
- b. een voor dat bedrag reeds opgelegde naheffingsaanslag die nog niet is ingevorderd.
Artikel 7b.4. Inlichtingenverplichting
De belastingplichtige is gehouden de inspecteur eigener beweging juiste en volledige inlichtingen of gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van de belasting te verstrekken binnen twee weken nadat hem bekend is geworden dat die inlichtingen of gegevens niet, onjuist of onvolledig door hem zijn verstrekt.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt nagekomen op de door de inspecteur aangegeven wijze.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, vervalt door verloop van zes jaren en vier maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting is verschuldigd.
Indien artikel 7b.8, eerste en tweede lid, toepassing vindt, vervalt de verplichting, bedoeld in het eerste lid, door verloop van zes jaren en zeven maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting is verschuldigd.
Titel 3. Bestuurlijke boeten en aansprakelijkheid
Artikel 7b.5. Bestuurlijke boeten
Voor de toepassing van artikel 8.22, tweede lid, vormt het verzuim het niet doen van aangifte dan wel het niet doen van aangifte binnen de ingevolge artikel 7b.2, tweede lid, dan wel artikel 7b.8, eerste lid, gestelde termijn.
Voor de toepassing van artikel 8.23, eerste lid, vormt het verzuim het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 7b.2, derde lid, dan wel artikel 7b.8, tweede lid, gestelde termijn betalen van de belasting.
In afwijking van de artikelen 8.23, derde lid, en 8.26, vierde lid, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van die artikelen door verloop van zes jaren en vier maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting is verschuldigd.
Indien artikel 7b.8, eerste en tweede lid, toepassing vindt, vervalt in afwijking van de artikelen 8.23, derde lid, en 8.26, vierde lid, de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van die artikelen door verloop van zes jaren en zeven maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting is verschuldigd.
Artikel 7b.6. Vergrijpboete overtreden inlichtingenverplichting
Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de verplichting, bedoeld in artikel 7b.4, eerste lid, niet is of wordt nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag van de boete.
De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 7b.4, eerste lid, ten onrechte niet zou zijn geheven.
De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete op grond van het eerste lid vervalt door verloop van zes jaren en vier maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting is verschuldigd.
Indien artikel 7b.8, eerste en tweede lid, toepassing vindt, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete op grond van het eerste lid door verloop van zes jaren en zeven maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting is verschuldigd.
Artikel 7b.7. Hoofdelijke aansprakelijkheid
Hoofdelijk aansprakelijk is voor de minimumbelasting die over een tijdvak is geheven van een groepsentiteit behorend tot een multinationale groep of binnenlandse groep als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van de Wet minimumbelasting 2024: elk van de groepsentiteiten die in dat tijdvak deel uitmaakt of uitmaakte van die multinationale groep of binnenlandse groep.
Titel 4. Transitieregels
Artikel 7b.8. Transitieregels wijze van heffing en bijheffing-informatieaangifte
In afwijking van de artikelen 8.5, tweede lid, eerste zin, 8.11, derde lid, en 7b.2, tweede lid, stelt de inspecteur de termijn voor het doen van aangifte over het overgangsjaar zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan twintig maanden na het einde van dat tijdvak.
In afwijking van de artikelen 8.11, eerste lid, en 7b.2, derde lid, is de belastingplichtige gehouden de belasting over het overgangsjaar aan de ontvanger overeenkomstig de aangifte te betalen binnen twintig maanden na het einde van dat tijdvak.
In afwijking van artikel 13.1, zevende lid, van de Wet minimumbelasting 2024 worden de bijheffing-informatieaangifte en kennisgeving, bedoeld in dat artikel, met betrekking tot het overgangsjaar binnen achttien maanden na het einde van dat tijdvak ingediend bij de inspecteur.
Dit artikel vindt geen toepassing indien door de multinationale groep waartoe de belastingplichtige behoort voorafgaand aan het overgangsjaar een bijheffing-informatieaangifte is ingediend in een andere staat waarmee Nederland voor wat betreft de BES eilanden voor dat jaar een kwalificerende overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 13.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumbelasting 2024heeft.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder overgangsjaar verstaan: het eerste verslagjaar waarin een multinationale groep als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van de Wet minimumbelasting 2024 met betrekking tot de BES eilanden regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2525 of van de OESO-modelregels dient toe te passen, of het eerste verslagjaar waarin een binnenlandse groep als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van die wet in samenhang met artikel 7b.1, eerste lid, onderdeel a, voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 2.1 van die wet.
Hoofdstuk VIII. Formeel belastingrecht en invordering van bes belastingen
Titel 1. Algemene bepalingen
Afdeling 3. Heffing bij wege van voldoening en afdracht op aangifte
Afdeling 2. Domiciliekeuze
Afdeling 4. Geheimhouding
Titel 4. Bestuurlijke boeten
Afdeling 1. Verzuim- en vergrijpboeten
Titel 5. De invordering van bes belastingen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Afdeling 2. Invordering in eerste aanleg
Afdeling 2. Invordering in eerste aanleg
Afdeling 4. Bijzondere bepalingen voor de invordering
Paragraaf 1. Verhaalsrechten
Paragraaf 2. Uitstel van betaling en kwijtschelding
Afdeling 5. Aansprakelijkheid
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Titel 6. Bepalingen van strafrecht en strafvordering
Titel 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing en invordering
Titel 8. Rechtspleging
Afdeling 1. Bezwaar
Afdeling 2. Raad van beroep voor belastingzaken
Afdeling 2. Raad van beroep voor belastingzaken
Afdeling 3a. Hoger beroep
Afdeling 3a. Hoger beroep
Titel 9. Bepalingen van internationaal recht
Afdeling 4. Beroep op een ander college
Paragraaf 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)