Wet van 16 december 2010 houdende vaststelling van de Wet Belastingwet BES (Belastingwet BES)

Type Wet Bes
Publication 2026-04-11
Laatst bijgewerkt 2026-04-14
State In force
Source BWB
artikelen 282
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • a. op de kosten van vervolging;
  • b. op de interest;
  • c. op de bestuurlijke boeten;
  • d. op de oudste openstaande aanslagen of termijnen.
Artikel 8.41. Geen schorsing

Naast het bepaalde in de artikelen 8.96 en 8 102 wordt de verplichting tot betaling van de BES belastingen niet geschorst door:

  • a. verkrijging van surseance van betaling voor zover volgens het Faillissementswet BES de surseance ten aanzien van de verplichting tot betaling niet werkt;
  • b. door het voorbehouden recht van beraad;
  • c. door aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving.
Artikel 8.41a

Op het bezwaar en beroep inzake de op grond van deze titel genomen beschikkingen is titel 8 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2. Invordering in eerste aanleg

Artikel 8.42. Aanslagbiljet

Een belastingaanslag is door de belastingschuldige in zijn geheel verschuldigd.

Artikel 8.43. Moment invordering aanslag
1.

Een belastingaanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

2.

In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag, gedagtekend vóór 1 november van het belastingjaar waarop deze betrekking heeft, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar overblijven. Op de laatste dag van elk van die maanden vervalt een termijn.

3.

In afwijking van het eerste lid is een naheffingsaanslag alsmede een navorderingsaanslag invorderbaar een maand na dagtekening van het aanslagbiljet.

4.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Afdeling 2. Invordering in eerste aanleg

Artikel 8.44. Aanmaning en interest
1.

Een belastingschuldige die een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, wordt door de ontvanger aangemaand om alsnog binnen veertien dagen het verschuldigde te voldoen, met kennisgeving dat hij bij gebreke daarvan door rechtsmiddelen tot betaling zal worden gedwongen.

2.

Bij overschrijding van een voor de belastingaanslag geldende betalingstermijn wordt aan de belastingschuldige een interest in rekening gebracht over het op de belastingaanslag openstaande bedrag van zes percent per jaar, met een minimum van één USD en verder naar boven afgerond tot een veelvoud van USD 0,50 met dien verstande dat dit bedrag wordt verlaagd ingeval de belastingaanslag wordt verminderd. De interest wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is ingevolge artikel 8.43 en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de betaling of verrekening.

3.

Indien een belastingaanslag leidt tot een uit te betalen bedrag en de uitbetaling of verrekening hiervan later plaatsvindt dan twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet, wordt aan de belastingschuldige een interest vergoed over het uit te betalen bedrag van zes percent per jaar, met een minimum van één USD en verder naar boven afgerond tot een veelvoud van USD 0,50. De interest wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van de tot uitbetaling strekkende belastingaanslag en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de betaling of verrekening.

4.

Interest wordt niet vergoed voor zover het aan de belastingschuldige is te wijten dat de uitbetaling of verrekening niet tijdig is geschied.

Artikel 8.45. Dwanginvordering

Indien een aanmaning uiterlijk een maand na de verzending niet tot betaling of het verlenen van een betalingsregeling heeft geleid kan de ontvanger overgaan tot dwanginvordering.

Artikel 8.46. Invordering door middel van dwangschrift

De belastingaanslag, de bestuurlijke boete, de interest en de kosten van vervolging kunnen worden ingevorderd door middel van een dwangschrift. Het dwangschrift kan betrekking hebben op verschillende aanslagen.

Artikel 8.47. Eisen aan dwangschrift
1.

De dwangschriften dragen aan het hoofd de woorden: «In naam van de Koning» en bevatten:

  • a. een zo volledig mogelijke aanduiding van degene tegen wie de vordering gericht wordt;
  • b. de aard, de grondslag en het bedrag van de vordering; de titel van de vordering of de artikelen van de wettelijke regeling, waarop de vordering wordt gegrond;
  • c. in alle gevallen de last tot betaling.
2.

Zij worden uitgevaardigd door de ontvanger.

Artikel 8.48. Betekening door de belastingdeurwaarder

Alle exploten en andere akten van vervolging voor de invordering van BES belastingen worden betekend door belastingdeurwaarders ten verzoeke van de ontvanger overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.

Artikel 8.49. Tenuitvoerlegging dwangschriften

De dwangschriften hebben dezelfde kracht en worden op dezelfde wijze ten uitvoer gelegd als de grossen van in kracht van gewijsde gegane vonnissen in burgerlijke zaken.

Artikel 8.50. Invordering van het volledige bedrag bij beslag

Indien een dwangschrift, uitgevaardigd voor een gedeelte van het in te vorderen bedrag, ten uitvoer wordt gelegd door beslag, kan bij datzelfde dwangschrift het volle openstaande bedrag worden ingevorderd, mits dit bedrag in het dwangschrift is vermeld.

Artikel 8.51. Betaling aan belastingdeurwaarder
1.

Wanneer ter gelegenheid van een inbeslagneming vóór de sluiting van het proces-verbaal het volle bedrag van het verschuldigde met de kosten aan de belastingdeurwaarder wordt aangeboden, is deze verplicht de gelden aan te nemen, daarvoor dadelijk kwitantie te geven en ervan melding te maken in of op het proces-verbaal.

2.

In alle andere gevallen zijn betalingen, aan de belastingdeurwaarder gedaan, ongeldig.

Artikel 8.52. Versnelde invordering
1.

In afwijking van artikel 8.43 zijn alle verschuldigde BES belastingen ineens en terstond invorderbaar:

  • a. wanneer de belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard;
  • b. wanneer de ontvanger aannemelijk maakt dat belastingschuldige de BES eilanden wil verlaten met wegvoering of na vervreemding van zijn goederen;
  • c. wanneer op goederen waarop een belastingschuld van de belastingschuldige kan worden verhaald, beslag is gelegd voor zijn belastingschuld;
  • d. wanneer de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat goederen van de belastingschuldige zullen worden verduisterd;
  • e. wanneer goederen van de belastingschuldige worden verkocht ten gevolge van een beslaglegging namens derden.
2.

Indien de verschuldigde belasting ineens en terstond invorderbaar is, kan:

  • a. het dwangschrift zonder voorafgaande aanmaning of, indien reeds een aanmaning is uitgereikt, terstond worden uitgevaardigd;
  • b. het dwangschrift onmiddellijk na het bevel tot betaling, of, indien zodanig bevel reeds mocht zijn gedaan, terstond worden ten uitvoer gelegd.
Artikel 8.53. Verzet
1.

De belastingschuldige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangschrift in verzet komen. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangschrift voor zover deze door het verzet wordt bestreden.

2.

Het verzet wordt betekend aan de ontvanger, die de betaling vervolgt en moet op straffe van nietigheid bevatten keuze van domicilie in de hoofdplaats op de BES eilanden, waar de ontvanger is gevestigd waaronder de belastingschuldige ressorteert. Eveneens op straffe van nietigheid moet binnen een maand na deze betekening het geding tegen de ontvanger worden aanhangig gemaakt.

3.

Verzet kan niet gegrond zijn op het niet ontvangen van aanslagbiljet of aanmaning en kan nimmer gericht zijn tegen de wettigheid of de hoegrootheid van het gevorderde bedrag, noch gegrond zijn op de bewering dat aanspraak zou bestaan op ontheffing of vermindering.

4.

Indien het verzet wordt afgewezen, is geen hoger beroep ontvankelijk dan na bewijs, dat de BES belasting is geconsigneerd in handen van de ontvanger, die de betaling vervolgt.

Artikel 8.54. Invordering bij derden
1.

Al degenen, die gelden aan belastingschuldigen toekomende onder zich hebben alsmede allen, die schuldenaar zijn van opeisbare vorderingen van belastingschuldigen, zijn verplicht op de daartoe gedane vordering van de ontvanger, voor zover de gelden die onder hen berusten of door hen verschuldigd strekken voor rekening van de belastingschuldige en vatbaar zijn voor beslag, de door deze verschuldigde sommen te betalen zonder daartoe een rangregeling, verificatie of rechterlijk bevel af te wachten, tenzij onder hen beslag is gelegd of verzet gedaan is ter zake van vorderingen waaraan voorrang boven de vorderingen van ‘s Rijks schatkist is toegekend. Zij zijn zelfs bevoegd de betaling uit eigen beweging te doen, voordat zij tot afgifte van de gelden of tot voldoening van het door hen verschuldigde overgaan. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige.

2.

De belastingschuldige kan op voet van artikel 8.53 in verzet komen tegen de vordering als ware deze de tenuitvoerlegging van een dwangschrift.

3.

De ontvanger vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels in Boek 2, titel 2, afdeling 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES. De kosten van vervolging komen voor rekening van degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen, zonder recht van verhaal op de belastingschuldige.

Afdeling 4. Bijzondere bepalingen voor de invordering

Paragraaf 1. Verhaalsrechten

Artikel 8.55. Voorrecht
1.

‘s Rijks schatkist heeft een voorrecht op alle goederen van de belastingschuldige.

2.

Het voorrecht gaat boven alle andere voorrechten met uitzondering van die van de artikelen 287 en 288, onderdeel a, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES, alsmede dat van artikel 284 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES voor zover de kosten zijn gemaakt na de dagtekening van het aanslagbiljet. Het voorrecht gaat tevens boven pand, voor zover het pandrecht rust op een zaak of vrucht als is bedoeld in artikel 8.56 die zich bevindt in het bezit van de schuldenaar of in het huis, in de bedrijfsruimte of op het erf, door hem bewoond of bij hem in gebruik en tegen inbeslagneming waarvan derden zich op die grond niet kunnen verzetten. Het behoudt deze rang in geval van faillissement van de belastingschuldige, ongeacht of tevoren inbeslagneming heeft plaatsgevonden.

Artikel 8.56. Bodemrecht
1.

Derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende zaken waarop ter zake van de belastingschuld beslag is gelegd of die een recht van terugvordering hebben jegens degene die een zaak onrechtmatig of van een onbevoegde heeft verkregen, kunnen verzet in rechte doen tegen de inbeslagneming vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen te rekenen vanaf de dag van beslaglegging.

2.

Derden kunnen echter nimmer verzet in rechte doen tegen de inbeslagneming van roerende zaken, tot stoffering van een huis of ten gebruike van het bedrijf dienende, alsmede van ingeoogste vruchten, wanneer die zaken of vruchten zich tijdens de inbeslagneming bevinden in het bezit van de schuldenaar of in het huis, in de bedrijfsruimte of op het erf, door hem bewoond of bij hem in gebruik.

Paragraaf 1. Verhaalsrechten

Artikel 8.57. Uitstel van betaling
1.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin de ontvanger uitstel van betaling verleent.

2.

De ontvanger beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking op een verzoek om uitstel van betaling.

3.

Gedurende het uitstel van betaling wordt op grond van artikel 8.44, tweede lid, interest in rekening gebracht.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaren – te rekenen vanaf de laatste dag van het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de BES eilanden metterwoon heeft verlaten – mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen en winstbewijzen waarbij de Wet inkomstenbelasting BES toepassing heeft gevonden, alsmede met betrekking tot het beëindigen van het uitstel van betaling.

Artikel 8.58. Kwijtschelding
1.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen tevens regels gesteld worden krachtens welke ter zake van de belasting waarvoor op de voet van artikel 8.57, vierde lid, uitstel van betaling is verleend, kwijtschelding van belasting kan worden verleend en tot welke bedragen.

3.

De ontvanger beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking op een verzoek om kwijtschelding.

Paragraaf 2. Uitstel van betaling en kwijtschelding

Artikel 8.59. Verrekening
1.

De ontvanger is ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd aan hem uit te betalen en van hem te innen bedragen voor zover de invordering daarvan aan hem is opgedragen met elkaar te verrekenen.

2.

De ontvanger stelt de belastingschuldige onverwijld in kennis van de verrekening.

Artikel 8.60. Verjaring
1.

Belastingaanslagen verjaren vijf jaren na dagtekening van het aanslagbiljet of vijf jaren na de laatst betekende akte van vervolging.

2.

De verjaring wordt gestuit door een erkentenis van de belastingschuldige, door woorden of door daden, van het bestaan van de belastingschuld.

3.

De verjaringstermijn wordt verlengd met de tijd gedurende welke na de aanvang van die termijn:

  • a. de belastingschuldige uitstel van betaling heeft;
  • b. de tenuitvoerlegging van een dwangschrift is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt;
  • c. de belastingschuldige surseance van betaling heeft;
  • d. de belastingschuldige in staat van faillissement verkeert;
  • e. de belastingschuldige zich metterwoon niet op de BES eilanden bevindt.

Afdeling 5. Aansprakelijkheid

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 8.61. Reikwijdte aansprakelijkheid

In deze afdeling wordt, in afwijking in zoverre van artikel 1.3, onderdeel d, onder de belasting mede begrepen de daarmee samenhangende bestuurlijke boeten, interest en kosten van vervolging voor zover het belopen daarvan aan de aansprakelijk gestelde is te wijten.

Artikel 8.62. Formele bepalingen
1.

De aansprakelijkstelling wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking bekend gemaakt door de ontvanger aan de aansprakelijk gestelde.

2.

Het bedrag, verschuldigd op grond van deze afdeling, is invorderbaar twee maanden nadat aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden. Artikel 8.39 en afdeling 3 en 4 van deze titel zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

De ontvanger stelt de aansprakelijk gestelde desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld voor zover deze gegevens voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep van belang kunnen worden geacht.

4.

Voor zover de aansprakelijkstelling een bestuurlijke boete betreft, is afdeling 2 van titel 3 van toepassing.

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 8.63. Aansprakelijkheid voor de algemene bestedingsbelasting
1.

Indien ten onrechte geen of te weinig algemene bestedingsbelasting is geheven, door toedoen van een ander dan de ondernemer, is die ander hoofdelijk aansprakelijk voor die algemene bestedingsbelasting.

2.

Indien krachtens artikel 6.12, vierde lid, de algemene bestedingsbelasting wordt geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend, is, in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen en onder daarbij te stellen voorwaarden, de ondernemer die de levering verricht of de dienst verleent hoofdelijk aansprakelijk voor die belasting, tenzij de ondernemer aantoont dat het niet aan hem te wijten is dat de belasting niet is voldaan.

Artikel 8.64. Aansprakelijkheid voor afnemers voor de algemene bestedingsbelasting

Ingeval een niet in het openbaar lichaam van zijn afnemer wonende of gevestigde ondernemer, een andere dan een BES ondernemer als bedoeld in artikel 6.1, onderdeel g, diensten verricht ten behoeve van een in dat openbaar lichaam wonende of gevestigde afnemer, niet zijnde een ondernemer, is degene aan wie de dienst wordt verleend, hoofdelijk aansprakelijk voor de algemene bestedingsbelasting, de boeten, interest en kosten indien deze dienst aan belasting zou zijn onderworpen wanneer de dienst door een in het openbaar lichaam wonende of gevestigde ondernemer zou zijn verricht behoudens ingeval de betrokkene ten genoegen van de inspecteur kan aantonen dat de verschuldigde belasting aan hem in rekening is gebracht en hij deze betaald heeft.

Artikel 8.65. Bestuurdersaansprakelijkheid
1.

In afwijking in zoverre van andere wettelijke regelingen is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting, de premie op grond van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES, de premie op grond van de Wet algemene weduwen en wezenverzekering BES, de premie op grond van het Besluit premie zorgverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ziektekostenverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ongevallenverzekering BES, de premie op grond van de Cessantiawet BES en de premie op grond van het Besluit Zorgverzekering BES, de vastgoedbelasting, de opbrengstbelasting, de algemene bestedingsbelasting, de overdrachtsbelasting, de kansspelbelasting en de accijnzen, verschuldigd door:

  • a. een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders;
  • b. een niet op de BES eilanden gevestigd lichaam: de leider van zijn vaste inrichting op de BES eilanden dan wel zijn op de BES eilanden wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger;
  • c. een lichaam dat is ontbonden: ieder van de met de vereffening belaste personen – met uitzondering van de door de rechter benoemde vereffenaar – voor zover het niet betalen van de belasting-, premie- of accijnsschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, met dien verstande dat geen aansprakelijkstelling kan plaatsvinden indien na de ontbinding drie jaren zijn verstreken.
2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt als bestuurder aangemerkt de volledig aansprakelijke vennoot van een maat- of vennootschap.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt ingeval een bestuurder van een lichaam zelf een lichaam is, onder bestuurder mede verstaan ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.

4.

Degene die op grond van het eerste lid, onderdelen a en b, aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat de belasting, premie of accijns niet is voldaan.

Artikel 8.66. Aansprakelijkheid voor de loonbelasting
1.

Voor de loonbelasting verschuldigd door een niet op de BES eilanden wonende of gevestigde inhoudingsplichtige is hoofdelijk aansprakelijk:

  • a. de leider van de vaste inrichting op de BES eilanden;
  • b. zijn op de BES eilanden wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger; of
  • c. degene, die de leiding heeft van op de BES eilanden verrichte werkzaamheden.
2.

De werknemer kan hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de van hem ten onrechte niet ingehouden loonbelasting, tenzij hij de inspecteur tijdig van de nalatigheid van de inhoudingsplichtige in kennis heeft gesteld.

3.

Indien de inhoudingsplichtige niet op de BES eilanden woont of gevestigd is, kan de werknemer mede aansprakelijk worden gesteld voor de verschuldigde belasting.

4.

De werknemer, die in dienstbetrekking is bij een niet op de BES eilanden wonende of gevestigde inhoudingsplichtige en die de BES eilanden wenst te verlaten, kan mede aansprakelijk worden gesteld voor de verschuldigde belasting.

Artikel 8.67. Inlenersaansprakelijkheid
1.

Voor de loonbelasting, de sociale verzekeringspremies en de algemene bestedingsbelasting welke de inhoudingsplichtige verschuldigd is in verband met het verrichten van werkzaamheden door een werknemer die met instandhouding van de dienstbetrekking tot de inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld van een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener of ingeval doorlening plaatsvindt, de in het tweede lid bedoelde doorlener, hoofdelijk aansprakelijk behoudens voor zover hij aantoont dat ten aanzien van hem een te hoog bedrag aan belasting in aanmerking is genomen.

2.

Onder inlener wordt mede verstaan de doorlener, zijnde degene aan wie een werknemer ter beschikking is gesteld en die deze werknemer vervolgens ter beschikking stelt aan een derde om onder diens toezicht en leiding werkzaam te zijn.

3.

Voor zover een inlener ingevolge een schriftelijke overeenkomst met een uitlener het bedrag waarvoor hij op grond van het eerste lid hoofdelijk aansprakelijk is, heeft overgemaakt op een rekening die door die inlener bij een ingevolge de Wet financiële markten BES ingeschreven kredietinstelling ter zake van dat werk wordt gehouden voor betaling van loonbelasting, sociale verzekeringspremies en algemene bestedingsbelasting, wordt elke betaling die de uitlener voor dat doel voor het tijdvak waarin het werk is uitgevoerd ten laste van die rekening heeft gedaan, vermoed betrekking te hebben op dat werk. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de toepassing van dit lid nadere regels worden gesteld.

4.

De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met betrekking tot de belasting verschuldigd door een inlener indien aannemelijk is dat de niet-betaling door de uitlener noch aan hem noch aan de inlener te wijten is.

Artikel 8.68. Ketenaansprakelijkheid
1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

  • a. aannemer: degene, die zich jegens de opdrachtgever verbindt om buiten dienstbetrekking een werk uit te voeren tegen een te betalen prijs;
  • b. onderaannemer: degene, die zich jegens een aannemer verbindt om buiten dienstbetrekking het in onderdeel a bedoelde werk geheel of gedeeltelijk uit te voeren tegen een te betalen prijs.
2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt de onderaannemer ten opzichte van zijn onderaannemer als aannemer beschouwd.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt met een aannemer gelijkgesteld degene die, zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen, buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk uitvoert.

4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt ten opzichte van de aannemer als onderaannemer beschouwd de verkoper van een toekomstig goed, voor zover de koop en verkoop voortvloeit uit, of verband houdt met, het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde werk.

5.

De aannemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting, de sociale verzekeringspremies en de algemene bestedingsbelasting:

  • a. die de onderaannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer, verschuldigd is in verband met het verrichten van werkzaamheden door zijn werknemers ter zake van dat werk, behoudens voor zover hij aannemelijk maakt dat ten aanzien van hem een te hoog bedrag aan belasting in aanmerking is genomen;
  • b. waarvan de onderaannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer, ingevolge artikel 8.65 hoofdelijk aansprakelijk is ter zake van dat werk, behoudens voor zover hij aannemelijk maakt dat ten aanzien van hem een te hoog bedrag aan belasting in aanmerking is genomen.
6.

Voor zover een aannemer ingevolge een schriftelijke overeenkomst met een onderaannemer het bedrag waarvoor hij op grond van het vijfde lid hoofdelijk aansprakelijk is, heeft overgemaakt op een rekening die door die onderaannemer bij een ingevolge de Wet financiële markten BES ingeschreven kredietinstelling ter zake van dat werk wordt gehouden voor betaling van belasting, wordt elke betaling die de onderaannemer voor dat doel voor het tijdvak waarin het werk is uitgevoerd ten laste van die rekening heeft gedaan, vermoed betrekking te hebben op dat werk. Onder betaling van belasting, als bedoeld in de vorige volzin, wordt mede begrepen een betaling door een onderaannemer aan zijn onderaannemer, welke betaling ingevolge een tussen hen gesloten schriftelijke overeenkomst wordt gedaan op een rekening als bedoeld in de vorige volzin. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de toepassing van dit lid nadere regels worden gesteld.

7.

De aansprakelijkheid op grond van het vijfde lid geldt niet met betrekking tot de belasting verschuldigd door een aannemer indien aannemelijk is dat de niet-betaling door de onderaannemer noch aan hem noch aan de aannemer te wijten is, dan wel, indien de aannemer uiterlijk binnen een maand na dagtekening van de overeenkomst met de onderaannemer een afschrift van de door alle partijen ondertekende overeenkomst aan de inspecteur heeft overgelegd. De overeenkomst dient in ieder geval te vermelden de naam of benaming en de woonplaats van de onderaannemer, het onderdeel van het werk waarvoor de onderaannemer zorg draagt, de plaats en de datum van het werk, de geschatte aanneemsom en de geschatte loonsom. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de toepassing van dit lid nadere regels worden gesteld.

8.

De voorgaande leden zijn niet van toepassing indien:

  • 1°. een werk, tot de uitvoering waarvan een onderaannemer zich jegens een aannemer heeft verbonden, geheel of grotendeels wordt verricht op de plaats, waar de onderneming van de onderaannemer is gevestigd, of
  • 2°. de uitvoering van een werk waartoe een onderaannemer zich jegens een aannemer heeft verbonden ondergeschikt is aan een tussen hen gesloten overeenkomst van koop en verkoop van een bestaande zaak.
Artikel 8.69. Aangewezen bedrijfssectoren en bedrijfstakken

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bedrijfssectoren en bedrijfstakken worden aangewezen ten aanzien waarvan artikel 8.67 alsmede artikel 8.68 niet van toepassing zijn.

Artikel 8.70. Aansprakelijkheid voor de vastgoedbelasting

Indien artikel 4.2, derde lid, toepassing vindt, is ieder van de belastingplichtigen hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele belastingbedrag.

Artikel 8.71. Aansprakelijkheid voor de opbrengstbelasting
1.

Indien een lichaam als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, wordt ontbonden, is hoofdelijk aansprakelijk voor de door het lichaam verschuldigde opbrengstbelasting ieder van de met de vereffening belaste personen, met uitzondering van een door de rechter benoemde vereffenaar, tenzij deze aantoont dat het niet aan hem te wijten is dat de opbrengstbelasting niet is voldaan, met dien verstande dat geen aansprakelijkheidsstelling kan plaatsvinden indien na de ontbinding vijf jaren zijn verstreken.

2.

Indien ten onrechte geen of te weinig opbrengstbelasting is geheven, door toedoen of mede door toedoen van een ander dan de inhoudingsplichtige, is die ander hoofdelijk aansprakelijk voor die belasting.

Artikel 8.72. Aansprakelijkheid voor de overdrachtsbelasting

Indien krachtens artikel 7.18 overdrachtsbelasting ter zake van een verkrijging moet worden voldaan ter gelegenheid van de aanbieding ter registratie van de door de notaris ter zake opgemaakte akte, is de notaris hoofdelijk aansprakelijk voor die belasting tot het bedrag dat ingevolge de inhoud van de akte is verschuldigd.

Artikel 8.73. Verhaal op de belastingschuldige of de inhoudingsplichtige
1.

Degene, die ingevolge deze afdeling heeft betaald, heeft hiervoor verhaal op de belastingschuldige dan wel de inhoudingsplichtige die de belasting verschuldigd is.

2.

Indien het in het eerste lid bedoelde verhaal geheel of gedeeltelijk onmogelijk blijkt en twee of meer personen hoofdelijk aansprakelijk zijn, moeten zij onderling voor gelijke delen in het niet betaalde deel bijdragen. Indien artikel 8.68 van toepassing is en het aandeel in het totaal van het uit te voeren werk dat iedere van de hoofdelijk aansprakelijk gestelden heeft laten uitvoeren kan worden vastgesteld, draagt, in afwijking van de eerste volzin, ieder in evenredigheid met dat aandeel bij. Indien dit aandeel niet kan worden vastgesteld, moeten zij onderling voor gelijke delen in het niet betaalde deel bijdragen. Degene, die meer heeft betaald dan zijn aandeel, heeft voor het meerdere verhaal op degene, die minder dan zijn aandeel heeft betaald. Een tekort, veroorzaakt doordat één van hen geen verhaal biedt, wordt over de anderen verdeeld naar evenredigheid van de gedeelten waarvoor de schuld ieder van hen aanging.

3.

Ieder die in de belasting heeft bijgedragen, blijft gerechtigd het bijgedragene alsnog van de belastingschuldige terug te vorderen.

Titel 6. Bepalingen van strafrecht en strafvordering

Artikel 8.74. Delictsomschrijvingen
1.

Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie of, indien de te weinig geheven belasting hoger is dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, dan wel met beide straffen wordt gestraft degene die ingevolge deze wet verplicht is tot:

  • a. het uitreiken van een nota overeenkomstig artikel 5.9, eerste lid, en deze niet of niet overeenkomstig genoemd artikel verstrekt;
  • b. het bewaren van nota’s overeenkomstig artikel 5.9, tweede lid, en deze niet of niet op de voorgeschreven wijze bewaart;
  • c. naleving van de verplichtingen van hoofdstuk VI en daaraan niet, niet tijdig, niet juist of niet volledig voldoet of het verbod van artikel 6.24 overtreedt;
  • d. het binnen een gestelde termijn doen van aangifte dat niet binnen de gestelde termijn, onjuist of onvolledig doet;
  • e. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt;
  • f. het ter inzage verstrekken van gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze niet of in valse of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking stelt;
  • g. het voeren van een administratie overeenkomstig de in de belastingwet gestelde eisen, en een zodanige administratie niet voert;
  • h. het bewaren van gegevensdragers, en deze niet bewaart;
2.

Ieder, die in een notariële akte een lagere koopsom doet vermelden dan de waarde in het economische verkeer of in zodanige akte niet doet opnemen alle bijkomende verbintenissen of bedingen, met het gevolg, dat de belasting wordt geheven over een lager bedrag dan volgens deze belasting tot grondslag van de heffing moet strekken, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie en bij herhaling met een geldboete van de derde categorie en gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden, tezamen of afzonderlijk. Met dezelfde straf wordt gestraft elke ondertekenaar van een valse opgave van de waarde als bedoeld in artikel 7.13.

3.

Degene die zich opzettelijk schuldig maakt aan een in het eerste lid, onderdelen d tot en met j, omschreven strafbaar gesteld feit, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of een geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven belasting hoger is dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, dan wel met beide straffen.

4.

Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt indien degene op wie de verplichting rust alsnog een juiste en volledige aangifte doet of juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur of een van de in artikel 8.79, eerste lid, bedoelde ambtenaren en personen de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

Artikel 8.75. Geheimhoudingsplicht
1.

Degene die opzettelijk de hem ingevolge artikel 8.21 opgelegde geheimhoudingsplicht schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of een geldboete van de vijfde categorie dan wel met beide straffen.

2.

Degene aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vijfde categorie.

3.

Vervolging inzake schending van de geheimhouding wordt slechts ingesteld op klacht van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.

Artikel 8.76. Delicten verplichtingen belastingheffing

Degene die niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting ingevolge de artikelen 8.84, tweede lid, en 8.85, eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van de derde categorie.

Artikel 8.77. Strafbepalingen gedelegeerde wetgeving
1.

Overtreding van krachtens deze wet bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bepalingen wordt, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met een geldboete van de derde categorie.

2.

Overtreding van een door Onze Minister krachtens de belastingwet vastgestelde ministeriële regeling wordt, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 8.78. Kwalificatiebepaling
1.

De bij deze wet strafbaar gestelde feiten waarop gevangenisstraf is gesteld, zijn misdrijven. De overige bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

2.

Het Wetboek van Strafrecht BES is mede van toepassing op ieder die zich niet op de BES eilanden schuldig maakt aan een bij of krachtens deze wet als misdrijf omschreven strafbaar gesteld feit.

Artikel 8.79. Opsporingsbevoegdheid
1.

Met het opsporen van de bij belastingwet strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES bedoelde personen, de ambtenaren van de rijksbelastingdienst belast.

2.

De ambtenaren van de rijksbelastingdienst zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering BES voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

3.

Bij het opsporen van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit hebben de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te laten vergezellen. Voor het betreden van woningen is titel X van het Derde boek van het Wetboek van Strafvordering BES onverkort van toepassing.

Artikel 8.80. Proces-verbaal
1.

De in artikel 8.79, eerste lid, bedoelde ambtenaren maken van hun bevindingen proces-verbaal op en delen dit in afschrift mede aan degene tot wie de opsporing zich richt.

2.

Alle processen-verbaal betreffende de bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden ingezonden aan de directeur. De directeur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner is binnengetreden, met de in beslag genomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van justitie. De overige processen-verbaal doet de directeur met de in beslag genomen voorwerpen toekomen aan de officier van justitie indien hij een vervolging wenselijk acht.

3.

De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de directeur te stellen, die daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 8.81.

4.

Het bepaalde in artikel 14 van het Wetboek van Strafvordering BES is niet van toepassing in zaken waarin de directeur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.

Artikel 8.81. Transactiebevoegdheid
1.

Ten aanzien van feiten, met betrekking tot welk het proces-verbaal niet in handen van de officier van justitie is gesteld, vervalt het recht tot strafvordering indien vrijwillig wordt voldaan aan de voorwaarden welke de directeur ter voorkoming van de strafvervolging heeft gesteld.

2.

Als voorwaarden kunnen worden gesteld:

  • a. betaling aan de BES eilanden van een geldsom van ten minste USD 56 en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd;
  • b. afstand van voorwerpen die in beslag genomen zijn en vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;
  • c. uitlevering, of voldoening aan de BES eilanden van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;
  • d. voldoening aan de BES eilanden van een geldbedrag gelijk aan of lager dan het geschatte voordeel – met inbegrip van besparing van kosten – door de verdachte verkregen door middel van of uit het strafbare feit;
  • e. het alsnog voldoen aan een bij deze wet gestelde verplichting.
3.

De directeur bepaalt telkens de termijn waarbinnen aan de gestelde voorwaarden moet zijn voldaan, en zo nodig tevens de plaats waar dat moet gebeuren.

Artikel 8.82. Uittreksels van vonnissen

De griffier van het Hof verstrekt aan de directeur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van vonnissen, in belastingstrafzaken gewezen.

Titel 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing en invordering

Artikel 8.83. Inlichtingenverplichting
1.

Een ieder is gehouden aan de inspecteur op diens verzoek:

  • a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing ten aanzien van hem van belang kunnen zijn;
  • b. de gegevensdragers of de inhoud daarvan, zulks naar keuze van de inspecteur, waarvan de inzage van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten die op de belastingheffing ten aanzien van hem invloed kunnen uitoefenen, voor dit doel beschikbaar te stellen.
2.

De in het eerste lid, onderdeel b, genoemde verplichting geldt eveneens voor de derde bij wie de gegevensdragers zich bevinden. De inspecteur stelt degene wiens gegevensdragers bij de derde worden ingezien zo spoedig mogelijk van de inzage in kennis.

3.

Op degene, die direct of indirect ten minste 50% van de aandelen heeft in het kapitaal van dan wel de zeggenschap heeft over een lichaam dat onderworpen is aan één of meer van de in artikel 1.3, onderdeel d, genoemde BES belastingen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van gegevens en inlichtingen alsmede gegevensdragers die in het bezit zijn van de aandeelhouder en welke van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van dat lichaam. De eerste volzin is mede van toepassing in gevallen waarin twee of meer natuurlijke personen of lichamen volgens een onderlinge regeling tot samenwerking een belang houden van 50% of meer dan wel de zeggenschap hebben over een lichaam dat onderworpen is aan één of meer van de in artikel 1.3, onderdeel d, bedoelde BES belastingen.

4.

Ingeval de belastingwet aangelegenheden van een derde aanmerkt als aangelegenheden van de vermoedelijk belastingplichtige, gelden voor de derde gelijke verplichtingen.

5.

Een ieder is gehouden ter vaststelling van zijn identiteit, indien zulks voor de heffing van de loonbelasting van belang kan zijn, op eerste verzoek van de inspecteur aan deze een geldig paspoort, geldige identiteitskaart dan wel geldig rijbewijs ter inzage te verstrekken.

Artikel 8.84. Wijze verstrekking gegevens en inlichtingen
1.

De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze, zulks naar keuze van de inspecteur, en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. De gevraagde gegevens en inlichtingen dienen kosteloos te worden verstrekt.

2.

Toegelaten moet worden dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor de raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan. Indien het maken van kopieën of leesbare afdrukken niet ter plaatse kan geschieden, is de inspecteur bevoegd de gegevensdragers voor dat doel voor korte tijd mee te nemen.

3.

Inzage in gegevensdragers dient te worden verleend op het kantoor van de inspecteur binnen een door hem te stellen termijn. De inspecteur kan akkoord gaan met inzage op een andere plaats, voor zover dat de voortgang van het onderzoek niet belemmert.

Artikel 8.85. Toegang gebouwen en gronden
1.

Degene die een gebouw of grond in gebruik heeft, is verplicht ten behoeve van een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek de inspecteur en de door deze aangewezen deskundigen desgevraagd toegang te verlenen tot alle gedeelten van dat gebouw of van die grond.

2.

De gevraagde toegang wordt verleend, tussen acht uur ’s ochtends en zes uur ’s avonds, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen.

3.

Indien het gebouw of de grond wordt gebruikt voor het uitoefenen van een bedrijf of een zelfstandig beroep wordt de gevraagde toegang mede verleend tijdens de uren waarin het gebruik voor de uitoefening van dat bedrijf of zelfstandig beroep daadwerkelijk plaatsvindt.

4.

De gebruiker van het gebouw of de grond is verplicht desgevorderd aanwijzingen te geven die voor het onderzoek nodig zijn.

5.

De tot de toegang bevoegde personen treden een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner niet binnen dan met inachtneming van het bepaalde in het zesde lid.

6.

Op het binnentreden in woningen is titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering BES van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging wordt verleend door de procureur generaal, de officier van justitie dan wel een hulpofficier van justitie.

Artikel 8.86. Administratieplicht
1.

Administratieplichtigen zijn:

  • a. natuurlijke personen die een bedrijf of beroep uitoefenen;
  • b. natuurlijke personen die inhoudingsplichtig zijn;
  • c. lichamen.
2.

Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

3.

De administratie behoort te worden gevoerd in het Nederlands, Papiaments of Engels met gebruikmaking van de daarbij gebruikelijke cijfers.

4.

Tot de administratie behoort hetgeen ingevolge de belastingwet wordt vastgelegd.

5.

De inrichting, het bijhouden en bewaren van de administratie dient controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk te maken. De administratieplichtige verleent de hiervoor benodigde medewerking en verschaft het nodige inzicht in de opzet en de werking van de administratie.

6.

Administratieplichtigen zijn verplicht hun administratie en de daartoe behorende gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren.

7.

De administratieplichtige die de gevorderde gegevensdragers of de inhoud daarvan, niet of slechts ten dele ter inzage verstrekt, wordt geacht niet volledig te hebben voldaan aan een op grond van dit artikel opgelegde verplichting tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de afwezigheid of onvolledigheid van de gegevensdragers of de inhoud ervan het gevolg is van overmacht.

8.

Iedere administratieplichtige is gehouden bij de inspecteur een identificatienummer aan te vragen.

9.

De inspecteur kent op verzoek van een belanghebbende aan deze een identificatienummer toe, dan wel maakt aan de belanghebbende op diens verzoek een reeds toegekend identificatienummer bekend. De belanghebbende is ter vaststelling van zijn identiteit gehouden een geldig paspoort, geldige identiteitskaart dan wel geldig rijbewijs ter inzage te verstrekken.

Artikel 8.87. Inlichtingenverplichtingen administratieplichtigen
1.

Met betrekking tot administratieplichtigen als bedoeld in artikel 8.86, eerste lid, zijn de in de artikelen 8.83, 8.84, 8.85 en 8.86, omschreven verplichtingen van overeenkomstige toepassing ten behoeve van de belastingheffing van derden en de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen.

2.

Administratieplichtigen zijn gehouden binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar aan de inspecteur een opgave te verstrekken betreffende derden die in dat kalenderjaar bij of voor de administratieplichtige, anders dan in dienstbetrekking, werkzaamheden of diensten hebben verricht, met uitzondering van andere administratieplichtigen die bij of voor de administratieplichtige werkzaamheden of diensten hebben verricht.

3.

Administratieplichtigen zijn gehouden binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar aan de inspecteur een opgave te verstrekken betreffende de personen die in dat kalenderjaar bij of voor de administratieplichtige in dienstbetrekking zijn geweest.

4.

De in het tweede en derde lid genoemde opgaaf moet worden gedaan op een formulier dat bij de inspecteur verkrijgbaar is.

5.

Onverminderd de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, zijn de bij of krachtens de belastingwet aan te wijzen administratieplichtigen gehouden de bij of krachtens de belastingwet aan te wijzen gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn eigener beweging te verstrekken aan de inspecteur volgens bij of krachtens de belastingwet te stellen regels.

Artikel 8.88. Verschoningsrecht
1.

Voor een weigering om te voldoen aan de in de artikelen 8.83, 8.84, 8.85, 8.86 en 8.87 omschreven verplichtingen kan niemand zich beroepen op de omstandigheid dat hij uit enigerlei hoofde tot geheimhouding verplicht is, zelfs niet indien deze hem bij een wet is opgelegd.

2.

Voor een weigering om te voldoen aan de in de artikelen 8.83 en 8.84 omschreven verplichtingen kan niemand zich met vrucht beroepen op de vertrouwelijkheid van zijn contacten met een verschoningsgerechtigde als bedoeld in het derde lid voor zover het gegevens, inlichtingen en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan betreft waarover diegene ook zonder die vertrouwelijke contacten beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

3.

Voor een weigering om te voldoen aan de verplichtingen ten aanzien van derden als bedoeld in artikel 8.87, eerste lid, kunnen alleen geestelijken, notarissen, advocaten, artsen en apothekers zich beroepen op de omstandigheid dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn, voor zover het betreft hetgeen aan hen in die hoedanigheid is toevertrouwd of door hen in die hoedanigheid is meegedeeld.

Artikel 8.89. Deskundigen en tolken
1.

Voor het onderzoek van gegevensdragers kunnen door de inspecteur deskundigen en tolken worden aangewezen.

2.

Alvorens zijn taak te aanvaarden legt de deskundige of de tolk in handen van de gezaghebber de eed of belofte af, dat hij de hem op te dragen werkzaamheden eerlijk, nauwgezet en naar zijn beste weten zal verrichten.

3.

Aan de in het eerste lid bedoelde deskundigen en tolken kan een vergoeding worden toegekend volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

Artikel 8.90. Verplichtingen ten behoeve van de invordering
1.

De artikelen 8.83, 8.84 en 8.87 zijn van overeenkomstige toepassing ten behoeve van de invordering van de belastingschuldige en aansprakelijk gestelde.

2.

Voor de inspecteur wordt gelezen: de ontvanger, en voor de belastingheffing: de invordering.

Artikel 8.91. Inlichtingen overheidsinstellingen
1.

Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede lichamen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, verschaffen, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen, en wel kosteloos, die hun door de inspecteur ter uitvoering van de belastingwet worden gevraagd.

2.

Onze Minister kan, op schriftelijk verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid omschreven verplichting.

Titel 6. Bepalingen van strafrecht en strafvordering

Afdeling 1. Bezwaar

Artikel 8.92. Bezwaar
1.

Degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag of tegen een ingevolge de belastingwet door de inspecteur genomen voor bezwaar vatbare beschikking, kan binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet of van het ter post bezorgde of uitgereikte afschrift van de beschikking een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de inspecteur. De inspecteur tekent onverwijld de datum van ontvangst aan op het bezwaarschrift. De inspecteur zendt de indiener onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.

2.

Degene die bezwaar heeft tegen het bedrag dat als belasting door hem op aangifte is voldaan of afgedragen of dat als belasting door een inhoudingsplichtige van hem is ingehouden, kan binnen twee maanden na de betaling respectievelijk de inhouding een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de inspecteur.

3.

Hij die bezwaar heeft tegen meer dan één belastingaanslag of voor bezwaar vatbare beschikking kan daartegen bezwaar maken bij één bezwaarschrift.

4.

Indien de bedragen van een belastingaanslag en van een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd op één aanslagbiljet zijn vermeld, wordt een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag geacht mede te zijn gericht tegen de boete, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.

Artikel 8.93. Uitspraak op bezwaar
1.

De inspecteur doet uitspraak op het bezwaarschrift.

2.

Met een uitspraak wordt gelijkgesteld het weigeren dan wel niet tijdig doen van de uitspraak. Een uitspraak wordt geacht niet tijdig te zijn gedaan indien de inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift een uitspraak heeft gedaan.

3.

Indien de belanghebbende in zijn bezwaarschrift het verlangen daartoe te kennen geeft, wordt hij vóór de uitspraak door de inspecteur gehoord. Alle oproepingen worden gedaan op een termijn van ten minste zeven dagen.

4.

Indien niet of niet volledig aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen, wordt de uitspraak gemotiveerd.

5.

Indien het bezwaar is gericht tegen een belastingaanslag met betrekking tot welke ten onrechte de vereiste aangifte niet is gedaan of niet volledig is voldaan aan de verplichting ingevolge de artikelen 8.83, 8.84, 8.85 en 8.86 wordt de belastingaanslag gehandhaafd, tenzij gebleken is dat, en zo ja in hoeverre, deze onjuist is.

Artikel 8.94. Verlenging termijn uitspraak
1.

De inspecteur kan de termijn voor het doen van een uitspraak als bedoeld in artikel 8.93, tweede lid, verlengen met ten hoogste negen maanden indien:

  • a. de belanghebbende niet of niet volledig voldoet aan het verzoek van de inspecteur gegevensdragers, of de inhoud daarvan, waarvan de inzage van belang kan zijn voor de afhandeling van het bezwaarschrift, voor dit doel beschikbaar te stellen;
  • b. de belanghebbende niet of niet volledig voldoet aan het verzoek van de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de afhandeling van het bezwaarschrift van belang kunnen zijn;
  • c. de inspecteur met betrekking tot het geschil waartegen het bezwaar is gericht, de uitkomst van een vergelijkbare procedure door het Gerecht in eerste aanleg wil afwachten;
  • d. de inspecteur een verzoek om inlichtingen, welke voor de afhandeling van het bezwaarschrift van belang kan zijn, aan een bevoegde autoriteit van een andere staat heeft gedaan;
  • e. een boekenonderzoek, ingesteld door de rijksbelastingdienst, welke voor de afhandeling van het bezwaarschrift van belang kan zijn, nog niet is afgerond.
2.

Van een verlenging van de termijn voor het doen van uitspraak stelt de inspecteur de belanghebbende schriftelijk in kennis. De inspecteur is gehouden om, zodra dat in redelijkheid van hem verwacht kan worden, uitspraak te doen.

Artikel 8.95. Vergoeding proceskosten
1.

Voor de behandeling van het bezwaar is geen recht verschuldigd.

2.

De kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden ten laste van ‘s Rijks schatkist uitsluitend vergoed op verzoek van de belastingplichtige, voor zover de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking wordt herroepen wegens aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid.

3.

Het verzoek wordt gedaan voordat de inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De inspecteur beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de kosten waarop de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend betrekking kan hebben en de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Artikel 8.96. Geen schorsende werking bezwaar

De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de indiening van een bezwaarschrift inzake een belastingaanslag.

Afdeling 2. Raad van beroep voor belastingzaken

Artikel 8.97

Vervallen

Artikel 8.98

Vervallen

Artikel 8.99

Vervallen

Artikel 8.100

Vervallen

Afdeling 2. Raad van beroep voor belastingzaken

Artikel 8.101. Beroep
1.

De belanghebbende kan tegen een uitspraak op bezwaar beroep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg.

2.

De termijn voor het instellen van beroep bedraagt twee maanden na dagtekening van de uitspraak op bezwaar.

3.

Het beroep kan slechts worden ingesteld door:

  • a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;
  • b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden;
  • c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt, of
  • d. degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.
4.

De inspecteur stelt de in het derde lid bedoelde belanghebbende desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belastingaanslag of de beschikking voor zover deze gegevens voor het instellen van beroep of het maken van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht.

5.

Het Gerecht in eerste aanleg bevestigt de ontvangst van het beroepschrift schriftelijk.

Artikel 8.102. Geen schorsende werking beroep

De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door het instellen van beroep.

Artikel 8.103. Indienen en vereisten beroepschrift
1.

Het instellen van beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij het Gerecht in eerste aanleg.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a. de naam en het adres van de indiener;
  • b. de dagtekening;
  • c. een omschrijving van de belastingaanslag of de beschikking waartegen het beroep is gericht;
  • d. de gronden van het beroep.
3.

Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van de belastingaanslag of beschikking en de uitspraak op bezwaar overgelegd.

4.

Het beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan een in dit artikel of in enig ander in deze wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroepschrift, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

5.

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

6.

Hij die beroep instelt tegen meer dan één uitspraak kan dat doen bij één beroepschrift.

7.

Artikel 8.92, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.104. Griffierecht
1.

Van de indiener van het beroepschrift wordt ten behoeve van ’s Rijks schatkist een griffierecht geheven ten bedrage van USD 30.

2.

De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het griffierecht binnen zes weken na de verzending van zijn mededeling dient te zijn betaald aan het Gerecht in eerste aanleg.

3.

Indien het griffierecht niet tijdig is betaald, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

4.

Indien het Gerecht in eerste aanleg het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, vergoedt de inspecteur het door de indiener van het beroepschrift betaalde griffierecht.

Artikel 8.104a. Doorzendverplichting griffier

De griffier zendt zo spoedig mogelijk een kopie van alle door een partij toegezonden stukken aan de wederpartij.

Artikel 8.105. Reactie inspecteur
1.

Binnen vier weken na verzending van het beroepschrift aan de inspecteur zendt deze de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Gerecht in eerste aanleg en dient hij een verweerschrift in.

2.

Het Gerecht in eerste aanleg kan de in het eerste lid bedoelde termijn verlengen.

Artikel 8.106. Repliek en dupliek

Het Gerecht in eerste aanleg kan de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren. In dat geval wordt de inspecteur in de gelegenheid gesteld schriftelijk te dupliceren. Het Gerecht in eerste aanleg stelt de termijnen voor repliek en dupliek vast.

Artikel 8.107. Onderzoek ter zitting
1.

Zodra het verweerschrift of de dupliek is ingediend, dan wel de termijn daarvoor is verstreken, worden partijen ten minste zes weken van tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van het Gerecht in eerste aanleg te verschijnen.

2.

Als partijen daarvoor toestemming hebben verleend, kan het Gerecht in eerste aanleg bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

3.

Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging gewezen.

4.

Behoudens voor zover het beroep is gericht tegen een uitspraak waarbij een boete geheel of gedeeltelijk is gehandhaafd, vindt het onderzoek ter zitting plaats met gesloten deuren. Het Gerecht in eerste aanleg kan bepalen dat het onderzoek openbaar is, mits de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad.

Artikel 8.108. Vertegenwoordiging en bijstand
1.

Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

2.

Het Gerecht in eerste aanleg kan een partij oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen.

3.

Partijen die door het Gerecht in eerste aanleg zijn opgeroepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen, zijn verplicht te verschijnen en de verlangde inlichtingen te geven. Partijen worden hierop gewezen.

4.

Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen of inlichtingen te verstrekken, kan het Gerecht in eerste aanleg daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.

Artikel 8.109. Getuigen, deskundigen en tolken van het Gerecht in eerste aanleg
1.

Het Gerecht in eerste aanleg kan getuigen oproepen en deskundigen en tolken benoemen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)