Wet van 1 november 2012, houdende nieuwe regels omtrent aanbestedingen (Aanbestedingswet 2012)

Type Wet
Publication 2026-04-30
Laatst bijgewerkt 2026-05-01
State In force
Source BWB
artikelen 590
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Voor de niet-openbare procedures en onderhandelingsprocedures met aankondiging bedraagt bij een uitnodiging van een speciale-sectorbedrijf overeenkomstig artikel 3.73, eerste lid, de termijn tot bevestiging van belangstelling ten minste 30 dagen en in geen geval minder dan 15 dagen, te rekenen van de datum van verzending van de uitnodiging.

4.

Bij de niet-openbare procedures en onderhandelingsprocedures met aankondiging kan de termijn voor het indienen van een inschrijving in onderling overleg tussen het speciale-sectorbedrijf en de uitgekozen gegadigden worden vastgesteld, mits alle gegadigden evenveel tijd krijgen om hun inschrijvingen voor te bereiden en in te dienen.

5.

Indien geen overeenstemming over een termijn als bedoeld in het vierde lid wordt bereikt, bedraagt deze ten minste 24 dagen en niet minder dan 10 dagen, te rekenen vanaf de verzenddatum van de uitnodiging tot inschrijving.

Artikel 3.60

Een speciale-sectorbedrijf dat een periodieke indicatieve aankondiging heeft gedaan die niet als aankondiging als bedoeld in artikel 3.56, derde lid, wordt gebruikt, kan de termijn voor het indienen van inschrijvingen bij openbare procedures inkorten tot 29 dagen, maar in geen geval tot minder dan 22 dagen, indien de periodieke indicatieve aankondiging:

  • a. naast de op grond van bijlage VI A, afdeling I, van richtlijn 2014/25/EU vereiste informatie, alle in bijlage VI A, afdeling II, vereiste informatie bevat, voor zover laatstbedoelde informatie beschikbaar is op het tijdstip dat de periodieke indicatieve aankondiging wordt gedaan, en
  • b. ten minste 52 dagen en ten hoogste 12 maanden voor de verzenddatum van de aankondiging van de speciale-sectoropdracht ter bekendmaking is verzonden.

Afdeling 3.3.3. Bestek

§ 3.3.3.1. Technische specificaties

Artikel 3.61
1.

Paragraaf 2.3.3.1, met uitzondering van artikel 2.76, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op speciale-sectoropdrachten.

2.

Een speciale-sectorbedrijf formuleert de technische specificaties:

  • a. door verwijzing naar technische specificaties en achtereenvolgens naar nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, Europese technische beoordelingen, gemeenschappelijke technische specificaties, internationale normen, andere door Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische referentiesystemen of, bij ontstentenis daarvan, nationale normen, nationale technische goedkeuringen dan wel nationale technische specificaties, andere technische referentiesystemen, inzake het ontwerpen, berekenen en uitvoeren van werken en het gebruik van leveringen, in de zin van bijlage VII van richtlijn 2014/25/EU,
  • b. in termen van prestatie-eisen en functionele eisen, die milieukenmerken kunnen bevatten, waarbij de eisen zodanig nauwkeurig zijn bepaald dat de inschrijvers het voorwerp van de speciale-sectoropdracht kunnen bepalen en het speciale-sectorbedrijf de opdracht kan gunnen,
  • c. in termen van prestatie-eisen en functionele eisen als bedoeld in onderdeel b, waarbij onder vermoeden van overeenstemming met deze prestatie-eisen en functionele eisen wordt verwezen naar de specificaties, bedoeld in onderdeel a, of
  • d. door verwijzing naar de specificaties, bedoeld in onderdeel a, voor bepaalde kenmerken, en verwijzing naar de prestatie-eisen en functionele eisen, bedoeld in onderdeel b, voor andere kenmerken.
3.

Een speciale-sectorbedrijf doet een verwijzing als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, vergezeld gaan van de woorden «of gelijkwaardig».

Artikel 3.62
1.

Een speciale-sectorbedrijf deelt op verzoek van ondernemers die belangstelling hebben voor een speciale-sectoropdracht de technische specificaties mede die regelmatig in zijn speciale-sectoropdrachten worden vermeld, of de technische specificaties die hij voornemens is toe te passen voor speciale-sectoropdrachten waarvoor een periodieke indicatieve aankondiging met een uitnodiging overeenkomstig artikel 3.73, eerste lid, is gedaan.

2.

Een speciale-sectorbedrijf biedt met elektronische middelen kosteloze, rechtstreeks en volledige toegang tot de technische specificaties, bedoeld in het eerste lid.

3.

In afwijking van het tweede lid kan een speciale-sectorbedrijf de technische specificaties met andere middelen dan langs elektronische weg aan de belangstellende ondernemers verzenden bij toepassing van artikel 3.50, tweede lid, of artikel 3.50b.

4.

Indien de technische specificaties, bedoeld in het eerste lid, gebaseerd zijn op documenten waarover belangstellende ondernemers zonder belemmeringen en kosteloos langs elektronische weg kunnen beschikken, kan het speciale-sectorbedrijf ermee volstaan een verwijzing naar deze documenten op te nemen.

§ 3.3.3.2. Onderaanneming, bijzondere voorwaarden, voorbehouden opdracht en varianten

Artikel 3.63

De paragrafen 2.3.3.2 tot en met 2.3.3.5 zijn van overeenkomstige toepassing op speciale-sectoropdrachten, met dien verstande dat in artikel 2.81, tweede lid voor bijlage X van richtlijn 2014/24/EU wordt gelezen: bijlage XIV van richtlijn 2014/25/EU.

Afdeling 3.3.4. Eigen verklaring

Artikel 3.64

Afdeling 2.3.4 is van overeenkomstige toepassing op speciale-sectoropdrachten.

Afdeling 3.3.5. Selectie

Artikel 3.65
1.

Het speciale-sectorbedrijf stelt bij procedures voor het gunnen van speciale-sectoropdrachten objectieve voorschriften en selectiecriteria vast en stelt die voorschriften en criteria ter beschikking aan belangstellende ondernemers.

2.

Bij een niet-openbare procedure, een concurrentiegerichte dialoog, een innovatiepartnerschap, een onderhandelingsprocedure met aankondiging of een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging, kan het speciale-sectorbedrijf objectieve voorschriften en criteria vaststellen om de gegadigden te beperken tot een aantal dat wordt gerechtvaardigd door het noodzakelijke evenwicht tussen enerzijds de specifieke kenmerken van de procedure en anderzijds de daarvoor vereiste middelen. Het speciale-sectorbedrijf stelt het aantal gegadigden zodanig vast dat voldoende concurrentie blijft gewaarborgd.

3.

De voorschriften en criteria, bedoeld in het eerste lid, kunnen de in de artikelen 2.86 en 2.87 genoemde uitsluitingsgronden omvatten, waarbij van de toepassing van deze artikelen kan worden afgezien op de in artikel 2.88 genoemde gronden en indien het een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 2.86, vierde lid, betreft, tevens op de in artikel 2.86a genoemde grond.

4.

Het speciale-sectorbedrijf stelt een gegadigde of inschrijver waarop een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 2.86, eerste of derde lid, of artikel 2.87 van toepassing is, in de gelegenheid te bewijzen dat hij voldoende maatregelen heeft genomen om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Indien het speciale-sectorbedrijf dat bewijs toereikend acht, wordt de betrokken gegadigde of inschrijver niet uitgesloten. Artikel 2.87a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5.

Indien het speciale-sectorbedrijf de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap, een publiekrechtelijke instelling of een samenwerkingsverband van deze overheden of publiekrechtelijke instellingen is, neemt dat bedrijf, in afwijking van het vierde lid, in ieder geval de in artikel 2.86 genoemde uitsluitingsgronden in de voorschriften en criteria op waarbij van de toepassing van dit artikel kan worden afgezien op de in artikel 2.88 genoemde gronden en indien het een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 2.86, vierde lid, betreft, tevens op de in artikel 2.86a genoemde gronden.

6.

Een speciale-sectorbedrijf kan, na gebruik van de onlinedatabank van certificaten e-Certis, aan gegadigden en inschrijvers geschiktheidseisen als bedoeld in artikel 2.90, tweede lid, stellen.

7.

De artikelen 2.90, tweede tot en met achtste lid, 2.92a en 2.95, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een speciale-sectorbedrijf dat geschiktheidseisen stelt.

8.

De artikelen 2.91, eerste en derde lid, en 2.93, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de ondernemer waarop geschiktheidseisen van toepassing zijn.

Hoofdstuk 3.4. Erkenningsregeling

Artikel 3.66
1.

Een speciale-sectorbedrijf kan een regeling voor de erkenning van ondernemers invoeren en beheren. Deze regeling kan verscheidene fasen van erkenning van geschiktheid omvatten.

2.

Een erkenningsregeling bevat objectieve voorschriften en criteria voor de uitsluiting en selectie van ondernemers die een erkenning aanvragen.

3.

Een speciale-sectorbedrijf dat een regeling als bedoeld in het eerste lid invoert of beheert, waarborgt dat de ondernemers te allen tijde een erkenning kunnen aanvragen.

4.

Een speciale-sectorbedrijf beheert de regeling, bedoeld in het eerste lid, op basis van door het bedrijf omschreven objectieve criteria en voorschriften.

5.

Indien de objectieve voorschriften en criteria van een regeling, bedoeld in het eerste lid, technische specificaties bevatten, is artikel 3.61 van toepassing. De criteria en voorschriften inzake erkenning kunnen zo nodig worden herzien.

6.

De criteria en voorschriften, bedoeld in het tweede lid, kunnen de uitsluitingscriteria, genoemd in de artikelen 2.86 en 2.87, omvatten onder de daarin genoemde voorwaarden en met overeenkomstige toepassing van de artikelen 2.86a tot en met 2.89, met dien verstande dat, indien een regeling voor de erkenning van ondernemers wordt ingevoerd door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap, een publiekrechtelijke instelling of een samenwerkingsverband van deze overheden of publiekrechtelijke instellingen die een speciale-sectoropdracht plaatst in het kader van een van de activiteiten, genoemd in afdeling 3.1.1, ook artikel 2.86 van overeenkomstige toepassing is.

7.

Indien de criteria en voorschriften inzake erkenning, bedoeld in het tweede lid, eisen omvatten betreffende de economische en financiële draagkracht of de technische bekwaamheid of beroepsbekwaamheid van de ondernemer, kan deze zich beroepen op de draagkracht van andere natuurlijke personen of rechtspersonen ongeacht de juridische aard van zijn banden met die natuurlijke personen of rechtspersonen. In dat geval is artikel 3.65a van overeenkomstige toepassing.

8.

Een speciale-sectorbedrijf stelt de criteria en voorschriften inzake erkenning, bedoeld in het tweede lid, desgevraagd ter beschikking aan ondernemers. Indien deze criteria en voorschriften worden herzien, wordt dit de betrokken ondernemers medegedeeld.

9.

Een speciale-sectorbedrijf dat van oordeel is dat de regeling voor de erkenning van ondernemers van bepaalde andere instanties aan de voorwaarden voldoet, deelt de betrokken ondernemers de namen van deze andere instanties mede.

10.

Een speciale-sectorbedrijf houdt een lijst van erkende ondernemers bij, die naar de aard van de opdrachten waarvoor de erkenning geldt in categorieën kan worden ingedeeld.

11.

De vergoeding die een speciale-sectorbedrijf verlangt voor een aanvraag voor een erkenning, voor een wijziging daarin of voor het behouden van een verkregen erkenning, moet evenredig zijn met de gemaakte kosten.

Artikel 3.67
1.

Een speciale-sectorbedrijf dat een regeling voor de erkenning van ondernemers invoert en beheert, stelt de verzoekers binnen zes maanden na het indienen van het verzoek om erkenning in kennis inzake hun erkenning.

2.

Indien de beslissing omtrent de erkenning meer dan vier maanden vanaf het indienen van het verzoek om erkenning in beslag neemt, informeert het speciale-sectorbedrijf de verzoeker binnen twee maanden na deze indiening over de redenen waarom deze termijn langer is en over de datum waarop op zijn verzoek wordt beslist.

3.

Een speciale-sectorbedrijf stelt degene van wie een verzoek om erkenning is afgewezen zo spoedig mogelijk na die beslissing, doch uiterlijk binnen vijftien dagen, daarvan in kennis en motiveert deze afwijzing aan de hand van de erkenningscriteria, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid.

4.

Een speciale-sectorbedrijf kan de erkenning van een ondernemer slechts intrekken op grond van de criteria, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid.

5.

Een speciale-sectorbedrijf brengt de betrokkene het voornemen om een erkenning in te trekken en de redenen daartoe, uiterlijk vijftien dagen vóór de datum waarop de erkenning zal worden ingetrokken schriftelijk ter kennis.

Artikel 3.68
1.

Indien het speciale-sectorbedrijf uitsluitingsgronden heeft vastgesteld, is 2.3.5.2 van overeenkomstige toepassing.

2.

De artikelen 2.101, eerste en tweede lid, 2.102 en 2.102a zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Een speciale-sectorbedrijf kan bij toepassing van de openbare procedure inschrijvingen onderzoeken voordat de geschiktheid van de inschrijvers is beoordeeld, indien dit met inachtneming van het bepaalde in afdeling 3.3.5 en in hoofdstuk 3.4 tot en met paragraaf 3.4.3.3 ten aanzien van erkenning, uitsluiting, geschiktheid, selectie en gunning plaatsvindt.

Artikel 3.69
1.

Voor de selectie van deelnemers aan een procedure:

  • a. sluit het speciale-sectorbedrijf dat voorschriften en criteria als bedoeld in artikel 3.65, eerste of derde lid, heeft vastgesteld voor de uitsluiting van gegadigden of inschrijvers, ondernemers die aan deze voorschriften of criteria voldoen, uit;
  • b. selecteert het speciale-sectorbedrijf inschrijvers en gegadigden overeenkomstig de objectieve voorschriften en criteria, bedoeld in artikel 3.65, eerste lid;
  • c. beperkt het speciale-sectorbedrijf in een niet-openbare procedure, een onderhandelingsprocedure met of zonder aankondiging, een concurrentiegerichte dialoog of een innovatiepartnerschap het aantal geselecteerde gegadigden, overeenkomstig artikel 3.65, tweede lid.
2.

Een speciale-sectorbedrijf dat een aankondiging doet door een mededeling inzake het bestaan van een regeling voor de erkenning van ondernemers met het oog op selectie van deelnemers in procedures voor de specifieke opdrachten waarop de aankondiging betrekking heeft:

  • b. beperkt in een niet-openbare procedure, een onderhandelingsprocedure met of zonder aankondiging, een concurrentiegerichte dialoog of een innovatiepartnerschap het aantal gegadigden overeenkomstig artikel 3.65, tweede lid.
3.

Een speciale-sectorbedrijf toetst de door de aldus geselecteerde inschrijvers ingediende inschrijvingen aan de op de inschrijvingen toepasselijke bepalingen en voorschriften, en gunt de opdracht op basis van de criteria, bedoeld in de artikelen 2.114, 2.115 en 2.116, en met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.83 dat van overeenkomstige toepassing is op speciale-sectoropdrachten.

Artikel 3.70
1.

Een speciale-sectorbedrijf dat de deelnemers aan een niet-openbare procedure een onderhandelingsprocedure, een concurrentiegerichte dialoog of een innovatiepartnerschap kiest en een beslissing neemt over erkenning of de erkenningscriteria of de regeling voor de erkenning van ondernemers herziet, eist geen bewijzen die een doublure zouden vormen met reeds beschikbare objectieve bewijzen.

2.

Een speciale-sectorbedrijf dat de overlegging verlangt van een door een onafhankelijke instantie opgestelde verklaring dat de ondernemer aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet, met inbegrip van normen inzake de toegankelijkheid van personen met een handicap verwijst naar kwaliteitsbewakingsregelingen die op de Europese normenreeksen op dit terrein zijn gebaseerd en die zijn gecertificeerd door conformiteitsbeoordelingsinstanties die voldoen aan de Europese normenreeks voor certificering.

3.

Een speciale-sectorbedrijf erkent gelijkwaardige verklaringen van in andere lidstaten van de Europese Unie gevestigde instanties. Een speciale-sectorbedrijf aanvaardt ook andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het gebied van de kwaliteitsbewaking indien de ondernemer die certificaten niet binnen de gestelde termijnen kan verwerven om redenen die hem niet aangerekend kunnen worden, mits de ondernemer bewijst dat de voorgestelde maatregelen op het gebied van de kwaliteitsbewaking aan de kwaliteitsnormen voldoen van ondernemers.

4.

Een speciale-sectorbedrijf dat de overlegging verlangt van een door een onafhankelijke instantie opgestelde verklaring dat de ondernemer aan bepaalde systemen of normen inzake milieubeheer voldoet, verwijst naar:

  • a. het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Europese Unie,
  • b. een ander milieubeheersysteem als erkend overeenkomstig artikel 45 van verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie (PbEU 2009, L 342), of
  • c. andere normen inzake milieubeheer op basis van de toepasselijke Europese of internationale normen die door conformiteitsbeoordelingsinstanties zijn gecertificeerd.
5.

Een speciale-sectorbedrijf aanvaardt andere passende bewijzen van gelijkwaardige maatregelen inzake milieubeheer, indien een ondernemer aantoonbaar niet de mogelijkheid heeft gehad het door het speciale-sectorbedrijf aangegeven specifieke certificaat of een gelijkwaardig certificaat binnen de gestelde termijnen te verwerven om redenen die hem niet aangerekend kunnen worden, mits de ondernemer aantoont dat de maatregelen gelijkwaardig zijn aan die welke op grond van het toepasselijke milieubeheersysteem of de toepasselijke norm vereist zijn.

Afdeling 3.3.6. Mededeling van uitsluiting en afwijzing

Artikel 3.71

De artikelen 2.103, eerste tot en met derde lid, en 2.104 zijn van overeenkomstige toepassing op speciale-sectoropdrachten.

Afdeling 2a.3.1. Algemeen

§ 3.3.7.1. Inschrijving

Artikel 3.72

Paragraaf 2.3.8.2 is van overeenkomstige toepassing op speciale-sectoropdrachten.

Artikel 3.73
1.

Indien een periodieke indicatieve aankondiging als bedoeld in artikel 3.56, derde lid, is gedaan, nodigt het speciale-sectorbedrijf ondernemers die hun belangstelling eerder kenbaar hebben gemaakt gelijktijdig en schriftelijk uit om hun eerder getoonde belangstelling te bevestigen.

2.

Op een uitnodiging als bedoeld in het eerste lid, is artikel 3.71b van overeenkomstige toepassing.

§ 2a.3.2.1. Aankondiging

Artikel 3.74
1.

De paragrafen 2.3.8.4 tot en met 2.3.8.6 en 2.3.8.7a zijn van overeenkomstige toepassing op speciale-sectoropdrachten, met uitzondering van artikel 2.117.

2.

Bij de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 2.115a, vierde lid, voor «bijlage XIII van richtlijn 2014/24/EU» gelezen «bijlage XV van richtlijn 2014/25/EU» en wordt in artikel 2.116, tweede lid, onderdeel d, en vijfde lid, voor «bijlage X van richtlijn 2014/24/EU» telkens gelezen: bijlage XIV van richtlijn 2014/25/EU.

§ 3.3.7.3. Gunningsbeslissing

Artikel 3.75

Paragraaf 2.3.8.8 is van overeenkomstige toepassing op speciale-sectoropdrachten.

Artikel 3.76
1.

Een speciale-sectorbedrijf past het tweede tot en met vijfde lid van dit artikel toe op inschrijvingen die producten bevatten uit derde landen waarmee de Europese Gemeenschappen geen multilateraal of bilateraal verdrag hebben gesloten dat de communautaire ondernemingen op vergelijkbare wijze daadwerkelijk toegang verschaft tot de markten van deze derde landen.

2.

Een speciale-sectorbedrijf kan iedere inschrijving die wordt ingediend met het oog op de gunning van een opdracht voor leveringen, afwijzen indien het aandeel van de uit derde landen afkomstige goederen, waarvan de oorsprong wordt vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269), meer dan vijftig procent uitmaakt van de totale waarde van de goederen waarop deze inschrijving betrekking heeft.

3.

Indien twee of meer inschrijvingen volgens de gunningcriteria van artikelen 2.113 en 2.115 gelijkwaardig zijn, geeft het speciale-sectorbedrijf de voorkeur aan de inschrijving die niet krachtens het tweede lid kan worden afgewezen. Indien het prijsverschil niet meer dan drie procent bedraagt, wordt het bedrag van de inschrijving door het speciale-sectorbedrijf als gelijkwaardig beschouwd.

4.

Een speciale-sectorbedrijf kan afwijken van het derde lid indien hij hierdoor genoodzaakt zou zijn apparatuur aan te schaffen met technische kenmerken die afwijken van de bestaande apparatuur, en dit tot onverenigbaarheid of tot technische moeilijkheden bij het gebruik of het onderhoud zou leiden of buitensporige kosten met zich mee zou brengen.

5.

Een speciale-sectorbedrijf laat bij het bepalen van het aandeel van uit derde landen afkomstige goederen, bedoeld in het tweede lid, de derde landen buiten beschouwing ten gunste waarvan de toepassing van richtlijn 2014/25/EU bij besluit van de Raad van de Europese Unie overeenkomstig het eerste lid is uitgebreid.

6.

Voor de toepassing van dit artikel worden de programmatuurtoepassingen die in telecommunicatienetten worden gebruikt, als goederen beschouwd.

§ 3.3.7.4. Verslaglegging en bekendmaking

Artikel 3.77
1.

Een speciale-sectorbedrijf bewaart passende informatie over iedere speciale-sectoropdracht en ieder dynamisch aankoopsysteem, opdat het bedrijf later de genomen beslissingen kan motiveren met betrekking tot:

  • a. de erkenning en de selectie van de ondernemers en de gunning van de opdracht;
  • b. de toepassing van de onderhandelingsprocedure zonder aankondiging;
  • c. het niet toepassen van de bepalingen voor speciale-sectoropdrachten op grond van de daaromtrent in deze wet opgenomen uitzonderingen;
  • d. het gebruik van niet-elektronische communicatiemiddelen bij elektronische inschrijvingen.
2.

Indien informatie als bedoeld in het eerste lid vermeld staat in de aankondiging van een gegunde speciale-sectoropdracht, kan het speciale-sectorbedrijf voor een motivering verwijzen naar die aankondiging.

3.

Een speciale-sectorbedrijf documenteert het verloop van een aanbestedingsprocedure door voldoende documenten te bewaren die beslissingen in iedere fase van een aanbestedingsprocedure onderbouwen.

4.

Tot de documentatie, bedoeld in het derde lid, worden in ieder geval gerekend documenten betreffende communicatie met ondernemers, de voorbereiding van aanbestedingsstukken, eventuele dialoog of onderhandeling en selectie en gunning van een speciale-sectoropdracht.

5.

De informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt gedurende ten minste drie jaar na de datum van gunning van de speciale-sectoropdracht bewaard.

6.

Het speciale-sectorbedrijf verstrekt binnen de in het vijfde lid genoemde periode van drie jaar de Europese Commissie op haar verzoek de nodige informatie.

Artikel 3.78
1.

De artikelen 2.134, 2.136 en 2.138 zijn van overeenkomstige toepassing op speciale-sectoropdrachten, met dien verstande dat in artikel 2.134, derde lid, voor «bijlage XIV van richtlijn 2014/24/EU» wordt gelezen: bijlage XVII van richtlijn 2014/25/EU.

2.

Indien een periodieke indicatieve aankondiging als bedoeld in artikel 3.56, derde lid, is gedaan en het speciale-sectorbedrijf heeft besloten geen verdere opdrachten te gunnen voor de periode waarop de periodieke indicatieve aankondiging betrekking heeft, wordt dit vermeld in de aankondiging van de gegunde speciale-sectoropdracht.

3.

Indien een speciale-sectorbedrijf een opdracht plaatst in verband met onderzoeks- en ontwikkelingsdiensten:

  • a. volgens een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande aankondiging overeenkomstig artikel 3.36, eerste lid, onderdeel b, mag dat bedrijf de gegevens over de aard en de hoeveelheid van de verleende diensten, beperken tot de vermelding «onderzoeks- en ontwikkelingsdiensten»,
  • b. kan hij de bekendmaking van gegevens over de aard en de hoeveelheid van de verleende diensten beperken tot informatie die ten minste even gedetailleerd is als die in de aankondiging, die met gebruikmaking van het elektronische systeem voor aanbestedingen is gepubliceerd.
Artikel 3.79

Het speciale-sectorbedrijf bewaart ten minste gedurende de looptijd van de speciale-sectoropdracht kopieën van de gesloten overeenkomsten met een waarde van ten minste:

  • a. € 10.000.000 voor speciale-sectoropdrachten voor werken;
  • b. € 1.000.000 voor speciale-sectoropdrachten voor leveringen of diensten.

Hoofdstuk 3.4. Overige voorschriften voor de procedures met betrekking tot de raamovereenkomst, het dynamisch aankoopsysteem en de prijsvraag

Artikel 3.80
1.

De looptijd van een raamovereenkomst is ten hoogste acht jaar, behalve in uitzonderingsgevallen die deugdelijk gemotiveerd zijn.

2.

De plaatsing van speciale-sectoropdrachten met gebruikmaking van een raamovereenkomst, vindt plaats op basis van objectieve eisen en criteria die staan vermeld in de aanbestedingsstukken bij de procedure die tot de raamovereenkomst heeft geleid.

3.

De objectieve eisen en criteria, bedoeld in het tweede lid, waarborgen de gelijke behandeling van de ondernemers die partij zijn bij de raamovereenkomst.

4.

Bij de plaatsing van speciale-sectoropdrachten met gebruikmaking van een raamovereenkomst, is het toegestaan de ondernemers die partij bij de raamovereenkomst zijn nogmaals tot mededinging op te roepen.

5.

Bij een nieuwe aankondiging stelt het speciale-sectorbedrijf voor elke speciale-sectoropdracht met gebruikmaking van een raamovereenkomst een voldoende lange termijn vast voor de indiening van een inschrijving op die opdracht.

6.

De speciale-sectoropdracht, bedoeld in het vijfde lid, wordt gegund aan de inschrijver die op grond van de in de specificaties van de raamovereenkomst vastgestelde gunningscriteria de beste inschrijving heeft ingediend.

Deel 4. Overige bepalingen

Hoofdstuk 4.1. Gedragsverklaring aanbesteden

Afdeling 4.1.1. Algemene bepalingen

Artikel 4.1

Een gedragsverklaring aanbesteden is een verklaring van Onze Minister van Veiligheid en Justitie dat uit een onderzoek naar de in de artikel 4.7 bedoelde gegevens is gebleken dat tegen de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon geen bezwaren bestaan in verband met inschrijving op overheidsopdrachten, speciale-sectoropdrachten, concessieopdrachten, prijsvragen of opdrachten als bedoeld in de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied.

Artikel 4.2

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder rechtspersoon verstaan een rechtspersoon als bedoeld in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek alsmede daarmee gelijkgestelde organisaties als bedoeld in artikel 51, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 4.3

De beslissing omtrent de afgifte van een gedragsverklaring aanbesteden wordt aangemerkt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 4.4
1.

Een aanvraag om de afgifte van een gedragsverklaring aanbesteden wordt ingediend bij Onze Minister van Veiligheid en Justitie door degene omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd of door een vertegenwoordiger van de rechtspersoon omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd.

2.

De aanvrager verstrekt bij zijn aanvraag:

  • b. de naam, voornamen en adresgegevens van de leden van het toezichthoudend orgaan van de rechtspersoon en
  • c. de naam, voornamen en adresgegevens van voormalige bestuurders, vennoten, maten of beheerders van de rechtspersoon in de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag die nog een beleidsbepalende functie binnen de rechtspersoon bekleden.
3.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie onderzoekt de volledigheid van de bij de aanvraag verstrekte gegevens en verschaft zich de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld ter uitvoering van het derde lid.

Artikel 4.5
1.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie beslist op de aanvraag met betrekking tot de afgifte van de gedragsverklaring aanbesteden:

  • a. indien de aanvraag een natuurlijke persoon betreft: binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag;
  • b. indien de aanvraag een rechtspersoon betreft: binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
2.

De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde beslistermijnen kunnen eenmaal worden verlengd met vier onderscheidenlijk acht weken.

Artikel 4.6

Artikel 39 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 4.1.2. Toetsingscriteria

Artikel 4.7
1.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie betrekt in zijn beoordeling van de aanvraag om een gedragsverklaring aanbesteden uitsluitend de gegevens met betrekking tot:

  • a. onherroepelijke veroordelingen als bedoeld in artikel 2.86, zesde lid,
  • b. onherroepelijke veroordelingen wegens misdrijven die zijn opgenomen in het Wetboek van Strafrecht voor zover aangewezen bij algemene maatregel van bestuur, onherroepelijke veroordelingen wegens misdrijven die zijn opgenomen in de Wet op de economische delicten en bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere misdrijven;
  • c. onherroepelijke beschikkingen op grond van artikel 56 van de Mededingingswet waarbij door de Autoriteit Consument en Markt geen boetevermindering op grond van clementie is verleend;
  • d. onherroepelijke beschikkingen van de Europese Commissie wegens overtreding van artikel 101 of artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie waarbij door de Europese Commissie geen boete-immuniteit of boetevermindering op grond van clementie is verleend.
2.

Indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon is artikel 35, tweede lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van overeenkomstige toepassing.

3.

In het in het tweede lid bedoelde geval betrekt Onze Minister van Veiligheid en Justitie bij zijn beoordeling tevens de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde gegevens van de in artikel 4.4, tweede lid, onderdelen b en c, bedoelde personen.

Artikel 4.8
1.

Veroordelingen als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel a, worden in de beoordeling betrokken voor zover zij in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag onherroepelijk zijn geworden.

2.

Veroordelingen en beschikkingen als bedoeld in artikel 4,7 eerste lid, onderdelen b, c en d, worden in de beoordeling betrokken voor zover zij in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag onherroepelijk zijn geworden.

Artikel 4.9
1.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie betrekt bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van een gedragsverklaring aanbesteden van een natuurlijk persoon de met betrekking tot de aanvrager vermelde justitiële gegevens in de justitiële documentatie, bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

2.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie betrekt bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van een gedragsverklaring aanbesteden van een rechtspersoon de gegevens in de justitiële documentatie, bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, op naam van de rechtspersoon en omtrent de in artikel 4.7, tweede en derde lid, bedoelde personen.

Afdeling 4.1.3. Beoordeling

Artikel 4.10
1.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie weigert de afgifte van de gedragsverklaring aanbesteden, ingeval de aanvrager een natuurlijke persoon is, indien binnen de in artikel 4.8 bedoelde termijn:

  • b. een of meer veroordelingen als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel b, onherroepelijk zijn geworden waarbij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis is opgelegd of waarbij een of meer voorwaardelijke of onvoorwaardelijke geldboetes, taakstraffen of voorwaardelijke gevangenisstraffen of hechtenis zijn opgelegd met een gezamenlijke waarde van in totaal € 35 000 of meer;
2.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie weigert de afgifte van de gedragsverklaring aanbesteden, ingeval de aanvrager een rechtspersoon is, indien binnen de in artikel 4.8 bedoelde termijn:

  • a. een of meerdere veroordelingen als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel a, van die rechtspersoon of van een of meer personen als bedoeld in artikel 4.7, tweede lid, onherroepelijk zijn geworden;
  • b. een of meer veroordelingen als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel b, van die rechtspersoon of van een of meer personen als bedoeld in artikel 4.7, tweede lid, onherroepelijk zijn geworden waarbij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis is opgelegd of waarbij een of meer voorwaardelijke of onvoorwaardelijke geldboetes, taakstraffen of voorwaardelijke gevangenisstraffen of hechtenis zijn opgelegd met een gezamenlijke waarde van in totaal € 35 000 of meer;
3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ingeval van veroordelingen van personen als bedoeld in artikel 4.4, onderdeel c, die op het tijdstip van het nemen van het besluit omtrent de afgifte van de gedragsverklaring aanbesteden nog een beleidsbepalende functie binnen de rechtspersoon vervullen.

4.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, wordt een taakstraf van 1 uur gelijkgesteld met een geldboete van 80 euro en een voorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis van 1 dag met een geldboete van 160 euro.

Artikel 4.11
1.

Alvorens te beslissen tot weigering van de afgifte van de gedragsverklaring aanbesteden, stelt Onze Minister van Veiligheid en Justitie degene van wie een of meer gegevens als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdelen a en b, ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing, in de gelegenheid om binnen twee weken een verzoek als bedoeld in artikel 22 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens dan wel de artikelen 16 en 17 van de Algemene verordening gegevensbescherming te doen.

2.

De in artikel 4.5 gestelde termijn voor de beslissing op de aanvraag wordt opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister van Veiligheid en Justitie de gelegenheid heeft geboden tot het doen van een verzoek als bedoeld in het eerste lid tot de dag waarop een schriftelijke mededeling is gedaan dat geen verzoek zal worden ingediend of twee weken zijn verstreken, dan wel tot de dag waarop de procedure naar aanleiding van een verzoek is beëindigd.

3.

De aanvrager van de gedragsverklaring aanbesteden wordt in kennis gesteld van de opschorting.

Hoofdstuk 4.2. Nadere uitvoeringsregels

Afdeling 4.2.1. Nadere regels ter uitvoering van de richtlijnen

Artikel 4.12
1.

Ter uitvoering van de richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU, 2014/25/EU en 2014/55/EU worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld omtrent:

  • a. het gebruik van de elektronische weg: voorwaarden die de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf voor het gebruik daarvan kan stellen;
  • b. communicatie tussen aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf en ondernemer: de middelen, de wijze waarop gegevens aangeboden en opgeslagen worden, elektronisch indienen van inschrijvingen, elektronisch indienen van certificaten, de wijze waarop verzoeken tot deelneming kunnen worden gedaan, de erkenning van elektronische handtekeningen en het ontvangen en verwerken van elektronische facturen.
2.

Ter uitvoering van richtlijn 2014/24/EU kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de instelling, afgifte en bewijskracht van certificaten dan wel de instelling van, opname in en bewijskracht van de opname op een erkenningslijst.

Afdeling 4.2.2. Het elektronische systeem voor aanbestedingen

Artikel 4.13
1.

Onze Minister draagt zorg voor het inrichten, instandhouden, de werking en het beveiligen van een elektronisch systeem voor aanbestedingen, met behulp waarvan:

  • a. de vooraankondigingen en aankondigingen worden gezonden aan de Europese Commissie ter publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie;
  • b. vooraankondigingen, aankondigingen en andere gegevens kunnen worden bekendgemaakt en ter beschikking worden gesteld in het kader van een aanbestedingsprocedure;
  • d. informatie met het oog op de toepassing en naleving van deze wet en met betrekking tot richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU kan worden verstrekt, met inbegrip van elektronische handleidingen voor aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven;
  • e. een bedrijfsdossier ter beschikking wordt gesteld waarin inschrijvers hun gegevens en bescheiden beveiligd kunnen opslaan en aan een aanbestedende dienst of speciale-sectorbedrijf ter beschikking kunnen stellen;
  • f. inschrijvingen voor overheidsopdrachten, speciale-sectoropdrachten en concessieopdrachten kunnen worden ingediend;
  • g. gegevens worden verzameld met het oog op het vervullen van de statistiekverplichtingen op grond van richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU;
  • h. gegevens worden verzameld ten behoeve van verslaglegging van Onze Minister aan de beide Kamers van de Staten-Generaal.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toegang tot en aansluiting op het elektronische systeem voor aanbestedingen ten behoeve van het doen van aankondigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.

3.

Het elektronische systeem, bedoeld in het eerste lid, stelt koppelvlakken ter beschikking voor de aansluiting van en geautomatiseerde gegevensuitwisseling met systemen van gegevensverwerking van aanbestedende diensten of speciale-sectorbedrijven en van ondernemingen die advies- en ondersteuningsdiensten aanbieden.

Artikel 4.14
1.

Onze Minister stelt door middel van het elektronische systeem van aanbesteden de door de Europese Commissie met inachtneming van artikel 33, eerste lid, van richtlijn 2014/23/EU, de artikelen 51, eerste lid, 75, derde lid, en 79, derde lid, van richtlijn 2014/24/EU en artikel 71, eerste lid, van richtlijn 2014/25/EU vastgestelde formulieren beschikbaar voor:

  • a. de vooraankondiging van een overheidsopdracht;
  • b. de periodieke indicatieve aankondiging van een speciale sectoropdracht;
  • c. de aankondiging van een overheidsopdracht, speciale-sectoropdracht, concessieopdracht of prijsvraag;
  • d. de aankondiging door middel van een kopersprofiel;
  • e. de aankondiging van een gegunde overheidsopdracht, speciale-sectoropdracht of concessieopdracht;
  • f. de bekendmaking van de resultaten van een prijsvraag;
  • g. erkenningsregeling;
  • h. rectificatie van een aankondiging;
2.

Onze Minister kan door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen tevens formulieren ter beschikking stellen voor aankondigingen waarop deel 2, 2a of 3 van deze wet niet van toepassing zijn.

3.

Op verzoek van de aanbestedende dienst, het speciale-sectorbedrijf of de concessiehouder wijst Onze Minister de Europese Commissie op gegevens die niet voor publicatie bestemd zijn. Deze gegevens worden niet door middel van het elektronische systeem van aanbesteden bekendgemaakt.

4.

Onze Minister draagt er zorg voor dat door middel van het elektronische systeem van aanbesteden de mededelingen, genoemd in artikel 4.13, onder a, langs elektronische weg ter publicatie worden gezonden aan de Europese Commissie overeenkomstig het model en op de wijze, bedoeld in bijlage XI van richtlijn 2014/23/EU, in het derde punt van bijlage VIII van richtlijn 2014/24/EU of in het derde punt van bijlage IX van richtlijn 2014/25/EU.

5.

Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van een besluit van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van richtlijn 2014/23/EU, de artikelen 51, eerste lid, 75, derde lid, en 79, derde lid, van richtlijn 2014/24/EU en de artikelen 71, eerste lid, 92, derde lid, en 96, tweede lid, van richtlijn 2014/25/EU.

Hoofdstuk 4.3. Vernietigbaarheid en boete

Afdeling 4.3.1. Vernietigbaarheid

Artikel 4.15
1.

Een als resultaat van een gunningsbeslissing gesloten overeenkomst is in rechte vernietigbaar op een van de volgende gronden:

  • a. de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf heeft, in strijd met deel 2 of deel 3 van deze wet, de overeenkomst gesloten zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie;
  • b. de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf heeft, in strijd met de wet, de termijnen, bedoeld in artikel 2.127, eerste lid, onderscheidenlijk 2.131, niet in acht genomen;
2.

De vordering tot vernietiging wordt door een ondernemer die zich door een gunningsbeslissing benadeeld acht ingesteld:

  • a. voor het verstrijken van een periode van 30 kalenderdagen ingaande op de dag na de datum waarop
  • –. de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf de aankondiging van de gegunde opdracht bekendmaakte overeenkomstig de artikelen 2.134 tot en met 2.138, mits deze aankondiging ook de rechtvaardiging bevat van de beslissing van de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf om de opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht, of
  • –. de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf aan de betrokken inschrijvers en gegadigden een kennisgeving zond van de sluiting van de overeenkomst, op voorwaarde dat die kennisgeving vergezeld gaat van de relevante redenen voor de gunningsbeslissing;
  • b. in andere gevallen dan bedoeld in onderdeel a, voor het verstrijken van een periode van zes maanden, ingaande op de dag na de datum waarop de overeenkomst is gesloten.
Artikel 4.16
1.

Artikel 4.15, eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing indien de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf:

  • a. van mening is dat de gunning van een opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen op grond van deze wet is toegestaan,
  • b. de aankondiging van zijn voornemen om tot sluiting van de overeenkomst over te gaan door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft bekendgemaakt, en
  • c. de overeenkomst niet heeft gesloten voor het verstrijken van een termijn van ten minste twintig kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum van de bekendmaking van bedoelde aankondiging.
2.

Artikel 4.15, eerste lid, aanhef en onder c, is niet van toepassing indien de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf:

  • b. het besluit tot gunning van de opdracht, tezamen met de relevante redenen, bedoeld in artikel 2.130, eerste en tweede lid, aan de betrokken inschrijvers heeft gezonden, en
  • c. de overeenkomst niet is gesloten vóór het verstrijken van een termijn van ten minste twintig kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop het besluit tot gunning van de opdracht aan de betrokken inschrijvers is gezonden.
Artikel 4.17
1.

De aankondiging, bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onder b, bevat tenminste de volgende gegevens:

  • a. de naam en contactgegevens van de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf;
  • b. een beschrijving van het onderwerp van de opdracht;
  • c. een rechtvaardiging van de beslissing om de opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie;
  • d. de naam en contactgegevens van de onderneming ten gunste van wie de beslissing om een opdracht te gunnen is genomen;
  • e. voor zover van toepassing alle andere informatie die de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf nuttig acht.
2.

De bekendmaking van de aankondiging, bedoeld in het eerste lid, geschiedt langs elektronische weg, met gebruikmaking van het elektronische systeem voor aanbestedingen.

3.

De aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf gebruikt voor de bekendmaking van de aankondiging, bedoeld in het eerste lid, het daartoe door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen beschikbaar gestelde formulier.

Artikel 4.18
1.

De rechter kan besluiten een overeenkomst niet te vernietigen indien, alle relevante aspecten in aanmerking genomen, dwingende redenen van algemeen belang het noodzakelijk maken dat de overeenkomst in stand blijft.

2.

Economische belangen mogen alleen als een dwingende reden als bedoeld in het eerste lid worden beschouwd indien vernietiging in uitzonderlijke omstandigheden onevenredig grote gevolgen zou hebben. Economische belangen die rechtstreeks verband houden met de betrokken overeenkomst, mogen evenwel geen dwingende reden als bedoeld in het eerste lid vormen. Zodanige belangen omvatten onder meer de kosten die voortvloeien uit vertraging bij de uitvoering van de overeenkomst, de kosten van een nieuwe aanbestedingsprocedure, de kosten die veroorzaakt worden door het feit dat een andere onderneming de overeenkomst uitvoert, en de kosten van de wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit de vernietiging.

Artikel 4.19
1.

Indien de rechter toepassing geeft aan artikel 4.18, eerste lid, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve de looptijd van de overeenkomst verkorten.

2.

De rechter houdt in ieder geval rekening met de ernst van de overtreding, het gedrag van de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf, de aard van de overeenkomst en, in voorkomend geval, met de mogelijkheid om de werking van een vernietiging te beperken.

Artikel 4.20
1.

Indien de rechter toepassing heeft gegeven aan artikel 4.18, eerste lid, of indien de overeenkomst wel wordt vernietigd op grond van artikel 4.15, eerste lid, maar aan die vernietiging de werking geheel of gedeeltelijk wordt ontzegd, wordt door de griffie van de rechtbank onverwijld en kosteloos een afschrift van de uitspraak gezonden aan Onze Minister en aan de Autoriteit Consument en Markt.

2.

Onze Minister draagt zorg dat afschriften van uitspraken als bedoeld in het eerste lid eenmaal per jaar aan de Europese Commissie worden gezonden.

Afdeling 4.3.2. Boete

Artikel 4.21
1.

De Autoriteit Consument en Markt legt de aanbestedende dienst die of het speciale-sectorbedrijf dat partij is bij een overeenkomst waarbij toepassing is gegeven aan artikel 4.18, eerste lid, een bestuurlijke boete op.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de overeenkomst in rechte is vernietigd doch de werking geheel of gedeeltelijk aan die vernietiging is ontzegd.

3.

De in het eerste lid bedoelde boete is afschrikkend, evenredig en doeltreffend, beschouwd in samenhang met de in artikel 4.19 bedoelde verkorting van de looptijd.

4.

De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste vijftien procent van de geraamde waarde van de desbetreffende opdracht. Bij het bepalen van de hoogte van de boete neemt de Autoriteit Consument en Markt de relevante omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van de overtreding, in acht.

Artikel 4.22

De Autoriteit Consument en Markt neemt de beschikking, bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, niet dan nadat de uitspraak, bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, kracht van gewijsde heeft gekregen.

Artikel 4.23
1.

De Autoriteit Consument en Markt kan onder haar ressorterende ambtenaren aanwijzen als toezichthouders ten behoeve van het opmaken van een rapport als bedoeld in artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.

Alvorens een boete op te leggen kunnen de door de Autoriteit Consument en Markt daartoe aangewezen ambtenaren de overeenkomst en de boekhouding onderzoeken teneinde de voor het vaststellen van de boete in aanmerking komende financiële gegevens te bepalen. Zij kunnen zich laten bijstaan door een onafhankelijk financieel deskundige.

3.

De aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf is verplicht mee te werken aan de onderzoeken, bedoeld in het tweede lid.

4.

Bij overtreding van het derde lid is artikel 12m, derde lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.24

Indien de overeenkomst, bedoeld in artikel 4.21, is gesloten of mede is gesloten ten bate van de Autoriteit Consument en Markt, worden de bevoegdheden van de artikelen 4.21 tot en met 4.23 uitgeoefend door Onze Minister.

Artikel 4.25

Vervallen

Hoofdstuk 4.4. Arbitrage en klachten

Artikel 4.26

Indien terzake van een aanbestedingsgeschil arbitrage is overeengekomen:

Artikel 4.27

Onze Minister bevordert de instelling van een commissie die tot doel heeft onafhankelijk advies te geven over klachten met betrekking tot aanbestedingsprocedures.

Hoofdstuk 4.5. Evaluatiebepalingen

Artikel 4.28
1.

Onze Minister onderzoekt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet de wijze waarop aanbestedende diensten overheidsopdrachten voor leveringen en diensten beneden de in afdeling 2.1.1 van deze wet bedoelde waarden plaatsen. Hij doet daarvan verslag aan de Staten-Generaal.

2.

Indien uit de in het eerste lid bedoelde evaluatie blijkt dat het plaatsen van opdrachten als bedoeld in dat lid op onvoldoende uniforme wijze geschiedt kan bij algemene maatregel van bestuur een richtsnoer worden aangewezen waarin voorschriften zijn vervat met betrekking tot de wijzen waarop door bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen aanbestedende diensten overheidsopdrachten als bedoeld in het eerste lid worden geplaatst.

3.

Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, past de aanbestedende dienst de voorschriften toe of motiveert een afwijking van een of meer van die voorschriften in de aanbestedingsstukken.

4.

De in het derde lid bedoelde motivering wordt op diens schriftelijk verzoek aan een ondernemer verstrekt.

5.

De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. De voordracht wordt gedaan door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met Onze Minister of Ministers wie het mede aangaat.

Artikel 4.29

Onze Minister onderzoekt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk en doet daarvan verslag aan de Staten-Generaal. In het verslag wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de toegang van ondernemers tot opdrachten en aan de naleving.

Hoofdstuk 4.6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 4.30
1.

Indien een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf voor het tijdstip van inwerkingtreding van deel 2 onderscheidenlijk deel 3 van deze wet met toepassing van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten of het Besluit aanbestedingen speciale sectoren een aankondiging van een aanbesteding heeft gedaan dan wel overeenkomstig de bepalingen van het desbetreffende besluit een aanbestedingsprocedure zonder aankondiging is gestart en in het kader daarvan een of meer ondernemers heeft verzocht een inschrijving in te dienen, is op die aanbesteding het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deel 2 onderscheidenlijk deel 3 van deze wet.

2.

De afdelingen 1.2.2, 1.2.3 en hoofdstuk 1.3 zijn niet van toepassing op aanbestedingen met betrekking waartoe voor het tijdstip van inwerkingtreding van deel 1 van deze wet een aankondiging is bekendgemaakt of twee of meer ondernemers zijn uitgenodigd om een inschrijving in te dienen.

Artikel 4.31

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)