Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 juni 2014, nr. WJZ/14101260, houdende regels met betrekking tot het houden van dieren

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-05-16
Laatst bijgewerkt 2026-05-19
State In force
Source BWB
artikelen 493
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op richtlijn nr. 2007/43/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU L 182), verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002, tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, voor houders van productiedieren die gehouden worden voor de voedselproductie (PbEG 2002 L 31), verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005 L 3), verordening (EG) nr. 1099/2009: verordening (EG) Nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009 L 303), de artikelen 2.1, vierde lid, 2.5, eerste lid, 6.2, eerste lid, 6.3, tweede lid, 6.4, 7.1, 7.6, eerste en tweede lid, 10.1, derde lid, en 10.4 van de Wet dieren en de artikelen 1.22, tweede lid, 1.25, 2.52, derde lid, 2.54, vijfde lid, 2.55, derde lid, 2.63, eerste lid, 2.65, tweede lid, 2.69, tweede lid, 5.2, 6.2 en6.3 van het Besluit houders van dieren;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • –. beer: geslachtsrijp varken van het mannelijk geslacht, bestemd voor de fokkerij;
  • –. dierennummer: nummer als bedoeld in artikel 2, onderdeel 35, van verordening (EU) nr. 2019/2035;
  • –. eendagskuiken: kip die nog geen 72 uur oud is;
  • –. exploitant: exploitant als bedoeld in artikel 4, onderdeel 24, van verordening (EU) nr. 2016/429;
  • –. geautomatiseerd gegevensbestand: bestand als bedoeld in artikel 109, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429;
  • –. gelt: geslachtsrijp varken van het vrouwelijk geslacht dat nog niet heeft geworpen, bestemd voor de fokkerij;
  • –. hond: dier als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van verordening (EU) nr. 2019/2035;
  • –. identificatiecode: code als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van verordening (EU) nr. 2019/2035;
  • –. kat: dier als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van verordening (EU) nr. 2019/2035;
  • –. koppel: als bedoeld in artikel 2, onderdeel 37, van verordening (EU) nr. 2019/2035;
  • –. landdieren: dieren als bedoeld in artikel 4, onderdeel 2, van verordening (EU) nr. 2016/429;
  • –. leghen: kip bestemd voor de productie van consumptie-eieren;
  • –. minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
  • –. NVWA: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;
  • –. registratienummer van de houder: nummer dat de houder heeft verkregen bij de registratie, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van het besluit of bij een andere registratie als bedoeld in artikel 3.29, tweede lid, van het besluit;
  • –. reizend circus: circus als bedoeld in artikel 2, onderdeel 34, van verordening (EU) nr. 2019/2035;
  • –. relatienummer: uniek nummer dat door de minister is toegekend aan een exploitant van een inrichting waar dieren worden gehouden;
  • –. richtlijn 2007/43/EG: richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182);
  • –. slachtvarken: varken dat bestemd is om te worden geleid naar een slachthuis, dan wel naar een verzamelcentrum vanwaar het varken nog uitsluitend naar een slachthuis mag worden gebracht.
  • –. spenen: het blijvend onttrekken van biggen aan een zogende zeug.
  • –. vermeerderingsdier: pluimvee bestemd voor de productie van broedeieren;
  • –. verordening (EG) nr. 617/2008: verordening (EG) nr. 617/2008 van de Commissie van 27 juni 2008 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat betreft de handelsnormen voor broedeieren en kuikens van pluimvee (PbEU 2008, L 168);
  • –. verordening (EG) nr. 1255/97: Verordening (EG) nr. 1255/97 van de Raad van 25 juni 1997 betreffende de communautaire criteria voor controlepost(en) en tot aanpassing van het in Richtlijn 91/628/EEG bedoelde reisschema (PbEG 1997, L 174);
  • –. verordening (EU) nr. 999/2001: verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PbEU 2001, L147);
  • –. verordening (EU) nr. 1308/2013: verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347);
  • –. verordening (EU) nr. 2016/429: verordening (EU) nr. 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (diergezondheidsverordening) (PbEU 2016, L 84);
  • –. verordening (EU) 2016/1012: verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij (‘Fokkerijverordening’) (PbEU 2016, L 171);
  • –. verordening (EU) 2017/1940: gedelegeerde verordening (EU) 2017/1940 van de Commissie van 13 juli 2017 tot aanvulling van verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de inhoud en vorm van zoötechnische certificaten die worden afgegeven voor raszuivere fokpaarden en –ezels, vervat in een uniek, levenslang geldig identificatiedocument voor paardachtigen (PbEU 2017, L 275);
  • –. verordening (EU) nr. 2019/2035: verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314);
  • –. verordening (EU) nr. 2020/688: verordening (EU) 2020/688 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsing binnen de Unie van landdieren en broedeieren;
  • –. verordening (EU) nr. 2021/520: verordening (EU) 2021/520 van de Commissie van 24 maart 2021 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren (PbEU 2021, L 104);
  • –. verordening (EU) nr. 2021/963: uitvoeringsverordening (EU) 2021/963 van de Commissie van 10 juni 2021 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van de Verordeningen (EU) 2016/429, (EU) 2016/1012 en (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de identificatie en registratie van paardachtigen en tot vaststelling van modelidentificatiedocumenten voor die dieren (PbEU 2021, L 213);
  • –. verordening (EU) nr. 2021/2037: uitvoeringsverordening (EU) 2021/2037 van de Commissie van 22 november 2021 betreffende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2016/429 van het Europees parlement en de Raad wat vrijstellingen van de verplichtingen inzake de registratie van aquacultuurinrichtingen en de documentatie van exploitanten betreft (PbEU 2021 L 416);
  • –. vervoerseenheid: voertuig dat of aanhangwagen, oplegger of container die deel uitmaakt of kan uitmaken van een vervoermiddel;
  • –. vleeseend: eend van 72 uur en ouder die wordt opgefokt of wordt gehouden voor de productie van vlees;
  • –. vleeskalkoen: kalkoen van 72 uur en ouder die wordt opgefokt of wordt gehouden voor de productie van vlees;
  • –. vleeskuiken: kip van 72 uur en ouder die wordt opgefokt of wordt gehouden voor de productie van vlees.
2.

Onder inrichting wordt in de hoofdstukken 3a, 4, paragraaf 2, 5a, 5b, 5c, 6, 7, en 8a verstaan: een inrichting als bedoeld in artikel 4, onderdeel 27, van verordening (EU) nr. 2016/429.

Hoofdstuk 2. Dieren die gehouden mogen worden

Hoofdstuk 2. Aanwijzing van soorten en categorieën van dieren die mogen worden gehouden

Artikel 3.1. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • –. epidemiologische eenheid: epidemiologische eenheid als bedoeld in artikel 4, punt 44, van verordening (EU) nr. 2019/6;
  • –. kalf: rund dat bestemd is voor de productie van vlees en dat ouder is dan veertien dagen en niet ouder is dan twaalf maanden;
  • –. konijn: konijn dat bestemd is voor de fokkerij of de productie van vlees;
  • –. koppel: groep dieren met dezelfde gezondheidsstatus die in dezelfde stal of binnen dezelfde ruimte worden geplaatst of gehouden en die een epidemiologische eenheid vormen;
  • –. rund: rund dat bestemd is voor de productie van melk of vlees, niet zijnde een kalf.

Hoofdstuk 4. Dierenvervoer

Artikel 4.1. Uitvoering toezichtstaken verordening (EG) nr. 1/2005

Vervallen

Artikel 4.2. Vergunning artikelen 10 en 11 verordening (EG) nr. 1/2005

Vervallen

Artikel 4.3. Vergunning artikel 23 verordening (EG) nr. 1/2005

Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de minister een besluit op een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 23, derde lid, van verordening (EG) nr. 1/2005 niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt de minister alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en de bekendmaking.

Artikel 4.4. Certificaat van goedkeuring van een vervoermiddel

Bij de aanvrager van een certificaat van goedkeuring voor een vervoermiddel als bedoeld in artikel 18, eerste lid, of artikel 19, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1/2005 wordt een bedrag in rekening gebracht ter vergoeding van de kosten van de behandeling van die aanvraag, overeenkomstig de door de Dienst Wegverkeer, bedoeld in artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994, vastgestelde tarieven met betrekking tot dierenvervoer.

Artikel 4.5. Aanwijzing bevoegde autoriteiten verordening (EG) nr. 1/2005

Vervallen

Artikel 4.6. Aanwijzing officiële dierenartsen verordening (EG) nr. 1/2005

Als bevoegde dierenartsen als bedoeld in bijlage I, hoofdstuk III, onderdeel 1.2, onder b, van verordening nr. 1/2005 worden aangewezen de dierenartsen die zijn verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 4.7. Erkenning examen verordening (EG) nr. 1/2005
1.

Een door de Divisie CCV van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, bedoeld in artikel 4z van de Wegenverkeerswet 1994, afgenomen examen wordt aangemerkt als een erkend examen als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 1, van verordening (EG) nr. 1/2005.

2.

De Divisie CCV van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen is belast met het afgeven van een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1/2005.

3.

Bij de aanvrager van een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van verordening (EG) 1/2005 wordt een bedrag in rekening gebracht ter vergoeding van de kosten van de behandeling van die aanvraag, overeenkomstig de door de Divisie CCV van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, bedoeld in artikel 4z van de Wegenverkeerswet 1994, vastgestelde tarieven met betrekking tot dierenvervoer.

Artikel 4.8. Verbodsbepalingen

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen:

Hoofdstuk 5. Doden van dieren

Artikel 5.1. Nationale gidsen voor goede praktijken

Vervallen

Artikel 5.2. Opleidingen
1.

De minister keurt een opleidingsprogramma als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EG) nr. 1099/2009 goed indien:

  • a. het programma is opgesteld en wordt uitgevoerd door een instelling die schriftelijk aantoont dat zij beschikt over een stelsel van integrale kwaliteitszorg en kwaliteitsborging op grond waarvan zeker is gesteld dat het onderricht onafhankelijk, toereikend en doelmatig wordt gegeven door voldoende deskundig personeel op het gebied van dieren en dierenwelzijn;
  • b. het opleidingsprogramma voorziet in voldoende theoretisch en praktisch onderricht voor het kunnen verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009 en betreffende de onderwerpen in bijlage IV van die verordening voor alle betrokken diersoorten dan wel diercategorieën;
  • c. het opleidingsprogramma, onverminderd het bepaalde in onderdeel b, voorziet in opleidingsmodules voor onderscheiden activiteiten als bedoeld in onderdeel b, of voor specifieke diersoorten of diercategorieën.
2.

Een kwaliteitssysteem dat is gecertificeerd op basis van NEN-EN-ISO 9001:2015 voldoet in ieder geval aan het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 5.3. Examens
1.

Een examen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1099/2009 wordt afgenomen door een door de minister aangewezen instelling.

2.

Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt uitsluitend indien de betreffende instelling:

  • a. schriftelijk aantoont dat zij beschikt over een stelsel van integrale kwaliteitszorg en kwaliteitsborging op grond waarvan zeker is gesteld dat examens op onafhankelijke wijze worden afgenomen;
  • b. beschikt over een reglement waarin onder meer is vastgelegd aan welke eisen dient te worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat wordt beoordeeld, wie gerechtigd is het examen bij te wonen en een regeling voor geschillen.
3.

Een kwaliteitssysteem dat is gecertificeerd op basis van NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012 voldoet in elk geval aan het vereiste, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.

4.

Het reglement, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, behoeft de goedkeuring van de minister.

5.

De minister keurt het reglement, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, goed indien zeker is gesteld dat kennis en kunde voor het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009 en de onderwerpen in bijlage IV van die verordening, voldoende en door personen met de daartoe benodigde expertise wordt getoetst en indien het voldoet aan de overige eisen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

Artikel 5.4. Getuigschrift van vakbekwaamheid
1.

Een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 7 van verordening (EG) nr. 1099/2009 wordt verstrekt door de instelling, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, die het afsluitend examen heeft afgenomen indien het examen met voldoende resultaat is afgelegd.

2.

Een getuigschrift van vakbekwaamheid wordt niet verstrekt indien niet is voldaan aan het vereiste, bedoeld in artikel 21, zesde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.

Artikel 5.5. Voorlopige getuigschriften van vakbekwaamheid
1.

Een instelling die is aangewezen op grond van artikel 5.3, eerste lid, verstrekt voorlopige getuigschriften van vakbekwaamheid overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.

2.

Artikel 5.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van voorlopige getuigschriften als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.6. Indiening collectieve aanvragen

Aanvragen tot verstrekking van een getuigschrift als bedoeld in artikel 5.4 en 5.5 kunnen collectief namens betrokken personen door de werkgever van die personen worden gedaan en bevatten de namen, adressen en geboortegegevens van de betrokken personen, alsmede de overige gegevens, bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.

Artikel 5.7. Gelijkstelling van voor 1 juni 2013 verstrekte getuigschriften
1.

Getuigschriften van vakbekwaamheid voor het doden van dieren die zijn verstrekt in de periode te rekenen vanaf 1 januari 2012 tot 1 juni 2013 door SVO Lobex BV te Houten, en certificaten van de cursus ‘Euthanasie van nertsen’ zijn gelijkgesteld aan getuigschriften van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 5.4.

2.

Ten behoeve van personen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009 wordt door instellingen als bedoeld in artikel 5.3 in hun opleidingsprogramma voorzien in een verkorte cursus op basis waarvan door een instelling aangewezen op grond van artikel 5.5 aan hen een getuigschrift van vakbekwaamheid overeenkomstig artikel 5.4 kan worden verstrekt.

Artikel 5.8. Verbodsbepaling

Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3, 4, eerste en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, 9, 12, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste, tweede en derde lid, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, 19, 21, zesde lid, 24 en 28, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.

Hoofdstuk 6. Verzorging vleeskuikens

Artikel 6.1. Voorzieningen reinigings- en ontsmettingsplaats

Een reinigings- en ontsmettingsplaats als bedoeld in artikel 2.10a, eerste lid, van het besluit, bevat de voorzieningen, bedoeld in bijlage 8.

Artikel 6.2. Toegankelijkheid register erkende reinigings- en ontsmettingsplaatsen

Het register van erkende reinigings- en ontsmettingsplaatsen, bedoeld in artikel 2.10c, tweede lid, van het besluit is toegankelijk voor eenieder.

Artikel 6.3. Aangewezen dierziekten reiniging en ontsmetting vervoermiddelen afkomstig uit het buitenland

Vervallen

Artikel 6.4. Uitzondering reiniging en ontsmetting binnen inrichting

De verplichting tot reiniging en ontsmetting, bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2020/688 is niet van toepassing op het vervoer binnen een inrichting, bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van die verordening indien is voldaan aan de voorwaarden in dat onderdeel.

Artikel 6.5. Aanvullende normen voor het aanhouden van een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2
1.

De houder die een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2 toepast, zorgt ervoor dat voor elk koppel in het slachthuis, of voor een voor de export bestemd koppel op het bedrijf ten hoogste vijf werkdagen voor het einde van de ronde, wordt vastgesteld in welke mate voetzoollaesies voorkomen.

2.

Ten behoeve van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt bij een aantal vleeskuikens van een koppel beoordeeld bij hoeveel dieren er

  • a. geen of een zeer kleine verkleuring zichtbaar is (klasse 0);
  • b. verkleuring maar geen diepe aantasting aanwezig is (klasse 1);
  • c. een laesie met aantasting van de opperhuid en onderhuidse ontsteking (klasse 2) aanwezig is.
3.

De houder maakt afspraken met de exploitant van het slachthuis respectievelijk het bedrijf dat de vaststelling in de stal verricht, zodanig dat de vaststelling plaatsvindt:

  • a. bij het slachthuis:
  • 1°. door een daarvoor opgeleide medewerker, bij 100 kuikens van elk koppel, waarvan 50 kuikens direct na verwerking van ongeveer 30% van het koppel, en 50 kuikens direct na verwerking van ongeveer 60% van het koppel, met inachtneming van het protocol dat als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd, dan wel:
  • 2°. met gebruikmaking van een digitaal meetsysteem bij ten minste 70% van alle kuikens van elk koppel, overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in bijlage 4;
  • b. in de stal: ten hoogste 5 werkdagen voordat de laatste vleeskuikens worden weggeladen, door een daarvoor opgeleide controleur, bij 100 kuikens van elk koppel met inachtneming van het protocol dat als bijlage 5 bij deze regeling is gevoegd.
4.

De totaalscore voor het koppel wordt vastgesteld:

  • a. in geval van visuele meting in het slachthuis of het houderijbedrijf met gebruikmaking van de formule: aantal punten = (aantal dieren klasse 0) x 0 + (aantal dieren klasse 1) x (0,5) + (aantal dieren klasse 2) x 2
  • b. bij meting door middel van een digitaal meetsysteem met de formule: aantal punten = (percentage dieren klasse 0) x 0 + (percentage dieren klasse 1) x (0,5) + (percentage dieren klasse 2) x 2
5.

De in het eerste lid bedoelde houder verstrekt per koppel de gegevens waaruit de score blijkt binnen 30 dagen na de vaststelling aan de minister. De artikelen 6.2, tweede lid, en 6.8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

6.

De in het eerste lid bedoelde houder stelt na elk kalenderjaar een gemiddelde score voor het afgelopen jaar per stal vast op basis van de gegevens, bedoeld in het vijfde lid.

7.

Het in het derde lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde digitale meetsysteem voldoet aan de volgende eisen:

  • a. het systeem levert een betrouwbare indeling op van de voetzoollaesies in de in het tweede lid genoemde klassen en van de resultaten van de meting overeenkomstig de in het vierde lid, onderdeel b, genoemde formule;
  • b. het systeem kan ten behoeve van een betrouwbare indeling worden ingesteld op beoordeling van de poten van de koppels die onder hoogbroei en van de koppels die onder laagbroei zijn verwerkt;
  • c. het systeem kan op zodanige wijze worden ingesteld dat de beoordeling van ieder koppel afzonderlijk plaatsvindt;
  • d. de in onderdeel a bedoelde gegevens worden ten minste eenmaal per dag opgeleverd;
  • e. de beelden van de beoordeelde koppels kunnen worden bewaard.
Artikel 6.6. Gevolgen hoge scores
1.

Indien een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2 wordt toegepast, is de gemiddelde score, bedoeld in artikel 6.5, zesde lid, niet hoger dan 80 punten.

2.

Indien de gemiddelde score, bedoeld in artikel 6.5, zesde lid, in afwijking van het eerste lid, meer dan 120 punten bedraagt,

  • a. stelt de houder, zo mogelijk met behulp van een dierenarts, voor 1 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarop de verstrekte gegevens betrekking hadden, een verbeterplan op met daarin de maatregelen die hij gaat doorvoeren in elke stal waarvoor de gemiddelde score meer dan 120 punten bedroeg, om ervoor te zorgen dat in elk geval aan het einde van dat jaar wordt voldaan aan het eerste lid, en
  • b. past de houder in elke stal waarvoor de gemiddelde score meer dan 120 punten bedroeg, uiterlijk met ingang van 1 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarop de meldingen betrekking hadden, en vervolgens ten minste gedurende het hele kalenderjaar, een bezettingsdichtheid toe van ten hoogste 39 kg/m².
3.

Indien de gemiddelde score, bedoeld in artikel 6.5, zesde lid, in afwijking van het eerste lid, meer dan 80 punten bedraagt maar minder dan 120 punten, stelt de houder, zo mogelijk met behulp van een dierenarts, voor 1 februari van het jaar dat volgt op het jaar waarop de meldingen betrekking hadden, een verbeterplan op met daarin de maatregelen die hij gaat doorvoeren in elke stal waar de gemiddelde score meer dan 80 punten bedroeg, om ervoor te zorgen dat binnen een jaar wordt voldaan aan het eerste lid.

4.

Een verbeterplan wordt ingediend bij de minister. Artikel 6.2, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5.

Indien naar het oordeel van de minister de uitvoering van het verbeterplan er in redelijkheid niet toe kan leiden dat binnen een kalenderjaar kan worden voldaan aan het eerste lid, dient de houder op verzoek van de minister binnen een maand na dat verzoek een aangepast verbeterplan in.

6.

De houder voert het verbeterplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of in het derde lid, dan wel het aangepaste verbeterplan, bedoeld in het vijfde lid, zo spoedig mogelijk uit.

7.

De houder bewaart bewijsstukken van de maatregelen die hij bij de uitvoering van het verbeterplan heeft genomen gedurende ten minste 5 jaar, gerekend vanaf de datering van die stukken.

Artikel 6.7. Voortduren meting bij toepassing artikel 6.6, tweede lid

Artikel 6.5 is van overeenkomstige toepassing op de houder, bedoeld in artikel 6.6, tweede lid, ten aanzien van het kalenderjaar waarin hij op grond van artikel 6.6, tweede lid, onderdeel b, een bezettingsdichtheid toepast van ten hoogste 39 kg/m².

Artikel 6.8. Verstrekking gegevens aantallen vleeskuikens
1.

Ten behoeve van het bepalen van de bezettingsdichtheid draagt de houder, bedoeld in de artikelen 6.2 en 6.3, er zorg voor dat per koppel de volgende gegevens worden verstrekt aan de minister:

  • b. de datum waarop de vleeskuikens die uit de stal zijn verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht, in de stal zijn geplaatst;
  • c. het aantal vleeskuikens dat uit de stal is verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht;
  • d. het levend gewicht van de vleeskuikens, bedoeld in onderdeel c, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop zij worden geslacht;
  • e. de datum waarop de vleeskuikens, bedoeld in onderdeel c, zijn geslacht;
2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt binnen 30 dagen nadat de laatste vleeskuikens van het betreffende koppel uit de stal zijn verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht.

3.

De houder bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gedurende drie jaren na de datum van de verstrekking bij de gegevens die op grond van artikel 2.52 van het besluit worden geregistreerd.

4.

Artikel 6.2, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.9. Erkenning opleidingscertificaat
1.

De minister erkent een certificaat als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid, van het besluit, indien dit certificaat betrekking heeft op:

  • a. een opleiding die voldoet aan één van de volgende kwalificaties:
  • –. Dierverzorger hokdieren (crebocode 97702), alleen voor cohorten 2012-2014, of
  • –. Dierenhouder hokdieren (crebocode 97712), voor cohorten 2012-2013 en daaropvolgende jaren;
  • b. de certificeerbare eenheid ‘welzijn van vleeskuikens’;
2.

De minister erkent een certificaat als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de richtlijn nr. 2007/43/EG dat is afgegeven of erkend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de Europese Unie.

3.

Naast de aspecten, genoemd in artikel 2.54, derde lid, van het besluit heeft de vleeskuikenhouder tevens kennis van:

  • a. contactdermatitis bij vleeskuikens, en
  • b. maatregelen die in het kader van de bedrijfsvoering kunnen worden genomen om het ontstaan van contactdermatitis te voorkomen dan wel tegen te gaan.

Hoofdstuk 6. Verzorging vleeskuikens

Artikel 7.1. Eisen A-bedrijf, C-bedrijf, of E- bedrijf
1.

Een A-bedrijf, C-bedrijf of E-bedrijf voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. een dierenarts neemt eenmaal per maand bloedmonsters van de aanwezige varkens overeenkomstig de procedure van bijlage 10 ten behoeve van serologisch onderzoek op de aanwezigheid van klassieke varkenspest dat door Wageningen Bioveterinary Research wordt verricht;
  • b. op het bedrijf is een douche aanwezig, die is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de ingang van de inrichting waar varkens worden gehouden, waarvan bezoekers van die inrichting voorafgaand aan het betreden van de stallen gebruik maken; en
  • c. het bedrijf is voorzien van een erfafscheiding waardoor het betreden van de inrichting waar varkens worden gehouden zonder de medewerking van de varkenshouder niet mogelijk is.
2.

De monsters, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden uiterlijk op de werkdag na de dag dat ze zijn genomen aangeleverd bij het laboratorium, bedoeld in dat onderdeel.

3.

De varkenshouder stelt de uitslag van het serologisch onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, beschikbaar aan de minister.

4.

Indien een A-bedrijf beschikt over een toevoegstal, voldoet dat bedrijf aan de in bijlage 11 opgenomen eisen over inrichting en gebruik van die stal. Een dierenarts neemt overeenkomstig de procedure van bijlage 10 bloedmonsters van de in die toevoegstal aanwezige varkens ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.27h, eerste lid, onderdeel b, van het besluit.

Hoofdstuk 8. Bedrijfsmatig houden van dieren anders dan voor landbouwdoeleinden

Artikel 8.1. Definitie

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 8.2. Verschuldigde bedragen

Vervallen

Artikel 8.3. Inenting hond
1.

Voor zover een hond in een inrichting verblijft, laat de beheerder een hond inenten tegen de volgende ziekten:

  • a. Parvovirusinfectie;
  • b. de ziekte van Carré en
  • c. Hepatitis Contagiosia Canis.
2.

Een hond wordt binnen 7 weken na de geboorte tegen de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde ziekten ingeënt, met dien verstande dat, in het geval van verkoop of aflevering, de hond uiterlijk 7 dagen vóór het moment van verkoop of aflevering wordt ingeënt.

3.

Voor zover een hond in een inrichting verblijft, laat de beheerder de inenting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en de benodigde herhalingsentingen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten plaatsvinden.

4.

Indien bij binnenkomst van een hond de vaccinatiestatus onvolledig of onbekend is, laat de beheerder de hond binnen 5 werkdagen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten inenten.

5.

Indien inenting binnen de termijnen, genoemd in het tweede en vierde lid, niet overeenstemt met de bijsluiter van het vaccin, wordt de inenting gedaan binnen de termijn die in de bijsluiter is genoemd.

Artikel 8.4. Inentingen kat
1.

Voor zover een kat in een inrichting verblijft, laat de beheerder een kat inenten tegen de volgende ziekten:

  • a. Panleucopenievirus en
  • b. Feline herpes- en calicivirus.
2.

Een kat wordt binnen 7 weken na de geboorte tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten ingeënt, met dien verstande dat, in het geval van verkoop of aflevering, de kat uiterlijk 7 dagen vóór het moment van verkoop of aflevering wordt ingeënt.

3.

Voor zover de kat in een inrichting verblijft, laat de beheerder de benodigde herhalingsentingen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten plaatsvinden.

4.

Indien bij binnenkomst van een kat de vaccinatiestatus onvolledig of onbekend is, laat de beheerder de kat binnen 5 werkdagen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten inenten.

5.

Indien inenting binnen de termijnen, genoemd in het tweede en vierde lid, niet overeenstemt met de bijsluiter van het vaccin, wordt de inenting gedaan binnen de termijn die in de bijsluiter is genoemd.

Artikel 8.5. Bewijs van inenting
1.

Het bewijs van inenting, bedoeld in artikel 3.15, onderdeel b, van het besluit, is een door een dierenarts opgemaakt en schriftelijk afgegeven bewijs.

2.

Het is het eerste lid bedoelde bewijs heeft betrekking op de inentingen die overeenkomstig de artikelen 8.3 en 8.4 hebben plaatsgevonden en bevat de volgende gegevens:

  • –. naam en praktijkadres van de dierenarts;
  • –. de inentingsdatum, het herhalingsinterval en voor zover dat van toepassing is de hiervan gemotiveerde afwijkingen;
  • –. geslacht van het dier;
  • –. kleur van het dier;
  • –. voor zover bekend, ras van het dier;
  • –. voor zover bekend, geboortedatum van het dier en
  • –. indien aanwezig, het identificatienummer van de chip of de cijfer- en lettercode van de tatoeage.
3.

Met het in het eerste lid bedoelde bewijs van inenting wordt gelijkgesteld een bewijs van inenting dat ingevolge het Honden- en kattenbesluit 1999 voor desbetreffende hond of kat is afgegeven.

Artikel 8.6. Diergroepen

De volgende diergroepen, bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, van het besluit, worden onderscheiden: hond en kat, overige zoogdieren, vogels, vissen en herpeten.

Artikel 8.7. Vermelden diergroep resultatenlijst

De resultatenlijst behorend bij een diploma van het kwalificatiedossier Dierverzorging (Opleidingscode 23214), bedoeld in bijlage 3 van de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016, vermeldt de diergroep, bedoeld in artikel 8.6 van deze regeling, waarvoor het onderwijs is genoten.

Artikel 8.8. Erkenning beroepskwalificaties
1.

De artikelen 8.8 tot en met 8.10 van deze regeling zijn van toepassing op de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot uitoefening van het gereglementeerde beroep beheerder van een inrichting als bedoeld in het besluit.

2.

Artikel 8.12 van deze regeling is van toepassing op de verklaring, bedoeld in artikel 23 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, en de controle, bedoeld in artikel 27 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, van een dienstverrichter die een gereglementeerd beroep als bedoeld in het eerste lid wenst uit te oefenen.

Artikel 8.9. Aanvraag erkenning beroepskwalificaties
1.

Een aanvraag tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties wordt ingediend bij de minister.

2.

Bij de aanvraag overlegt de aanvrager:

Artikel 8.10. Proeve van bekwaamheid

Indien de aanvrager op grond van artikel 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties een proeve van bekwaamheid moet afleggen:

  • a. wordt de aanvrager schriftelijk geïnformeerd over de vakken waarop de proeve van bekwaamheid betrekking heeft, over de wijze waarop de proeve van bekwaamheid wordt afgenomen en over de kosten van de proeve;
  • b. wordt het resultaat van de proeve van bekwaamheid zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de aanvrager.
Artikel 8.11. Aanpassingsstage

Indien de aanvrager op grond van artikel 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties een aanpassingsstage moet doorlopen, wordt de aanvrager schriftelijk medegedeeld:

  • a. de vakken waarop de aanpassingsstage betrekking heeft;
  • b. de duur van de aanpassingsstage;
  • c. in voorkomend geval de aanvullende opleiding die deel uitmaakt van de aanpassingsstage.
Artikel 8.12. Eerste dienstverrichting
1.

Een dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties verstrekt voorafgaand aan de eerste dienstverrichting aan de minister de volgende documenten:

2.

Indien na de controle, bedoeld in artikel 27 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, blijkt dat de beroepskwalificaties van dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties wezenlijk verschillen van de vereiste opleiding voor de toegang tot uitoefening van het beroep beheerder van een inrichting, legt de dienstverrichter een proeve van bekwaamheid af.

Hoofdstuk 7. Registratie van legkippenhouders

Artikel 9.1. Sledehondensport

De uitoefening van de sledehondensport is uitsluitend toegestaan indien gebruik wordt gemaakt van honden, behorend tot de volgende rassen:

  • a. Alaskan Malamute,
  • b. Eskimohond,
  • c. Groenlandse hond,
  • d. Samojeed,
  • e. Siberian husky, mits bij de honden geen pijn of letsel wordt veroorzaakt en de gezondheid of het welzijn van de honden niet wordt benadeeld.
Artikel 9.2. Toelating krachttoestel
1.

Als krachttoestel als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onderdeel c, van de wet is toegelaten een krachttoestel dat voldoet aan de volgende eisen:

  • a. het toestel is te stabiliseren tegen de achterhand van een staande of liggende koe;
  • b. het toestel beschikt over een flexibele tweedelige beugel die om de achterhand van de koe past;
  • c. de bevestiging van de stang aan de beugel maakt variatie in trekrichting mogelijk;
  • d. de lengte van de stang bedraagt 1,8 tot 2 meter;
  • e. de trekkracht van de stang is tijdelijk te verminderen zonder afkoppelen of afglijden van het toestel;
  • f. het toestel is eenvoudig te reinigen en te desinfecteren, en
  • g. het toestel bevat een trekkrachtindicator.
2.

Het gebruik van het in het eerste lid bedoelde krachttoestel is uitsluitend toegestaan bij een niet vorderende partus bij een normale voorwaartse of achterwaartse ligging van het kalf, indien:

  • a. de koe niet eigenmachtig de geboorte kan voltooien, en
  • b. redelijkerwijs vaginale verlossing mogelijk is.
3.

In afwijking van het eerste lid, is tot 1 januari 2025 een krachttoestel toegelaten dat voldoet aan de eisen, genoemd in onderdelen a tot en met f, indien deze is aangeschaft vóór 1 juli 2015.

Hoofdstuk 10. Wijziging en intrekking van regelingen

Artikel 10.1. Overgangsbepaling bioveiligheidsplan

Vervallen

Artikel 10.2. Wijziging Regeling diergeneesmiddelen

Wijzigt de Regeling diergeneesmiddelen.

Artikel 10.3. Wijziging Regeling dierlijke producten

Wijzigt de Regeling dierlijke producten.

Artikel 10.4. Wijziging Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE

Wijzigt de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.

Artikel 10.5. Wijziging Tijdelijke vrijstellingsregeling enten AI-gevoelige vogels dierentuinen 2003

Wijzigt de Tijdelijke vrijstellingsregeling enten AI-gevoelige vogels dierentuinen 2003.

Artikel 10.6. Intrekking regelingen

De Vrijstellingsregeling dierenwelzijn wordt ingetrokken.

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Artikel 11.1. Inwerkintreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2014.

Artikel 11.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling houders van dieren.

Bijlage 1

(gereserveerd)

Bijlage 2

(gereserveerd)

Bijlage 3. Protocol voor de visuele monitoring van voetzoollaesies aan vleeskuikens in het slachthuis als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, onderdeel a, van de Regeling houders van dieren

    1. Deze monitoring wordt uitgevoerd in het slachthuis waar het koppel vleeskuikens of het grootste deel ervan wordt geslacht.
    1. De monitoring wordt uitgevoerd door hiervoor opgeleide slachthuismedewerkers, onder toezicht van de NVWA.
    1. 100 vleeskuikens per koppel (per stal) worden beoordeeld, waarvan 50 kuikens rond de verwerking van 30% van het koppel, en 50 kuikens rond de verwerking van 60% van het koppel.
    1. Alleen de rechter poot van elk vleeskuiken van de steekproeven wordt beoordeeld. Hiervoor worden de te monitoren poten van de slachtlijn gehaald en verzameld.
    1. De medewerker baseert zijn beslissingen over de indeling van de poten in 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) op de inhoud van de daarvoor aan hem verstrekte scorekaart en stelt de totaalscore voor het koppel vast met gebruikmaking van de formule: aantal punten= (aantal dieren klasse 0)x0 + (aantal dieren klasse 1)x0,5 + (aantal dieren klasse 2)x2
    1. Deze gegevens worden door het slachthuis geregistreerd en doorgegeven aan de houder.

Bijlage 4. Protocol voor het monitoren van voetzoollaesies aan levende dieren op vleeskuikenbedrijven als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, onderdeel b, van de Regeling houders van dieren

    1. Deze monitoring wordt uitgevoerd op het bedrijf zelf, maximaal 5 dagen voordat het koppel wordt geslacht. Het betreft koppels die geëxporteerd worden en waar geen meting van voetzoollaesies plaatsvindt in het slachthuis van bestemming, of koppels die in kleine slachthuizen in Nederland worden geslacht.
    1. De monitoring wordt uitgevoerd door een hiervoor opgeleide controleur van een door het Productschap voor Pluimvee en Eieren erkende organisatie die vermeld staat op de website van dat productschap.
    1. Per stal worden 100 levende vleeskuikens beoordeeld, waarbij ten minste 4 steekproeven in de stal (bijvoorbeeld 4 keer 25 dieren) worden genomen, genomen op locaties verdeeld over de stal, minimaal 2 locaties tegen de muur en de overige locaties tussen voer- en drinklijnen in. Zie voorbeeld hieronder.
    1. De controleur maakt gebruik van extra verlichting (zoals een hoofdlamp) en van een vanghek om dubbele metingen te voorkomen. Hiervoor kan hij de kuikens merken met bv. watervaste stift (op de poot, of vleugels).
    1. Het schoonmaken van de poten met borstel en sop wordt afgeraden, na het afwrijven van de mest van de poot heeft men een redelijk beeld van de conditie van de poten.
    1. In de steekproeven wordt alleen de rechter poot van elk vleeskuiken beoordeeld.
    1. De controleur baseert zijn beslissingen over de indeling van de poten in 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) op de inhoud van de daarvoor aan hem verstrekte scorekaart.
    1. De controleur registreert het aantal vleeskuikens in de 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) en geeft dit door aan de houder, alsmede de totaalscore van het koppel.
    1. Deze wordt berekend met onderstaande formule: aantal punten= (aantal dieren klasse 0)x0 + (aantal dieren klasse 1)x0.5 + (aantal dieren klasse 2)x2

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

§ 1. Administratie diergeneesmiddelen

§ 2. Melding en gebruik aangewezen diergeneesmiddelen

Artikel 3.2. Gevallen waarin melding wordt gedaan

De melding, bedoeld in artikel 1.27, eerste lid van het besluit wordt gedaan van de ontvangst van antimicrobiële diergeneesmiddelen ten behoeve van toepassing bij:

  • a. kippen of kalkoenen indien de houder van deze dieren 250 of meer kippen of kalkoenen houdt ten behoeve van de productie van vlees, consumptie-eieren of broedeieren;
  • b. runderen, indien de houder van deze dieren 5 of meer runderen houdt ten behoeve van de productie van melk of vlees;
  • c. kalveren, indien de houder van deze dieren 5 of meer kalveren houdt ten behoeve van de productie van vlees;
  • d. varkens, indien de houder van deze dieren 5 of meer varkens houdt ten behoeve van de productie van vlees;
  • e. konijnen, indien de houder van deze dieren 250 of meer konijnen houdt ten behoeve van de fokkerij of de productie van vlees;
  • f. geiten, indien de houder van deze dieren 25 of meer geiten houdt ten behoeve van de fokkerij of de productie van melk of vlees.

§ 2.1. Registratie aangewezen diergeneesmiddelen

Artikel 3.3. Bij de melding te verstrekken gegevens
1.

Bij de melding, bedoeld in artikel 1.27, eerste lid, van het besluit, worden de volgende gegevens verstrekt:

  • a. de naam, het adres en de woonplaats van de houder;
  • b. het unieke registratienummer of het unieke erkenningsnummer;
  • c. de diersoort, diercategorie, subcategorie en leeftijdscategorie van de gehouden dieren;
  • d. het gemiddeld aantal dieren per diersoort, diercategorie, subcategorie en leeftijdscategorie dat per dag werd gehouden.
2.

Het gemiddeld aantal dieren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt:

  • a. indien het een houder van kippen, kalkoenen of kalveren, en de houder van kalveren een systeem toepast waarbij de kalveren tegelijk worden aangevoerd, opgefokt en afgevoerd, betreft, berekend over de periode vanaf het moment van aanvoer van een koppel dieren tot het moment van afvoer daarvan;
  • b. indien het een houder van runderen, varkens, konijnen, geiten of kalveren, en de houder van kalveren een systeem toepast waarbij kalveren van verschillende leeftijden worden gehouden die niet op hetzelfde moment worden afgevoerd, betreft, berekend over de periode van twaalf maanden voorafgaand aan het moment waarop de melding wordt gedaan.
3.

Indien de melding wordt gedaan ten aanzien van een diergeneesmiddel dat bij kippen of kalkoenen wordt toegepast, worden tevens de volgende gegevens verstrekt:

  • b. de geboortedatum van het koppel waarbij het diergeneesmiddel is toegepast;
  • c. het nummer van de stal waarin het koppel wordt gehouden;
  • d. het aantal kuikens dat is opgezet in de stal waarin het koppel wordt gehouden.
Artikel 3.4. Moment van de melding
1.

De houder, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, onderdeel a, doet de melding, bedoeld in artikel 1.27, eerste lid, van het besluit na afvoer van ieder koppel dieren.

2.

De houder, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, onderdeel b, doet de melding, bedoeld in artikel 1.27, eerste lid, van het besluit jaarlijks.

Artikel 3.5. Gevallen waarin een bedrijfsgezondheidsplan en een bedrijfsbehandelplan vereist zijn
1.

Een bedrijfsgezondheidsplan en een bedrijfsbehandelplan als bedoeld in artikel 1.28, eerste lid, van het besluit, worden opgesteld wanneer een houder van dieren:

  • a. 250 of meer hoenderachtigen, eenden of ganzen houdt ten behoeve van de productie van vlees, consumptie-eieren of broedeieren;
  • b. 5 of meer runderen houdt ten behoeve van de productie van melk of vlees;
  • c. 5 of meer kalveren houdt ten behoeve van de productie van vlees;
  • d. 5 of meer varkens houdt ten behoeve van de productie van vlees;
  • e. 250 of meer konijnen houdt ten behoeve van de fokkerij of de productie van vlees;
  • f. 25 of meer geiten houdt ten behoeve van de fokkerij of de productie van melk of vlees.
2.

Een houder van dieren als bedoeld in het eerste lid, laat per diersoort één bedrijfsgezondheidsplan en één bedrijfsbehandelplan opstellen.

3.

In afwijking van het eerste lid laat een houder van eenden, ganzen of andere hoenderachtigen dan kippen of kalkoenen enkel een bedrijfsgezondheidsplan opstellen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

§ 1.1. Registratie aangewezen diergeneesmiddelen

Artikel 3.6. Administratie bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan

De houder, bedoeld in artikel 1.28, eerste lid, van het besluit, bewaart het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan, samen met het verslag, bedoeld in artikel 5.22, tweede lid, van de Regeling diergeneeskundigen, vijf jaar op zijn bedrijf.

Artikel 3.7. Kwaliteitscontrole
1.

De verschillende betrokken partners in de veehouderijsector voeren zelf kwaliteitscontrole uit, gericht op de naleving van artikel 2.2, vijfde lid, van de Wet dieren, artikel 2.8 van het besluit en artikel 5.3 van de Regeling diergeneesmiddelen 2022.

2.

Bij kwaliteitscontrole als bedoeld in het eerste lid:

  • a. worden de zelfcontrolemaatregelen opgenomen in daarvoor in aanmerking komende algemene voorwaarden voor merken en labels;
  • b. vervallen de voordelen, verbonden aan de deelname aan een kwaliteitscontrolesysteem, voor een bedrijf ten aanzien waarvan vanwege niet-naleving van regels als bedoeld in het eerste lid, maatregelen als bedoeld in artikel 138, eerste lid, van verordening (EU) 2017/625 of artikel 5.10, 5.11 of 5.12 van de wet maatregelen zijn getroffen, gedurende een periode van ten minste twaalf maanden vanaf de datum vanaf de datum dat deze maatregelen zijn opgeheven.

Hoofdstuk 4. Dierenvervoer

Hoofdstuk 5. Doden van dieren

Hoofdstuk 7. Registratie van legkippenhouders

Hoofdstuk 5. Doden van dieren

Artikel 7a.1. Onderzoek Brucellose

De houder van een rund stuurt, uiterlijk binnen een week nadat bij het dier de vrucht of vruchten ter wereld zijn gebracht, de monsters die zijn genomen met het oog op het onderzoek naar de aanwezigheid van antilichamen tegen brucellose als bedoeld in artikel 2.46a, eerste lid, van het besluit, naar de instelling die op grond van artikel 3.1 van het Besluit diergezondheid is aangewezen voor de uitvoering van het monitoringsprogramma voor brucellose.

Artikel 7a.2. Verbodsbepaling handelsnormen pluimveekuikens

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden de artikelen 4, 5, 6, onderdeel b, en 8, eerste lid, van verordening (EG) nr. 617/2008 aangewezen.

Artikel 7b.1. Begripsbepalingen verzorging vleeskuikens

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

bruto oppervlakte van de stal: binnenmaatse oppervlakte van de stal, voor zover het betreft het gedeelte van de stal, bestemd voor het houden van vleeskuikens;

stal: ruimte met een omsloten luchtvolume die is bestemd om er uitsluitend één koppel in te houden.

Hoofdstuk 7a. Handelsnormen pluimveekuikens

Hoofdstuk 9. Overige bepalingen

Hoofdstuk 10. Wijziging en intrekking van regelingen

Hoofdstuk 5b. Identificatie en registratie van dieren

Bijlage 1

(gereserveerd)

Bijlage 2

(gereserveerd)

Bijlage 3. Protocol voor de visuele monitoring van voetzoollaesies aan vleeskuikens in het slachthuis als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, onderdeel a, van de Regeling houders van dieren

    1. Deze monitoring wordt uitgevoerd in het slachthuis waar het koppel vleeskuikens of het grootste deel ervan wordt geslacht.
    1. De monitoring wordt uitgevoerd door hiervoor opgeleide slachthuismedewerkers, onder toezicht van de NVWA.
    1. 100 vleeskuikens per koppel (per stal) worden beoordeeld, waarvan 50 kuikens rond de verwerking van 30% van het koppel, en 50 kuikens rond de verwerking van 60% van het koppel.
    1. Alleen de rechter poot van elk vleeskuiken van de steekproeven wordt beoordeeld. Hiervoor worden de te monitoren poten van de slachtlijn gehaald en verzameld.
    1. De medewerker baseert zijn beslissingen over de indeling van de poten in 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) op de inhoud van de daarvoor aan hem verstrekte scorekaart en stelt de totaalscore voor het koppel vast met gebruikmaking van de formule: aantal punten= (aantal dieren klasse 0)x0 + (aantal dieren klasse 1)x0,5 + (aantal dieren klasse 2)x2
    1. Deze gegevens worden door het slachthuis geregistreerd en doorgegeven aan de houder.

Bijlage 4. Protocol voor de monitoring van voetzoollaesies aan vleeskuikens in het slachthuis met behulp van een digitaal meetsysteem als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de Regeling houders van dieren

    1. In het slachthuis is een rapport aanwezig van een onafhankelijke kennisinstelling of instantie, waaruit blijkt dat het digitale meetsysteem zodanig werkt dat de scores een score oplevert die vergelijkbaar is met de score van een visuele beoordeling die aan de hand van de scorekaart is uitgevoerd. In het rapport is een beschrijving door de kennisinstelling of de instantie opgenomen van de wijze waarop dit is vastgesteld.
    1. Het camerasysteem meet ten minste 70% van de poten van elk koppel.
    1. De percentages per klasse en de eindscores worden minimaal 1 keer per werkdag door het systeem opgeleverd, door het slachthuis verwerkt en aan de pluimveeveehouder doorgegeven.
    1. Het slachthuis treft maatregelen om het digitale meetsysteem en de daarbij gebruikte software te beschermen tegen willekeurige wijzigingen.
    1. Het slachthuis zorgt ervoor dat het systeem zodanig wordt onderhouden dat het goed blijft functioneren. Indien het systeem gebreken of defecten vertoont meldt het slachthuis dit aan de leverancier of de fabrikant en de betrokken pluimveehouders.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)