Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 juni 2014, nr. WJZ/14101260, houdende regels met betrekking tot het houden van dieren

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-05-16
Laatst bijgewerkt 2026-05-19
State In force
Source BWB
artikelen 493
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt binnen 30 dagen nadat de laatste vleeskuikens van het betreffende koppel uit de stal zijn verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht.

3.

De houder bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gedurende drie jaren na de datum van de verstrekking bij de gegevens die op grond van artikel 2.52 van het besluit worden geregistreerd.

4.

Artikel 7b.2, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7b.9. Erkenning opleidingscertificaat
1.

De minister erkent een certificaat als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid, van het besluit, indien dit certificaat betrekking heeft op:

  • a. een opleiding die voldoet aan één van de volgende kwalificaties:
  • –. Dierverzorger hokdieren (Opleidingscode 97702), alleen voor cohorten 2012-2014, of
  • –. Dierenhouder hokdieren (Opleidingscode 97712), voor cohorten 2012-2013 en daaropvolgende jaren;
  • b. de certificeerbare eenheid ‘welzijn van vleeskuikens’;
2.

De minister erkent een certificaat als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de richtlijn nr. 2007/43/EG dat is afgegeven of erkend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de Europese Unie.

3.

Naast de aspecten, genoemd in artikel 2.54, derde lid, van het besluit heeft de vleeskuikenhouder tevens kennis van:

  • a. contactdermatitis bij vleeskuikens, en
  • b. maatregelen die in het kader van de bedrijfsvoering kunnen worden genomen om het ontstaan van contactdermatitis te voorkomen dan wel tegen te gaan.

§ 7.1. Vervoer van en naar locaties met varkens

Artikel 7b.10. Registratie houders van legkippen

Ter verkrijging van een registratie als bedoeld in artikel 2.69, eerste lid, van het besluit doet een houder als bedoeld in artikel 2.69, eerste lid, van het besluit de inkennisstelling, bedoeld in artikel 84, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2016/429, met dien verstande dat hij daarbij de gegevens, bedoeld in onderdeel 1 van de bijlage bij Richtlijn 2002/4/EG, verstrekt ten behoeve van opname in het geautomatiseerde gegevensbestand, bedoeld in artikel 109 van verordening (EU) nr. 2016/429.

Artikel 7b.11. Registratie kuikens
1.

Een broederij registreert het aantal uitgekomen kuikens dat daadwerkelijk bestemd is om te worden gebruikt, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening (EG) nr. 617/2008:

  • b. bij de minister, voor zover voor de registratie van die gegevens geen aanwijzing als bedoeld in onderdeel a heeft plaatsgevonden.
2.

De verzender van een partij kuikens registreert de gegevens die het begeleidende document, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van verordening (EG) nr. 617/2008, bevat overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a en b.

3.

In afwijking van het tweede lid wordt de registratie, bedoeld in dat lid, bij ontvangst op een vermeerderingsbedrijf van kippen die worden gebruikt als moederdier, gedaan door de ontvanger van die kuikens.

Artikel 7b.12. Verbodsbepaling handelsnormen pluimveekuikens

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden de artikelen 4, 5, 6, onderdeel b, en 8, eerste lid, van verordening (EG) nr. 617/2008 aangewezen.

§ 7.2. Monitoringsvoorschriften

§ 7b.2.1. Monitoring aviaire influenza

Artikel 7b.13. Monstername monitoring aviaire influenza
1.

Een houder als bedoeld in artikel 2.76ib, eerste lid, van het besluit, laat een bloedmonster nemen door een dierenarts of een dierenartsassistent paraveterinair van de door hem gehouden dieren en laat die monsters onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen aviaire influenza van het subtype H5 of H7 door de instelling die op grond van artikel 3.1 van het Besluit diergezondheid is aangewezen voor de uitvoering van het monitoringsprogramma voor aviaire influenza.

2.

Bij de monstername wordt ten minste 1 milliliter bloed per dier afgenomen.

Artikel 7b.14. Aanleveren van gegevens
1.

De monsters worden uiterlijk op de werkdag na de dag dat ze zijn genomen aangeleverd bij de instelling, bedoeld in artikel 7b.13, eerste lid.

2.

Bij aanlevering van de monsters worden in ieder geval de volgende gegevens aangeleverd:

  • a. gegevens ter identificatie van de houder van de dieren, van degene die het monster heeft genomen en van de dieren die zijn bemonsterd;
  • b. de dag waarop de monsters zijn genomen;
  • c. de dag waarop de monsters worden verzonden; en
  • d. de naam en handtekening van de inzender van de monsters.
Artikel 7b.15. Frequentie monstername
1.

In aanvulling op artikel 7b.13, eerste lid, laat de houder van:

  • a. vleeskuikens, parelhoenders, loopvogels en kwartels, jaarlijks een bloedmonster nemen van ten minste 30 dieren met een leeftijd van ten minste vier weken;
  • b. vleeseenden of ganzen, jaarlijks een bloedmonster nemen van ten minste 40 dieren met een leeftijd van ten minste vier weken;
  • c. vleeskalkoenen, bij elke ronde een bloedmonster nemen van ten minste 30 hanen met een leeftijd van 18 weken, of indien de houder geen andere vleeskalkoenen dan hennen houdt, laat hij een bloedmonster nemen van ten minste 30 hennen met een leeftijd van ten minste 13 weken;
  • d. vermeerderingsdieren, jaarlijks een bloedmonster nemen van ten minste 30 dieren met een leeftijd van ten minste 45 weken;
  • e. dieren die worden opgefokt tot vermeerderingsdier, per koppel een bloedmonster nemen van ten minste 30 dieren met een leeftijd van ten minste 15 weken;
  • f. leghennen, jaarlijks een bloedmonster nemen van ten minste 30 dieren met een leeftijd van ten minste 45 weken;
  • g. dieren die worden opgefokt tot leghen, per koppel een bloedmonster nemen van ten minste 30 dieren met een leeftijd van ten minste acht weken.
2.

Indien de dieren, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f, gehouden worden in meerdere koppels, laat de houder naar evenredigheid van het aantal dieren dat in de koppels wordt gehouden, een bloedmonster nemen uit elk koppel waarbij ten minste 5 dieren per koppel worden bemonsterd.

Artikel 7b.16. Frequentie monstername vrije uitloop

In afwijking van artikel 7b.15 laat de houder die op een bedrijf waar onder meer dieren worden gehouden in een houderijsysteem met vrije uitloop als bedoeld in bijlage II, onderdeel 1 van Gedelegeerde verordening (EU) 2023/2465 van de Commissie van 17 augustus 2023 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft handelsnormen voor eieren, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 589/2008 van de Commissie, ieder kwartaal een bloedmonster nemen van ten minste 30 dieren.

Artikel 7b.17. Administratie monstername

Een houder bewaart de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 7b.13, eerste lid, ten minste drie jaar.

§ 7b.2.2. Monitoring mycoplasma spp. en salmonella-serotypen

Artikel 7b.18. Monstername ziektebewakingsprogramma mycoplasma spp.
1.

Indien een houder van pluimvee als bedoeld in bijlage II, deel 2, punt 3, bij verordening (EU) nr. 2019/2035 bloedmonsters laat nemen ten behoeve van het onderzoek naar de aanwezigheid van de ziekteverwekkers, bedoeld in bijlage II, deel 2, punt 3, onder 3.1, bij verordening (EU) nr. 2019/2035, worden die monsters afgenomen door een dierenarts of een dierenartsassistent paraveterinair.

2.

Bij de monstername wordt ten minste 1 milliliter bloed per dier afgenomen.

Artikel 7b.19. Instelling onderzoek mycoplasma spp.

Het onderzoek, bedoeld in bijlage II, deel 2, punt 3, onder 3.6, bij verordening (EU) nr. 2019/2035 wordt verricht door de instelling die op grond van artikel 3.1 van het Besluit diergezondheid is aangewezen voor de uitvoering van het monitoringsprogramma voor mycoplasma spp.

Artikel 7b.20. Aanleveren van gegevens onderzoek mycoplasma spp.
1.

De monsters worden uiterlijk op de werkdag na de dag dat ze zijn genomen aangeleverd bij de instelling, bedoeld in artikel 7b.19.

2.

Bij aanlevering van de monsters worden in ieder geval de volgende gegevens aangeleverd:

  • a. gegevens ter identificatie van de houder van de dieren, van degene die het monster heeft genomen en van de dieren die zijn bemonsterd;
  • b. de dag waarop de monsters zijn genomen;
  • c. de dag waarop de monsters worden verzonden; en
  • d. de naam en handtekening van de inzender van de monsters.
Artikel 7b.21. Administratie monstername

Een houder bewaart de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 7b.19, ten minste drie jaar.

Artikel 7b.22. Ziektebewakingsprogramma mycoplasma spp. Nederlandse markt
1.

Een houder als bedoeld in artikel 2.76ic, tweede lid, van het besluit die kippen opfokt die bestemd zijn om te worden gehouden als legkip laat, in afwijking van dat artikel, in de drie weken voorafgaand aan de verplaatsing van een koppel kippen naar een ander legkippenbedrijf van die dieren 24 bloedmonsters nemen.

2.

Een houder als bedoeld in artikel 2.76ic, tweede lid, van het besluit van een koppel legkippen laat, in afwijking van dat artikel, negen weken voorafgaand aan het moment waarop die dieren worden geslacht van die dieren 10 bloedmonsters nemen.

3.

Een houder als bedoeld in artikel 2.76ic, tweede lid, van het besluit van vleeskalkoenen laat, in afwijking van dat artikel, drie weken voorafgaand aan het moment waarop de dieren worden geslacht van die dieren 24 bloedmonsters nemen.

4.

De artikelen 7b.18 tot en met 7b.21 zijn van overeenkomstige toepassing op de monstername en het onderzoek, bedoeld in het eerste tot en met derde lid.

Artikel 7b.23. Monstername ziektebewakingsprogramma salmonella-serotypen
1.

Indien een houder van pluimvee als bedoeld in bijlage II, deel 2, punt 2, bij verordening (EU) nr. 2019/2035 bloedmonsters laat nemen ten behoeve van het onderzoek naar de aanwezigheid van de ziekteverwekkers, bedoeld in bijlage II, deel 2, punt 2, onder 2.1, bij verordening (EU) nr. 2019/2035, worden die monsters afgenomen door een dierenarts of een dierenartsassistent paraveterinair.

2.

Bij de monstername wordt ten minste 1 milliliter bloed per dier afgenomen.

3.

De exploitant van een broederij als bedoeld in artikel 7 van verordening (EU) nr. 2019/2035 neemt monsters als bedoeld in bijlage II, deel 1 van die verordening.

Artikel 7b.24. Instelling onderzoek salmonella-serotypen

Het onderzoek, bedoeld in bijlage II, deel 2, punt 2, onder 2.6, bij verordening (EU) nr. 2019/2035 wordt verricht door de instelling die op grond van artikel 3.1 van het Besluit diergezondheid is aangewezen voor de uitvoering van het monitoringsprogramma voor salmonella-serotypen.

Artikel 7b.25. Aanleveren van gegevens onderzoek salmonella-serotypen
1.

De monsters, bedoeld in artikel 7b.23, worden uiterlijk op de werkdag na de dag dat ze zijn genomen aangeleverd bij de instelling, bedoeld in artikel 7b.24.

2.

Bij aanlevering van de monsters worden in ieder geval de volgende gegevens aangeleverd:

  • a. gegevens ter identificatie van de houder van de dieren, van degene die het monster heeft genomen en van de dieren die zijn bemonsterd;
  • b. de dag waarop de monsters zijn genomen;
  • c. de dag waarop de monsters worden verzonden; en
  • d. de naam en handtekening van de inzender van de monsters.
Artikel 7b.26. Administratie monstername

Een houder bewaart de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 7b.23, ten minste drie jaar.

Artikel 7b.27. Ziektebewakingsprogramma salmonella-serotypen Nederlandse markt
1.

Voor het onderzoek naar de aanwezigheid salmonella-serotypen als bedoeld in artikel 2.76ic, tweede lid, van het besluit zijn de soorten en categorieën pluimvee als bedoeld in dat artikel, de soorten pluimvee als bedoeld in bijlage II, deel 2, punt 2, onder 2.2, bij verordening (EU) nr. 2019/2035 voor zover die dieren broedeieren produceren.

2.

De artikelen 7b.23 tot en met 7b.26 zijn van overeenkomstige toepassing op een houder als bedoeld in artikel 2.76ic, tweede lid, van het besluit.

§ 7b.2.1. Monitoring aviaire influenza

Artikel 7b.28. Vaccinatie Newcastle disease
1.

Als soorten en categorieën pluimvee, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit worden aangewezen:

  • a. vermeerderingsdieren van de soort kip of kalkoen of kippen of kalkoenen die worden opgefokt als vermeerderingsdier
  • b. leghennen of dieren die worden opgefokt tot leghen;
  • c. vleeskuikens;
  • d. vleeskalkoenen.
2.

De vaccinatie, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit, vindt plaats uiterlijk 18 dagen nadat de dieren, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgekomen.

3.

Dieren als bedoeld in het eerste lid, die ouder zijn dan 18 dagen en die niet gevaccineerd zijn, omdat zij uit een ander land dan Nederland afkomstig zijn, worden onmiddellijk na plaatsing op het bedrijf gevaccineerd.

4.

Met een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel houdt de exploitant, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit, onmiddellijk na de vaccinatie in ieder geval de volgende gegevens bij:

  • a. gegevens ter identificatie van de houder van de dieren, de dierenarts die de dieren heeft gevaccineerd of hiertoe een diergeneesmiddel heeft afgeleverd en de dieren die gevaccineerd zijn;
  • b. gegevens omtrent de aard van de vaccinatie;
  • c. gegevens omtrent het vaccin;
  • d. de dag waarop er is gevaccineerd; en
  • e. de handtekening van de houder en de dierenarts.
Artikel 7b.29. Monitoring vaccinatie Newcastle disease
1.

De exploitant, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit, laat een dierenarts of dierenartsassistent paraveterinair een bloedmonster nemen van de door hem gehouden dieren als bedoeld in artikel 7b.28, eerste lid, en laat dat monster onderzoeken op de werking van de vaccinatie, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit, door de instelling die op grond van artikel 3.1 van het Besluit diergezondheid is aangewezen voor de uitvoering van het monitoringsprogramma voor Newcastle disease.

2.

Bij de monstername wordt ten minste 1 milliliter bloed per dier afgenomen.

Artikel 7b.30. Aanleveren van gegevens
1.

De monsters worden uiterlijk op de werkdag na de dag dat ze zijn genomen aangeleverd bij de instelling, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid.

2.

Bij aanlevering van de monsters worden in ieder geval de volgende gegevens aangeleverd:

  • a. gegevens ter identificatie van de exploitant van de dieren, van degene die het monster heeft genomen en van de dieren die zijn bemonsterd;
  • b. de dag waarop de monsters zijn genomen en het aantal monsters;
  • c. de dag waarop de monsters worden verzonden; en
  • d. de naam en handtekening van de inzender van de monsters.
Artikel 7b.31. Monstername vermeerderingsdieren

In aanvulling op artikel 7b.29 laat de exploitant, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit, van ten minste 30 dieren per stal bloedmonsters nemen van vermeerderingsdieren van de soort kip of kalkoen of kippen of kalkoenen die worden opgefokt tot vermeerderingsdier op de volgende momenten:

  • a. 70 dagen na het uitkomen, tenzij het koppel sinds het uitkomen met tussenpozen van ten hoogste zes weken door een dierenarts is gevaccineerd met een levende entstof en die vaccinaties door middel van een spray of aërosol zijn uitgevoerd;
  • c. in de periode van 40 tot 48 weken na het uitkomen, voor zover het dieren, anders dan kalkoenen betreft;
  • d. in de periode van 50 tot 58 weken na het uitkomen, voor zover het kalkoenen betreft;
  • e. in de periode van 70 tot 75 weken na het uitkomen;
  • f. binnen 20 dagen voorafgaand aan een verplaatsing van een koppel naar een ander bedrijf waar dieren als bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit worden gehouden, voor zover het koppel op de dag van verplaatsing 28 dagen of ouder is.
Artikel 7b.32. Monstername leghennen

In aanvulling op artikel 7b.29 laat de exploitant, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit, van ten minste 30 dieren per stal bloedmonsters nemen van leghennen of dieren die worden opgefokt tot leghen op de volgende momenten:

  • a. 70 dagen na het uitkomen, tenzij het koppel sinds het uitkomen met tussenpozen van ten hoogste zes weken door een dierenarts is gevaccineerd met een levende entstof en die vaccinaties door middel van een spray of aërosol zijn uitgevoerd;
  • c. in de periode van 90 tot 95 weken na het uitkomen;
  • d. binnen 9 weken voordat het koppel wordt geslacht;
  • e. binnen 20 dagen voorafgaand aan een verplaatsing van een koppel naar een ander bedrijf waar dieren als bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit worden gehouden, voor zover het koppel op de dag van verplaatsing 28 dagen of ouder is.
Artikel 7b.33. Monstername vleeskuikens

In aanvulling op artikel 7b.29 laat de exploitant, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit, van ten minste 30 dieren, waaronder ten minste 5 dieren per koppel bloedmonsters nemen van vleeskuikens op de volgende momenten:

  • a. in de periode van 4 tot 6 weken na het uitkomen;
  • b. 70 dagen na het uitkomen, tenzij het koppel sinds het uitkomen met tussenpozen van ten hoogste zes weken door een dierenarts is gevaccineerd met een levende entstof en die vaccinaties door middel van een spray of aërosol zijn uitgevoerd.
Artikel 7b.34. Monstername vleeskalkoenen

In aanvulling op artikel 7b.28 laat de exploitant, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit, van ten minste 30 dieren, waaronder ten minste 5 dieren per koppel bloedmonsters nemen van vleeskalkoenen op de volgende momenten:

  • a. vanaf dertien weken na het uitkomen;
  • b. binnen 20 dagen voorafgaand aan een verplaatsing van een koppel naar een ander bedrijf waar bedrijfsmatig vogels worden gehouden, voor zover het koppel op de dag van verplaatsing 28 dagen of ouder is en het onderzoek, bedoeld in onderdeel a, nog niet heeft plaatsgevonden.
Artikel 7b.35. Monstername dieren ouder dan 18 dagen niet gevaccineerd

Van dieren als bedoeld in artikel 7b.28, derde lid, is al naar gelang de categorie waartoe zij behoren, de in respectievelijk artikel 7b.31, 7b.32, 7b.33 en 7b.34 opgenomen verplichting tot het nemen van bloedmonsters van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bloed wordt afgenomen in de periode van 3 tot 4 weken na de datum waarop de dieren zijn gevaccineerd.

Artikel 7b.36. Maatregelen te lage waarden vermeerderingsdier of leghen
1.

Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, blijkt dat de betreffende waarde, bedoeld in bijlage 12, onderdeel 1, bij een koppel vermeerderingsdieren van de soort kip of kalkoen, of kippen of kalkoenen die worden opgefokt tot vermeerderingsdier, leghennen of dieren die worden opgefokt tot leghen niet wordt behaald, laat de exploitant de dieren terstond door een dierenarts vaccineren.

2.

Binnen vier weken na vaccinatie, bedoeld in het eerste lid, worden de dieren, bedoeld in dat lid opnieuw onderzocht. Artikel 7b.29 in samenhang met artikel 7b.31, aanhef of 7b.32, aanhef, zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

De houder stuurt uiterlijk twee weken na de vaccinatie een kopie van de gegevens, bedoeld in artikel 7b.28, vierde lid, aan de instelling die op grond van artikel 3.1 van het Besluit diergezondheid is aangewezen voor de uitvoering van het monitoringsprogramma voor Newcastle disease.

Artikel 7b.37. Maatregelen te lage waarden vleeskuiken
1.

Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, blijkt dat de betreffende waarde, genoemd in bijlage 12, onderdeel 2, bij twee opeenvolgende koppels vleeskuikens niet wordt behaald, maakt de exploitant, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit een plan van aanpak in overleg met een dierenarts en de Gezondheidsdienst voor dieren B.V..

2.

Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, van één van de eerstvolgende zes koppels blijkt dat de betreffende waarde, genoemd in bijlage 12, onderdeel 2, niet wordt behaald, herziet de exploitant het plan van aanpak in overleg met een dierenarts en de instelling die op grond van artikel 3.1 van het Besluit diergezondheid is aangewezen voor de uitvoering van het monitoringsprogramma voor Newcastle disease.

3.

Het plan van aanpak, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgevoerd bij ten minste de eerstvolgende zes koppels vleeskuikens die op het bedrijf worden gevaccineerd.

4.

Het plan van aanpak, bedoeld in het eerste en tweede lid, bevat in ieder geval:

  • a. een analyse van de dierenarts van de mogelijke oorzaken van het niet behalen van de waarde, genoemd in bijlage 12, onderdeel 2;
  • b. maatregelen die erop zijn gericht om de betreffende waarde, genoemd in bijlage 12, onderdeel 2, bij de volgende koppels te behalen;
  • c. de naam en handtekening van de exploitant;
  • e. de datum van opstellen van het plan van aanpak.
5.

De houder stuurt een kopie van het plan van aanpak of het herziene plan van aanpak aan de Gezondheidsdienst voor Dieren B.V..

Artikel 7b.38. Maatregelen te lage waarden vleeskalkoenen
1.

Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, blijkt dat de betreffende waarde, genoemd in bijlage 12, onderdeel 2, bij een koppel vleeskalkoenen niet wordt behaald, laat de exploitant de eerstvolgende twee koppels vleeskalkoenen die op het bedrijf worden gevaccineerd door een dierenarts vaccineren.

2.

Wanneer uit het onderzoek, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, blijkt dat de betreffende waarde, genoemd in bijlage 12, onderdeel 2, bij een koppel vleeskalkoenen dat overeenkomstig het eerst lid gevaccineerd is, niet wordt behaald, laat de exploitant de eerstvolgende drie koppels vleeskalkoenen die op het bedrijf worden gevaccineerd door een dierenarts vaccineren.

3.

De exploitant stuurt uiterlijk twee weken na de vaccinatie een kopie van de gegevens, bedoeld in artikel 7b.28, vierde lid, aan de instelling die op grond van artikel 3.1 van het Besluit diergezondheid is aangewezen voor de uitvoering van het monitoringsprogramma voor Newcastle disease.

Artikel 7b.39. Administratie vaccinatie en monitoring Newcastle disease
1.

Een exploitant bewaart de gegevens, bedoeld in artikel 7b.28, vierde lid, en de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, tenminste drie jaar.

2.

Een exploitant die vermeerderingsdieren van de soort kip of kalkoen, kippen of kalkoenen die worden opgefokt tot vermeerderingsdier, leghennen of dieren die worden opgefokt tot leghen houdt, en deze dieren aan een andere exploitant overdraagt, doet deze exploitant een kopie van de gegevens, bedoeld het eerste lid, toekomen.

3.

Een exploitant bewaart het plan van aanpak, bedoeld in artikel 7b.37, eerste of tweede lid, gedurende de periode dat er op grond van deze paragraaf verplichtingen tot vaccinatie gelden met betrekking tot de dieren waarop het plan van aanpak, dan wel het herziene plan van aanpak van toepassing is.

§ 7b.2.4. Monitoring zoönotische Salmonella

§ 7b.2.4.1. Algemeen

Artikel 7b.40. Begripsbepalingen
1.

In paragraaf 7b.3.4 wordt verstaan onder:

  • a. verordening (EG) nr. 1190/2012: verordening (EU) nr. 1190/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot vaststelling van een doelstelling van de Unie voor het terugdringen van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium bij koppels kalkoenen, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 340);
  • b. verordening (EG) nr. 200/2012: verordening (EU) nr. 200/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot vaststelling van een doelstelling van de Unie voor het terugdringen van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium bij koppels slachtkuikens, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 71);
  • c. verordening (EG) nr. 517/2011: verordening (EU) nr. 517/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een doelstelling van de Unie voor het verminderen van de prevalentie van bepaalde serotypes van salmonella bij legkippen van Gallus gallus en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/2003 en Verordening (EU) nr. 200/2010 van de Commissie (PbEU 2011, L 138);
  • d. verordening (EG) nr. 200/2010: verordening (EU) nr. 200/2010 van de Commissie van 10 maart 2010 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een doelstelling van de Unie voor het verminderen van de prevalentie van serotypen salmonella bij volwassen vermeerderingskoppels van Gallus gallus (PbEU 2010, L 61).
2.

In deze paragraaf wordt onder Salmonella typhimurium mede verstaan: monofasische Salmonella typhimurium met de antigene formule 1, 4, [5], 12:i:-.

§ 7b.2.4.2. EU-monitoring

Artikel 7b.41. Bemonstering krachtens verordening (EU) nr. 2160/2003

De bemonstering, bedoeld in:

  • a. punt 2.1, onderdeel a, onder ii, tweede gedachtestreepje, van de bijlage bij verordening (EU) nr. 1190/2012, vindt plaats op het aldaar bedoelde bedrijf;
  • b. punt 2.1.1 van de bijlage bij verordening (EU) nr. 200/2010, vindt ten minste driewekelijks plaats op het bedrijf, bedoeld in onderdeel b van dat punt.

§ 7b.2.4.3. Aanvullende monitoringsvoorschriften

Artikel 7b.42. Monstername minister

Deze paragraaf is niet van toepassing, indien de minister op het moment van bemonstering, bedoeld in deze paragraaf, monsters laat nemen voor het onderzoek op de aanwezigheid van de relevante serotypen salmonella.

Artikel 7b.43. Monstername vermeerderingsdieren
1.

Een houder van kippen die worden opgefokt tot vermeerderingsdier laat die dieren overeenkomstig artikel 7b.46 bemonsteren:

  • a. in de eerste 3 levensdagen;
  • b. op een leeftijd van 4 weken; en
  • c. 2 weken voor de overgang naar de legfase of verplaatsing naar een bedrijf waar ze als vermeerderingsdier worden gehouden.
2.

De houder laat de monsters, bedoeld in het eerste lid, onderzoeken op de aanwezigheid van:

  • a. Salmonella enteritidis;
  • b. Salmonella typhimurium;
  • c. Salmonella hadar;
  • d. Salmonella infantis; en
  • e. Salmonella virchow.
3.

De houder laat de monsters, bedoeld in het eerste lid, van kippen die worden opgefokt tot vermeerderingsdier voor de productie van vleeskuikens onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella java.

Artikel 7b.44. Monstername leghennen
1.

Een houder van kippen die worden opgefokt tot leghen laat die dieren overeenkomstig artikel 7b.46 bemonsteren:

  • a. in de eerste 3 levensdagen; en
  • b. 2 weken voor de overgang naar de legfase of verplaatsing naar een bedrijf waar ze als leghen worden gehouden.
2.

De houder, bedoeld in het eerste lid, laat de monsters onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium.

Artikel 7b.45. Aanvullende monstername
1.

In aanvulling op punt 2.1, onderdeel a, van de bijlage bij verordening (EU) nr. 200/2012 laat de exploitant van een levensmiddelenbedrijf, bedoeld in die verordening, eendagskuikens overeenkomstig artikel 7b.46 bemonsteren bij de plaatsing van die dieren op het bedrijf en onderzoeken overeenkomstig de bijlage bij verordening (EU) nr. 200/2012.

2.

In aanvulling op punt 2.1 van de bijlage bij verordening (EU) nr. 517/2011 laat de exploitant van een levensmiddelenbedrijf leghennen in de 3 weken voorafgaand aan het moment waarop die dieren worden geslacht overeenkomstig die bijlage bemonsteren en onderzoeken.

Artikel 7b.46. Wijze van monstername
1.

Bij de aanvoer van eendagskuikens als bedoeld in de artikelen 7b.43, eerste lid, onderdeel a, 7b.44, eerste lid, onderdeel a, en 7b.45, eerste lid, worden per vrachtwagen of aanhanger 40 mestmonsters genomen, waarbij de monsters verspreid over die vrachtwagen of aanhanger worden genomen uit de onderste kratten, containers of dozen.

2.

De houder van eendagskuikens, bedoeld in het eerste lid, voegt de monsters, bedoeld in het eerste lid, samen tot een verzamelmonster.

3.

De houder van kippen als bedoeld in de artikel 7b.43, eerste lid, onderdelen b en c, neemt per koppel verspreid over de stal:

  • a. 150 monsters van blindedarmmest, dan wel, voor zover dat niet of onvoldoende aanwezig is, mest van de cloaca, en voegt steeds 25 van die monsters samen tot een verzamelmonster; of
  • b. 5 monsters overeenkomstig punt 2.2.2.1, onderdeel b, eerste drie alinea’s en onder i, van de bijlage bij verordening (EU) nr. 200/2010.
4.

De houder van kippen als bedoeld in artikel 7b.44, eerste lid, onderdeel b, neemt per koppel verspreid over de stal 2 monsters overeenkomstig punt 2.2.1 van de bijlage bij verordening (EU) nr. 517/2011 en laat die monsters door een laboratorium als bedoeld in artikel 7b.45, eerste lid, samenvoegen tot een verzamelmonster.

Artikel 7b.47. Onderzoek
1.

De houder, bedoeld in deze paragraaf, laat de monsters onderzoeken in een laboratorium dat daarvoor op grond van artikel 3 van de Regeling erkenning veterinaire laboratoria is erkend.

2.

De monsters worden uiterlijk op de werkdag na de dag dat ze zijn genomen verzonden aan het laboratorium, bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij aanlevering van de monsters worden in ieder geval de volgende gegevens aangeleverd:

  • a. de volgende gegevens ter identificatie van de houder van de dieren en zijn inrichting:
  • 1°. naam;
  • 2°. adres;
  • 3°. het unieke registratienummer, bedoeld in artikel 93, slot, van verordening (EU) nr. 2016/429, het unieke erkenningsnummer, bedoeld in artikel 2, onderdeel 16, van verordening (EU) nr. 2019/2035, dan wel het unieke subregistratienummer, bedoeld in artikel 5a.1, derde lid, van de Regeling houders van dieren;
  • b. gegevens ter identificatie van degene die het monster heeft genomen en ter identificatie van de dieren die zijn bemonsterd;
  • c. gegevens omtrent de monsters;
  • d. de dagtekening;
  • e. de naam en handtekening van de inzender van de monsters.
Artikel 7b.48. Monstername en onderzoek exploitant levensmiddelenbedrijf
1.

De exploitant van een levensmiddelenbedrijf, bedoeld in:

  • a. de bijlage, punt 2.1, onder a, bij verordening (EU) nr. 200/2012, laat de bemonstering, bedoeld in punt 2 van die bijlage uitvoeren door een dierenarts of een dierenartsassistent paraveterinair;
  • b. artikel 7b.45, tweede lid, laat de bemonstering, bedoeld in dat artikellid, uitvoeren door een dierenarts of een dierenartsassistent paraveterinair.
2.

De exploitant van een levensmiddelenbedrijf als bedoeld in het eerste lid, onder a, laat de monsters, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderzoeken op de aanwezigheid van:

  • a. Salmonella enteritidis;
  • b. Salmonella typhimurium;
  • c. Salmonella hadar;
  • d. Salmonella infantis;
  • e. Salmonella virchow; en
  • f. Salmonella java.
Artikel 7b.49. Registratie uitslag onderzoek
1.

De houder bewaart de uitslag van het onderzoek dat krachtens verordening (EG) nr. 2160/2003 of op grond van deze paragraaf namens de houder is uitgevoerd gedurende twee jaar en registreert die uitslag:

2.

De houder verstrekt bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval de volgende gegevens:

  • a. bedoeld in artikel 93, slot, van verordening (EU) nr. 2016/429, het unieke erkenningsnummer, bedoeld in artikel 2, onderdeel 16, van verordening (EU) nr. 2019/2035, dan wel het unieke subregistratienummer, bedoeld in artikel 5a.1, derde lid;
  • b. laboratoriumcode, datum, tijdstip en aanduiding van de uitslag;
  • c. bedrijfstype, soort monster, datum monstername, gegevens ter identificatie van de monsternemer, stalnummer waar het monster is genomen, geboortedatum en nummer van het betreffende koppel;
  • d. datum ontvangst bij het laboratorium van het genomen monster, aanvangsdatum laboratoriumonderzoek, soort onderzoek en uitslag van het onderzoek;
  • e. indien van toepassing: serotype en gegevens over afwijking in het monster.
3.

Indien blijkt dat gegevens als bedoeld in het eerste en tweede lid, niet juist of volledig zijn, verstrekt de houder de gecorrigeerde gegevens.

4.

Geconstateerde aanwezigheid van de serotypes enteritidis, typhimurium, hadar, infantis, virchow en java wordt onverwijld door de houder aan de betrokken afnemer doorgegeven.

Hoofdstuk 7c. Houden van schapen voor de productie

§ 7c.1. Gezondheidsvoorschriften

Artikel 7c.1. Aanvraag en goedgekeurde fokprogramma’s verordening (EU) nr. 999/2001
1.

Als fokprogramma als bedoeld in artikel 6 bis van verordening (EG) nr. 999/2001 worden aangewezen de erkende fokprogramma’s van:

  • a. een ingevolge artikel 4, derde lid, van verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij (‘Fokkerijverordening’) (PbEU 2016, L 171) erkende stamboekvereniging; of
  • b. een groep houders van schapen, verenigd in een organisatie met rechtspersoonlijkheid, die zich in ieder geval ten doel stelt het fokken gericht op het terugdringen van de TSE-gevoeligheid bij schapen en die niet is aangesloten bij een stamboekvereniging als bedoeld in onderdeel a.
2.

De minister verleent op aanvraag een erkenning als bedoeld in de aanhef van het eerste lid, indien het fokprogramma voldoet aan bijlage VII, hoofdstuk C, delen 1 en 2, van verordening (EG) nr. 999/2001 en aan artikel 7c.2.

3.

Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt voor 1 juni van het betreffende jaar ingediend, waarbij in ieder geval de volgende gegevens worden vermeld:

  • a. de naam van de stamboekvereniging of de organisatie, bedoeld in het eerste lid;
  • b. het aantal schapen dat bij het stamboek is geregistreerd of bij de organisatie is ingeschreven, onderscheiden naar geslacht en ras;
  • c. het betreffende fokprogramma.
Artikel 7c.2. Aanvulling certificatiesysteem

Het certificatiesysteem, bedoeld in bijlage VII, hoofdstuk C, deel 1, punt 3, bij verordening (EG) nr. 999/2001, bevat naast de gegevens, bedoeld in hoofdstuk C, deel 1, punt 2, van die bijlage:

  • a. de datum van certificering als bedoeld in hoofdstuk C, deel 1, punt 3, van die bijlage;
  • b. het laboratorium dat de genotypering, bedoeld in hoofdstuk C, deel 1, punt 5, van die bijlage heeft verricht, indien van toepassing.
Artikel 7c.3. Erkenning houders fokprogramma
1.

Aan houders van schapen die deelnemen aan een fokprogramma als bedoeld in artikel 6 bis van verordening (EG) nr. 999/2001 verleent de minister op aanvraag een erkenning als bedoeld in bijlage VII, hoofdstuk C, deel 4, punt 1, onderdeel a of b, bij die verordening, indien is voldaan aan de criteria van dat fokprogramma.

2.

Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval gegevens vermeld waaruit blijkt dat:

  • a. alle schapen in de kudde het ARR/ARR genotype hebben, indien een erkenning als bedoeld in hoofdstuk C, deel 4, punt 1, onderdeel a, van de bijlage, genoemd in het eerste lid, wordt aangevraagd;
  • b. alle nakomelingen in het jaar voorafgaande aan de aanvraag zijn verwekt door vaderdieren met het ARR/ARR genotype, indien een erkenning als bedoeld in hoofdstuk C, deel 4, punt 1, onderdeel b, van de bijlage, bedoeld in het eerste lid, wordt aangevraagd.
Artikel 7c.4. Intrekken erkenning

Indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7c.1, tweede lid respectievelijk artikel 7c.3, eerste lid, trekt de minister een erkenning als bedoeld in die artikelen in.

Artikel 7c.5. Gegevens fokprogramma

Een stamboekvereniging en een groep houders van schapen als bedoeld in artikel 7c.1, eerste lid, rapporteren jaarlijks voor 1 februari aan de minister over:

  • a. de resultaten van de genotyperingen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen rammen en ooien, en tussen dieren die de leeftijd van 1 jaar nog niet hebben bereikt en dieren die 1 jaar of ouder zijn;
  • c. het aantal houders dat aan het fokprogramma deelneemt.

Hoofdstuk 8. Bedrijfsmatig houden van dieren anders dan voor landbouwdoeleinden

Hoofdstuk 7c. Houden van schapen voor de productie

§ 7c.1. Gezondheidsvoorschriften

Artikel 8a.1. Gegevens tentoonstelling of keuring

In aanvulling op de gegevens, bedoeld artikel 84 van verordening (EU) nr. 2016/429, verstrekt een organisator als bedoeld in artikel 4.15, derde lid, van het besluit bij de in dat artikellid bedoelde melding:

  • a. het telefoonnummer van de organisator van de tentoonstelling of keuring;
  • b. de datum en plaats van de tentoonstelling of keuring, alsmede het unieke registratienummer, bedoeld in artikel 93, slot, van verordening (EU) nr. 2016/429, of het unieke erkenningsnummer, bedoeld in artikel 2, onderdeel 16, van verordening (EU) nr. 2019/2035 dat aan de inrichting waarop de dieren worden gehouden is toegekend.
Artikel 8a.2. Vervoermiddel aan- of afvoer tentoonstelling of keuring

De houder van de runderen, schapen of geiten die worden aangevoerd op of afgevoerd van de tentoonstelling of keuring, vervoert de dieren met een vervoermiddel waarvoor krachtens de Wegenverkeerswet 1994 een kentekenbewijs of registratiebewijs is afgegeven.

Artikel 8a.3. Reiniging en ontsmetting tentoonstelling of keuring
1.

Eenieder die het deel van de plaats van de tentoonstelling of keuring, waar runderen, schapen of geiten verblijven, betreedt of verlaat, ontsmet zijn schoeisel door middel van voorzieningen, die duidelijk zichtbaar aanwezig zijn bij elke in- en uitgang van voornoemd deel van de plaats.

2.

Voordat een vervoermiddel dat geladen is met runderen, schapen of geiten, de plaats van de tentoonstelling of keuring verlaat, worden de kritische delen van het vervoermiddel gereinigd en ontsmet.

Artikel 8a.4. Gegevens tentoonstelling of keuring
1.

In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 102, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 en de artikelen 22 en 23 van verordening (EU) nr. 2019/2035 houdt de organisator van de tentoonstelling of keuring, de volgende gegevens bij:

  • a. indien van toepassing, de kentekens van de vervoermiddelen waarmee runderen, schapen of geiten zijn aan- of afgevoerd; en
2.

De organisator bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, ten minste drie jaar.

§ 8a.2. Tentoonstellen, keuring en wedvluchten van pluimvee of in gevangenschap levende vogels

Artikel 8a.5. Diergezondheidsvoorschriften evenement met vogels
1.

Vogels als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, onderdeel a of b van het besluit die uit Nederland afkomstig zijn, worden slechts toegelaten tot een keuring of tentoonstelling onderscheidenlijk wedvlucht indien:

  • a. vogels van de orde Galliformes of Struthioniformes, voor zover die vogels ouder zijn dan 30 dagen, ten minste twee weken en ten hoogste vijf maanden voor het begin van de tentoonstelling of de keuring zijn gevaccineerd tegen Newcastle Disease;
  • b. postduiven ten minste twee weken voor het begin van de tentoonstelling, keuring of wedvlucht zijn gevaccineerd tegen Newcastle Disease; of
  • c. papegaaiachtigen voldoen aan de voorschriften, bedoeld in artikel 59, tweede lid, onderdelen b tot en met d, van verordening (EU) nr. 2020/688.
2.

De vogels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, gaan vergezeld van een verklaring van de vaccinatie overeenkomstig bijlage 13 voor zover het postduiven betreft of bijlage 14 voor zover het andere in gevangenschap levende vogels betreft.

Artikel 8a.6. Gegevens tentoonstelling, keuring of wedvlucht
1.

De organisator van een keuring, tentoonstelling of wedvlucht als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, van het besluit:

  • b. laat de uit Nederland afkomstige dieren bij de plaats van aanvoer op zijn kosten onderzoeken door één of meer dierenartsen.
2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, verstrekt degene die voornemens is postduiven voor een wedvlucht bijeen te brengen jaarlijks een overzicht van dit voornemen aan de minister.

Hoofdstuk 7d. Voorschriften biologische productie aquacultuur en weekdieren

§ 8b.1. Begripsbepalingen

Artikel 8b.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk verstaan onder:

  • blanco identificatiedocument: identificatiedocument dat nog niet is voorzien van de gegevens, bedoeld in artikel 22, eerste en tweede lid, van verordening (EU) nr. 576/2013;
  • identificatiedocument: identificatiedocument als bedoeld in artikel 3, onderdeel f, van verordening (EU) nr. 576/2013;
  • transponder: transponder als bedoeld in artikel 3, onderdeel e, van verordening (EU) nr. 576/2013;
  • uitgever: uitgever van blanco identificatiedocumenten;
  • unieke alfanumerieke code: unieke alfanumerieke code als bedoeld in artikel 21, derde lid, van verordening (EU) nr. 576/2013;
  • verordening (EU) nr. 576/2013: verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003.

§ 8b.2. Uitvoering verordening (EU) nr. 576/2013

Artikel 8b.2. Gemachtigde dierenarts en punt van binnenkomst
1.

De gemachtigde dierenarts, bedoeld in artikel 3, onderdeel g, van verordening (EU) nr. 576/2013, is een dierenarts die is geregistreerd overeenkomstig artikel 4.3, eerste lid, van de wet.

2.

Het punt van binnenkomst voor reizigers, bedoeld in artikel 3, onderdeel k, van verordening (EU) nr. 576/2013, is een grenscontrolepost of douanekantoor als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene douaneregeling.

3.

In afwijking van het tweede lid kunnen geregistreerde militaire, speur- of reddingshonden via een ander punt van binnenkomst in Nederland worden gebracht, indien:

  • a. de minister hiervoor een vergunning heeft verleend; en
  • b. de honden bij een punt van binnenkomst als bedoeld in het vijfde lid zijn onderworpen aan documenten- en identiteitscontroles als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening (EU) nr. 576/2013.

§ 8b.3. Aanvullende regels ter uitvoering van verordening (EU) nr. 576/2013

Artikel 8b.3. Uitgifte van en eisen aan identificatiedocumenten
1.

Blanco identificatiedocumenten worden uitsluitend uitgegeven door erkende uitgevers en worden elk voorzien van een unieke alfanumerieke code die door de minister aan hen is verstrekt.

2.

Blanco identificatiedocumenten voldoen aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens artikel 21 van verordening (EU) nr. 576/2013.

3.

Bij de aanvraag tot erkenning verstrekt de uitgever aan de minister:

  • a. de naam, het adres en de vestigingsplaats van de uitgever; en
  • b. een model van de uit te geven identificatiedocumenten.
4.

De minister erkent een uitgever indien het model van de uit te geven blanco identificatiedocumenten, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens artikel 21 van verordening (EU) nr. 576/2013.

Artikel 8b.4. Registratie levering blanco identificatiedocumenten door erkende uitgevers
1.

Erkende uitgevers registreren de levering van blanco identificatiedocumenten bij de minister.

2.

Bij de registratie wordt vermeld:

  • a. het nummer dat de dierenarts aan wie de blanco identificatiedocumenten zijn geleverd heeft verkregen bij de registratie in het register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet;
  • b. de unieke alfanumerieke codes van de uitgegeven blanco identificatiedocumenten; en
  • c. de datum waarop de blanco identificatiedocumenten zijn geleverd.
Artikel 8b.5. Schorsing van erkenning
1.

De minister kan een erkenning als bedoeld in artikel 8b.3 schorsen voor een door hem te bepalen termijn indien een uitgever niet voldoet aan één of meer voorschriften als bedoeld in de artikelen 8b.3, 8b.4, 8b.8 en aan artikel 1.14, onderdeel i, van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren.

2.

De uitgever wiens erkenning door de minister is geschorst verschaft de minister onverwijld een overzicht van:

  • a. de unieke alfanumerieke codes die door de minister aan de uitgever zijn verstrekt, en nog niet zijn gebruikt voor de productie van identificatiedocumenten; en
  • b. de blanco identificatiedocumenten die de uitgever reeds heeft geproduceerd of laten produceren, en nog niet heeft uitgegeven aan gemachtigde dierenartsen, onder vermelding van de unieke alfanumerieke code van de blanco identificatiedocumenten.
3.

De minister kan een erkenning als bedoeld in artikel 8b.3, intrekken indien de uitgever tijdens de schorsingstermijn niet voldoet aan de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, of na afloop van de schorsingstermijn niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid.

4.

De uitgever wiens erkenning door de minister is ingetrokken verstrekt de blanco identificatiedocumenten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onverwijld aan de minister.

Artikel 8b.6. Afgifte en registratie gegevens identificatiedocument
1.

In aanvulling op artikel 22, eerste en tweede lid, van verordening (EU) nr. 576/2013, vermeldt de gemachtigde dierenarts bij de afgifte van een identificatiedocument in rubriek XII van het identificatiedocument:

  • a. het land van geboorte van het dier; en
  • b. indien van toepassing, de unieke alfanumerieke code van eerder voor het dier afgegeven identificatiedocumenten.
2.

De termijn, bedoeld in artikel 22, derde lid, van verordening (EU) nr. 576/2013, bedraagt drie jaar.

Artikel 8b.7. Voorhanden hebben van blanco identificatiedocumenten
1.

Het is verboden blanco identificatiedocumenten voorhanden te hebben.

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor:

Artikel 8b.8. Verstrekking van blanco identificatiedocumenten
1.

Het is verboden blanco identificatiedocumenten te verstrekken aan anderen dan gemachtigde dierenartsen als bedoeld in artikel 8b.2, eerste lid.

2.

Indien een gemachtigde dierenarts een blanco identificatiedocument verstrekt aan een andere gemachtigde dierenarts, houdt de verstrekkende gemachtigde dierenarts een administratie bij met de naam en contactgegevens van de ontvangende gemachtigde dierenarts onder vermelding van de unieke alfanumerieke code van het verstrekte identificatiedocument.

3.

De administratie, bedoeld in het tweede lid, wordt ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 8b.9. Inplanten van een transponder

Het inplanten van een transponder door een ander dan een dierenarts, bedoeld in artikel 18 van verordening (EU) nr. 576/2013, is toegestaan aan degene die beroepsmatig met een zekere regelmaat transponders inbrengt.

Hoofdstuk 8c. Verplaatsing waterdieren naar lidstaten

Artikel 8c.1. Uitvoering besluit (EU) nr. 2021/260

Het is verboden in strijd te handelen met artikel 4 van uitvoeringsbesluit (EU) nr. 2021/260 van de Commissie van 11 februari 2021 tot goedkeuring van nationale maatregelen ter beperking van het effect van bepaalde ziekten bij waterdieren overeenkomstig artikel 226, lid 3, van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Besluit 2010/221/EU van de Commissie (PbEU 2021, L 260).

Hoofdstuk 8a. Het houden en bijeenbrengen van evenhoevigen, pluimvee of in gevangenschap levende vogels voor vertoning

Hoofdstuk 8b. Niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Bijlage 1. Aangewezen diersoorten en diercategorieën als bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling houders van dieren

Tabel 1

Positieflijst huisdierenlijst

Diersoorten die zijn aangewezen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren die gehouden kunnen worden zonder toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften.

Tabel 2

Diersoorten die zijn aangewezen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren, die gehouden kunnen worden met toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften.

Bijlage 2

Vrijstellingen als bedoeld in artikel 2.3

Categorie vrijgestelde houder Soorten waarvoor vrijstelling geldt
a. houders van zoogdieren De zoogdiersoorten of zoogdiercategorieën die zijn opgenomen in tabel 4
b. houders van zoogdieren De zoogdiersoorten of zoogdiercategorieën die niet zijn opgenomen in tabel 4, mits de houder bij de minister binnen veertien dagen melding doet van het houden van het dier. De melding wordt ingediend met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier en bevat ten minste het volgende: a. het burgerservicenummer van de houder dan wel het inschrijvingsnummer in het handelsregister indien de houder een onderneming is; b. de diersoort of diercategorie waarvoor de melding wordt gedaan.
c. exploitanten van dierentuinen alle zoogdiersoorten
d. opvangcentra, die voldoen aan het Protocol opvang verboden diersoorten, bedreigde uitheemse diersoorten en bedreigde inheemse diersoorten: zoogdieren van soorten ten aanzien waarvan het besluit is genomen dat zij niet worden aangewezen of waarvan de aanwijzing is ingetrokken en zoogdieren van soorten als bedoeld in bijlage IIa bij het besluit
e. houders van een instellings-vergunning als bedoeld in de artikelen 2 en 11a van de Wet op de dierproeven proefdieren
f. degene die een of meer exemplaren zoogdiersoorten vervoert van of naar een Nederlandse zee- of luchthaven, met inbegrip van een daarmee verband houdend verblijf in Nederland van ten hoogste 4 werkdagen alle zoogdiersoorten
g. dierenartsen in de uitoefening van hun praktijk, ten behoeve van diergeneeskundige behandeling alle zoogdiersoorten

Diersoorten die niet worden aangewezen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren

Vervallen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)