Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 juni 2014, nr. WJZ/14101260, houdende regels met betrekking tot het houden van dieren

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-05-16
Laatst bijgewerkt 2026-05-19
State In force
Source BWB
artikelen 493
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Geslacht Ondergeslacht Soort Nederlands
Echinops telfairi Kleine egeltenrek
Hemicentetes nigriceps Zwartkoptenrek
Hemicentetes semispinosus Gestreepte tenrek
Setifer setosus Grote egeltenrek
Tenrec ecaudatus Gewone tenrek
Antilocapra americana Gaffelbok
Neotragus pygmaeus Dwergantilope
Alcelaphus buselaphus Hartenbeest
Connochaetes gnou Witstaartgnoe
Damaliscus lunatus Lierantilope
Aepyceros melampus Impala
Antidorcas marsupialis Springbok
Antilope cervicapra Indische antilope
Gazella subgutturosa Kropgazelle
Nanger granti Grantgazelle
Nanger soemmerringii Soemerringgazelle
Ourebia ourebi Oribi
Procapra picticaudata Tibetaanse gazelle
Saiga tatarica Saiga
Bison bison Bizon
Bison bonasus Wisent
Bos grunniens Jak (domestic form)
Syncerus caffer Afrikaanse buffel
Boselaphus tragocamelus Nijlgau
Taurotragus derbianus Reuzenelandantilope
Taurotragus oryx Elandantilope
Tetracerus quadricornis Vierhoornantilope
Tragelaphus angasii Nyala
Tragelaphus buxtoni Bergnyala
Tragelaphus eurycerus Bongo
Tragelaphus imberbis Kleine koedoe
Tragelaphus scriptus Bosbok
Tragelaphus spekii Sitatoenga
Tragelaphus strepsiceros Grote koedoe
Ammotragus lervia Manenschaap
Capra falconeri Schroefhoorngeit
Capra ibex Steenbok
Capra nubiana Nubische steenbok
Capra pyrenaica Spaanse steenbok
Capra sibirica Siberische steenbok
Capricornis crispus Japanse bosgems
Capricornis sumatraensis Sumatraanse bosgems
Hemitragus jemlahicus Himalayathargeit
Ovis ammon Wild schaap
Ovis canadensis Dikhoornschaap
Ovis dalli Dalls schaap
Pantholops hodgsonii Tibetaanse antilope
Pseudois nayaur Blauwschaap
Rupicapra rupicapra Gems
Addax nasomaculatus Addax
Hippotragus equinus Roanantilope
Hippotragus niger Sabelantilope
Oryx beisa Beisa
Oryx dammah Algazel
Oryx gazella Gemsbok
Oryx leucoryx Arabische oryx
Kobus ellipsiprymnus Waterbok
Redunca fulvorufula Bergrietbok
Redunca redunca Bohorrietbok
Camelus bactrianus Kameel
Camelus dromedarius Dromedaris
Lama glama Lama
Vicugna pacos Alpaca
Vicugna vicugna Vicuña
Alces americanus Amerikaanse eland
Blastocerus dichotomus Moerashert
Capreolus capreolus Ree
Odocoileus hemionus Muildierhert
Odocoileus virginianus Witstaarthert
Rangifer tarandus Rendier
Axis axis Axishert
Cervus nippon Sikahert
Elaphodus cephalophus Kuifhert
Elaphurus davidianus Pater-Davidshert
Muntiacus muntjak Indische muntjak
Hydropotes inermis Chinese waterree
Hylochoerus meinertzhageni Reuzenboszwijn
Phacochoerus aethiopicus Woestijnknobbelzwijn
Potamochoerus porcus Penseelzwijn
Sus scrofa Wild zwijn
Canis adustus Gestreepte jakhals
Canis aureus Gewone jakhals
Canis mesomelas Zadeljakhals
Nyctereutes procyonoides Wasbeerhond
Otocyon megalotis Grootoorvos
Vulpes corsac Steppevos
Vulpes lagopus Poolvos
Vulpes rueppellii Zandvos
Vulpes vulpes Vos
Vulpes zerda Woestijnvos
Felis chaus Moeraskat
Felis margarita Woestijnkat
Leptailurus serval Serval
Crossarchus obscurus Koesimanse
Cynictis penicillata Vosmangoest
Helogale parvula Dwergmangoest
Mungos mungo Zebramangoeste
Suricata suricatta Stokstaartje
Mephitis mephitis Gestreepte skunk
Aonyx cinerea Kleinklauwotter
Eira barbara Tayra
Galictis vittata Grote grison
Nasua nasua Rode neusbeer
Potos flavus Rolstaartbeer
Procyon lotor Wasbeer
Ursus arctos Bruine beer
Arctictis binturong Beermarter
Paradoxurus hermaphroditus Loewak
Civettictis civetta Afrikaanse civetkat
Genetta genetta Genetkat
Genetta maculata Roestgenet
Genetta pardina Pardin's genetkat
Genetta thierryi Hausagenet
Genetta tigrina Tijgergenet
Viverra zibetha Indische civetkat
Carollia perspicillata Brilbladneusvleermuis
Eidolon helvum Palmvleerhond
Hypsignathus monstrosus Hamerkopvleerhond
Pteropus vampyrus Kalong
Rousettus Rousettus aegyptiacus Nijlroezet
Dasypus novemcinctus Negenbandgordeldier
Chaetophractus vellerosus Klein behaard gordeldier
Chaetophractus villosus Bruinbehaard gordeldier
Euphractus sexcinctus Zesbandgordeldier
Tolypeutes matacus Kogelgordeldier
Didelphis albiventris Zuidamerikaanse opossum
Monodelphis domestica Kortstaartopossum
Macropus Macropus fuliginosus Westelijke grijze reuzenkangoeroe
Macropus Macropus giganteus Oostelijke grijze reuzenkangoeroe
Macropus Notamacropus agilis Zandwallabie
Macropus Notamacropus eugenii Tammarwallabie
Macropus Notamacropus parma Parmawallabie
Macropus Notamacropus rufogriseus Bennettwallabie
Macropus Osphranter robustus Bergkangoeroe
Macropus Osphranter rufus Rode reuzenkangoeroe
Thylogale thetis Roodhalspademelon
Wallabia bicolor Moeraswallabie
Dactylopsila trivirgata Gestreepte buideleekhoorn
Petaurus breviceps Suikereekhoorn
Ailurops ursinus Beer koeskoes
Bettongia lesueur Lesueurborstelstaartkangoeroerat
Bettongia penicillata Borstelstaartkangoeroerat
Atelerix albiventris Witbuikegel
Atelerix frontalis Zuid-Afrikaanse egel
Atelerix sclateri Somalische egel
Hemiechinus auritus Grootooregel
Procavia capensis Rotsklipdas
Lepus Eulagos europaeus Europese haas
Lepus Lepus timidus Sneeuwhaas
Equus burchellii Steppezebra
Equus hemionus Onager
Equus kiang Kiang
Tapirus terrestris Laaglandtapir
Bradypus tridactylus Drievingerige luiaard
Choloepus didactylus Tweevingerige luiaard
Calomyscus bailwardi Turkmeense muishamster
Cavia aperea Wilde cavia
Cavia magna Moerascavia
Dolichotis patagonum Mara
Dolichotis salinicola Kleine mara
Hydrochoeris hydrochaeris Capybara
Kerodon rupestris Rotsmoko
Chinchilla lanigera Chinchilla
Lagurus lagurus Steppelemming
Lasiopodomys brandtii Steppewoelmuis
Microtus Alexandromys fortis Chinese woelmuis
Microtus Microtus arvalis Veldmuis
Microtus Microtus guentheri Mediterrane woelmuis
Synaptomys Mictomys borealis Moeras lemming
Cricetulus barabensis Chinese dwerghamster
Phloeomys pallidus Nevelrat
Phodopus campbelli Campbells dwerghamster
Phodopus roborovskii Woestijndwerghamster
Phodopus sungorus Russische dwerghamster
Peromyscus eremicus Cactusmuis
Peromyscus leucopus Witvoetmuis
Peromyscus polionotus Strandmuis
Sigmodon Sigmodon hispidus Katoenrat
Dasyprocta azarae Azara’s agoeti
Dasyprocta leporina Goudhaas
Dasyprocta prymnolopha Zwartrugagoeti
Dasyprocta punctata Midden-Amerikaanse agoeti
Allactaga Orientallactaga sibirica Siberische paardenspringmuis
Allactaga Scarturus tetradactyla Vierteenrenmuis
Jaculus jaculus Kleine woestijnspringmuis
Jaculus orientalis Reuzenwoestijnspringmuis
Glis glis Relmuis
Graphiurus Graphiurus murinus Afrikaanse dwergrelmuis
Eliomys melanurus Woestijnslaapmuis
Hystrix Hystrix cristata Gewoon stekelvarken
Hystrix Hystrix indica Witstaartstekelvarken
Acomys Acomys cahirinus Egyptische stekelmuis
Acomys Acomys dimidiatus Sinaïstekelmuis
Acomys Acomys russatus Gouden stekelmuis
Acomys Acomys spinosissimus Dwergstekelmuis
Dipodillus Petteromys dasyurus Wagnersgerbil
Gerbillus Gerbillus cheesmani Cheesman's gerbil
Gerbillus Gerbillus gerbillus Kleine Egyptische renmuis
Gerbillus Gerbillus perpallidus Bleke gerbil
Gerbillus Gerbillus pyramidum Grote Egyptische renmuis
Gerbillus Hendecapleura nanus Algerijnse gerbil
Meriones Pallasiomys crassus Sundevalls gerbil
Meriones Pallasiomys shawi Shawi gerbil
Meriones Pallasiomys tristrami Tristam’s gerbil
Meriones Parameriones persicus Perzische woestijnmuis
Pachyuromys duprasi Vetstaartgerbil
Psammomys obesus Vette zandrat
Sekeetamys calurus Pluimstaartgerbil
Taterillus harringtoni Harrington’s gerbil
Apodemus sylvaticus Bosmuis
Arvicanthis neumanni Tanzaniaanse grasrat
Arvicanthis niloticus Koesoegrasrat
Lemniscomys barbarus Zebragrasmuis
Lemniscomys striatus Gestreepte grasmuis
Mastomys natalensis Veeltepelmuis
Micromys minutus Europese dwergmuis
Mus Nannomys minutoides Afrikaanse dwergmuis
Rattus rattus Zwarte rat
Rhabdomys pumilio Streepmuis
Thallomys paedulcus Acacia rat
Myocastor coypus Beverrat
Cricetomys gambianus Gambiahamsterrat
Octodon degus Degoe
Spalacopus cyanus Koeroero
Pedetes capensis Springhaas
Callosciurus finlaysonii Finlaysonklappereekhoorn
Callosciurus notatus Zwartneusklappereekhoorn
Callosciurus prevostii Driekleureekhoorn
Dremomys pernyi Perny eekhoorn
Funambulus Prasadsciurus pennantii Vijfstrepige palmeekhoorn
Tamiops swinhoei Chinese gestreepte boomeekhoorn
Tamiops mcclellandii Thaise dwergstreepeekhoorn
Sciurus Sciurus lis Japanse eekhoorn
Sciurus Sciurus variegatoides Grote gevlekte boomeekhoorn
Sciurus Urosciurus igniventris Peruaanse witnekeekhoorn
Tamiasciurus hudsonicus Hudson eekhoorn
Cynomys Cynomys ludovicianus Zwartstaartprairiehond
Cynomys Leucocrossuromys parvidens Utahprairiehond
Marmota Marmota marmota Alpenmarmot
Sciurotamias Sciurotamias davidianus Chinese rotseekhoorn
Spermophilus Otospermophilus variegatus Amerikaanse rotseekhoorn
Spermophilus Spermophilus richardsonii Richardsongrondeekhoorn
Tamias Eutamias sibiricus Boeroendoek
Tamias Tamias striatus Chipmunk
Tupaia belangeri Belangers toepaja
Tupaia glis Gewone toepaja
Suncus murinus Muskusspitsmuis

Bijlage 3. Protocol voor de visuele monitoring van voetzoollaesies aan vleeskuikens in het slachthuis als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, onderdeel a, van de Regeling houders van dieren

    1. Deze monitoring wordt uitgevoerd in het slachthuis waar het koppel vleeskuikens of het grootste deel ervan wordt geslacht.
    1. De monitoring wordt uitgevoerd door hiervoor opgeleide slachthuismedewerkers, onder toezicht van de minister.
    1. 100 vleeskuikens per koppel (per stal) worden beoordeeld, waarvan 50 kuikens rond de verwerking van 30% van het koppel, en 50 kuikens rond de verwerking van 60% van het koppel.
    1. Alleen de rechter poot van elk vleeskuiken van de steekproeven wordt beoordeeld. Hiervoor worden de te monitoren poten van de slachtlijn gehaald en verzameld.
    1. De medewerker baseert zijn beslissingen over de indeling van de poten in 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) op de inhoud van de daarvoor aan hem verstrekte scorekaart en stelt de totaalscore voor het koppel vast met gebruikmaking van de formule: aantal punten= (aantal dieren klasse 0)x0 + (aantal dieren klasse 1)x0,5 + (aantal dieren klasse 2)x2
    1. Deze gegevens worden door het slachthuis geregistreerd en doorgegeven aan de houder.

Bijlage 4. Protocol voor de monitoring van voetzoollaesies aan vleeskuikens in het slachthuis met behulp van een digitaal meetsysteem als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de Regeling houders van dieren

    1. In het slachthuis is een rapport aanwezig van een onafhankelijke kennisinstelling of instantie, waaruit blijkt dat het digitale meetsysteem zodanig werkt dat de scores een score oplevert die vergelijkbaar is met de score van een visuele beoordeling die aan de hand van de scorekaart is uitgevoerd. In het rapport is een beschrijving door de kennisinstelling of de instantie opgenomen van de wijze waarop dit is vastgesteld.
    1. Het camerasysteem meet ten minste 70% van de poten van elk koppel.
    1. De percentages per klasse en de eindscores worden minimaal 1 keer per werkdag door het systeem opgeleverd, door het slachthuis verwerkt en aan de pluimveeveehouder doorgegeven.
    1. Het slachthuis treft maatregelen om het digitale meetsysteem en de daarbij gebruikte software te beschermen tegen willekeurige wijzigingen.
    1. Het slachthuis zorgt ervoor dat het systeem zodanig wordt onderhouden dat het goed blijft functioneren. Indien het systeem gebreken of defecten vertoont meldt het slachthuis dit aan de leverancier of de fabrikant en de betrokken pluimveehouders.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 9.4. Verbodsbepalingen ter uitvoering van Fokkerijverordening (EU) 2016/1012 en gedelegeerde verordening (EU) 2017/1940
1.

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen: de artikelen 8, vierde lid, 9, vierde lid, 13, eerste, tweede en derde lid, 14, eerste, tweede en derde lid, 18, eerste, tweede en derde lid, 20, eerste en tweede lid, 21, eerste, vierde en zevende lid, 23, eerste en tweede lid, 24, eerste en tweede lid, 25, 27, eerste en zesde lid, 28, tweede lid, 30, eerste, derde en vierde lid, eerste alinea, vijfde lid, eerste alinea, zesde, zevende en achtste lid, 32, eerste lid, eerste zin, en 36, eerste lid, van verordening (EU) 2016/2012.

2.

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen: de artikelen 1, 2 en 3 van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1940.

Hoofdstuk 10. Wijziging en intrekking van regelingen

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Positieflijst huisdierenlijst

Diersoorten die zijn aangewezen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren die gehouden kunnen worden zonder toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften.

Tabel 2

Diersoorten die zijn aangewezen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren, die gehouden kunnen worden met toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften.

Bijlage 5. Protocol voor het monitoren van voetzoollaesies aan levende dieren op vleeskuikenbedrijven als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, onderdeel b, van de Regeling houders van dieren

    1. Deze monitoring wordt uitgevoerd op het bedrijf zelf, maximaal 5 dagen voordat het koppel wordt geslacht. Het betreft koppels die geëxporteerd worden en waar geen meting van voetzoollaesies plaatsvindt in het slachthuis van bestemming, of koppels die in kleine slachthuizen in Nederland worden geslacht.
    1. De opgeleide controleur, bedoeld in artikel 6.5 derde lid, onderdeel b, heeft in elk geval de Cursus monitoring voetzoollaesies of een gelijkwaardige cursus met goed gevolg afgesloten, en is geen werknemer van de pluimveehouder voor wie de beoordeling wordt uitgevoerd.
    1. Per stal worden 100 levende vleeskuikens beoordeeld, waarbij ten minste 4 steekproeven in de stal (bijvoorbeeld 4 keer 25 dieren) worden genomen, genomen op locaties verdeeld over de stal, minimaal 2 locaties tegen de muur en de overige locaties tussen voer- en drinklijnen in. Zie voorbeeld hieronder.
    1. De controleur maakt gebruik van extra verlichting (zoals een hoofdlamp) en van een vanghek om dubbele metingen te voorkomen. Hiervoor kan hij de kuikens merken met bv. watervaste stift (op de poot, of vleugels).
    1. Het schoonmaken van de poten met borstel en sop wordt afgeraden, na het afwrijven van de mest van de poot heeft men een redelijk beeld van de conditie van de poten.
    1. In de steekproeven wordt alleen de rechter poot van elk vleeskuiken beoordeeld.
    1. De controleur baseert zijn beslissingen over de indeling van de poten in 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) op de inhoud van de daarvoor aan hem verstrekte scorekaart.
    1. De controleur registreert het aantal vleeskuikens in de 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) en geeft dit door aan de houder, alsmede de totaalscore van het koppel.
    1. Deze wordt berekend met onderstaande formule: aantal punten= (aantal dieren klasse 0)x0 + (aantal dieren klasse 1)x0.5 + (aantal dieren klasse 2)x2

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3a.1. Melding zoönosen

Als zoönosen als bedoeld in artikel 2.12, eerste en derde lid, van de wet, worden aangewezen de in de onderstaande tabel genoemde zoönosen bij de daarbij genoemde soorten:

infecties met Campylobacter spp zoogdieren (Mammalia)
infecties met leptospira spp ten gevolge van Leptospira hardjo zoogdieren (Mammalia)
infecties met listeria zoogdieren (Mammalia)
infecties met Yersinia zoogdieren (Mammalia)
toxoplasmose zoogdieren (Mammalia)
Salmonellose zoogdieren (Mammalia)
Artikel 3a.2. Melding ziekteverschijnselen vogels
1.

De exploitant van een inrichting waar pluimvee wordt gehouden, meldt elke sterfte van:

  • a. een koppel leghennen, vermeerderingsdieren of vleeskuikens, die ouder zijn dan 10 dagen, indien op twee opeenvolgende dagen er een sterfte is van 0,5% of meer per dag;
  • b. een koppel vleeskalkoenen indien op twee opeenvolgende dagen er een sterfte is van 1% of meer per dag; en
  • c. alle andere soorten pluimvee dan de soorten, bedoeld in de onderdelen a en b, indien er een sterfte is van meer dan 3% per week.
2.

De exploitant, bedoeld in het eerste lid, consulteert een dierenarts indien bij pluimvee:

  • a. een klinisch probleem zichtbaar is;
  • b. er op twee opeenvolgende dagen een reductie van voer- of drinkwateropname is van meer dan 5% per dag; en
  • c. voor zover het leghennen of vermeerderingsdieren betreft, er op twee opeenvolgende dagen een reductie van de eiproductie is van 5% of meer per dag.
Artikel 3a.3. Melding ziekteverschijnselen runderen

Een houder van runderen meldt in elk geval bij runderen ouder dan twintig maanden, ziekteverschijnselen van Bovine Spongiforme encefalopathie, indien die runderen gedragsstoornissen of neurologische symptomen vertonen en waarbij de ziekte op grond van een reactie op een behandeling of op grond van een laboratoriumonderzoek niet kan worden uitgesloten.

Artikel 3a.4. Melding ziekteverschijnselen schapen en geiten

Een houder van schapen of geiten meldt in elk geval bij schapen en geiten ouder dan twaalf maanden, ziekteverschijnselen van scrapie, indien die schapen gedragsstoornissen of neurologische symptomen vertonen en waarbij de ziekte op grond van een reactie op een behandeling of op grond van een laboratoriumonderzoek niet kan worden uitgesloten.

Hoofdstuk 3b. Toepassen sera en entstoffen

Artikel 3b.1. Aangewezen ziekten verbod toepassen levende entstof

Als ziekten als bedoeld in artikel 1.61, eerste lid, van het besluit worden aangewezen:

Artikel 3b.2. Toegestane toepassing levende entstof

Als levende entstof tegen een ziekte als bedoeld in artikel 1.61, tweede lid, van het besluit wordt aangewezen:

  • a. een recombinant vaccin als bedoeld in bijlage III, onderdeel 1, onder a, onder ii, van verordening (EU) nr. 576/2013 ter preventie of bestrijding van rabiës;
  • b. een levende entstof ter preventie en bestrijding van een infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;
  • c. een levende entstof die voldoet aan artikel 3, eerste en, ingeval zij is bestemd om te worden toegepast bij legkippen, het tweede lid, van verordening (EG) nr. 1177/2006 van de Commissie van 1 augustus 2006 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorschriften voor het gebruik van specifieke bestrijdingsmethoden in het kader van de nationale programma’s voor de bestrijding van salmonella bij pluimvee (PbEU 2006, L 212), ter preventie en bestrijding van een infectie met salmonella enteritidis, salmonella hadar, salmonella infantis, salmonella java, salmonella typhimurium, of salmonella virchow.
Artikel 3b.3. Aangewezen ziekten verbod toepassen niet-levende entstof of serum
1.

Als ziekten als bedoeld in artikel 1.61, derde lid, van het besluit worden aangewezen:

  • a. de ziekte van Aujeszky;
  • b. brucella melitensis, b. abortus en b. suis;
  • c. mycobacterium tuberculosis complex;
  • d. enzoötische boviene leukose;
  • e. mond-en-klauwzeer;
  • f. infectie met het runderpestvirus;
  • g. infectie met het riftdalkoortsvirus (riftvalleykoortsvirus);
  • h. infectie met het nodulaire-dermatosevirus;
  • i. infectie met Mycoplasma mycoides subsp. mycoides SC (besmettelijke runderperipneumonie);
  • j. schapenpokken en geitenpokken;
  • k. infectie met het virus van de pest bij kleine herkauwers („peste des petits ruminants”);
  • l. besmettelijke pleuropneumonie bij geiten;
  • m. Afrikaanse paardenpest;
  • n. infectie met Burkholderia mallei (kwade droes);
  • o. klassieke varkenspest;
  • p. Afrikaanse varkenspest;
  • q. hoogpathogene aviaire influenza;
  • r. epizoötische hematopoëtische necrose;
  • s. virale hemorragische septikemie;
  • t. infectieuze hematopoëtische necrose;
  • u. een infectie met zalmanemievirus met HPR-deletie;
  • v. koiherpesvirusziekte;
  • w. een infectie met mikrocytis mackini;
  • x. een infectie met perkinsus marinus;
  • y. een infectie met bonamia exitiosa;
  • z. een infectie met bonamia ostreae;
  • aa. een infectie met marteilia refringens;
  • bb. een infectie met het taurasyndroomvirus;
  • cc. een infectie met het yellowheadvirus;
  • dd. een infectie met het wittevlekkensyndroomvirus.
2.

Het verbod, bedoeld in artikel 1.61, derde lid, van het besluit, is niet van toepassing op de toepassing van niet-levende entstoffen of sera tegen één van de ziekten, genoemd in het eerste lid, onderdelen r tot en met dd, bij aquacultuurdieren in het kader van wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van de ontwikkeling en het testen van vaccins tegen de ziekten, bedoeld in die onderdelen, indien:

  • a. de ontwikkeling en het testen plaatsvinden onder gecontroleerde omstandigheden; en
  • b. adequate maatregelen zijn en worden genomen ter bescherming van andere aquacultuurdieren tegen de schadelijke gevolgen van de in het kader van het onderzoek gebruikte niet-levende entstoffen of sera.
Artikel 4.9. Middel registratie inrichtingen vervoerders

De inkennisstelling en de verstrekking van gegevens, bedoeld in artikelen 87, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, geschieden met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.

Artikel 4.10. Termijn inkennisstelling wijziging gegevens registratie vervoerders

Een exploitant doet de inkennisstelling van de gegevens, bedoeld in de artikelen 87, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, binnen 30 dagen, te rekenen vanaf de dag nadat de desbetreffende wijziging of stopzetting heeft plaatsgevonden.

Artikel 4.11. Uitzondering registratieplicht vervoerders

(gereserveerd)

Artikel 4.12. Documentatieplicht vervoerders
1.

Een vervoerder als bedoeld in artikel 104, eerste lid, aanhef, van verordening (EU) nr. 2016/429 legt de gegevens, bedoeld in dat artikellid, en, indien van toepassing, artikel 34, van verordening (EU) nr. 2019/2035, vast binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

2.

De minimumduur, bedoeld in artikel 104, derde lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429, bedraagt drie jaar.

Artikel 4.13. Uitzondering documentatieplicht vervoerder

(gereserveerd)

§ 1. Nationale gidsen voor goede praktijken

§ 2. Opleidingen en getuigschriften

§ 3. Verbodsbepaling

§ 4. Bedwelming van aal voorafgaand aan het doden

Hoofdstuk 5a. Registratie en erkenning van inrichtingen

Artikel 5a.1. Verstrekking aanvullende gegevens bij registratie inrichting landdieren
1.

In aanvulling op artikel 84, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429 verstrekken exploitanten van een inrichting met het oog op de registratie daarvan, de volgende gegevens:

  • a. wanneer er op de inrichting landdieren, met uitzondering van runderen, schapen, geiten en paardachtigen, worden gehouden: in voorkomend geval de datum van het begin van de periode waarin er in de inrichting geen dieren worden gehouden;
  • b. wanneer er op de inrichting kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, kwartels, duiven, fazanten, patrijzen of loopvogels worden gehouden: het unieke nummer van elk tot de inrichting behorende stal, waar deze vogels worden gehouden;
  • c. hun relatienummer.
2.

Artikel 84, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2016/429, is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen ten aanzien van gegevens als bedoeld in het eerste lid.

3.

Wanneer op een inrichting kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, kwartels, duiven, fazanten, patrijzen of loopvogels worden gehouden, kent de minister aan de inrichting voor elk afzonderlijk doel waarvoor deze vogels worden gehouden, een uniek subregistratienummer toe.

Artikel 5a.2. Middel registratie inrichtingen landdieren, aquacultuurdieren en handelaren

De inkennisstelling en de verstrekking van gegevens, bedoeld in de artikelen 84, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, ingeval het gaat om een inrichting waar landdieren worden gehouden, 90, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, en 172, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, en artikel 5a.1, eerste en tweede lid, in samenhang met artikel 84, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2016/429, geschieden met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.

Artikel 5a.3. Termijn inkennisstelling wijziging gegevens registratie

Een exploitant doet de inkennisstelling van de gegevens, bedoeld in de artikelen 84, tweede lid, ingeval het gaat om een inrichting waar landdieren worden gehouden, artikel 90, tweede lid, of 172, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, of in artikel 5a.1, tweede lid, in samenhang met artikel 84, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2016/429, ingeval het gaat om een inrichting waar landdieren worden gehouden, binnen 30 dagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de desbetreffende wijziging of stopzetting heeft plaatsgevonden.

Artikel 5a.4. Uitzondering registratieplicht bepaalde inrichtingen landdieren

(gereserveerd)

Artikel 5a.5. Uitzondering registratieplicht bepaalde exploitanten van verzamelingen

(gereserveerd)

Artikel 5a.6. Uitzonderingen registratie- en erkenningplicht bepaalde inrichtingen aquacultuurinrichtingen
1.

Artikel 172, eerste lid, van de verordening (EU) nr. 2016/429 is niet van toepassing op aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 3 van de verordening (EU) nr. 2021/2037.

2.

Artikel 176, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 is niet van toepassing op de typen van inrichting, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, onderdeel a, b of c.

Artikel 5a.7. Middel aanvraag erkenning

Een aanvraag tot erkenning als bedoeld in artikel 94, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, in geval het gaat om een broederij van waaruit pluimvee wordt verplaatst, d of e, in artikel 95 of in artikel 176, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, geschiedt met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.

Artikel 5a.8. Termijn inkennisstelling wijziging gegevens erkenning

Een exploitant doet de inkennisstelling van de gegevens, bedoeld in de artikelen

96, tweede lid, ingeval het gaat om een inrichting waar landdieren worden gehouden, of 180, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, binnen 30 dagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de desbetreffende wijziging of stopzetting heeft plaatsgevonden.

Artikel 5a.9. Documentatieplicht bepaalde exploitanten van verzamelingen
1.

Een exploitant van verzamelingen als bedoeld in artikel 105, eerste lid, aanhef, van verordening (EU) nr. 2016/429 legt de gegevens, bedoeld in dat artikellid, en voor zover van toepassing, artikel 36, van verordening (EU) nr. 2019/2035, onverwijld nadat de gegevens bekend zijn bij de exploitant.

2.

De minimumduur, bedoeld in artikel 105, derde lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429, bedraagt drie jaar.

Artikel 5a.10. Uitzondering documentatieplicht bepaalde exploitanten van verzamelingen

(gereserveerd)

Afdeling 5b.1. Documentatieverplichtingen

Artikel 5b.1. Runderen
1.

In aanvulling op artikel 102, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, zorgt de exploitant van een inrichting waar runderen worden gehouden, voor het bewaren en bijhouden van documentatie over de volgende gegevens over de in de inrichting gehouden runderen:

  • a. de identificatiecode van de moeder;
  • b. het geslacht; en
  • c. de haarkleur.
2.

Artikel 102, eerste lid, slotzin, en derde lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 zijn van overeenkomstige toepassing op de documentatie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5b.2. Varkens
1.

In aanvulling op artikel 102, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, zorgt de exploitant van een inrichting waar varkens worden gehouden die afkomstig zijn uit een derde land en ten aanzien waarvan de inrichting de bestemming is, voor het bewaren en bijhouden van documentatie over de volgende gegevens over die varkens:

  • a. het door de bevoegde autoriteit van het derde land toegekende identificatienummer; en
  • b. het nummer van het op de inrichting aangebrachte identificatiemiddel.
2.

Artikel 102, eerste lid, slotzin, en derde lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 zijn van overeenkomstige toepassing op de documentatie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5b.3. Schapen of geiten
1.

In aanvulling op artikel 102, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, zorgt de exploitant van een inrichting waar schapen of geiten worden gehouden die ingevolge artikel 1.46 van het Besluit houders van dieren worden gevaccineerd, voor het bewaren en bijhouden van documentatie over de volgende gegevens over die schapen en geiten:

  • a. de datum waarop deze zijn gedekt of geïnsemineerd; of
  • b. wanneer het precieze moment van dekking niet bekend is, het moment waarop de geiten of schapen kunnen worden gedekt.
2.

Artikel 102, eerste lid, slotzin, en derde lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 zijn van overeenkomstige toepassing op de documentatie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5b.4. Termijnen bijhouden en bewaren gegevens
1.

De exploitant van een inrichting als bedoeld in artikel 102, eerste lid, aanhef, van verordening (EU) nr. 2016/429, legt de gegevens, bedoeld in dat artikellid, en voor zover van toepassing, de artikelen 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 35, en 37, van verordening (EU) nr. 2019/2035 en voor zover van toepassing artikel 5b.1, eerste lid, 5b.2, eerste lid, en 5b.3, eerste lid, vast binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

2.

De minimumduur, bedoeld in artikel 102, derde lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429, al dan niet in samenhang met artikel 5b.1, tweede lid, 5b.2, tweede lid of 5b.3, tweede lid, bedraagt drie jaar.

Artikel 5b.5. Uitzondering plicht tot vastleggen en bewaren van gegevens

Artikel 102 , eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 en de [artikelen 5b.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035248&hoofdstuk=5b&afdeling=5b.1&artikel=5b.1&z=2026-05-16&g=2026-05-16), [5b.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035248&hoofdstuk=5b&afdeling=5b.1&artikel=5b.2&z=2026-05-16&g=2026-05-16) en [5b.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035248&hoofdstuk=5b&afdeling=5b.1&artikel=5b.3&z=2026-05-16&g=2026-05-16) zijn niet van toepassing op een exploitant, indien is voldaan aan artikel 102, vierde lid, onderdelen a en b, van verordening (EU) nr. 2016/429, met dien verstande dat de informatie, bedoeld in die onderdelen, voor zover van toepassing ook de gegevens bevat, bedoeld in de artikelen 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 35, en 37 van verordening (EU) nr. 2019/2035 en voor zover van toepassing de artikelen 5b.1, eerste lid, 5b.2, eerste lid, en 5b.3, eerste lid.

Afdeling 5b.2. Algemene regels identificatiemiddelen en merken

§ 5b.2.1. Goedkeuring modellen

Artikel 5b.6. Goedkeuring modellen identificatiemiddelen
1.

Het is verboden runderen, varkens, schapen, geiten, paardachtigen, kameelachtigen en hertachtigen te identificeren met middelen waarvan het model voor de desbetreffende diersoort niet door de minister is goedgekeurd.

2.

Het is verboden papegaaiachtigen als bedoeld in artikel 76, eerste lid, onderdeel b, en honden, katten of fretten als bedoeld in artikel 70, van verordening (EU) nr. 2019/2035, te identificeren met een injecteerbare transponder waarvan het model voor de desbetreffende diersoort niet door de minister is goedgekeurd.

3.

Een aanvraag tot goedkeuring als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt gedaan bij de minister.

4.

De minister keurt een model als bedoeld in het eerste lid of een model voor papegaaiachtigen als bedoeld in het tweede lid goed indien het:

  • a. identificeren van de desbetreffende dieren met het desbetreffende middel is toegestaan op grond van verordening (EU) nr. 2019/2035 en deze regeling;
5.

De minister keurt een model voor honden, katten of fretten als bedoeld in het tweede lid goed indien het model voldoet aan bijlage II bij verordening (EU) nr. 576/2013.

6.

De minister trekt een goedkeuring in, indien het model niet meer voldoet aan de in respectievelijk het vierde en vijfde lid gestelde eisen aan het desbetreffende identificatiemiddel.

7.

Het derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op wijzigingen van een goedgekeurd model.

Artikel 5b.7. Goedkeuring modellen slachtmerken en gebruiksmerken voor varkens
1.

Het is verboden een slachtmerk of een gebruiksmerk bij een varken aan te brengen indien een model van dat merk niet door de minister is goedgekeurd.

2.

Een aanvraag tot goedkeuring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de minister.

3.

De minister keurt een model goed, indien het voldoet aan artikel 5b.34 en 5b.35.

4.

De minister trekt een goedkeuring in, indien het model niet meer voldoet aan artikel 5b.34 en 5b.35.

5.

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op wijzigingen van een goedgekeurd model.

§ 5b.2.1. Goedkeuring modellen

Artikel 5b.8. Erkenning van leveranciers
1.

Het is verboden zonder erkenning van de minister een identificatiemiddel, een slachtmerk of een gebruiksmerk te verstrekken aan een exploitant die dieren houdt die op grond van verordening (EU) nr. 2019/2035 geïdentificeerd moeten worden.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de verstrekking van:

  • a. injecteerbare transponders;
  • b. identificatiemiddelen voor papegaaiachtigen; en
  • c. tatoeages.
3.

De minister verleent een erkenning als bedoeld in het eerste lid aan degene die de aanvraag tot goedkeuring van het model van het desbetreffende identificatiemiddel of merk heeft gedaan, wanneer hij het model goedkeurt, tenzij deze eerder onder toepassing van dit lid is erkend vanwege de goedkeuring van een ander model van respectievelijk een identificatiemiddel of merk voor dezelfde diersoort.

4.

De minister schorst een erkenning als bedoeld in het derde lid indien:

  • a. de leverancier aan een exploitant als bedoeld in het eerste lid een identificatiemiddel of merk heeft geleverd waarvan het model niet is goedgekeurd voor de desbetreffende diersoort;
  • b. de leverancier van identificatiemiddelen voor runderen, schapen, geiten, of kameelachtigen of hertachtigen niet voldoet aan artikel 5b.10;
  • c. de leverancier van identificatiemiddelen of merken voor varkens niet voldoet aan artikel 5b.10 en 5b.11.
5.

De minister heft een schorsing als bedoeld in het vierde lid op indien desbetreffende leverancier ten genoegen van de minister heeft aangetoond dat hij overeenkomstig de bepalingen van deze regeling zal handelen.

Artikel 5b.9. Bestelling identificatiemiddelen en merken

Een bestelling van identificatiemiddelen, slachtmerken of gebruiksmerken voor dieren die op grond van verordening (EU) nr. 2019/2035 geïdentificeerd moeten worden wordt rechtstreeks gedaan bij de leverancier van respectievelijk het middel en merk.

Artikel 5b.10. Administratie leverancier identificatiemiddelen of merken
1.

Een leverancier van identificatiemiddelen, slachtmerken of gebruiksmerken voor dieren die op grond van verordening (EU) nr. 2019/2035 geïdentificeerd moeten worden houdt een inzichtelijke administratie bij, waaruit per uniek registratienummer van inrichtingen waar landdieren worden gehouden en per besteldatum, is opgenomen hoeveel identificatiemiddelen, slachtmerken en gebruiksmerken voor dieren die op grond van verordening (EU) nr. 2019/2035 geïdentificeerd moeten worden door hem aan de inrichting zijn besteld en geleverd.

2.

Wanneer een leverancier identificatiemiddelen heeft geleverd waarop een identificatiecode voor een individueel dier staat, is in de administratie, bedoeld in het eerste lid, deze code vermeld bij het geleverde middel.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op leveranciers van injecteerbare transponders.

Artikel 5b.11. Voorschriften voor leveranciers van middelen en merken voor varkens
1.

Een leverancier verstrekt aan een exploitant die varkens houdt uitsluitend identificatiemiddelen, slachtmerken en gebruiksmerken die zijn voorzien van het unieke registratienummer van de desbetreffende inrichting.

2.

Een leverancier van identificatiemiddelen, slachtmerken of gebruiksmerken voor varkens verstrekt ieder kwartaal aan de minister een overzicht van het aantal bestelde en het aantal geleverde identificatiemiddelen of merken per uniek registratienummer van inrichtingen, onder vermelding van de op de geleverde identificatiemiddelen of merken vermelde gegevens.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ingeval het identificatiemiddel een tatoeage is.

Artikel 5b.12. Voorschriften voor leveranciers van injecteerbare transponders voor paardachtigen

Vervallen

Artikel 5b.13. Voorschriften voor gebruik identificatiemiddelen
1.

Het is een exploitant die runderen, paardachtigen, schapen, geiten of varkens houdt, verboden om zonder toestemming van de minister identificatiemiddelen, slachtmerken of gebruiksmerken:

  • a. aan derden te verstrekken;
  • b. van derden aan te nemen;
  • c. voorhanden te hebben.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing op exploitanten die runderen, schapen of geiten houden, indien degene die de middelen of merken verstrekt, daaraan voorafgaand melding heeft gemaakt van de voorgenomen verstrekking aan de minister.

3.

De melding, bedoeld in het tweede lid, geschiedt met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.

§ 5b.2.3. Aanbrengen van identificatiemiddelen en merken

Artikel 5b.14. Voorschriften aanbrengen identificatiemiddelen
1.

Het aanbrengen en vervangen van een identificatiemiddel dat geen verrichting van een lichamelijke ingreep is, geschiedt uitsluitend door:

  • a. de exploitant van het te identificeren dier, niet zijnde een exploitant van een slachthuis of van een verzamelcentrum of een vervoerder;
  • b. een derde die daartoe door de exploitant, bedoeld in onderdeel a, is aangewezen; of
  • c. een ambtenaar van de NVWA, dan wel een dierenarts of een ander persoon die voor deze werkzaamheden door de minister worden ingezet.
2.

In aanvulling op de artikelen 2.12, onderdeel b, 2.28, onderdeel c, en 2.77, onderdelen b, c, en d, van het Besluit houders van dieren is het de volgende personen toegestaan de daar genoemde identificatiemiddelen aan te brengen en te vervangen bij respectievelijk een varken, rund, schaap of geit:

  • a. een derde die daartoe door de houder, bedoeld in de in de aanhef genoemde artikelen, van het te identificeren dier is aangewezen; of
  • b. een ambtenaar, dierenarts of ander persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.
3.

In afwijking van de artikelen 2.12, onderdeel b, en 2.28, onderdeel c, van het Besluit houders van dieren is het een houder niet toegestaan de daar genoemde identificatiemiddelen aan te brengen en te vervangen bij respectievelijk een varken of rund indien de houder een exploitant van een slachthuis of een verzamelcentrum is, of een vervoerder.

4.

Ingeval artikel 81 van verordening (EU) 2019/2035 van toepassing is, verricht de exploitant, bedoeld in het eerste lid, de derde, bedoeld in het eerste of tweede lid, dan wel de houder, bedoeld in het tweede lid, de handeling onder toezicht van een ambtenaar, dierenarts of ander persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

5.

De minister kan een exploitant of houder de bevoegdheid tot het aanbrengen en vervangen van identificatiemiddelen en het aanwijzen van een derde om die handelingen te verrichten ontzeggen indien deze naar het oordeel van de minister niet langer handelt in overeenstemming met de regels over de identificatie van dieren. In dat geval levert de exploitant dan wel de houder alle bij hem in voorraad zijnde nog niet aangebrachte identificatiemiddelen in bij de minister, binnen drie werkdagen te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de bevoegdheid is ontzegd.

Artikel 5b.15. Nadere voorschriften aanbrengen identificatiemiddelen
1.

Het is een exploitant die runderen, paardachtigen, schapen, geiten of varkens houdt verboden om bij zijn dieren identificatiemiddelen, slachtmerken of gebruiksmerken aan te brengen die blijkens de op het identificatiemiddel vermelde gegevens door de minister aan derden ter beschikking zijn gesteld.

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op exploitanten die runderen, schapen of geiten houden, indien de derde, bedoeld in het eerste lid, de middelen of merken aan de exploitant heeft verstrekt nadat hij hiervan melding heeft gemaakt als bedoeld in artikel 5b.13, tweede lid.

3.

Het is de exploitant die dieren houdt verboden om bij zijn dieren identificatiemiddelen, slachtmerken of gebruiksmerken aan te brengen die niet afkomstig zijn van een erkende leverancier.

4.

Het derde lid is niet van toepassing indien een leverancier op grond van deze regeling niet hoeft te zijn erkend voor de verstrekking van het desbetreffende middel of merk.

Afdeling 5b.3. Regels identificatiemiddelen en merken voor diersoorten

§ 5b.2.3. Aanbrengen van identificatiemiddelen en merken

Artikel 5b.16. Beperking aantal elektronische identificatiemiddelen

Als elektronische identificatiemiddelen voor runderen zijn uitsluitend toegestaan de middelen, genoemd in bijlage III, onder c, d, of e, bij verordening (EU) nr. 2019/2035.

Artikel 5b.17. Verwijdering en vervanging identificatiemiddel
1.

Het is de exploitant die runderen houdt, in afwijking van artikel 38, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2019/2035, toegestaan om bij zijn runderen de conventionele oormerken, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2019/2035, te verwijderen en te vervangen door één van de in bijlage III, onder c, d of e, bij die verordening genoemde identificatiemiddelen met een bijpassend conventioneel oormerk dat voldoet aan artikel 5b.18.

2.

Wanneer toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt het vervangende elektronische oormerk, voor zover dat mogelijk is, aangebracht in het bestaande gat in het oor van het rund.

Artikel 5b.18. Beperking aan kleuren oormerken
1.

In aanvulling op artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, wordt een model van een conventioneel oormerk voor runderen, en wijzigingen daarvan, uitsluitend goedgekeurd indien het oormerk de volgende kleur heeft:

  • a. een gele kleur in geval van identificatie door middel van twee conventionele oormerken;
  • b. een groene kleur in geval van identificatie door middel van een conventioneel oormerk en een elektronisch oormerk;
  • c. een grijze kleur in geval van identificatie door middel van een conventioneel oormerk en een bolustransponder;
  • d. een witte kleur in geval van identificatie door middel van een conventioneel oormerk en een injecteerbare transponder.
2.

In aanvulling op artikel 9, derde lid, en artikel 11, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, wordt een model van een elektronisch oormerk voor runderen dat wordt gebruikt bij identificatie door middel van een conventioneel oormerk en een elektronisch oormerk, en wijzigingen daarvan, uitsluitend goedgekeurd indien het oormerk een groene kleur heeft.

3.

Het is toegestaan om in aanvulling op het eerste en tweede lid, op een conventioneel oormerk of een elektronisch oormerk voor runderen een streepjescode aan te brengen.

Artikel 5b.19. Termijnen voor het aanbrengen van identificatiemiddelen voor runderen
1.

De termijn, bedoeld in artikel 13, eerste lid van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag van geboorte.

2.

In afwijking van artikel 13, eerste lid van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt de termijn voor het inbrengen van een bolustransponder als bedoeld in bijlage III, onder d, bij verordening (EU) nr. 2019/2035 maximaal 60 dagen, te rekenen vanaf de dag na de dag van geboorte.

3.

In afwijking van artikel 17, eerste lid van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt de termijn voor identificatie van de daar genoemde runderen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag van aanvoer op de inrichting.

4.

In afwijking van het eerste en tweede lid en artikel 17, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt de termijn voor het inbrengen van een bolustransponder als bedoeld in bijlage III, onder d, bij verordening (EU) nr. 2019/2035 maximaal 60 dagen, te rekenen vanaf de dag na de dag van geboorte.

Artikel 5b.20. Verlengde termijn voor het aanbrengen van identificatiemiddelen voor runderen in een natuurterrein
1.

In afwijking van artikel 13, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt de termijn, bedoeld in dat artikellid, negen maanden, indien:

  • a. voldaan is aan de eisen van artikel 13, derde lid, onderdelen a tot en met c, van verordening (EU) nr. 2021/520;
  • b. de dieren zijn geboren in een door de minister aangewezen natuurterrein;
  • c. de minister van de geboorte van elk kalf in kennis wordt gesteld binnen de termijn, bedoeld in artikel 5b.49, eerste lid.
2.

Wanneer bij kalveren onder toepassing van het eerste lid zes maanden of later na hun geboorte identificatiemiddelen worden aangebracht, wordt bij het aanbrengen van de identificatiemiddelen de identiteit van het moederdier op grond van een DNA-test geverifieerd.

Artikel 5b.21. Verlies identificatiemiddelen
1.

Het is de exploitant die runderen houdt, in afwijking van artikel 38, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2019/2035, toegestaan om:

  • a. bij een rund dat één identificatiemiddel heeft verloren, een identificatiemiddel aan te brengen met dezelfde identificatiecode, overeenkomstig artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2021/520;
  • b. bij een rund dat twee identificatiemiddelen heeft verloren, onder toezicht van

een ambtenaar van de NVWA, dan wel een dierenarts of een ander persoon die voor deze werkzaamheden door de minister worden ingezet, identificatiemiddelen aan te brengen met dezelfde identificatiecode, overeenkomstig artikel 19, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2021/520.

2.

Artikel 5b.14 is van toepassing op de handelingen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b.

Artikel 5b.22. Termijn bestellen identificatiemiddelen
1.

Ingeval artikel 5b.21 van toepassing is, bestelt de exploitant binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop het verlies van het identificatiemiddel van het rund is geconstateerd, een identificatiemiddel ter vervanging.

2.

De exploitant, bedoeld in het eerste lid, brengt het vervangende identificatiemiddel aan zodra het identificatiemiddel in zijn bezit is en in ieder geval binnen tien werkdagen nadat het verlies van het identificatiemiddel van een rund is geconstateerd en voordat het rund de inrichting verlaat.

§ 5b.3.1. Runderen

Artikel 5b.23. Aantal identificatiemiddelen
1.

In afwijking van artikel 45, eerste lid, en artikel 46, vierde en vijfde lid, van verordening (EU) nr. 2019/2035, is identificatie van schapen of geiten door middel van één identificatiemiddel of door middel van een identificatiemiddel waarop het unieke registratienummer van de inrichting van geboorte staat vermeld, niet toegestaan.

2.

De schapen en geiten, bedoeld in het eerste lid, worden geïdentificeerd overeenkomstig artikel 45, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2019/2035.

Artikel 5b.24. Beperking aan kleuren en wijze aanbrengen tatoeages

In aanvulling op artikel 46, tweede en derde lid, van verordening (EU) nr. 2019/2035, en artikel 9, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, voldoet een tatoeage voor schapen of geiten, aan de volgende vereisten:

  • a. de tatoeage wordt aangebracht in de kleur zwart of groen;
  • b. de tatoeage wordt aangebracht met een daarvoor geschikte tang op een zodanige wijze dat de tekens goed leesbaar blijven.
Artikel 5b.25. Beperking aan kleuren identificatiemiddelen

In aanvulling op artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, wordt een model van een conventioneel identificatiemiddel voor schapen en geiten, en wijzigingen daarvan, uitsluitend goedgekeurd indien het de volgende kleur heeft:

  • a. een groene kleur in geval van identificatie door middel van:
  • 1°. een conventioneel oormerk en een elektronisch oormerk; of
  • 2°. een conventionele pootband en een elektronisch oormerk;
  • b. een grijze kleur in geval van identificatie door middel van:
  • 1°. een conventioneel oormerk en een bolustransponder; of
  • 2°. een conventionele pootband en een bolustransponder;
  • c. een oranje kleur in geval van identificatie door middel van een conventioneel oormerk en een elektronische pootband;
  • d. een witte kleur in geval van identificatie door middel van een conventioneel oormerk en een injecteerbare transponder.
Artikel 5b.26. Beperking aan kleuren identificatiemiddelen

In aanvulling op artikel 9, derde lid, en artikel 11, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, wordt een model van een elektronisch identificatiemiddel voor schapen en geiten uitsluitend goedgekeurd indien het de volgende kleur heeft:

  • a. een groene kleur in geval van identificatie door middel van:
  • 1°. een elektronisch oormerk en een conventioneel oormerk;
  • 2°. een elektronisch oormerk en een conventionele pootband; of
  • 3°. een elektronisch oormerk en een tatoeage;
  • b. een oranje kleur in geval van identificatie door middel van een elektronische pootband en een conventioneel oormerk.
Artikel 5b.27. Termijn voor het aanbrengen van identificatiemiddelen voor schapen en geiten
1.

De termijn, bedoeld in artikel 14, eerste lid van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt zes maanden te rekenen vanaf de dag na de dag van geboorte.

2.

In afwijking van het eerste lid bedraagt de termijn voor een geit geboren op een inrichting waarop op enig moment in het kalenderjaar vijftig geiten of meer worden gehouden ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk, zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de dag van geboorte.

3.

In afwijking van artikel 17, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt de termijn voor identificatie van de daar genoemde schapen en geiten drie werkdagen te rekenen vanaf de dag na de dag van aanvoer op de inrichting.

Artikel 5b.28. Verlies identificatiemiddelen
1.

Het is de exploitant die schapen of geiten houdt, in afwijking van artikel 45, derde lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2019/2035, toegestaan om:

  • a. bij een schaap dat, of een geit die één identificatiemiddel heeft verloren, een nieuw identificatiemiddel aan te brengen, met dezelfde identificatiecode, overeenkomstig artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2021/520;
  • b. bij een schaap dat of een geit die een identificatiemiddel heeft verloren, het andere identificatiemiddel te verwijderen en bij het schaap of de geit twee nieuwe identificatiemiddelen aan te brengen overeenkomstig artikel 19, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EU) nr. 2021/520.
2.

Artikel 5b.14 is van toepassing op de handelingen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b.

Artikel 5b.29. Termijn voor het bestellen van een vervangend identificatiemiddel
1.

Ingeval artikel 5b.28, onderdeel a, van toepassing is, bestelt de exploitant binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop het verlies van het identificatiemiddel van het schaap of de geit is geconstateerd, een identificatiemiddel ter vervanging.

2.

De exploitant, bedoeld in het eerste lid, brengt het vervangende identificatiemiddel aan zodra het identificatiemiddel in zijn bezit is en in ieder geval binnen tien werkdagen nadat het verlies van het identificatiemiddel van het schaap of de geit is geconstateerd en voordat het schaap of de geit de inrichting verlaat.

3.

Ingeval artikel 5b.28, onderdeel b, van toepassing is, brengt de exploitant binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop het verlies van het identificatiemiddel van het schaap of de geit is geconstateerd, de nieuwe identificatiemiddelen aan en in ieder geval voordat het schaap of de geit de inrichting verlaat.

§ 5b.3.2. Schapen en geiten

Artikel 5b.30. Slacht- en gebruiksmerken voor varkens
1.

Bij een slachtvarken wordt in aanvulling op de in artikel 52, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2019/2035 voorgeschreven identificatiemiddelen een slachtmerk aangebracht.

2.

In afwijking van het eerste lid kan bij een zeug, gelt of beer die voor de slacht wordt aangeboden, in aanvulling op de in artikel 52, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2019/2035 voorgeschreven identificatiemiddelen, een gebruiksmerk worden aangebracht.

3.

Wanneer een slachtmerk of een gebruiksmerk onleesbaar is geworden, brengt de exploitant een nieuw merk met dezelfde gegevens als bedoeld in artikel 5b.34, eerste lid, of indien van toepassing, artikel 5b.35, eerste lid, aan.

4.

Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op slachtvarkens die van een inrichting rechtstreeks naar een inrichting buiten Nederland worden verplaatst.

Artikel 5b.31. Eisen aan conventioneel oormerk
1.

In aanvulling op artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, wordt een model van een conventioneel oormerk voor varkens, en wijzigingen daarvan, uitsluitend goedgekeurd indien het voldoet aan de volgende vereisten:

  • a. het is vervaardigd van thermoplastisch kunststof;
  • b. op het merkdeel van het oormerk dat na aanbrengen van het merk direct zichtbaar is, staan uitsluitend vermeld:
  • 1°. de letters ‘NL’, gevolgd door het unieke registratienummer van de inrichting waar het varken geboren is, dat een minimumhoogte van 7 millimeter en maximumhoogte van 10 millimeter heeft; en
  • 2°. de aanduiding ‘I&R’ of het logo, bedoeld in bijlage 6;
  • c. het merkdeel waarop de gegevens, bedoeld in onderdeel b, staan, heeft een gele kleur;
  • d. de informatie op het merk is in zwart schrift aangebracht;
  • e. wanneer het een ronde vorm heeft, heeft het een diameter van maximaal 30 millimeter, en wanneer het een andere dan ronde vorm heeft, bedraagt de afstand vanaf het hart van de bevestiging tot de buitenrand maximaal 25 millimeter.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)