Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)

Type AMvB
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-07-14
State In force
Source BWB
artikelen 3321
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Als voor de inwerkingtreding van dit besluit gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, blijft artikel 2.15 van dat besluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit voor zover gericht op de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, en de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijn gesteld, tot 1 december 2027 van toepassing.

Artikel 5.16. (afbakening mogelijkheid maatwerk)
1.

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt artikel 5.15 niet versoepeld.

2.

Een maatwerkvoorschrift over artikel 5.15 kan het toestaan van een gefaseerde uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, inhouden.

Artikel 5.17

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/215.

§ 5.4.1. Verduurzaming van het energiegebruik

Artikel 5.17a. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is alleen van toepassing voor zover in hoofdstuk 4 met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is bepaald dat een bodembeschermende voorziening wordt toegepast.

Artikel 5.18. (bodem: lekbak)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem heeft een lekbak waarboven of waarop vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking of in een opslagtank worden opgeslagen, een opvangcapaciteit van ten minste 110% van de inhoud van de grootste verpakkingseenheid of opslagtank, waarbij de opvangcapaciteit ten minste 10% is van de inhoud van alle opgeslagen stoffen.

2.

Er wordt voorkomen dat water in een lekbak blijft staan.

Artikel 5.18a. (water: geen aansluiting op vuilwaterriool)

Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is een lekbak niet aangesloten op het vuilwaterriool.

Artikel 5.19. (bodem: beoordeling vloeistofdichte bodemvoorziening)
1.

Een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool worden zo spoedig mogelijk na aanleg en vervolgens ten minste eenmaal per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6700.

2.

Als een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool zijn aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7700, worden deze uiterlijk zes jaar na aanleg en vervolgens ten minste eenmaal per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd.

3.

Als het beoordelen van het vuilwaterriool volgens AS SIKB 6700 redelijkerwijs niet mogelijk is, kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, het ondergrondse vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool dat is aangelegd voor inwerkingtreding van dit besluit worden beoordeeld volgens het CUR rapport 2001-3 Beheer bedrijfsriolering bodembescherming.

4.

Een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool worden jaarlijks gecontroleerd volgens bijlage 6 bij AS SIKB 6700.

5.

Als een vloeistofdichte bodemvoorziening of het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool is gerepareerd, wordt na reparatie het gerepareerde deel opnieuw beoordeeld en goedgekeurd door een instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de reparatie wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7700 verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.

Artikel 5.20. (bodem: logboek bodembeschermende voorziening)

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 5.21

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 5.22. (overgangsrecht: beoordeling vloeistofdichte riolering)

Tot drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is artikel 5.19, eerste en tweede lid, niet van toepassing op het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool dat is aangelegd voor de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 5.4.1a. Openbaarmaking gegevens energie-efficiëntie datacentra

Artikel 5.22a. (zeer zorgwekkende stof)
1.

Een zeer zorgwekkende stof is een stof die voldoet aan een of meer van de criteria of voorwaarden, bedoeld in artikel 57 van de reach-verordening.

2.

Een stof is in ieder geval een zeer zorgwekkende stof als die:

  • a. voorkomt:
  • 1°. in bijlage VI bij de CLP-verordening en in die bijlage is ingedeeld als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch, categorie 1a of 1b;
  • 2°. op de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 59 van de reach-verordening;
  • 3°. in bijlage XVII bij de reach-verordening ten aanzien van chemische stoffen waarvoor een restrictie geldt vanwege het voldoen aan de criteria van artikel 57 van die verordening;
  • 4°. in bijlage I, II of III bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen;
  • 5°. op de lijst van stoffen voor prioritaire actie die is vastgesteld op grond van artikel 6 van het Ospar-verdrag; of
  • 6°. in bijlage X bij de kaderrichtlijn water, voor zover een stof in die bijlage is aangewezen als prioritaire gevaarlijke stof; of
  • b. voldoet aan de vastgestelde wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen, bedoeld in:
  • 1°. artikel 5, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PbEU 2012, L167) vastgesteld in Gedelegeerde Verordening 2017/2100 van de commissie van 4 september 2017 tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het identificeren van hormoonontregelende eigenschappen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2017, L 301); of
Artikel 5.23. (informeren en minimaliseren: emissies zeer zorgwekkende stoffen en vermijdings- en reductieprogramma’s)

Eenmaal per vijf jaar worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, verstrekt:

  • a. gegevens over de mate waarin zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht of het water worden geëmitteerd, en
  • b. de vermijdings- en reductieprogramma’s, bedoeld in artikel 5.24.
Artikel 5.24. (vermijdings- en reductieprogramma)
1.

Er worden vermijdings- en reductieprogramma’s opgesteld voor zeer zorgwekkende stoffen.

2.

Deze programma’s bevatten:

  • a. een overzicht van mogelijkheden om het gebruik van zeer zorgwekkende stoffen te vermijden;
  • b. als gebruik niet te vermijden is: een overzicht van mogelijkheden en technieken om emissies in de lucht of het water te voorkomen en te beperken;
  • c. informatie over de bedrijfszekerheid en de kosten van de technieken; en
  • d. informatie over afwenteleffecten.
3.

Bij het overzicht van de technieken wordt informatie opgenomen over het rendement en de validatie van de technieken.

4.

Op het bepalen van de kosten en het rendement van de technieken, bedoeld in het derde lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 5.25. (concentratie zeer zorgwekkende stoffen in de lucht)
1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu overschrijdt de concentratie van zeer zorgwekkende stoffen op leefniveau als gevolg van emissies door de activiteit, waarbij rekening wordt gehouden met de achtergrondwaarden, niet de grenswaarden, bedoeld in bijlage VIa.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320, voor zover het gaat om een mijnbouwinstallatie.

Artikel 5.26. (meetmethoden)

Op een berekening is standaardrekenmethode 3 Nieuw Nationaal Model van toepassing.

§ 5.4.4. Emissies in de lucht

Artikel 5.27. (uitzondering toepassingsbereik)

Deze paragraaf is niet van toepassing op emissies in de lucht:

  • a. vanuit een ippc-installatie voor zover daarvoor een document met de conclusies over beste beschikbare technieken is vastgesteld in overeenstemming met artikel 13, vijfde en zevende lid, van de richtlijn industriële emissies, dat een conclusie bevat over die emissies;
  • b. voor zover daarvoor op grond van hoofdstuk 4 emissiegrenswaarden gelden; of
  • c. door het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320, voor zover het gaat om een mijnbouwinstallatie.
Artikel 5.28. (stofklassen)

Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.

Artikel 5.29. (emissierelevante parameter)
1.

In deze paragraaf wordt onder een emissierelevante parameter categorie A verstaan: een parameter die, zo nodig na kalibratie, een kwantitatief beeld geeft van de emissie.

2.

Onder een emissierelevante parameter categorie B wordt verstaan: een parameter die een kwalitatief beeld geeft van de emissie.

Artikel 5.30. (emissiegrenswaarden)
1.

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden vanuit alle puntbronnen per stof of stofklasse de waarden, bedoeld in tabel 5.30, gemeten in een eenmalige, periodieke of continue meting.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 5.30, niet overschrijdt.

Stof of stofklasse Emissiegrenswaarde in ng/Nm3 of mg/Nm3 of ng TEQ/Nm3 Ondergrens per puntbron in kg/jaar of mg TEQ/jaar
Zwaveldioxide 50 mg/Nm3 1.000 kg/jaar
Stikstofoxide 100 mg/Nm3 1.000 kg/jaar
Waterstofchloride 2 mg/Nm3 7,5 kg/jaar
Waterstoffluoride 1 mg/Nm3 7,5 kg/jaar
Ammoniak 5 mg/Nm3 75 kg/jaar
ERS 0,05 ng TEQ/Nm3 20 mg TEQ/jaar
MVP1 0,05 mg/Nm3 0,075 kg/jaar
MVP2 1 mg/Nm3 1,25 kg/jaar
S 3 mg/Nm3 100 kg/jaar
sA.1 0,05 mg/Nm3 0,125 kg/jaar
sA.2 0,5 mg/Nm3 1,25 kg/jaar
sA.3 0,5 mg/Nm3 5 kg/jaar
gA.1 0,5 mg/Nm3 1,25 kg/jaar
gA.2 3 mg/Nm3 7,5 kg/jaar
gA.3 30 mg/Nm3 75 kg/jaar
gO.1 20 mg/Nm3 50 kg/jaar
gO.2 50 mg/Nm3 250 kg/jaar
Artikel 5.31. (meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 5.30, is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een eenmalige, periodieke of parallelmeting zijn van toepassing:

  • a. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;
  • b. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
  • c. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;
  • d. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
  • e. voor zuurstof: NEN-EN 14789;
  • f. voor chroom VI-verbindingen: NEN-ISO 16740;
  • g. voor zware metalen: NEN-EN 14385;
  • h. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
  • i. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
  • j. voor ammoniak: NEN 2826;
  • k. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
  • l. voor dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, NEN-EN 1948-2 en NEN-EN 1948-3; en
  • m. voor kwik: NEN-EN 13211.
3.

Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:

  • a. voor stikstofoxiden: NEN-ISO 10849;
  • b. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en
  • c. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.
Artikel 5.32. (controleregime en meetplicht)
1.

De emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 5.30, eerste lid, worden gecontroleerd volgens het controleregime, bedoeld in tabel 5.32.

2.

De controle van emissies wordt gebaseerd op de grootte van de storingsfactor, bedoeld in tabel 5.32.

3.

De storingsfactor wordt berekend door de helft van de storingsemissie te delen door de ondergrens, uitgedrukt in kilogram per jaar.

4.

De storingsemissie is de toename van de vracht van de emissie, uitgedrukt in gram per uur, bij het falen van een reinigingstechniek of procesgeïntegreerde maatregel, en wordt berekend als het verschil tussen de ongereinigde massastroom en de massastroom, berekend uit het debiet, vermenigvuldigd met de geldende emissiegrenswaarde.

5.

In afwijking van het tweede lid is controleregime 4 van toepassing op stoffen in stofklasse ERS.

6.

Bij een emissierelevante parameter wordt aangetoond:

  • a. welke emissierelevante parameters de emissies van een specifieke component controleren; en
  • b. binnen welke grenzen de emissierelevante parameters voldoen aan de emissiegrenswaarden.
Storingsfactor Controle-regime Controlevormen
Minder dan 3 0 Emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 3, maar minder dan 30 1 Meting eenmalig en emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 30, maar minder dan 300 2 Meting 1 keer per 3 jaar en emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 300, maar minder dan 3.000 3 Meting 1 keer per jaar en emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 3.000 4 Continue meting of emissierelevante parameters categorie A of meting twee keer per jaar en emissierelevante parameters categorie B
Artikel 5.33. (meetinstantie)

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 5.31 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 5.34. (omrekenen naar zuurstof)

De emissies van verbrandingsprocessen worden omgerekend naar afgas met een volumegehalte aan zuurstof van:

  • a. 6% bij een stookinstallatie met vaste brandstof; of
  • b. 3% bij een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare brandstof.
Artikel 5.35. (eenmalige meting)
1.

Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.

2.

Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 5.36.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

Artikel 5.36. (continue meting)
1.

Een continue meting bestaat uit:

  • a. een rechtstreekse continue meting van de concentratie in het afgas; of
  • b. een continue meting van de parameters van de voor de installatie vastgestelde uitworpkarakteristiek.
2.

Het resultaat van de continue meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de halfuursgemiddelden of etmaalgemiddelden, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 5.36.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

Stof Percentage meetonzekerheid
Zwaveldioxide 20
Stikstofoxide 20
Totaal stof 30
Debiet 20
Overig 40
Artikel 5.37. (berekening voldoen emissiegrenswaarden)
1.

Het resultaat van de individuele meting overschrijdt de emissiegrenswaarde niet.

2.

De daggemiddelde waarde van de emissieconcentratie, bepaald op basis van het resultaat van continue metingen, is niet meer dan de emissiegrenswaarde.

3.

De halfuurgemiddelde waarden, als resultaat van continue metingen, zijn niet meer dan het dubbele van de emissiegrenswaarde.

Artikel 5.38. (rapport)
1.

De resultaten van emissiemetingen of controles van emissierelevante parameters worden vastgelegd in een rapport.

2.

De resultaten van emissiemetingen worden:

  • a. gerapporteerd bij condities van de lucht bij een temperatuur van 273 K, 101,3 kPa en betrokken op droge lucht voor temperatuur en druk, en bij droog afgas; en
  • b. gecorrigeerd voor de meetonzekerheid.
Artikel 5.38a

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 5.38b. (overgangsrecht: emissies)
1.

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit zijn de emissiegrenswaarden voor stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride en ammoniak en voor de stofklassen ERS, S en sA.3, bedoeld in artikel 5.30, niet van toepassing op emissies naar de lucht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot de eerstgenoemde datum gelden in dat geval de emissiegrenswaarden voor stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en voor de stofklassen ERS, S en sA.3 zoals opgenomen in tabel 5.38b.

2.

Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 5.30, niet van toepassing op de emissie naar de lucht van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot de eerstgenoemde datum geldt in dat geval voor deze stoffen een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 bij een ondergrens van 250 kg/jaar.

Stof of stofklasse Emissiegrenswaarde in ng TEQ/Nm3 of mg/Nm3 Ondergrens per puntbron in kg/jaar of mg TEQ/jaar
Stikstofoxide 200 mg/Nm3 1.000 kg/jaar
Waterstofchloride 3 mg/Nm3 7,5 kg/jaar
Waterstoffluoride 3 mg/Nm3 7,5 kg/jaar
Ammoniak 30 mg/Nm3 75 kg/jaar
ERS 0,1 ng TEQ/Nm3 20 mg TEQ/jaar
S 5 mg/Nm3 100 kg/jaar
sA.3 5 mg/Nm3 5 kg/jaar

§ 5.4.5. Geluid op industrieterreinen

Artikel 5.39. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in bijlage VIII.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten waarvoor het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan 50 dB(A) over de periode van 07.00 tot 19.00 uur, 45 dB(A) over de periode van 19.00 tot 23.00 uur en 40 dB(A) over de periode van 23.00 tot 07.00 uur.

Artikel 5.40. (niet buiten industrieterreinen met geluidproductieplafonds)

De activiteit wordt niet verricht buiten een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

Artikel 5.41. (overgangsrecht)

Artikel 5.40 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht op een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat rondom dat industrieterrein op grond van artikel 2.11a van de wet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, of op grond van artikel 2.12a, eerste lid, van de wet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, en dat besluit in werking is getreden.

Hoofdstuk 6. Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk

Afdeling 6.1. Algemeen

Artikel 6.1. (activiteiten)
1.

Dit hoofdstuk gaat over:

  • a. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk;
  • b. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
  • c. ontgrondingsactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
  • d. mijnbouwlocatieactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
  • e. wateronttrekkingsactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk; en
  • f. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk.
2.

Dit hoofdstuk gaat niet over:

  • a. ontgrondingsactiviteiten in het winterbed van een rivier;
  • b. activiteiten waarop hoofdstuk 7 van toepassing is;
Artikel 6.2. (oogmerken)
1.

De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en wateronttrekkingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op:

  • a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
  • b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
  • c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
2.

De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.

3.

De regels in dit hoofdstuk over mijnbouwlocatieactiviteiten zijn gesteld met het oog op:

  • a. het waarborgen van de veiligheid; en
  • b. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.

De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en de werking van die mijnbouwinstallatie voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die installatie.

Artikel 6.3. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, een ontgrondingsactiviteit en een wateronttrekkingsactiviteit is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;
  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 6.4. (bevoegd gezag Minister van Economische Zaken en Klimaat)

Voor een mijnbouwlocatieactiviteit en een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk is Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;
  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 6.5. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 6.6. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 6.2, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat:

  • b. een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen;
  • c. waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen of zo veel mogelijk wordt beperkt;
  • d. resterende onvermijdbare waterstandsverhoging wordt gecompenseerd;
  • e. nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen;
  • f. de stabiliteit van oeverconstructies niet in gevaar wordt gebracht;
  • g. na beëindiging van een activiteit het deel van het waterstaatswerk dat is gebruikt zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
  • h. het waterstaatswerk tijdens het verrichten van de activiteit bereikbaar blijft voor het bevoegd gezag; en
  • i. het materiaal en materieel dat is gebruikt op tijd wordt verwijderd als overstroming of wegslag hiervan dreigt.
3.

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk dat de functie vaarweg heeft, houdt deze plicht, in aanvulling op het tweede lid, in ieder geval in dat:

  • a. de veilige en vlotte doorvaart van de scheepvaart niet wordt belemmerd;
  • b. de zichtlijnen voor de scheepvaart niet worden gehinderd;
  • c. geen hinder voor navigatieapparatuur wordt veroorzaakt; en
  • d. werken of onderdelen daarvan, materiaal en materieel niet uit de damwand steken.
4.

Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam houdt deze plicht in ieder geval in dat:

  • a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
  • b. de beste beschikbare technieken worden toegepast;
  • c. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt;
  • e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam doelmatig kunnen worden bemonsterd;
  • f. metingen representatief zijn; en
  • g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.
5.

Voor mijnbouwlocatieactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:

  • a. het belang van de scheepvaartveiligheid is gewaarborgd; en
  • b. de belangen van het uitoefenen van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van de daarop betrekking hebbende activiteiten zijn gewaarborgd.
6.

Voor mijnbouwlocatieactiviteiten die bestaan uit het gebruiken van een locatie voor het plaatsen van een mijnbouwinstallatie houdt deze plicht in ieder geval ook in dat het belang van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark is gewaarborgd.

7.

Voor wateronttrekkingsactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam of voor het peilbeheer zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.

8.

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van die mijnbouwinstallatie worden voorkomen.

Artikel 6.7. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 6.6, 6.12 en 6.13 en afdeling 6.2, met uitzondering van bepalingen:

  • a. waarin het toepassingsbereik van een paragraaf voor beperkingengebiedactiviteiten, lozingsactiviteiten, ontgrondingsactiviteiten, wateronttrekkingsactiviteiten of mijnbouwlocatieactiviteiten wordt bepaald; en
  • b. over meldingen.
2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 6.12 en 6.13 en afdeling 6.2, tenzij anders is bepaald.

3.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 6.6, vierde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:

  • a. een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en
  • b. grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor de die activiteit bestaande beste beschikbare technieken.
4.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

5.

De volgende beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift:

6.

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over een ontgrondingsactiviteit wordt rekening gehouden met de gronden, bedoeld in artikel 8.76, tweede lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op het stellen van dat maatwerkvoorschrift zijn de beoordelingsregels in artikel 8.76, eerste en derde lid, van dat besluit en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.8. (algemene gegevens bij een melding)

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a. de aanduiding van de activiteit;
  • b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
  • c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
  • d. de dagtekening.
Artikel 6.9. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a. de aanduiding van de activiteit;
  • b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
  • c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
  • d. de dagtekening.
Artikel 6.10. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 6.8 en 6.9, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Artikel 6.11. (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)
1.

Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, worden over lozingsactiviteiten als bedoeld in artikel 6.1 de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen met betrekking tot die kwaliteit.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 6.12. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3 of 6.4, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 6.13. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3 of 6.4:

  • a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
  • b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
  • c. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 6.14. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)

Met een maatwerkvoorschrift worden de artikelen 6.12 en 6.13 niet versoepeld.

Artikel 6.15. (verwijderen van werken en objecten)
1.

Met het oog op het belang van wijziging van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot dat waterstaatswerk is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de wijziging van dat waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.

2.

Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.

Afdeling 6.2. Inhoudelijke regels

§ 6.2.1. Bouwwerken, werken en objecten

Artikel 6.16. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk:

  • a. het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken;
  • b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
  • c. het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten.
2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte, afkomstig van het bouwen, reinigen, conserveren of slopen van bouwwerken, op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor:

  • c. een installatie voor het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren, het telen van waterplanten of het invangen van mosselzaad als bedoeld in artikel 6.49;
  • d. een mijnbouwinstallatie; en
4.

Het eerste lid geldt ook niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.

Artikel 6.17. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, voor zover het gaat om:

  • a. het boven het maaiveld aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een verharding die geen bouwwerk is;
  • b. het plaatsen of in stand houden van een opgaande houtbeplanting, anders dan die is omschreven in de legger, tussen 1 oktober en 1 april;
  • c. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk om oeverafslag tegen te gaan dat boven het oeverland uitsteekt;
  • d. het bouwen of in stand houden van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening en de voorzieningen die daarbij horen, voor zover die:
  • 1°. zijn gelegen binnen de vaarweg; of
  • 2°. zijn gelegen buiten de vaarweg en niet alleen door een huishouden worden gebruikt;
  • e. het permanent afmeren van een woonschip of een ander drijvend werk in een oppervlaktewaterlichaam voor zover dat bij ministeriële regeling is aangewezen;
  • f. het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding voor zover:
  • 1°. daarmee vloeibare gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.24 worden getransporteerd;
  • 2°. die in een kunstwerk of een vaarweg ligt; of
  • 3°. die wordt geplaatst met een boring die lagen met verschillende stijghoogtes doorkruist; en
  • g. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met f, voor zover:
  • 1°. bij een bouwwerk: de oppervlakte meer is dan 30 m2; of
  • 2°. bij een werk dat geen bouwwerk is of een ander object: de oppervlakte meer is dan 30 m2 of als daarvoor een vaste fundering nodig is.
2.

Het verbod geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een kanaal in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om:

  • a. het bouwen of in stand houden van bouwwerken;
  • b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
  • c. het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
Artikel 6.18. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterkering)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om:

  • a. het bouwen of in stand houden van bouwwerken;
  • b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
  • c. het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
Artikel 6.19. (melding beperkingengebiedactiviteiten)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. de maximale oppervlakte van het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object; en
  • b. een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing:

  • a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.17 of 6.18;
  • b. op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
  • c. op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten; en
  • d. op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg.
Artikel 6.20. (melding lozingsactiviteit)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.16, tweede lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. als het gaat om het lozen afkomstig van het reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 6.23; of
  • b. als het gaat om het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 6.24.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Artikel 6.21. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.16 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de verwachte datum van het begin van de activiteit;
  • b. de verwachte duur ervan; en
  • c. als het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 6.16, tweede lid: de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
2.

Dit artikel is niet van toepassing:

  • a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.17 of 6.18;
  • b. op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
  • c. op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten;
  • d. op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg; en
  • e. op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 6.22. (water: bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen)

Het afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd, tenzij het gaat om:

  • a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of
  • b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.
Artikel 6.23. (water: werkinstructie bij reinigen en conserveren)
1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:

  • a. is er een werkinstructie opgesteld; en
  • b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
2.

In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:

  • a. welke technieken worden toegepast;
  • b. welke stoffen worden gebruikt; en
  • c. welke stoffen kunnen vrijkomen.
3.

Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook beschreven:

  • a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;
  • b. de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd en de omvang van de hulpconstructie;
  • c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;
  • d. als natte technieken worden gebruikt: de wijze van opvang van afvalwater; en
  • e. als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s: de aanvullende maatregelen die worden getroffen.
Artikel 6.24. (water: werkinstructie bij bouwen en slopen)

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is beschreven:

  • a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en
  • b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terecht komen.
Artikel 6.25. (water: beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam)

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

Artikel 6.26. (water: meetmethode)

Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.

§ 6.2.2. Grondverzet

Artikel 6.27. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk:

  • a. het ontgraven of verplaatsen van grond of baggerspecie; en
  • b. het toepassen van grond of baggerspecie.
2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op ontgrondingsactiviteiten die bestaan uit het ontgronden in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.

3.

Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.

4.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 6.28. (aanwijzing vergunningvrije gevallen: ontgrondingsactiviteiten)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, voor zover het gaat om:

  • a. het ontgronden voor het bouwen, onderhouden of slopen van bouwwerken en het aanleggen, onderhouden, veranderen of verwijderen van wegen of waterstaatswerken anders dan watergangen en vaargeulen;
  • b. het aanleggen, onderhouden, veranderen of verwijderen van watergangen of vaargeulen door of namens de waterbeheerder;
  • c. het ontgronden voor het plaatsen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van buizen, kabels, palen of daarmee vergelijkbare werken;
  • e. het graven van slikgruppen om aanwas te bevorderen; of
  • f. het ontgronden voor het testen van materieel of het verrichten van onderzoek naar winbare hoeveelheden van andere vaste stoffen dan schelpen, als:
  • 1°. wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
  • 2°. niet meer dan vijf reizen worden verricht; en
  • 3°. de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 5.000 m3, in de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het Markermeer met inbegrip van het Oostvaardersdiep, het Ketelmeer, het Keteldiep, de Haringvliet, het Hollandsch Diep, het Grevelingenmeer, de Krammer, de Volkerak, het Zoommeer, de Oosterschelde en de Westerschelde, of 2.500 m3 in een ander oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.29. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om het aanleggen of in stand houden van een terreinophoging met een volume van meer dan 50 m3 per kadastraal perceel.

Artikel 6.30. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterkering)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk.

Artikel 6.31. (melding beperkingengebiedactiviteiten)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. de maximale oppervlakte en het maximale volume van de activiteit;
  • b. een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing:

  • a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.29 of 6.30; en
  • b. op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 6.32. (gegevens en bescheiden bij beperkingengebiedactiviteiten)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
  • b. de verwachte duur ervan.
2.

Dit artikel is niet van toepassing:

  • a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.29 of 6.30; en
  • b. op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 6.33. (gegevens en bescheiden bij ontgrondingen voor het testen van materieel en het verrichten van onderzoek)

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.28, eerste lid, onder f, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. de naam, het type en registratiegegevens van de vaartuigen of drijvende werktuigen die worden gebruikt;
  • b. een kaart op een schaal van ten minste 1:5.000, met daarop de locatie van de ontgronding, de locaties van buisleidingen, kabels, oevers, vaste werken of bekende of te verwachten archeologische monumenten en de coördinaten ervan;
  • c. gegevens waaruit is afgeleid dat er binnen 500 m rond de ontgronding geen bekende of te verwachten archeologische monumenten zijn;
  • d. de manier van ontgronden, de maximale oppervlakte en de maximale diepte van de ontgronding; en
  • e. de verwachte hoeveelheid en het soort stoffen die met de ontgronding zullen worden gewonnen en de bestemming van die stoffen.

§ 6.2.3. Onttrekken van water

Artikel 6.34. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a. het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
  • b. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk; en
  • c. het in de bodem brengen van water voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op het bouwen of in stand houden van een instroomvoorziening voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk.

Artikel 6.35. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: instroomvoorziening)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, tweede lid.

Artikel 6.36. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: onttrekken oppervlaktewater)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een wateronttrekkingsactiviteit te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder a, als:

  • a. het innamedebiet meer is dan 1.800 m3/u, de instroomsnelheid meer is dan 0,15 m/s en de activiteit wordt verricht in de Waddenzee, de Eems, de Dollard, de Westerschelde, de Oosterschelde, het Grevelingenmeer, de Nieuwe Waterweg, het Calandkanaal, het Breediep, de Nieuwe Maas ten westen van de A16, de Buitenhaven van IJmuiden, het Slijkgat of het Veerse Meer;
  • b. het innamedebiet meer is dan 100 m3/u en de activiteit wordt verricht in een ander oppervlaktewaterlichaam dan genoemd onder a;
  • c. de instroomsnelheid meer is dan 0,30 m/s; of
  • d. water wordt onttrokken in samenhang met een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 of paragraaf 6.2.7.
2.

Het verbod geldt niet voor baggerwerkzaamheden.

Artikel 6.37. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: onttrekken grondwater)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een wateronttrekkingsactiviteit te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c.

2.

Het verbod geldt niet voor:

  • a. een bronbemaling of proefbemaling, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 100 m3/u en in totaal niet meer dan 100.000 m3;
  • b. beregening, bevloeiing of veedrenking, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 60 m3/u; en
  • c. in andere gevallen, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 10 m3/u.
Artikel 6.37a. (meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water)
1.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, wordt de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of in de bodem gebracht water gemeten met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.

2.

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder c, wordt de kwaliteit van het in de bodem te brengen water gemeten en geanalyseerd volgens de in tabel 6.37a opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.

3.

De analyse van de monsters vindt plaats volgens de op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van het Drinkwaterbesluit gestelde regels.

Parameter Afkorting Frequentie
Bacteriën van de coligroep Vierwekelijks
Kleur Vierwekelijks
Zwevende stof SS Vierwekelijks
Geleidingsvermogen voor elektriciteit Vierwekelijks
Temperatuur T Vierwekelijks
Zuurgraad pH Vierwekelijks
Opgelost zuurstof O2 Vierwekelijks
Totaal organisch koolstof TOC Vierwekelijks
Bicarbonaat HCO3 Vierwekelijks
Nitriet NO2 Vierwekelijks
Nitraat NO3 Vierwekelijks
Ammonium NH4 Vierwekelijks
Totaal fosfaat Totaal P Vierwekelijks
Fluoride F Driemaandelijks
Chloride Cl Vierwekelijks
Sulfaat SO4 Driemaandelijks
Natrium Na Driemaandelijks
IJzer Fe Driemaandelijks
Mangaan Mn Driemaandelijks
Chroom Cr Driemaandelijks
Lood Pb Driemaandelijks
Koper Cu Driemaandelijks
Zink Zn Driemaandelijks
Cadmium Ca Driemaandelijks
Arseen As Driemaandelijks
Cyanide CN Driemaandelijks
Minerale olie Vierwekelijks
Adsorbeerbaar organisch halogeen AOX Vierwekelijks
Vluchtig organisch gebonden chloor VOC Vierwekelijks
Vluchtige aromaten Vierwekelijks
Polycyclische aromaten PAK Driemaandelijks
Fenolen Driemaandelijks
Artikel 6.37b. (jaarlijks verstrekken van gegevens en bescheiden)

Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, de volgende gegevens verstrekt:

  • a. de in het voorafgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en in de bodem gebracht water; en
  • b. de kwaliteit van het in de bodem gebrachte water.
Artikel 6.38. (water: niet onttrekken)
1.

Waterschaarste en dreigende waterschaarste zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet.

2.

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, kan voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder a, bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet.

3.

Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als bedoeld in het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet.

§ 6.2.4. Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 6.39. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en het in samenhang daarmee lozen van afvalwater afkomstig van voedselbereiding met grootkeukenapparatuur.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid.

3.

Het eerste lid geldt niet voor het maken en bewerken van levensmiddelen of voeder waarop paragraaf 4.28 van toepassing is.

Artikel 6.40. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)