Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.39, tweede lid.
Artikel 6.41. (melding lozingsactiviteit)
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.39, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
- a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; en
- b. de zuiveringsvoorziening die wordt gebruikt.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.42. (gegevens en bescheiden over lozingsactiviteit)
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.39, eerste lid, worden gegevens en bescheiden over de verwachte datum van het begin van de activiteit verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3.
Artikel 6.43. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt het afvalwater, bedoeld in artikel 6.39, eerste lid, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden voor biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l en voor chemische zuurstofverbruik 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Als het afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat, kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:
- a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of
- b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Als in samenhang met het huishoudelijke afvalwater ook afvalwater afkomstig van voedselbereiding wordt geloosd, is de zuiveringsvoorziening daarop berekend.
Artikel 6.44. (water: meetmethoden)
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
- a. voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
- b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
§ 6.2.5. Mijnbouwlocatieactiviteiten
Artikel 6.45. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende mijnbouwlocatieactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk:
- a. het gebruiken van een locatie voor een mijnbouwinstallatie, met inbegrip van het voor die installatie geldende beperkingengebied; en
- b. het gebruiken van een locatie voor een verkenningsonderzoek met gebruikmaking van kunstmatig opgewekte trillingen, met uitzondering van het bij dat onderzoek gebruiken van ontplofbare stoffen.
Artikel 6.46. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een mijnbouwlocatieactiviteit te verrichten, geldt voor:
- a. de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder a, voor zover de mijnbouwinstallatie geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt en die activiteit wordt verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied; en
- b. de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder b, voor zover die activiteit wordt verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied.
Artikel 6.47. (melding mijnbouwinstallatie onder het wateroppervlak)
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder a, te verrichten als het gaat om een mijnbouwinstallatie die niet geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat de coördinaten van de installatie.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.47a. (gegevens en bescheiden bij verkenningsonderzoek)
Ten minste 48 uur voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder b, worden aan de inspecteur-generaal der mijnen de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
- a. gegevens over de wijze waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
- b. de locatie waarop en de vaarlijnen waarlangs het verkenningsonderzoek wordt verricht, aangegeven op een kaart;
- c. de data waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
- d. de namen, nationaliteit en registratiekenmerken van de vaartuigen;
- e. de gegevens over de bekwaamheid en ervaring van de personen die contact houden met de overige scheepvaart in en om de onderzoekslocatie; en
- f. gegevens over de radarapparatuur, navigatieapparatuur en telecommunicatieapparatuur van het vaartuig waarop de personen, bedoeld onder e, zich bevinden.
Ten minste 48 uur voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens en bescheiden, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan de inspecteur-generaal der mijnen.
Artikel 6.48. (veiligheid: begeleiding verkenningsvaartuig)
Met het oog op de veiligheid van de scheepvaart is er aan boord van een verkenningsvaartuig een persoon die contact houdt met de andere scheepvaart in en om het onderzoeksgebied.
Een verkenningsvaartuig wordt begeleid door een ander vaartuig waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.
Artikel 6.48a. (natuur: geluidsvolume kunstmatig opgewekte trillingen)
Met het oog op het voorkomen van storende geluidseffecten voor zeezoogdieren wordt bij het gebruik van kunstmatig opgewekte trillingen bij een verkenningsonderzoek met een laag geluidsvolume begonnen en verloopt de versterking van dat volume geleidelijk.
Artikel 6.48b. (vervoer bij toezicht op verkenningsonderzoek)
Bij toezicht op de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder b, wordt voorzien in het vervoer van toezichthouders als bedoeld in artikel 130, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet.
§ 6.2.6. Telen en kweken in een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 6.49. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk:
- a. het kweken van consumptievis;
- b. het kweken of houden van ongewervelde waterdieren;
- c. het telen van waterplanten; en
- d. het invangen van mosselzaad.
Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van:
- a. het kweken van consumptievis;
- b. het kweken of houden van ongewervelde dieren; of
- c. het telen van waterplanten.
Artikel 6.50. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.49, eerste lid.
Artikel 6.51. (water: preventie verontreiniging)
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden bij het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren of het telen van waterplanten geen stoffen aan het oppervlaktewaterlichaam toegevoegd.
Artikel 6.52. (PRTR-verslag)
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.49, tweede lid, is paragraaf 5.3.1 over PRTR van overeenkomstige toepassing, als het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor intensieve aquacultuur met een productiecapaciteit van 1.000 ton vis of schelpdieren per jaar of meer.
§ 6.2.5. Mijnbouwlocatieactiviteiten
§ 6.2.7.1. Toepassingsbereik lozingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten en aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 6.53. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, anders dan bedoeld in de paragrafen 6.2.1, 6.2.4 en 6.2.6.
Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk die bestaan uit het voor de lozingsactiviteit, bedoeld in het eerste lid, bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening.
Artikel 6.54. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: uitstroomvoorziening)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.53, tweede lid.
Artikel 6.55. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: lozingsactiviteiten)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 6.53, eerste lid, voor zover het gaat om:
- a. het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen;
- b. het lozen van meer dan 5.000 m3 water per uur; en
- c. het lozen van water door een uitstroomvoorziening, behalve voor het lozen van:
- 1°. afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
- 2°. afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
- 3°. afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
- 4°. afvalwater afkomstig van ontwateren;
- 5°. water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
- 6°. afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
- 7°. afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren of schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen en het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in artikel 3.145.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor baggerwerkzaamheden en het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen, water of warmte afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.1.
§ 6.2.7.1. Toepassingsbereik lozingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten en aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 6.56. (gegevens en bescheiden over een calamiteitenoefening)
Ten minste 48 uur voor het lozen van afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
- a. gegevens waaruit blijkt of er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt; en
- b. als er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt: welke stoffen dat blusschuim bevat.
Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259.
§ 6.2.7.3. Lozingen bij opslaan van goederen
Artikel 6.56a. (melding bij opslaan van goederen)
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.56b, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
De melding bevat:
- a. een aanduiding van het soort goederen; en
- b. de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.56b. (water: lozen bij opslaan uitlogende goederen)
In afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel B, ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Artikel 6.56c. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 6.56b, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 6.56c, gemeten in een steekmonster.
| Stof | Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l |
|---|---|
| Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink | 1 mg/l |
| Minerale olie | 10 mg/l |
| Polycyclische aromatische koolwaterstoffen | 50 μg/l |
| Onopgeloste stoffen | 100 mg/l |
| Som van stikstofverbindingen | 10 mg/l |
| Som van fosforverbindingen | 2 mg/l |
| Chemisch zuurstofverbruik | 200 mg/l |
Artikel 6.56d. (water: meetmethoden)
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
- a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
- b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
- c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
- d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
- e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
- f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
- g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
- h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
- i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
§ 6.2.7.4. Lozingen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw
Artikel 6.56e. (melding bij telen of kweken van gewassen in een gebouw)
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.56f, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
De melding bevat de maximale teeltoppervlakte.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.56f. (water: lozen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw)
In afwijking van artikel 4.795, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Artikel 6.56g. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 6.56f, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 6.56g, gemeten in een steekmonster.
| Stof | Emissiegrenswaarde in mg/l |
|---|---|
| Onopgeloste stoffen | 100 mg/l |
| Biochemisch zuurstofverbruik | 60 mg/l |
| Chemisch zuurstofverbruik | 300 mg/l |
Artikel 6.56h. (water: meetmethoden)
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
- a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
- b. voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
- c. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
§ 6.2.7.5. Lozingen bij graven en saneringen
Artikel 6.56ha. (melding lozingsactiviteit bij graven en saneringen)
Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden:
- a. het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit;
- b. het lozen van afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem; en
- c. het lozen van afvalwater afkomstig van een grondwatersanering.
Een melding bevat:
- a. de resultaten van de beschikbare voorafgaande bodemonderzoeken;
- b. de locaties van de lozingspunten; en
- c. het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur.
Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.
Artikel 6.56hb. (gegevens en bescheiden over lozingsactiviteit)
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.56ha, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, gegevens en bescheiden verstrekt over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.
Artikel 6.56hc. (niet lozen bij bodemonderzoek grondwatersanering)
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt afvalwater afkomstig van een voorafgaand onderzoek voor een grondwatersanering niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.56hd. (water: emissiegrenswaarden afvalwater graven en saneringen)
Voor het afvalwater afkomstig van saneren van de bodem, grondwatersanering of graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 6.56hd, gemeten in een steekmonster.
| Stoffen | Emissiegrenswaarde in μg/l |
|---|---|
| Naftaleen | 0,2 |
| PAK’s | 1 |
| BTEX | 50 |
| Tetrachlooretheen | 3 |
| Trichlooretheen | 20 |
| 1,2-dichlooretheen | 20 |
| 1,1,1-trichloorethaan | 20 |
| Vinylchloride | 8 |
| Som van de vijf hier bovenstaande stoffen | 20 |
| Monochloorbenzeen | 7 |
| Dichloorbenzenen | 3 |
| Trichloorbenzenen | 1 |
| Minerale olie | 1.000 |
| Cadmium | 4 |
| Kwik | 1 |
| Koper | 10 |
| Nikkel | 40 |
| Lood | 50 |
| Zink | 100 |
| Chroom | 20 |
| Onopgeloste stoffen | 50.000 |
Artikel 6.56he. (water: meetmethoden)
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
- a. voor naftaleen en BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
- b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
- c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan en vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen en trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride alleen NEN-EN-ISO 15680 kan worden gebruikt;
- d. voor minerale olie: NEN-ISO 9377-2;
- e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
- f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
- g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
§ 6.2.7a. Beperkingengebiedactiviteiten bij mijnbouwinstallaties
Artikel 6.56i. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.56j. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteit mijnbouwinstallatie waterstaatswerk)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.56i, die worden verricht in het beperkingengebied met betrekking tot die installatie, voor zover het gaat om:
- a. het zich bevinden in dat beperkingengebied; en
- b. het aanwezig hebben van een object, anders dan voor het verrichten van een milieubelastende activiteit met betrekking tot een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.320.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een vaartuig of drijvend werktuig dat in het beperkingengebied vaart:
- a. in verband met het aanleggen, inspecteren, testen, repareren, onderhouden, veranderen of verwijderen van onderzeese kabels of leidingen;
- b. om diensten te verlenen voor de installatie of om personen of goederen te vervoeren van of naar de installatie;
- c. om de installatie te inspecteren;
- d. om levens of eigendommen te redden;
- e. gedwongen door de weersomstandigheden;
- f. als het in nood verkeert;
- g. voor de bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhavingstaak; of
- h. als het toestemming heeft van de degene die de installatie exploiteert.
§ 6.2.8. Andere beperkingengebiedactiviteiten in of bij rijkswateren
Artikel 6.57. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, anders dan bedoeld in de paragrafen 6.2.1 tot en met 6.2.7, die bestaan uit:
- a. het verrichten van werkzaamheden;
- b. het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel, materialen of vaste substanties; en
- c. andere activiteiten.
Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Artikel 6.58. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.57, onder b, in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk tussen 1 oktober en 1 april.
Artikel 6.59. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterkering)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.57, onder a en b, in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.60. (melding)
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 6.57, onder a en b, in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
- a. de maximale oppervlakte van de activiteit; en
- b. een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Dit artikel is niet van toepassing:
- a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.58; en
- b. op het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel of materialen voor ten hoogste een week.
Artikel 6.61. (gegevens en bescheiden)
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.57, onder a en b, in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:
- a. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
- b. de verwachte duur ervan.
Dit artikel is niet van toepassing:
- a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.58; en
- b. op het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel of materialen voor ten hoogste een week.
Hoofdstuk 7. Activiteiten in de Noordzee
Afdeling 7.1. Algemeen
Artikel 7.1. (activiteiten)
Dit hoofdstuk gaat over de volgende activiteiten in de Noordzee:
- a. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk;
- b. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk;
- c. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam;
- d. stortingsactiviteiten op zee;
- e. ontgrondingsactiviteiten;
- f. mijnbouwlocatieactiviteiten; en
- g. wateronttrekkingsactiviteiten.
Dit hoofdstuk gaat niet over:
- a. lozingsactiviteiten aan boord van vaartuigen of luchtvaartuigen in zee, voor zover die activiteiten samenhangen met of voortvloeien uit het normale gebruik van het vaartuig of luchtvaartuig en dat gebruik niet als doel heeft het zich ontdoen van stoffen; en
- b. activiteiten aan boord van vaartuigen of drijvende werktuigen die in gebruik zijn voor het uitoefenen van defensietaken, ongeacht hun nationaliteit.
Artikel 7.2. (oogmerken)
De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en stortingsactiviteiten op zee zijn gesteld met het oog op:
- a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
- b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
- c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
In afwijking van het eerste lid zijn de regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, voor zover die plaatsvinden buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
De regels in dit hoofdstuk over mijnbouwlocatieactiviteiten zijn gesteld met het oog op:
- a. het waarborgen van de veiligheid; en
- b. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.
Artikel 7.3. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)
Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een andere installatie dan een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk, een stortingsactiviteit op zee, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, een ontgrondingsactiviteit en een wateronttrekkingsactiviteit is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:
- a. waaraan een melding wordt gedaan;
- b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
- c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 7.4. (bevoegd gezag Minister van Economische Zaken en Klimaat)
Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk en een mijnbouwlocatieactiviteit is Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag:
- a. waaraan een melding wordt gedaan;
- b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
- c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 7.5. (normadressaat)
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 7.6. (specifieke zorgplicht)
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 7.2, is verplicht:
- a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
- b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
- c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat:
- a. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
- b. nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen;
- c. na beëindiging van een activiteit het deel van het waterstaatswerk dat is gebruikt zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
- d. het waterstaatswerk tijdens het verrichten van de activiteit bereikbaar blijft voor het bevoegd gezag; en
- e. het gebruikte materiaal en materieel op tijd wordt verwijderd als overstroming of wegslag hiervan dreigt.
Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk dat de functie vaarweg heeft, houdt deze plicht, in aanvulling op het tweede lid, in ieder geval in dat:
- a. de veilige en vlotte doorvaart van de scheepvaart niet wordt belemmerd;
- b. de zichtlijnen voor de scheepvaart niet worden gehinderd; en
- c. geen hinder voor navigatieapparatuur wordt veroorzaakt.
Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van installaties in een waterstaatswerk worden voorkomen.
Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam houdt deze plicht in ieder geval in dat:
- a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
- b. de beste beschikbare technieken worden toegepast;
- c. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt;
- d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
- e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam doelmatig kunnen worden bemonsterd;
- f. metingen representatief zijn; en
- g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.
Voor mijnbouwlocatieactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
- a. het belang van de scheepvaartveiligheid is gewaarborgd; en
- b. de belangen van het uitoefenen van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van de daarop betrekking hebbende activiteiten zijn gewaarborgd.
Voor mijnbouwlocatieactiviteiten die bestaan uit het gebruiken van een locatie voor het plaatsen van een mijnbouwinstallatie houdt deze plicht in ieder geval ook in dat:
- a. het belang van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark is gewaarborgd; en
- b. zichthinder veroorzaakt door nieuwe mijnbouwinstallaties wordt geminimaliseerd.
Voor wateronttrekkingsactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.
Artikel 7.7. (maatwerkvoorschriften)
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 7.6, 7.12 en 7.13 en afdeling 7.2, met uitzondering van bepalingen:
- a. waarin het toepassingsbereik van een paragraaf voor beperkingengebiedactiviteiten, stortingsactiviteiten, lozingsactiviteiten, ontgrondingsactiviteiten of mijnbouwlocatieactiviteiten wordt bepaald; en
- b. over meldingen.
Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 7.12 en 7.13 en afdeling 7.2, tenzij anders is bepaald.
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 7.6, vijfde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:
- a. een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en
- b. grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor de die activiteit bestaande beste beschikbare technieken.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
De volgende beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift:
- a. als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk: artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
- b. als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk: artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
- c. als het gaat om een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam: de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88, 8.92 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
- d. als het gaat om een stortingsactiviteit op zee: de artikelen 8.84, 8.87 en 8.99, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
- e. als het gaat om een mijnbouwlocatieactiviteit: artikel 8.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
- f. als het gaat om een wateronttrekkingsactiviteit: de artikelen 8.84 en 8.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over een ontgrondingsactiviteit wordt rekening gehouden met de gronden, bedoeld in artikel 8.76, tweede lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op het stellen van dat maatwerkschrift zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.84 en 8.87 van dat besluit en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.8. (algemene gegevens bij een melding)
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:
- a. de aanduiding van de activiteit;
- b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
- c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
- d. de dagtekening.
Artikel 7.9. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:
- a. de aanduiding van de activiteit;
- b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
- c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
- d. de dagtekening.
Artikel 7.10. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 7.8 en 7.9, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Artikel 7.11. (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)
Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, worden over lozingsactiviteiten als bedoeld in artikel 7.1 de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen met betrekking tot die kwaliteit.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 7.12. (informeren over een ongewoon voorval)
Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3 of 7.4, en het Kustwachtcentrum worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Artikel 7.13. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3 of 7.4, en aan het Kustwachtcentrum:
- a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
- b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
- c. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 7.14. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)
Met een maatwerkvoorschrift worden de artikelen 7.12 en 7.13 niet versoepeld.
Artikel 7.15. (verwijderen van werken en objecten)
Met het oog op het belang van wijziging van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot dat waterstaatswerk is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de wijziging van dat waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.
Afdeling 7.2. Inhoudelijke regels
§ 7.2.1. Bouwwerken, werken en objecten
Artikel 7.16. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot de Noordzee:
- a. het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken;
- b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
- c. het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten.
Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van het bouwen, reinigen, conserveren of slopen van bouwwerken in de Noordzee.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor:
- a. een windpark als bedoeld in artikel 7.33;
- b. een uitstroomvoorziening als bedoeld in de artikelen 7.48, tweede lid, en 7.59, tweede lid;
- c. een installatie voor het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren, het telen van waterplanten of het invangen van mosselzaad als bedoeld in artikel 7.55;
- d. een mijnbouwinstallatie; en
- e. een pijpleiding als bedoeld in de artikelen 94 en 95 van het Mijnbouwbesluit.
Het eerste lid geldt ook niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Artikel 7.17. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, die worden verricht in de Noordzee buiten de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn, voor zover het gaat om:
- a. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een bodemverharding;
- b. het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een kunstmatig eiland, een installatie of een inrichting als bedoeld in artikel 60 van het VN-Zeerechtverdrag;
- c. het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding; en
- d. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met c.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, die worden verricht in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn van de Noordzee, voor zover het gaat om:
- a. het in de periode van 1 oktober tot 1 april bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden van een bouwbord of het plaatsen van materiaal en materieel om een werk te kunnen aanleggen, plaatsen of veranderen of onderhouden;
- b. het bouwen of in stand houden van een niet-permanent bouwwerk van 1 oktober tot 1 april;
- c. het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding; en
- d. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met c.
Artikel 7.18. (melding beperkingengebiedactiviteiten)
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
- a. de oppervlakte van het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is, of het andere object; en
- b. een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Dit artikel is niet van toepassing:
- a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.17;
- b. op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
- c. op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten; en
- d. op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg.
Artikel 7.19. (melding lozingsactiviteiten)
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, tweede lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
- a. als het gaat om het lozen afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken: de werkinstructie, bedoeld in artikel 7.22; of
- b. als het gaat om het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van bouwwerken: de werkinstructie, bedoeld in artikel 7.23.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Dit artikel is niet van toepassing op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 7.20. (gegevens en bescheiden)
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.16worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
- a. de verwachte datum van het begin van de activiteit;
- b. de verwachte duur ervan; en
- c. als het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, tweede lid: de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Dit artikel is niet van toepassing:
- a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.17;
- b. op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
- c. op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten;
- d. op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg; en
- e. op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 7.21. (water: bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen)
Het afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd, tenzij het gaat om:
- a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of
- b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.
Artikel 7.22. (water: werkinstructie bij reinigen en conserveren)
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:
- a. is een werkinstructie opgesteld; en
- b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:
- a. welke technieken worden toegepast;
- b. welke stoffen worden gebruikt; en
- c. welke stoffen kunnen vrijkomen.
Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook beschreven:
- a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;
- b. de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd en de omvang van de hulpconstructie;
- c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;
- d. als natte technieken worden gebruikt: de wijze van opvang van afvalwater; en
- e. als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s: de aanvullende maatregelen die worden getroffen.
Artikel 7.23. (water: werkinstructie bij bouwen, renoveren en slopen)
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is beschreven:
- a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en
- b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in de Noordzee terechtkomen.
Artikel 7.24. (water: beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam)
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.
Artikel 7.25. (water: meetmethode)
Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.
§ 7.2.2. Grondverzet
Artikel 7.26. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk:
- a. het ontgraven of verplaatsen van grond of baggerspecie in de Noordzee; en
- b. het toepassen van grond of baggerspecie in de Noordzee.
Deze paragraaf is ook van toepassing op ontgrondingsactiviteiten die bestaan uit het ontgronden in de Noordzee.
Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
- b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 7.27. (aanwijzing vergunningvrije gevallen: ontgrondingsactiviteiten)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteit, bedoeld in artikel 7.26, tweede lid, die wordt verricht in de Noordzee, voor zover het gaat om:
- a. het ontgronden voor het bouwen, onderhouden of slopen van bouwwerken en het aanleggen, onderhouden, veranderen en verwijderen van wegen of waterstaatswerken anders dan watergangen en vaargeulen;
- b. het aanleggen, onderhouden, veranderen of verwijderen van watergangen en vaargeulen door of namens de waterbeheerder;
- c. het ontgronden voor het plaatsen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van buizen, kabels, palen of daarmee vergelijkbare werken;
- d. het doen van een opgraving als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
- e. het graven van slikgruppen om aanwas te bevorderen; of
- f. het ontgronden voor het testen van materieel of het verrichten van onderzoek naar winbare hoeveelheden van andere vaste stoffen dan schelpen, als:
- 1°. zeewaarts van de doorgaande NAP-min 20 meterdieptelijn die is aangewezen bij ministeriële regeling wordt ontgrond;
- 2°. wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
- 3°. niet meer dan tien reizen worden verricht; en
- 4°. de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 40.000 m3.
Artikel 7.28. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, die worden verricht in de Noordzee buiten de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn, voor zover het gaat om:
- a. het aanleggen of in stand houden van een bodemophoging of landaanwinning; en
- b. het aanleggen van een suppletie of het verrichten van een andere handeling die een landwaartse verplaatsing van de kustlijn tot gevolg kan hebben.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, die worden verricht in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn van de Noordzee, voor zover het gaat om:
- a. het aanleggen of in stand houden van een zandbanket op het strand dat hoger is dan 6 m boven NAP of, kustdwars, breder is dan 25 m, gemeten boven op het banket vanaf het duinfront;
- b. het verplaatsen van meer dan 20 m3 per strekkende meter zand op het strand, anders dan bedoeld onder a; en
- c. het gecombineerd binnen een kalenderjaar verrichten van de activiteiten, bedoeld onder a en b, die elk voor zich onder de in die onderdelen genoemde maatvoering blijven.
Artikel 7.29. (melding beperkingengebiedactiviteiten)
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
- a. de maximale oppervlakte en het maximale volume van de activiteit; en
- b. een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Dit artikel is niet van toepassing:
- a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.28; en
- b. op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 7.30. (gegevens en bescheiden bij beperkingengebiedactiviteiten)
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:
- a. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
- b. de verwachte duur ervan.
Dit artikel is niet van toepassing:
- a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.28; en
- b. op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 7.31. (gegevens en bescheiden bij ontgrondingen voor het testen van materieel en het verrichten van onderzoek)
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.27, eerste lid, onder f, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, ook gegevens en bescheiden verstrekt over:
- a. de naam, het type en registratiegegevens van de vaartuigen of drijvende werktuigen die worden gebruikt;
- b. een kaart op een schaal van ten minste 1:5.000, met daarop de locatie van de ontgronding, de locaties van buisleidingen, kabels, oevers, vaste werken of bekende of te verwachten archeologische monumenten en de coördinaten ervan;
- c. gegevens waaruit is afgeleid dat er binnen 500 m rond de ontgronding geen bekende of te verwachten archeologische monumenten zijn;
- d. de manier van ontgronden, de maximale oppervlakte en maximale diepte van de ontgronding; en
- e. de verwachte hoeveelheid en het soort stoffen die met de ontgronding zullen worden gewonnen en de bestemming van die stoffen.
Artikel 7.32. (informeren bij een waarneming van belang voor de archeologische monumentenzorg)
Als bij het verrichten van de activiteit waarnemingen worden gedaan waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat die van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, wordt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
§ 7.2.1. Bouwwerken, werken en objecten
Artikel 7.33. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk die bestaan uit het aanleggen, in stand houden of verwijderen van windparken in de Noordzee.
Artikel 7.34. (melding aanleg)
Het is verboden een windpark als bedoeld in artikel 7.33 aan te leggen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
- a. het ontwerp van de turbines en andere installaties die deel uitmaken van het windpark;
- b. het tracé van de windparkexportkabel en de kabels die deel uitmaken van het windpark;
- c. een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat het ontwerp van de windturbines en andere installaties die deel uitmaken van het windpark voldoet aan artikel 7.39;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)