Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)

Type AMvB
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-07-14
State In force
Source BWB
artikelen 3321
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • d. een beschrijving van de veiligheidsvoorzieningen die worden aangebracht en de plaatsing daarvan aan de windturbines en andere installaties in overeenstemming met artikel 7.40; en
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 7.35. (gegevens en bescheiden bij aanleg en verwijderen)
1.

Uiterlijk drie maanden na het aanbrengen van de funderingen van het windpark worden gegevens over de feitelijke positie van de funderingen en van de andere voorzieningen die deel uitmaken van het windpark verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3.

2.

Uiterlijk drie maanden na het aanleggen van een windparkexportkabel worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt over de feitelijke ligging van de windparkexportkabel.

3.

Uiterlijk drie maanden nadat een windpark of windparkexportkabel is verwijderd, worden aan het bevoegd gezag de gegevens verstrekt waaruit dit blijkt.

Artikel 7.36. (gegevens en bescheiden bij onderhoud)

Ten minste vier weken voor het onderhouden van een windpark worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de registratiegegevens van de vaartuigen of drijvende werktuigen die worden gebruikt;
  • b. de verwachte datum van het begin van het onderhoud; en
  • c. de verwachte duur ervan.
Artikel 7.37. (informeren bij een waarneming van belang voor de archeologische monumentenzorg)

Als bij het verrichten van de activiteit waarnemingen worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat die van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, wordt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

Artikel 7.38. (veiligheid: uitvoeringsplan)
1.

Met het oog op de veiligheid op de Noordzee wordt een windpark of een windparkexportkabel aangelegd, onderhouden en verwijderd volgens een uitvoeringsplan.

2.

Het uitvoeringsplan bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • a. een omschrijving van de werkzaamheden;
  • b. een tijdschema voor het verrichten van de werkzaamheden;
  • c. de registratiegegevens van de vaartuigen die worden gebruikt;
  • d. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het scheepvaartverkeer te waarschuwen.
Artikel 7.39. (veiligheid: constructieve eisen windturbine)
1.

Met het oog op de veiligheid op de Noordzee zijn windturbines en andere installaties die deel uitmaken van een windpark voldoende sterk om de krachten die worden verwacht als gevolg van windsterkte, golfslag, zeestroming en gebruik van de turbines te weerstaan.

2.

De sterkte van de windturbines en andere installaties blijkt uit een verklaring die is opgesteld door een onafhankelijke deskundige. De deskundige toetst aan een in de praktijk beproefd stelsel van normen die betrekking hebben op het ontwerp van installaties van een windpark.

Artikel 7.40. (veiligheid: veiligheidsvoorzieningen)
1.

Met het oog op het veilige gebruik van de Noordzee door luchtvaartverkeer en scheepvaartverkeer heeft een windpark herkenningstekens en bakens.

2.

De herkenningstekens en bakens voldoen aan de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities Recommendation O-139 Marking of Man-Made Offshore Structures, en de Civil Aviation Authority Policy and Guidelines on Wind Turbines.

3.

Het windpark heeft controlesystemen, waarschuwingssystemen en besturingssystemen, met inbegrip van een noodvoorziening voor het kunnen bedienen en bewaken van het windpark, zowel ter plaatse als vanaf de wal.

Artikel 7.41. (veiligheid: staat van onderhoud windpark)
1.

Met het oog op de veiligheid op de Noordzee wordt zorg gedragen voor een goede staat van onderhoud van het windpark en worden daarvoor periodiek de turbines, andere installaties en veiligheidsvoorzieningen onderzocht.

2.

Als een deel van het windpark een gebrek vertoont waardoor de veiligheid in het geding is, worden passende maatregelen getroffen. Bij direct gevaar voor de veiligheid van personen wordt het windpark of het deel van het windpark onverwijld buiten werking gesteld.

Artikel 7.42. (informeren over gebrek)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, wordt onverwijld geïnformeerd over een gebrek als bedoeld in artikel 7.41, tweede lid.

Artikel 7.43. (water: windparkexportkabels)
1.

Met het oog op de vervulling van maatschappelijke functies door de Noordzee ligt een windparkexportkabel:

  • b. op een diepte van ten minste 1 m in de zeebodem voor zover de windparkexportkabel zich bevindt op 3 km of meer van de lijn, bedoeld onder a; en
  • c. bij kruising van een vaargeul ten minste 1 m beneden de door de beheerder van de vaargeul vastgestelde onderhoudsdiepte.
2.

De ligging van een windparkexportkabel wordt periodiek onderzocht.

Artikel 7.44. (veiligheid: plan voor ongewone voorvallen)
1.

Met het oog op de veiligheid op de Noordzee en het beschermen van het milieu is een plan opgesteld dat een beschrijving bevat van de maatregelen die worden getroffen als zich een ongewoon voorval voordoet in, of in de directe omgeving van een windpark, dat een gevaar oplevert voor dat windpark.

2.

Het plan bevat in ieder geval:

  • a. een vermelding van de materialen die worden ingezet;
  • b. de naam en het adres van degene die de maatregelen treft; en
  • c. de naam en het adres van degene die toezicht houdt op de maatregelen.
Artikel 7.45. (water: verwijderen windpark)
1.

Met het oog op de vervulling van maatschappelijke functies door de Noordzee wordt een windpark dat of een windparkexportkabel die niet meer in gebruik is, verwijderd.

2.

Materiaal dat ter plaatse of in de directe omgeving is terechtgekomen bij het aanleggen, onderhouden, gebruiken of verwijderen van het windpark, wordt verwijderd.

§ 7.2.3. Windparken

Artikel 7.46. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in de Noordzee.

Artikel 7.47. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteit installatie waterstaatswerk)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.46, die worden verricht in het beperkingengebied met betrekking tot die installatie, voor zover het gaat om:

  • a. het zich bevinden in dat beperkingengebied; en
  • b. het aanwezig hebben van een object, anders dan voor het verrichten van een milieubelastende activiteit met betrekking tot een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.320.
2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een andere installatie dan een mijnbouwinstallatie te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.46, die worden verricht in het beperkingengebied met betrekking tot die installatie, voor zover het gaat om het zich bevinden in dat beperkingengebied.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt niet voor een vaartuig of drijvend werktuig dat in het beperkingengebied vaart:

  • a. in verband met het aanleggen, inspecteren, testen, repareren, onderhouden, veranderen of verwijderen van onderzeese kabels of leidingen;
  • b. om diensten te verlenen voor de installatie of om personen of goederen te vervoeren van of naar de installatie;
  • c. om de installatie te inspecteren;
  • d. om levens of eigendommen te redden;
  • e. gedwongen door de weersomstandigheden;
  • f. als het in nood verkeert;
  • g. voor de bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhavingstaak; of
  • h. als het toestemming heeft van degene die de installatie exploiteert.

§ 7.2.5. Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 7.48. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het lozen van huishoudelijk afvalwater in de Noordzee en het in samenhang daarmee lozen van afvalwater afkomstig van voedselbereiding met grootkeukenapparatuur.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor het huishoudelijk afvalwater, bedoeld in het eerste lid, in de Noordzee.

3.

Het eerste lid geldt niet voor het maken en bewerken van levensmiddelen of voeder waarop paragraaf 4.28 van toepassing is.

Artikel 7.49. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.48, tweede lid.

Artikel 7.50. (melding lozingsactiviteit)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.48, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

De melding bevat:

  • a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; en
  • b. de zuiveringsvoorziening die wordt gebruikt.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater vanaf een pleziervaartuig.

Artikel 7.51. (gegevens en bescheiden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.48, eerste lid, worden gegevens en bescheiden over de verwachte datum van het begin van de activiteit verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater vanaf een pleziervaartuig.

Artikel 7.52. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de Noordzee wordt het afvalwater, bedoeld in artikel 7.48, eerste lid, anders dan afkomstig van een pleziervaartuig, dat wordt geloosd in de Noordzee, geleid via een zuiveringsvoorziening.

2.

Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden voor biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l en voor chemische zuurstofverbruik 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

3.

Als het afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat, kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

  • a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of
  • b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
4.

Als in samenhang met het huishoudelijke afvalwater ook afvalwater afkomstig van voedselbereiding wordt geloosd, is de zuiveringsvoorziening daarop berekend.

Artikel 7.53. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

  • a. voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
  • b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

§ 7.2.6. Telen en kweken in een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 7.54. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten in de Noordzee:

  • a. het kweken van consumptievis;
  • b. het kweken of houden van ongewervelde waterdieren;
  • c. het telen van waterplanten; en
  • d. het invangen van mosselzaad.
2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het in de Noordzee brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van:

  • a. het kweken van consumptievis;
  • b. het kweken of houden van ongewervelde dieren; of
  • c. het telen van waterplanten.
Artikel 7.55. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.54, eerste lid.

Artikel 7.56. (water: preventie verontreiniging)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de Noordzee worden bij het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren of het telen van waterplanten geen stoffen aan de Noordzee toegevoegd.

Artikel 7.57. (PRTR-verslag)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 7.54, tweede lid, is paragraaf 5.3.1 over PRTR van overeenkomstige toepassing, als het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor intensieve aquacultuur met een productiecapaciteit van 1.000 ton vis of schelpdieren per jaar of meer.

§ 7.2.7. Andere lozingen

§ 7.2.7.1. Toepassingsbereik lozingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten en aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 7.58. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte in de Noordzee, anders dan bedoeld in de paragrafen 7.2.1, 7.2.5 en 7.2.6.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor de lozingsactiviteit, bedoeld in het eerste lid, in de Noordzee.

Artikel 7.59. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteit)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 7.58, tweede lid.

Artikel 7.60. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: lozingsactiviteiten)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op het oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 7.58, eerste lid, die wordt verricht in de Noordzee, voor zover het gaat om:

  • a. het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen;
  • b. het lozen van meer dan 5.000 m3 water per uur; en
  • c. het lozen van water door een uitstroomvoorziening, behalve voor het lozen van:
  • 1°. afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
  • 2°. afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
  • 3°. afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
  • 4°. afvalwater afkomstig van ontwateren;
  • 5°. water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
  • 6°. afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
  • 7°. afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren of schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen en het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in artikel 3.145.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor baggerwerkzaamheden en het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

4.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.1.

§ 7.2.7.1. Toepassingsbereik lozingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten en aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 7.61. (gegevens en bescheiden bij een calamiteitenoefening)
1.

Ten minste 48 uur voor het lozen van afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. gegevens waaruit blijkt of er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt; en
  • b. als er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt: welke stoffen dat blusschuim bevat.
2.

Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259.

§ 7.2.7.3. Lozingen bij opslaan van goederen

Artikel 7.61a. (melding bij opslaan van goederen)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.61b, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

De melding bevat:

  • a. een aanduiding van het soort goederen; en
  • b. de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 7.61b. (water: lozen bij opslaan uitlogende goederen)

In afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel B, ook worden geloosd in de Noordzee, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 7.61c. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 7.61b, dat wordt geloosd in de Noordzee, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 7.61c, gemeten in een steekmonster.

Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l
Minerale olie 10 mg/l
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l
Onopgeloste stoffen 100 mg/l
Som van stikstofverbindingen 10 mg/l
Som van fosforverbindingen 2 mg/l
Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l
Artikel 7.61d. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

  • a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
  • b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
  • c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
  • d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
  • e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
  • f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
  • g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
  • h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
  • i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

§ 7.2.7.4. Lozingen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw

Artikel 7.61e. (melding bij telen of kweken van gewassen in een gebouw)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.61f, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

De melding bevat de maximale teeltoppervlakte.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 7.61f. (water: lozen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw)

In afwijking van artikel 4.795, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 7.61g. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)

Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 7.61f, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 7.61g, gemeten in een steekmonster.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/l
Onopgeloste stoffen 100 mg/l
Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l
Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l
Artikel 7.61h. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

  • a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
  • b. voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
  • c. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

§ 7.2.7.5. Lozingen bij graven en saneringen

Artikel 7.61i. (melding lozingsactiviteit bij graven en saneringen)
1.

Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden:

  • a. het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit;
  • b. het lozen van afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem; en
  • c. het lozen van afvalwater afkomstig van een grondwatersanering.
2.

Een melding bevat:

  • a. de resultaten van de beschikbare voorafgaande bodemonderzoeken;
  • b. de locaties van de lozingspunten; en
  • c. het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur.
3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.

Artikel 7.61j. (gegevens en bescheiden over lozingsactiviteit)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.61i, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, gegevens en bescheiden verstrekt over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.

Artikel 7.61k. (niet lozen bij bodemonderzoek grondwatersanering)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de Noordzee wordt afvalwater afkomstig van een voorafgaand onderzoek voor een grondwatersanering niet geloosd op de Noordzee.

Artikel 7.61l. (water: emissiegrenswaarden afvalwater graven en saneringen)

Voor het afvalwater afkomstig van saneren van de bodem, grondwatersanering of graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit dat wordt geloosd op de Noordzee zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 7.61l, gemeten in een steekmonster.

Stoffen Emissiegrenswaarde in μg/l
Naftaleen 0,2
PAK’s 1
BTEX 50
Tetrachlooretheen 3
Trichlooretheen 20
1,2-dichlooretheen 20
1,1,1-trichloorethaan 20
Vinylchloride 8
Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20
Monochloorbenzeen 7
Dichloorbenzenen 3
Trichloorbenzenen 1
Minerale olie 1.000
Cadmium 4
Kwik 1
Koper 10
Nikkel 40
Lood 50
Zink 100
Chroom 20
Onopgeloste stoffen 50.000
Artikel 7.61m. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

  • a. voor naftaleen en BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
  • b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
  • c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan en vinylchloride de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen en trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride alleen NEN-EN-ISO 15680 kan worden gebruikt;
  • d. voor minerale olie: NEN-ISO 9377-2;
  • e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
  • f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
  • g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

§ 7.2.8. Stortingsactiviteiten op zee

Artikel 7.62. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op stortingsactiviteiten op zee.

Artikel 7.63. (aanwijzing vergunningvrije gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een stortingsactiviteit op zee te verrichten, geldt niet voor een stortingsactiviteit als bedoeld in artikel 7.62, die wordt verricht in de Noordzee, voor zover het gaat om een activiteit die wordt verricht vanaf een vaartuig of drijvend werktuig dat in gebruik is voor het uitoefenen van defensietaken.

Artikel 7.64. (gegevens en bescheiden)
1.

Binnen vier weken na afloop van de maand waarin de afgifte heeft plaatsgevonden, worden aan de instantie, bedoeld in de artikelen 10.38, derde lid, en 10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, gegevens en bescheiden verstrekt over de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen die zijn afgegeven met de bedoeling om zich ervan te ontdoen in zee.

2.

De artikelen 5 tot en met 7 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen zijn van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van de gegevens en bescheiden.

Artikel 7.65. (afval: ontvangst gevaarlijke afvalstoffen)

Gevaarlijke afvalstoffen worden niet in ontvangst genomen zonder omschrijving en begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet milieubeheer.

§ 7.2.9. Mijnbouwlocatieactiviteiten

Artikel 7.66. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende mijnbouwlocatieactiviteiten in de Noordzee:

  • a. het gebruiken van een locatie voor een mijnbouwinstallatie, met inbegrip van het voor die installatie geldende beperkingengebied; en
  • b. het gebruiken van een locatie voor een verkenningsonderzoek met gebruikmaking van kunstmatig opgewekte trillingen, met uitzondering van het bij dat onderzoek gebruiken van ontplofbare stoffen.
Artikel 7.66a. (geen nieuwe mijnbouwinstallaties in Natura 2000-gebied Noordzeekustzone)

De activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, wordt niet verricht als het gaat om een mijnbouwinstallatie voor het opsporen of winnen van delfstoffen en de locatie voor die mijnbouwinstallatie, met uitsluiting van het voor die installatie geldende beperkingengebied, ligt in het in de territoriale zee gelegen deel van het op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de wet aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone.

Artikel 7.67. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een mijnbouwlocatieactiviteit te verrichten, geldt voor:

  • a. de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, als het gaat om een mijnbouwinstallatie voor het opsporen of winnen van delfstoffen, met uitsluiting van het voor die installatie geldende beperkingengebied, in de territoriale zee ten noorden van het op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de wet aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone en die mijnbouwinstallatie geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt;
  • b. de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, voor zover de mijnbouwinstallatie geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt en die activiteit wordt verricht in:
  • 1°. een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied;
  • 2°. een bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren deel van de zee; of
  • 1°. oefen- en schietgebied;
  • 2°. aanloopgebied; of
  • 3°. ankergebied in de buurt van een aanloophaven.
Artikel 7.68. (melding mijnbouwinstallatie onder wateroppervlak)
1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, te verrichten als de mijnbouwinstallatie niet geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de coördinaten van de onderzeese installatie.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 7.69. (gegevens en bescheiden verkenningsonderzoek)
1.

Ten minste 48 uur voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder b, worden aan de inspecteur-generaal der mijnen de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. gegevens over de wijze waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
  • b. de locatie waarop en de vaarlijnen waarlangs het verkenningsonderzoek wordt verricht, aangegeven op een kaart;
  • c. de data waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
  • d. de namen, nationaliteit en registratiekenmerken van de vaartuigen;
  • e. gegevens over de bekwaamheid en ervaring van de personen die contact houden met de overige scheepvaart in en om de onderzoekslocatie; en
  • f. gegevens over de radarapparatuur, navigatieapparatuur en telecommunicatieapparatuur van het vaartuig waarop de personen, bedoeld onder e, zich bevinden.
2.

Als het verkenningsonderzoek wordt verricht in de bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren delen van de zee, worden ook gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de ervaring en bekwaamheid van de personen die de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder e, bijstaan; en
  • b. de radarapparatuur, navigatieapparatuur en telecommunicatieapparatuur van het vaartuig waarop die personen zich bevinden.
3.

Ten minste 48 uur voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens en bescheiden, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan de inspecteur-generaal der mijnen.

Artikel 7.70. (veiligheid: begeleiding verkenningsvaartuig)
1.

Met het oog op de veiligheid van de scheepsvaart is er aan boord van een verkenningsvaartuig een persoon die contact houdt met de andere scheepvaart in en om het onderzoeksgebied.

2.

Een verkenningsvaartuig wordt begeleid door een ander vaartuig waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.

3.

Een verkenningsvaartuig dat onderzoek verricht in de bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren delen van de zee, wordt begeleid door twee andere vaartuigen waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.

Artikel 7.71. (natuur: geluidsvolume kunstmatig opgewekte trillingen)

Met het oog op het voorkomen van storende geluidseffecten voor zeezoogdieren wordt bij het gebruik van kunstmatig opgewekte trillingen bij een verkenningsonderzoek met een laag geluidsvolume begonnen en verloopt de versterking van dat volume geleidelijk.

Artikel 7.72. (vervoer bij toezicht op verkenningsonderzoek)

Bij toezicht op de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder b, wordt voorzien in het vervoer van toezichthouders, bedoeld in artikel 130, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet.

Artikel 7.73. (overgangsrecht: bestaande mijnbouwinstallaties)

De artikelen 7.66a en 7.67, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing op het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116, op een locatie waarop zich een mijnbouwinstallatie voor het opsporen of winnen van delfstoffen bevindt die op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit besluit rechtmatig aanwezig is.

Hoofdstuk 8. Activiteiten rond rijkswegen

Afdeling 8.1. Algemeen

Artikel 8.1. (activiteiten)

Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk.

Artikel 8.2. (oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg behoort.

Artikel 8.3. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Tenzij in artikel 8.4 anders is bepaald, is voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;
  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 8.4. (eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;
  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 8.5. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 8.6. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 8.2, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

  • a. het veilig en doelmatig gebruik van wegen wordt verzekerd; en
Artikel 8.7. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 8.6, 8.11 en 8.12 en afdeling 8.2, met uitzondering van bepalingen:

  • a. waarin het toepassingsbereik van een paragraaf voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk wordt bepaald; en
  • b. over meldingen.
2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 8.11 en 8.12 en afdeling 8.2, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel in artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.8. (algemene gegevens bij een melding)

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a. de aanduiding van de activiteit;
  • b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
  • c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
  • d. de dagtekening.
Artikel 8.9. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a. de aanduiding van de activiteit;
  • b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
  • c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
  • d. de dagtekening.
Artikel 8.10. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 8.8 en 8.9, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Artikel 8.11. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 8.12. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1:

  • a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
  • b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
  • c. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 8.13. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)

Met een maatwerkvoorschrift worden de artikelen 8.11 en 8.12 niet versoepeld.

Artikel 8.14. (verwijderen van werken en objecten)
1.

Met het oog op het belang van verruiming of wijziging van een weg in beheer bij het Rijk worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot die weg is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de verruiming of wijziging van die weg door of namens de wegbeheerder.

2.

Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.

Afdeling 8.2. Inhoudelijke regels

§ 8.2.1. Beperkingengebiedactiviteiten met uitzondering van kabels en leidingen

Artikel 8.15. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk als het gaat om:

  • a. het bouwen of in stand houden van bouwwerken;
  • b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn;
  • c. het plaatsen of in stand houden van andere objecten;
  • d. het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel, materialen of vaste substanties;
  • e. het verrichten van werkzaamheden; en
  • f. andere activiteiten.
2.

Het eerste lid geldt niet voor kabels en leidingen als bedoeld in artikel 8.19.

3.

Het eerste lid geldt ook niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.

Artikel 8.16. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 8.15, voor zover het gaat om:

  • a. het verrichten van werkzaamheden; en
  • b. het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van:
  • 1°. weginfrastructuur;
  • 3°. een technische installatie voor een nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het wegverkeer of het reguleren van het wegverkeer; en
  • 4°. het bouwen of in stand houden van andere bouwwerken, het aanleggen, plaatsen of in stand houden van andere werken die geen bouwwerken zijn of het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
2.

Het verbod geldt niet voor:

  • a. het bouwen of in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten boven en onder de weg, die kleiner zijn dan 2 m2, niet zichtbaar zijn vanaf de weg en de draagconstructie van de weg niet aantasten;
  • b. bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen en de daarbij behorende erven en terreinen, tenzij:
  • 1°. er meer dan 30 m3 grond wordt geroerd; of
  • 2°. een bouwwerk wordt gebouwd, een werk dat geen bouwwerk is wordt aangelegd of geplaatst of een ander object wordt geplaatst, met een hoogte van meer dan 5 m; en
  • c. activiteiten in het deel van het beperkingengebied dat hoort bij een verzorgingsplaats, tenzij het gaat om:
  • 1°. het bouwen of in stand houden van een gebouw;
  • 2°. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk voor het leveren van energie aan voertuigen; en
  • 3°. het herinrichten van de verzorgingsplaats dat nadelige gevolgen kan hebben voor de staat of werking van de weg.
Artikel 8.17. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 8.15, onder a tot en met e, te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de kilometrering en de ligging van het bouwwerk, van het werk dat geen bouwwerk is of van het andere object in x-, y- en z-coördinaten.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing:

  • a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 8.16; en
  • b. op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen en de daarbij behorende erven en terreinen.
Artikel 8.18. (gegevens en bescheiden: start van de werkzaamheden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 8.15, onder a tot en met e, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1:

  • a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
  • b. de verwachte duur ervan.
2.

Dit artikel is niet van toepassing:

  • a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 8.16; en
  • b. op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen en de daarbij behorende erven en terreinen.

§ 8.2.2. Kabels en leidingen

Artikel 8.19. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels of leidingen in de bodem in het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, met inbegrip van:

  • a. het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken die daarmee samenhangen; en
  • b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen.
2.

Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.

Artikel 8.20. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 8.19 te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. voor het bouwen, aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding:
  • 1°. een beschrijving van de soort kabel of leiding;
  • 2°. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;
  • 3°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten;
  • 4°. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;
  • 5°. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een boorplan; en
  • 6°. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;
  • b. voor het in stand houden van een kabel of leiding:
  • 1°. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en
  • 2°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten; en
  • c. voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding:
  • 1°. een beschrijving van de wijze van verwijderen; en
  • 2°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen met een woonfunctie en de daarbij behorende erven, tenzij de kabel of leiding de kadastrale grens van het perceel kruist.

Artikel 8.21. (gegevens en bescheiden: begin van de werkzaamheden)
1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1:

  • a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
  • b. de verwachte duur ervan.
2.

Dit artikel is niet van toepassing op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen met een woonfunctie en de daarbij behorende erven, tenzij de kabel of leiding de kadastrale grens van het perceel kruist.

Artikel 8.22. (gegevens en bescheiden: verrichte werkzaamheden)

Uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z- coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1.

Artikel 8.23. (ontgravingen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een ontgraving:

  • a. beperkt tot een zo klein mogelijk profiel;
  • b. op dezelfde dag dat deze wordt gemaakt gedicht met de uitkomende grond of aangevoerde grond met vergelijkbare hydrologische en texturele eigenschappen; en
  • c. niet verricht tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopgang.
2.

De bekleding of verharding van de weg worden niet opgebroken.

3.

De afwatering van de weg wordt niet belemmerd.

Artikel 8.24. (ligging van de kabel of leiding)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een kabel of leiding gelegd:

  • a. buiten de verharding van de weg;
  • b. op een afstand van ten minste 2,5 m van de aanwezige bomen, gemeten vanuit de as van de bomenrij als er een bomenrij is;
  • c. op een afstand van ten minste 1,5 m van andere beplanting, met uitzondering van gras;
  • d. als de kabel of leiding parallel aan een bermsloot wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de insteek van de bermsloot;
  • e. als de kabel of leiding parallel aan een talud wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de teen van het talud; en
  • f. als de kabel of leiding parallel aan een geleiderailconstructie wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf die constructie.
2.

De afstanden worden gemeten tot aan de dichtstbij gelegen zijde van de kabel of leiding.

3.

Het vlak, gelegen onder een helling van 1:3 uit de onderkant van de verharding of de fundering, wordt niet doorsneden.

4.

In de berm van de weg is de gronddekking boven een kabel of leiding ten minste 0,8 m. De gronddekking bestaat uit twee lagen.

5.

Als een kabel of leiding kruist met een bermsloot, is de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 0,8 m.

Artikel 8.25. (wegkruisingen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt bij een kruising van een kabel of leiding met een weg:

  • a. een mantelbuis gebruikt; en
  • b. een gestuurde boring toegepast.
2.

Als de boring bij een kruising mislukt, wordt:

  • a. de mantelbuis niet teruggetrokken;
  • b. een nieuwe kruising gemaakt; en
  • c. de in het weglichaam achtergebleven mantelbuis geheel opgevuld met dämmer en aan beide zijden waterdicht afgestopt.
3.

Als een gestuurde boring onevenredige meerkosten met zich meebrengt of niet uitvoerbaar is, kan een persing worden toegepast.

Artikel 8.26. (gestuurd boren en persen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt geboord of geperst volgens de Richtlijn Boortechnieken en open ontgraving voor kabels en leidingen.

2.

Bij het boren is controleerbaar of de inhoud van de hoeveelheid uitkomende grond ongeveer gelijk is aan de inhoud van de voorwaartse verplaatsing van de persbuis, waarbij rekening wordt gehouden met de uitlevering van de grond.

3.

Bij het verwijderen van de grond aan de voorzijde van de buis wordt niet uitgeboord.

Artikel 8.27. (afstanden bij boren)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg is bij een boring de afstand tussen de bovenkant van de verharding en de bovenkant van de leiding of kabel ten minste 2,5 m.

2.

Een boring wordt op ten minste 5 m afstand van een andere kabel of leiding verricht.

Artikel 8.28. (mantelbuizen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg liggen het intredepunt en het uittredepunt van een mantelbuis, van waaruit wordt geboord, buiten het weglichaam.

2.

De lengte van een mantelbuis bestrijkt ten minste een spreidingszone onder 45° vanuit de zijkant van de wegconstructie.

Hoofdstuk 9. Activiteiten rond spoorwegen

Afdeling 9.1. Algemeen

Artikel 9.1. (activiteiten)
1.

Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot:

  • a. een hoofdspoorweg;
  • b. een lokale spoorweg; en
  • c. een bijzondere spoorweg.
2.

Dit hoofdstuk gaat niet over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een bijzondere spoorweg:

  • a. met een nominale spoorwijdte van minder dan 500 mm;
  • c. die ligt binnen een terrein van een bedrijf dat niet vrij toegankelijk is voor het publiek; of
  • d. die is verwijderd of op een andere wijze voor gebruik ontoegankelijk is gemaakt.
Artikel 9.2. (oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en bijzondere spoorwegen voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorwegen, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die spoorwegen behoort.

Artikel 9.3. (bevoegd gezag dagelijks bestuur vervoerregio)

Tenzij in artikel 9.6 anders is bepaald, is voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg binnen de gebieden die op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 zijn aangewezen, het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in dat artikel het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;
  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.4. (bevoegd gezag gedeputeerde staten)

Tenzij in artikel 9.6 anders is bepaald, zijn voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg buiten de gebieden die op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 zijn aangewezen, gedeputeerde staten het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;
  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.5. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Tenzij in artikel 9.6 anders is bepaald, is voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of een bijzondere spoorweg Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;
  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.6. (eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg, een lokale spoorweg of een bijzondere spoorweg, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;
  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.7. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 9.8. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg, een lokale spoorweg of een bijzondere spoorweg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 9.2, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

  • a. het veilig en doelmatig gebruik van de spoorweg wordt verzekerd;
  • b. alle passende maatregelen worden getroffen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet;
  • c. de spoorweg tijdens het verrichten van de activiteit bereikbaar blijft voor de beheerder en voor hulpdiensten;
  • d. vluchtwegen worden vrijgehouden;
  • e. objecten zo worden geplaatst dat zij niet op de spoorweg terecht kunnen komen of daaraan schade kunnen veroorzaken;
  • f. zichtlijnen niet worden gehinderd; en
  • g. het gebruikte materiaal en materieel na beëindiging van de activiteit onverwijld wordt verwijderd.
Artikel 9.9. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan worden gesteld over de artikelen 9.8, 9.14 en 9.15 en in aanvulling op artikel 9.8, voor zover het betreft beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een lokale spoorweg.

2.

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 9.14 en 9.15, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 9.2.

4.

Een maatwerkregel wordt gesteld in:

  • b. de omgevingsverordening voor andere gebieden.
Artikel 9.10. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een vergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 9.8, 9.14 en 9.15 en afdeling 9.2, met uitzondering van bepalingen over meldingen.

2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 9.14 en 9.15 en afdeling 9.2, tenzij anders is bepaald.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)