Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)

Type AMvB
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-07-14
State In force
Source BWB
artikelen 3321
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een vergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel in artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9.11. (algemene gegevens bij een melding)

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a. de aanduiding van de activiteit;
  • b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
  • c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
  • d. de dagtekening.
Artikel 9.12. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a. de aanduiding van de activiteit;
  • b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
  • c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
  • d. de dagtekening.
Artikel 9.13. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 9.11 en 9.12, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Artikel 9.14. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, en de spoorwegbeheerder worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 9.15. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, en de spoorwegbeheerder:

  • a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan;
  • b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten;
  • c. de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet; en
  • d. de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om te voorkomen dat een zodanig voorval zich nog een keer kan voordoen.
Artikel 9.16. (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 9.14 en 9.15 niet versoepeld.

Artikel 9.17. (verwijderen van werken en objecten)
1.

Met het oog op het belang van verruiming of wijziging van een spoorweg worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot die spoorweg is vereist, verplaatst of verlegd als deze een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de verruiming of wijziging van die spoorweg door of namens de spoorwegbeheerder.

2.

Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag deze termijn bij maatwerkvoorschrift vast.

Afdeling 9.2. Inhoudelijke regels hoofdspoorwegen en bijzondere spoorwegen

§ 9.2.1. Kabels en leidingen

Artikel 9.19. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen in de bodem in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, met inbegrip van:

  • a. het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken, die daarmee samenhangen; en
  • b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen.
2.

Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.

Artikel 9.20. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.19, voor zover het gaat om het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van:

  • a. elektriciteitskabels met een spanningsniveau van meer dan 1 kV in langsligging; en
  • b. beschermbuizen voor kabels of leidingen die het spoor kruisen en die:
  • 1°. een diameter van meer dan 600 mm hebben;
  • 2°. op een diepte van minder dan 6 m onder het maaiveld liggen; of
  • 3°. anders dan met een horizontaal gestuurde boring worden aangelegd.
Artikel 9.21. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 9.19 te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat:

  • a. voor het bouwen, aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding:
  • 1°. een beschrijving van de soort kabel of leiding;
  • 2°. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;
  • 3°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart;
  • 4°. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;
  • 5°. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een werkplan; en
  • 6°. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;
  • b. voor het in stand houden van een kabel of leiding:
  • 1°. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en
  • 2°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart; en
  • c. voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding:
  • 1°. een kabelverwijderingsplan; en
  • 2°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.
3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing:

  • a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.20; en
  • b. op het in de beschermingszone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg bouwen, aanleggen of plaatsen van:
  • 1°. gasleidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
  • 2°. waterleidingen met een diameter van ten hoogste 44 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
  • 3°. drukloze rioleringsbuizen met een diameter van ten hoogste 160 mm; of
  • 4°. overige kabels en leidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar.
Artikel 9.22. (gegevens en bescheiden: begin van de werkzaamheden)
1.

Ten minste vier weken en ten hoogste acht weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1:

  • a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
  • b. de verwachte duur ervan.
2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.20.

Artikel 9.23. (gegevens en bescheiden: verrichte werkzaamheden)

Uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten op de basisbeheerkaart verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1.

Artikel 9.24. (ontgravingen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt een ontgraving:

  • a. beperkt tot een zo klein mogelijk profiel; en
  • b. onverwijld na de werkzaamheden gedicht met de uitkomende grond, in de oorspronkelijke volgorde, of met aangevoerde grond met vergelijkbare hydrologische en texturele eigenschappen.
2.

De gedichte sleuf wordt gedurende een jaar onderhouden.

Artikel 9.25. (kabel of leiding in een sleuf in langsligging)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt een kabel of leiding in een sleuf, koker of goot op een diepte van ten minste 0,6 m gelegd.

2.

Kabels en leidingen worden zoveel mogelijk geconcentreerd en gebundeld gelegd.

3.

Als een kabel of leiding parallel aan andere kabels, leidingen of beschermbuizen wordt gelegd, wordt deze op een afstand van ten minste 0,2 m vanaf die kabels, leidingen of beschermbuizen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel of leiding.

4.

Als andere kabels of leidingen worden gekruist:

  • a. wordt de kabel of leiding onder de bestaande kabels en leidingen aangelegd;
  • b. wordt de kabel of leiding op een afstand van ten minste 0,2 m vanaf de bestaande kabels en leidingen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel, leiding of beschermbuis; en
  • c. wordt de kabel of leiding aangelegd in een beschermbuis als de afstand tot de bestaande kabels, leidingen of mantelbuizen minder dan 0,8 m is, waarbij de buitenzijde van de beschermbuis tot ten minste 0,8 m voorbij de buitenzijde van de bestaande kabels, leidingen of beschermbuizen reikt.
Artikel 9.26. (spoorwegkruisingen)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt bij een kruising van een kabel of leiding met een hoofdspoorweg:

  • a. een beschermbuis gebruikt; en
  • b. een horizontaal gestuurde boring toegepast.
2.

Als de boring bij een kruising mislukt, wordt:

  • a. de beschermbuis niet teruggetrokken; en
  • b. de in het baanlichaam achtergebleven beschermbuis geheel opgevuld met dämmer en aan beide zijden waterdicht afgestopt.
Artikel 9.27. (gestuurd boren)

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt geboord volgens de Technische Voorschriften bij vergunningen voor kabels en leidingen langs, onder en boven de spoorweg.

Artikel 9.28. (afstanden bij boren)
1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt een boring in zandgrond op ten minste 5 m en in andere grond op ten minste 10 m afstand van een andere kabel of leiding verricht.

2.

Een boring wordt op ten minste 10 m afstand van de fundering van een viaduct verricht.

Artikel 9.29. (mantelbuizen)

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg liggen het intredepunt en het uittredepunt van een beschermbuis, van waaruit wordt geboord, buiten het beperkingengebied.

§ 9.2.2. Bouwwerken, werken en objecten

Artikel 9.30. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg:

  • a. het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken;
  • b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
  • c. het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten.
2.

Het eerste lid geldt niet voor:

  • a. het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken en het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die samenhangen met kabels en leidingen, bedoeld in artikel 9.19; en
3.

Het eerste lid geldt ook niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.

Artikel 9.31. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.30, voor zover het gaat om het bouwen of in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten:

  • a. in de kernzone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg;
  • b. in de overwegzone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, als het bouwwerk, werk dat geen bouwwerk is of object hoger is dan 1 m; en
  • c. in de beschermingszone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, als:
  • 1°. het bouwwerk, werk dat geen bouwwerk is of andere object niet wordt gefundeerd op staal; of
  • 2°. de maaiveldbelasting groter is dan 500 kg/m2.
Artikel 9.32. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 9.30 te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de ligging van het bouwwerk, van het werk dat geen bouwwerk is of van het andere object in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.31.

Artikel 9.33. (gegevens en bescheiden: begin van de werkzaamheden)
1.

Ten minste vier weken en ten hoogste acht weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1:

  • a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
  • b. de verwachte duur ervan.
2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.30.

Artikel 9.34. (gegevens en bescheiden: verrichte werkzaamheden)

Uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1.

Artikel 9.35. (grondwater onttrekken en graven)
1.

Met het oog op het veilig en doelmatig gebruik van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt, als bij het bouwen van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is of het plaatsen van een ander object grondwater wordt onttrokken:

  • a. de grondwaterstand niet verder verlaagd dan 1 m onder de gemiddelde laagste freatische grondwaterstand; en
  • b. niet langer dan een half jaar grondwater onttrokken.
2.

Bij het verrichten van graafwerkzaamheden wordt niet dieper gegraven dan 1,20 m.

Artikel 9.36. (hijskranen)
1.

Met het oog op het veilig en doelmatig gebruik van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt, als bij het bouwen van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is of het plaatsen van een ander object hijswerkzaamheden worden verricht, de kraan geaard met een weerstand van minder dan 10 ohm.

2.

De kabelbelasting is niet meer dan 20% van de gegarandeerde breuklast.

3.

Tijdens de hijswerkzaamheden:

  • a. wordt een afstand van 5 m aangehouden tot de buitenkant van spanningvoerende delen; of
  • b. wordt een afstand van 1,5 m aangehouden tot de buitenkant van spanningvoerende delen, als de hijswerkzaamheden worden begeleid door een procescontractaannemer.
4.

Er worden geen lasten verplaatst boven spoorlijnen die in dienst zijn.

§ 9.2.3. Activiteiten op perrons en stations

Artikel 9.37. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van werkzaamheden, het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten, op perrons en stations in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, anders dan activiteiten als bedoeld in artikel 9.30.

2.

Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.

Artikel 9.38. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.37, voor zover het gaat om:

  • a. het bouwen van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen en veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen van andere objecten, waarbij de opzet van het perron of station wezenlijk verandert; en
  • b. het verrichten van werkzaamheden waarbij de opzet van het perron of station wezenlijk verandert.
Artikel 9.39. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 9.37 te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1.000, waarop de activiteit is aangegeven.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.38.

Artikel 9.40. (gegevens en bescheiden: begin van de werkzaamheden)
1.

Ten minste vier weken en ten hoogste acht weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1:

  • a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
  • b. de verwachte duur ervan.
2.

Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.38.

Artikel 9.41. (grondwater onttrekken en graven)
1.

Met het oog op het veilig en doelmatig gebruik van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt geen grondwater onttrokken.

2.

Graafwerkzaamheden hebben een diepte van niet meer dan 1,20 m.

Artikel 9.42. (afstand tot spanningvoerende delen)

Met het oog op het veilig en doelmatig gebruik van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg wordt bij het verrichten van werkzaamheden een afstand aangehouden van 5 m tot de buitenkant van spanningvoerende delen.

§ 9.2.4. Andere beperkingengebiedactiviteiten bij hoofdspoorwegen of bijzondere spoorwegen

Artikel 9.43. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, anders dan activiteiten als bedoeld in de paragrafen 9.2.1 tot en met 9.2.3, als het gaat om:

  • a. het verrichten van werkzaamheden;
  • b. het storten van stoffen; en
  • c. het opslaan van licht ontvlambare stoffen.
2.

Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.

Artikel 9.44. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.43.

2.

Het verbod geldt niet voor:

  • a. hijswerkzaamheden bij een spoorweg in een tunnel tot een hoogte die gelijk is aan de kortste afstand tot de buitenwand van de tunnel;
  • b. graafwerkzaamheden bij een spoorweg in een tunnel tot een diepte die gelijk is aan de helft van de kortste afstand tot de buitenwand van de tunnel;
  • c. andere werkzaamheden boven tunnels of onder bruggen, die de constructieve veiligheid van de tunnel of brug niet aantasten; en
  • d. het verrichten van metingen en inspecties.
Artikel 9.45. (melding)
1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 9.44, tweede lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden.

2.

Een melding bevat de locatie van de activiteit in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 9.46. (gegevens en bescheiden: begin van de werkzaamheden)

Ten minste vier weken en ten hoogste acht weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 9.44, tweede lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 9.1:

  • a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
  • b. de verwachte duur ervan.

Afdeling 9.3. Inhoudelijke regels lokale spoorwegen

Artikel 9.47. (toepassingsbereik)
1.

Deze afdeling is van toepassing op activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg.

2.

Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een lokale spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.

Artikel 9.48. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.47, voor zover het gaat om:

  • a. het verrichten van werkzaamheden; en
  • b. het bouwen of in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
Artikel 9.48a. (afwijken van aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Met het oog op het doelmatig beheer van lokale spoorwegen kan worden afgeweken van de aanwijzing van de vergunningplichtige gevallen, bedoeld in artikel 9.48, in:

  • b. de omgevingsverordening, voor andere gebieden.

Hoofdstuk 10. Activiteiten rond luchthavens

Afdeling 10.1. Algemeen

Artikel 10.1. (activiteiten)

Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een luchthaven die zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 10.2. (oogmerk)

De regels in afdeling 10.2 over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een luchthaven zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van luchthavens voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die luchthavens, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die luchthavens behoort.

Artikel 10.3. (bevoegd gezag provincie)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 10.4. (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot de luchthaven Schiphol, een overige burgerluchthaven van nationale betekenis en een buitenlandse burgerluchthaven is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 10.5. (bevoegd gezag Minister van Defensie)

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een militaire luchthaven is Onze Minister van Defensie het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 10.6. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 10.7. (specifieke zorgplicht)

Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een luchthaven verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 10.2, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 10.8. (maatwerkregels)

Een maatwerkregel kan in een omgevingsverordening worden gesteld over artikel 10.7, als het gaat om beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis.

Artikel 10.9. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over artikel 10.7.

2.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

Afdeling 10.2. Inhoudelijke regels

Artikel 10.10. (aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten)

Als beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een luchthaven als bedoeld in artikel 10.1 worden aangewezen het plaatsen en aanleggen van objecten in strijd met een regel in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven als bedoeld in artikel 8a.54 van de Wet luchtvaart over de maximale hoogte van objecten.

Artikel 10.11. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een luchthaven te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 10.10.

2.

Het verbod geldt niet voor:

  • a. het bouwen van een bouwwerk dat voldoet aan de daarvoor geldende hoogtebeperking in het omgevingsplan; en
  • b. activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is vereist.

Hoofdstuk 10. Activiteiten rond luchthavens

Afdeling 9.3. Inhoudelijke regels lokale spoorwegen

§ 11.1.1. Algemeen

Artikel 11.1. (activiteiten)
1.

Deze afdeling gaat over activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben.

2.

Deze afdeling gaat niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.

Artikel 11.2. (oogmerken)

De regels in paragraaf 11.1.2 zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.

Artikel 11.3. (bevoegd gezag gedeputeerde staten)

Tenzij in artikel 11.4 anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

  • a. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • b. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 11.4. (bevoegd gezag Minister voor Natuur en Stikstof)
1.

Voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit en voor een in het tweede lid van dat artikel aangewezen activiteit die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben is Onze Minister voor Natuur en Stikstof het bevoegd gezag:

  • a. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • b. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
2.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof is ook het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor een activiteit met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een bijzonder nationaal natuurgebied.

Artikel 11.5. (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 11.6. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.

De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat:

  • a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen;
  • b. wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten;
  • c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen;
  • d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen;
  • e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
  • f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Artikel 11.7. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan in de omgevingsverordening worden gesteld over de artikelen 11.6, 11.12, 11.13 en 11.14.

2.

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.13 en 11.14.

3.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op natuurbescherming.

Artikel 11.8. (afbakening mogelijkheid maatwerkregels)

Een maatwerkregel wordt niet gesteld over een activiteit waarvoor Onze Minister voor Natuur en Stikstof een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.4 heeft.

Artikel 11.9. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de artikelen 11.6, 11.12, 11.13 en 11.14.

2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.13 en 11.14.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een Natura 2000-activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.10. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a. de aanduiding van de activiteit;
  • b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
  • c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
  • d. de dagtekening.
Artikel 11.11. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in artikel 11.10, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4.

Artikel 11.12. (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)
1.

Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, worden over een activiteit die wordt verricht of is voorgenomen en die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels, maatwerkregels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gelet op de instandhoudingsdoelstellingen.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 11.13. (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 11.14. (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4:

  • a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
  • b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
  • c. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 11.15. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 11.13 en 11.14 niet versoepeld.

§ 11.1.2. Natura 2000-activiteiten

Artikel 11.16. (aanwijzing vergunningvrije gevallen: Natura 2000-toets in kader van ander besluit en visserij in de exclusieve economische zone)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet, als:

  • a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en toepassing is gegeven aan artikel 6, derde lid, of in voorkomend geval artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn; of
  • b. de activiteit onderwerp is van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en plaatsvindt in de exclusieve economische zone.
Artikel 11.17

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.

Artikel 11.18. (aanwijzing vergunningvrije gevallen in programma)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een programma.

2.

Het programma:

  • a. heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
  • b. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:
  • 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
  • 2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
  • c. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken Natura 2000-activiteiten.
Artikel 11.19. (aanwijzing vergunningvrije gevallen en gevallen beperking reikwijdte vergunningplicht in omgevingsverordening)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.

Artikel 11.20. (aanwijzing vergunningvrije gevallen en gevallen beperking reikwijdte vergunningplicht in ministeriële regeling)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit of als dat in het algemeen belang geboden is, in gevallen aangewezen bij ministeriële regeling.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit of als dat in het algemeen belang geboden is, in gevallen aangewezen bij ministeriële regeling niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de ministeriële regeling bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.

Artikel 11.21. (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen)
1.

Een Natura 2000-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.18, 11.19 of 11.20 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als:

  • a. op voorhand op grond van objectieve gegevens met zekerheid kan worden uitgesloten dat die activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben;
  • c. voor zover het een aanwijzing in een omgevingsverordening of ministeriële regeling betreft: de activiteit, met inachtneming van artikel 8.74b, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kan worden gerechtvaardigd op grond van dwingende redenen van groot openbaar belang, het ontbreken van alternatieve oplossingen en het treffen van compenserende maatregelen die waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
2.

Aan artikel 11.19, tweede lid, of 11.20, tweede lid, wordt alleen toepassing gegeven, als:

  • a. op voorhand op grond van objectieve gegevens met zekerheid kan worden uitgesloten dat de Natura 2000-activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten door de betrokken factor significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben; of
  • b. een passende beoordeling als bedoeld in artikel 8.74b is uitgevoerd, waaruit de zekerheid is verkregen dat de Natura 2000-activiteit door de betrokken factor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.

Afdeling 11.2. Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild

§ 11.2.1. Algemeen

Artikel 11.22. (activiteiten)
1.

Deze afdeling gaat over:

  • b. het handelen volgens een faunabeheerplan, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.6;
  • c. de uitoefening van de jacht, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.7;
  • d. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden, waaronder het verrichten van een jachtgeweeractiviteit en een valkeniersactiviteit, en het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties om dieren te vangen of te doden, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.8;
  • e. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.9;
  • f. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.10; en
  • g. het vangen, doden en verwerken van walvissen, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.11.
2.

De paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 en 11.2.8 gaan niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.

Artikel 11.23. (oogmerken)
1.

De regels in de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.5 over flora- en fauna-activiteiten zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.

2.

De regels in de paragrafen 11.2.6 en 11.2.7 over het handelen volgens een faunabeheerplan en de uitoefening van de jacht zijn gesteld met het oog op:

  • a. de natuurbescherming;
  • b. goed jachthouderschap;
  • c. het voorkomen en bestrijden van schade door dieren; en
  • d. het waarborgen van de veiligheid.
3.

De regels in paragraaf 11.2.8 over het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden zijn gesteld met het oog op:

  • a. de natuurbescherming;
  • b. het waarborgen van de veiligheid;
  • c. het beschermen van de gezondheid; en
  • d. het beschermen van het milieu.
4.

De regels in paragraaf 11.2.9 over het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten daarvan zijn gesteld met het oog op natuurbescherming.

5.

De regels in paragraaf 11.2.10 over activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben zijn gesteld met het oog op:

  • a. de natuurbescherming;
  • b. het beschermen van de gezondheid; en
  • c. het beschermen van het milieu.
6.

De regels in paragraaf 11.2.11 over het vangen, doden en verwerken van walvissen zijn gesteld met het oog op het voorkomen van mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van de walvisstand.

Artikel 11.24. (bevoegd gezag gedeputeerde staten)

Tenzij in artikel 11.25 anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

  • a. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • b. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 11.25. (bevoegd gezag Minister voor Natuur en Stikstof)
1.

Voor een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit is Onze Minister voor Natuur en Stikstof het bevoegd gezag:

  • a. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  • b. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
2.

Onze Minister voor Natuur en Stikstof is ook het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor:

  • a. een valkeniersactiviteit;
  • b. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten, voor zover het niet gaat om een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, 11.39 of 11.47;
  • c. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben; en
  • d. het vangen, doden of verwerken van walvissen.
Artikel 11.26. (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 11.27. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.

Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:

  • a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:
  • 1°. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;
  • 2°. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;
  • 4°. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;
  • b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
  • c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
  • d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;
  • e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
  • f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.
3.

Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.

Artikel 11.28. (voorkomen onnodig lijden van dieren)

Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt, voorkomt dat het dier onnodig lijdt.

Artikel 11.29. (maatwerkregels)
1.

Een maatwerkregel kan in de omgevingsverordening worden gesteld over de artikelen 11.27, 11.34, 11.35 en 11.68 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 en 11.2.9.

2.

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.34, 11.35 en 11.68 en de paragrafen 11.2.6, 11.2.8 en 11.2.9, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 11.23.

Artikel 11.30. (afbakening mogelijkheid maatwerkregels)

Een maatwerkregel wordt niet gesteld over een activiteit waarvoor Onze Minister voor Natuur en Stikstof een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.25 heeft.

Artikel 11.31. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de artikelen 11.27, 11.34 en 11.35 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 tot en met 11.2.10.

2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.34 en 11.35 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 tot en met 11.2.10, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een flora- en fauna-activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in paragraaf 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.32. (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a. de aanduiding van de activiteit;
  • b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
  • c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
  • d. de dagtekening.
Artikel 11.33. (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)
1.

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in artikel 11.32, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)