Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-10-01
Laatst bijgewerkt 2026-10-07
State In force
Source BWB
artikelen 1089
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder de resultaten van het onderzoek zendt naar het bevoegd gezag.

Artikel 9.11. (voorschriften over onder- en bovenafdichting)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de onderafdichting, bedoeld in 8.48, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met de Richtlijn onderafdichtingen voor stort- en opslagplaatsen.

2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat tussen de capillair onderbrekende laag van grind als onderdeel van de onderafdichting, bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de te storten afvalstoffen een steunmat wordt aangebracht.

3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de te treffen civieltechnische of geohydrologische maatregelen, bedoeld in artikel 8.48, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste voldoen aan:

  • a. de Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen; en
  • b. de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring stortplaatsen.
4.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bovenafdichting, bedoeld in artikel 8.48, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.

Artikel 9.12. (voorschriften over stortgas)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot, bedoeld in artikel 8.53, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving:

  • a. betrekking hebben op gassen die vrijkomen bij de biologische afbraak van het organisch materiaal in de afvalstoffen, waaronder in ieder geval CH4, CO2 en O2;
  • b. maandelijks plaatsvinden; en
  • c. representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats.
2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat, voor zover het gaat om de atmosferische druk, de metingen eenmaal per jaar plaatsvinden als het vrijkomende gas wordt benut of afgefakkeld.

3.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat, voor zover het gaat om de samenstelling van de gasuitstoot, de metingen:

  • a. eenmaal per jaar plaatsvinden als het vrijkomende gas wordt afgefakkeld; of
  • b. voortdurend plaatsvinden als die nodig zijn voor de goede werking van de benuttingsinstallatie voor zover het vrijkomende gas wordt benut en de gassen CH4, CO2 en O2 omvat.
4.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling van de gasuitstoot bij het affakkelen en benutten van het vrijkomende gas plaatsvinden in de verzamelleiding van het stortgasonttrekkingssysteem.

5.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot minder frequent mogen plaatsvinden als uit evaluatie van de gegevens blijkt dat metingen met langere tussenpozen even effectief zijn.

Artikel 9.13. (voorschriften grondwaterstand)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder een deskundige inschakelt om de grondwaterstand van de bodem te meten op de plaats waar is of wordt gestort, bedoeld in artikel 8.55, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de ingeschakelde deskundige de meting van de grondwaterstand:

  • a. ten minste tweemaal per maand verricht, op of nabij de 14e en 28e van de maand; en
  • b. volgens NEN-EN-ISO 22475-1 uitvoert.
3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de ingeschakelde deskundige vaststelt of de gegevens die zijn verkregen uit de metingen, bedoeld in het eerste lid, representatief zijn voor de bodem op de plaats waar is of wordt gestort. Dit doet de deskundige door de gegevens te vergelijken met de beschikbare gegevens van de grondwaterstanden verkregen uit peilbuizen in hetzelfde geohydrologische systeem die zijn opgenomen in het Archief van grondwaterstanden van TNO, voor zover laatstbedoelde gegevens betrekking hebben op dezelfde periode en op de daaraan voorafgaande aaneengesloten periode van ten minste vijf jaar.

Artikel 9.14. (voorschriften gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder een deskundige inschakelt om de gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand te bepalen.

2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat bij het bepalen van de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand gebruik wordt gemaakt van:

  • a. de resultaten van het onderzoek naar de geohydrologische toestand, bedoeld in artikel 9.10;
  • c. de profielbeschrijvingen van de bodem op de plaats van de aanleg van de stortplaats.
3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige een andere gemiddeld hoogste of gemiddeld laagste grondwaterstand kan vaststellen, als de verwachting bestaat dat de werkelijke gemiddeld hoogste of gemiddeld laagste grondwaterstand onder invloed van een kunstmatige grondwaterstandverandering significant zal afwijken van de in overeenstemming met het tweede lid vastgestelde grondwaterstand.

Artikel 9.15. (voorschriften over oppervlaktewaterlichamen)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het bepalen en bemonsteren van de hoeveelheid en de samenstelling van het in de nabijheid van de stortplaats aanwezige oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 8.56, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke drie maanden plaatsvindt.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat de metingen van de hoeveelheid en samenstelling:

  • a. op grond van de kenmerken van de stortplaats niet zijn vereist; of
  • b. minder frequent mogen worden uitgevoerd als uit evaluatie van de gegevens blijkt dat metingen met langere tussenpozen even effectief zijn.
3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bemonstering van de hoeveelheid en de samenstelling, bedoeld in het eerste lid, op ten minste twee punten wordt uitgevoerd waarvan een stroomopwaarts en een stroomafwaarts ligt.

Artikel 9.16. (voorschriften over onderzoek drainagesystemen en controledrainagesystemen)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de drainagesystemen van de onder- en bovenafdichting en het controledrainagesysteem onder de onderafdichting in het grondwater elke zes maanden worden geïnspecteerd.

2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat na het aanbrengen van de drainagebuizen van de systemen, bedoeld in het eerste lid:

  • a. direct wordt vastgesteld of de drainagebuizen open zijn; en
  • b. de drainagebuizen regelmatig en ten minste een keer per jaar worden doorgespoten met het oog op het waarborgen van een goede werking.
3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het inspecteren van het functioneren van het drainagesysteem voor percolaat van de onderafdichting en het controledrainagesysteem in het grondwater voor de vloeistofstroming in drains en leidingen, plaatsvindt:

  • a. in de daarvoor aangebrachte schachten en inspectieputten of verzamelleidingen; en
  • b. in overeenstemming met de in de Richtlijn drainagesystemen en controlesystemen grondwater voor stort- en opslagplaatsen aangegeven methode.
Artikel 9.17. (voorschriften over onderzoek bovenafdichting)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de dichtheid van de bovenafdichting elke zes maanden wordt geïnspecteerd.

2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inspectie van de dichtheid van de bovenafdichting bestaat uit:

  • a. een onderzoek naar het uittreden van stortgas door de bovenafdichting, als redelijkerwijs is te verwachten dat stortgas uit de stortplaats vrijkomt; en
  • b. een inspectie van de taluds op uittredend percolaat.
3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het onderzoek naar het uittreden van stortgas, bedoeld in het tweede lid, onder a, plaatsvindt in overeenstemming met hoofdstuk 13 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.

4.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inspectie van taluds op uittredend percolaat, bedoeld in het tweede lid, onder b, plaatsvindt door bij de teenconstructie, zijnde het verbindingsgedeelte tussen de onder- en bovenafdichting en het nabijgelegen deel van het talud, de elektrische geleidbaarheid van het water uit het drainagesysteem boven de bovenafdichting te meten, in overeenstemming met de methode uit hoofdstuk 13 van de Richtlijn voor dichte eindeafwerking op afval- en reststofbergingen.

5.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bovenafdichting jaarlijks wordt gecontroleerd op zakking door hoogtemeting van het eindafwerkingsoppervlak in overeenstemming met de methode uit paragraaf 1.3 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.

Artikel 9.18. (voorschriften over onderzoek staat bodem onder de stortplaats)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in artikel 8.57, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaat uit een bemonstering van:

  • a. het percolaat, dat op representatieve plaatsen wordt genomen en representatief is voor de gemiddelde samenstelling van het percolaat;
  • b. het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen of inspectieputten van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats; en
  • c. het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen.
2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de frequentie van de bemonstering, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door de stroomsnelheid van het grondwater onder de stortplaats en dat die frequentie is:

  • a. eenmaal per jaar bij een stroomsnelheid tussen 0 en 5 m/jaar;
  • b. tweemaal per jaar bij een stroomsnelheid tussen 5 tot 30 m/jaar; of
  • c. driemaal per jaar bij een stroomsnelheid van meer dan 30 m/jaar.
3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de stroomsnelheid van het grondwater, bedoeld in het tweede lid, door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige wordt vastgesteld.

4.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op:

  • a. zuurgraad (pH);
  • b. elektrische geleidbaarheid;
  • c. chemisch zuurstofverbruik (CZV);
  • d. minerale olie;
  • e. vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX);
  • f. chloride; en
  • g. Kjeldahl-N of ammoniak (NH3).
5.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de analyse van een of meer van de parameters, bedoeld in het vierde lid, achterwege kan blijven als op grond van de samenstelling van het te storten afval buiten twijfel staat dat deze niet voorkomen in het percolaat van de stortplaats.

Artikel 9.19. (voorschriften over onderzoek staat bodem onder stortplaats: gaschromatografisch-massaspectrometrisch onderzoek)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat eenmaal per jaar een gaschromatografisch-massaspectrometrisch onderzoek op organische verbindingen wordt uitgevoerd.

2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat als een gaschromatografisch-massaspectrometrisch onderzoek op organische verbindingen wordt uitgevoerd, in afwijking van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden ter uitvoering van artikel 9.18, vierde lid, aanhef en onder e, geen analyse op vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) hoeft plaats te vinden.

Artikel 9.20. (voorschriften over onderzoek staat bodem onder stortplaats: analyseren andere parameters)

Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat in verband met de samenstelling van het gestorte afval naast de parameters, genoemd in artikel 9.18, vierde lid, ook andere parameters worden geanalyseerd.

Artikel 9.21. (voorschriften over onderzoek staat bodem onder stortplaats: frequentie meten hoeveelheid percolaat)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het meten van de hoeveelheid percolaat maandelijks plaatsvindt.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat een andere frequentie wordt gehanteerd als:

  • a. de structuur, de opbouw en de samenstelling van het gestorte afval hiertoe aanleiding geven; of
  • b. uit evaluatie van de gegevens blijkt dat metingen met langere tussenpozen even effectief zijn.
Artikel 9.22. (voorschriften over geohydrologische maatregelen bij bereiken interventiepunt)

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de geohydrologische maatregelen die worden getroffen bij het bereiken van het in het urgentieplan bepaalde interventiepunt in overeenstemming zijn met de Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen.

Artikel 9.23. (voorschriften over wanneer interventiepunten worden bereikt)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat voor de parameters, bedoeld in de artikelen 9.18, vierde lid, 9.20 en 9.25, tweede tot en met vierde lid, onder a, standaardwaarden worden vastgesteld ter bepaling van de verslechtering van de grondwaterkwaliteit.

2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de standaardwaarde als volgt wordt berekend:

  • a. als minder dan 30 metingen op een referentiepunt zijn uitgevoerd: het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarden voor het grondwater die bij de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 8.57 en 8.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op een referentiepunt zijn gemeten, vermenigvuldigd met 1,3 en vermeerderd met de detecteerbare overschrijdingswaarde; of
  • b. als meer dan 30 metingen op een referentiepunt zijn uitgevoerd: de waarde waaronder 98% van die metingen liggen, vermeerderd met de detecteerbare overschrijdingswaarde.
3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat:

Artikel 9.24. (voorschriften over inspectie en keuring bodembeschermende maatregelen)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige de inspectie, de keuring en het onderzoek naar de technische staat van de bodembeschermende maatregelen, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 4°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke twee jaar uitvoert in overeenstemming met:

  • a. hoofdstuk 15 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen voor de bovenafdichting;
  • b. de Richtlijn drainagesystemen en controlesystemen grondwater voor stort- en opslagplaatsen, met uitzondering van de paragrafen 3.11 en 4.3.2, voor:
  • 1°. het opvang- en afvoersysteem van percolaat;
  • 2°. de controle van de drainagevoorzieningen; en
  • 3°. de bemonsteringsdrainagebuizen;
  • c. de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring stortplaatsen voor de bemonsteringspeilbuizen, met uitzondering van bijlage V; en
  • d. de Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen, voor zover geohydrologische isolatie is vereist.
2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige bij de analyse van het percolaat, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 4°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de voorgeschreven stoffen analyseert in verband met:

  • a. eventuele aantasting van de afdichting;
  • b. de processen in de stortplaats; en
  • c. de afvoer van het percolaat.
3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verboden die inhouden dat de door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige in het kader van het onderzoek, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 3°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een inschatting maakt van de resterende levensduur van de maatregelen.

Artikel 9.25. (voorschriften over inspectie en keuring onderzoek staat bodem onder de stortplaats)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 5°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke twee jaar uitvoert door een bemonstering van:

  • a. het percolaat;
  • b. het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats; en
  • c. het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen.
2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op:

  • a. cadmium, chroom, koper, nikkel, lood, zink, kwik en arseen;
  • b. chloride, sulfaat, zuurgraad (pH), elektrische geleidbaarheid;
  • c. vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX);
  • d. minerale olie; en
  • e. polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's).
3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op aromaten, als bij het onderzoek, bedoeld in artikel 9.19, de aanwezigheid daarvan is gesignaleerd.

4.

Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat:

  • a. naast de in het tweede en derde lid bedoelde parameters ook andere parameters worden geanalyseerd; of
  • b. analyse van een of meer van de parameters, bedoeld in het tweede en derde lid, achterwege kan blijven als op grond van de samenstelling van het te storten afval buiten twijfel staat dat deze niet voorkomen in het percolaat van de stortplaats.
5.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de analyse van de monsters plaatsvindt door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert volgens NEN-EN-ISO 17025.

Afdeling 9.4. Voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit – bodembescherming stortplaatsen voor alleen baggerspecie op land

Artikel 9.26. (toepassingsbereik voorschriften bodembescherming stortplaatsen voor baggerspecie op land)

Deze afdeling is van toepassing op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 8.62a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 9.27. (voorschriften over voorkomen overschrijding standaardwaarden)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bepaling van het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in artikel 8.62c, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, plaatsvindt volgens bijlage XVIIIf.

2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de berekening of sprake is van een overschrijding als bedoeld in artikel 8.62c, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, plaatsvindt volgens bijlage XVIIIf.

Artikel 9.28. (voorschriften over controle oppervlaktewater)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat in het oppervlaktewater dat in de potentiële invloedssfeer van de stortplaats is gelegen ten minste twee meetpunten worden aangewezen, die zo zijn gekozen dat uit de daar uitgevoerde metingen een beïnvloeding door de stortplaats kan worden vastgesteld.

2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inventarisatie, bedoeld in artikel 8.62h, eerste lid, onder a, en de metingen, bedoeld in artikel 8.62h, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste eenmaal per drie maanden worden uitgevoerd, of met een lagere frequentie als uit evaluatie van de gegevens blijkt dat inventarisaties met langere tussenpozen even effectief zijn.

Artikel 9.29. (voorschriften over controle grondwater: frequentie bepaling niveau grondwater)

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het vaststellen van het niveau van het grondwater, bedoeld in artikel 8.62i, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste elk half jaar plaatsvindt.

Artikel 9.30. (voorschriften over controle grondwater: referentiepunten en controlemeetpunten)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de referentiepunten en de controlemeetpunten, bedoeld in artikel 8.62i, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden aangewezen op basis van een schriftelijk advies van een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige.

2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat als referentiepunt of referentiepunten als bedoeld in artikel 8.62i, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een of meer meetpunten worden aangewezen die samen een betrouwbaar beeld geven van de concentratie van de betrokken stoffen in het grondwater in de nabijheid van de stortplaats zonder dat beïnvloeding van de stortplaats heeft plaatsgevonden.

3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat als controlemeetpunt of controlemeetpunten als bedoeld in artikel 8.62i, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een of meer meetpunten worden aangewezen in het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in artikel 8.62c, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving:

  • a. die samen een betrouwbaar beeld geven van de verspreiding van de betrokken stoffen; en
  • b. die zo gelegen zijn dat tijdig maatregelen kunnen worden getroffen om te voorkomen dat de concentratie van een stof buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied gelijk is aan of groter is dan de signaalwaarde voor die stof, vermeerderd met de standaardwaarde voor die stof, bedoeld in bijlage XVIIIa bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 9.31. (voorschriften over controle grondwater: frequentie meting parameters)

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de metingen, bedoeld in artikel 8.62i, tweede lid, onder c, ten minste eenmaal per jaar plaatsvinden.

Artikel 9.32. (voorschriften over wanneer interventiepunten worden bereikt
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de signaalwaarde, bedoeld in artikel 8.62l, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is:

  • a. als één referentiepunt is aangewezen:
  • 1°. als minder dan 30 metingen zijn verricht: de concentratie van een stof op het referentiepunt, vermenigvuldigd met 1,3; of
  • 2°. als 30 of meer metingen zijn verricht: de waarde waaronder 98% van de metingen liggen;
  • b. als meer dan een referentiepunt is aangewezen: het gemiddelde van de signaalwaarden op de afzonderlijke referentiepunten.
2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de herhaalde meting, bedoeld in artikel 8.62l, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt uitgevoerd door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige.

Afdeling 9.5. Voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit – winningsafvalvoorzieningen

Artikel 9.33. (toepassingsbereik voorschriften bodembescherming winningsafvalvoorzieningen)

Deze afdeling is van toepassing op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 8.63 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 9.34. (voorschriften over aanleg, aanpassing of bouw van een winningsafvalvoorziening)

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de controle, bedoeld in artikel 8.66, eerste lid, onder b, onder 3°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de validatie, bedoeld in artikel 8.68, tweede lid, van dat besluit, worden uitgevoerd door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige.

Afdeling 9.6. Specifieke voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit – het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib

Artikel 9.35. (toepassingsbereik)

Deze afdeling is van toepassing op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 8.70a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 9.36. (voorschriften over monsterneming en analyse)
1.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder de bodem waarop zuiveringsslib wordt gebracht, ten minste eenmaal per tien jaar laat bemonsteren en analyseren door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025. Bij het bemonsteren en analyseren wordt voldaan aan bijlage XXXI.

2.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder er zorg voor draagt dat de door het laboratorium op te stellen rapportage per bemonsterd perceel in ieder geval de volgende gegevens bevat:

  • a. de naam en het adres van degene die de milieubelastende activiteit verricht;
  • b. een kadastrale of topografische aanduiding van het bemonsterde perceel;
  • c. de hoedanigheid en de samenstelling van de bodem van het bemonsterde perceel;
  • d. de naam van het laboratorium dat de analyse heeft verricht;
  • e. de extractiedatum en de analysedatum van het monster; en
3.

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een rapportage een geldigheidsduur heeft van ten hoogste tien jaar.

Afdeling 9.7. Modellen omgevingsvergunning

§ 9.7.1. Modellen omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit en omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit

Artikel 9.37. (model van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit)
1.

Het model van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de wet, wordt gevormd door een modelformulier, dat door de korpschef wordt gewaarmerkt met een stempelafdruk en een handtekening voor de periode waarvoor de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt verleend.

2.

Het model van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, bedoeld in het eerste lid, is het model dat is opgenomen in bijlage XXXII.

3.

De omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt voorzien van de pasfoto van degene voor wie de omgevingsvergunning is bestemd. Deze foto wordt door de korpschef met een stempelafdruk gewaarmerkt.

Artikel 9.38. (model van een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit)

Het model van de omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder g, van de wet, is het model opgenomen in bijlage XXXII.

Hoofdstuk 10. Projectbesluiten

Artikel 10.1. (instructieregel projectbesluit)

De paragrafen 8.2.2, 8.2.3.1, 8.2.3.2, 8.2.3.3 en 8.2.3.4 zijn van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit.

Artikel 10.2. (projectbesluit dat geldt als omgevingsvergunning)

De afdelingen 9.1 tot en met 9.5 zijn van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat geldt als een omgevingsvergunning.

Artikel 10.3. (geen overeenstemming Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vereist)

Als voor het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van een project een projectbesluit wordt vastgesteld door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, is geen overeenstemming als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de wet vereist, als het gaat om:

  • a. een project in het kader van beheer, onderhoud, vervanging of renovatie;
  • b. een project gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • c. een van de volgende projecten, voor zover het totale budget voor het uitvoeren van het project bij de kennisgeving van het voornemen, bedoeld in artikel 5.47, eerste lid, van de wet, lager is dan € 500.000.000
  • 1°. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een autoweg of autosnelweg, spoorweg of vaarweg; of
  • 2°. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een werk voor het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen; of
  • d. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een haven.

Hoofdstuk 11. Handhaving en uitvoering

Artikel 11.1. (kringen van gemeenten)

De volgende gemeenten die deelnemen aan een genoemde omgevingsdienst worden aangewezen als een kring van gemeenten als bedoeld in artikel 18.21, eerste lid, van de wet:

  • a. Noord-Veluwe: Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek en Putten;
  • b. Veluwe IJssel: Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst;
  • c. Achterhoek: Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk en Zutphen;
  • d. de Vallei: Barneveld, Ede, Nijkerk, Scherpenzeel en Wageningen;
  • e. Regio Arnhem: Arnhem, Doesburg, Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Westervoort en Zevenaar;
  • f. Rivierenland: Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neder-Betuwe, Neerijnen, Tiel, West Maas en Waal en Zaltbommel;
  • g. Regio Nijmegen: Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Nijmegen en Wijchen;
  • h. Regio Utrecht: Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Montfoort, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Stichtse Vecht, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vianen, Wijk bij Duurstede, Woerden, IJsselstein en Zeist;
  • i. RUD Utrecht: Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Houten, Leusden, Lopik, Nieuwegein, Soest, Utrecht en Woudenberg;
  • j. IJmond: Beemster, Beverwijk, Haarlem, Heemskerk, Purmerend, Uitgeest en Velsen;
  • k. Noordzeekanaalgebied: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn en Zaanstad;
  • l. Midden-Holland: Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Zuidplas en Waddinxveen;
  • m. West-Holland: Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude; en
  • n. Midden-West Brabant: Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Dongen, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Gilze-Rijen, Goirle, Halderberge, Heusden, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Moerdijk, Oisterwijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Tilburg, Waalwijk, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem en Zundert.

Hoofdstuk 12. Monitoring en informatie

Afdeling 12.1. Waarborgen van de veiligheid

§ 12.1.1. Externe veiligheidsrisico’s

Artikel 12.1. (methode berekenen afstanden plaatsgebonden risico)

Op het berekenen van de afstanden voor het plaatsgebonden risico, bedoeld in de artikelen 11.2, onder d, 11.3, onder c en d, 11.4, onder a, en 11.5, eerste lid, onder b, onder 1°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van toepassing:

  • 1°. voor ondergrondse buisleidingen voor aardgas: Carola; en
  • 2°. voor ondergrondse buisleidingen voor andere stoffen dan aardgas: Safeti-NL; en
Artikel 12.1a. (methode berekenen afstand aandachtsgebieden)
1.

Op het berekenen van de afstand voor een aandachtsgebied, bedoeld in de artikelen 11.3, onder e, 11.4, onder b, en 11.5, eerste lid, onder b, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van toepassing:

  • a. voor een brandaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen brandaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL;
  • b. voor een explosieaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen explosieaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL; en
  • c. voor een gifwolkaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen gifwolkaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL.
2.

In afwijking van het eerste lid, onder a, zijn op het berekenen van de afstand voor een brandaandachtsgebied van ondergrondse buisleidingen voor aardgas het Stappenplan bepalen brandaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Carola van toepassing.

Artikel 12.2. (Informatiemodel Externe Veiligheid)

Gegevens voor het register externe veiligheidsrisico's, bedoeld in artikel 20.11, onder b, van de wet, worden aangeleverd met het Informatiemodel Externe Veiligheid.

§ 12.1.2. Veiligheid primaire waterkeringen

Artikel 12.2a. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op:

Artikel 12.2b. (monitoring omgevingswaarden en andere parameters voor signalering veiligheid primaire waterkeringen: beoordeling)

De beoordeling van de dijktrajecten, bedoeld in bijlage II, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving vindt plaats volgens bijlage XXXIIA bij deze regeling.

Artikel 12.2c. (monitoring omgevingswaarden en andere parameters voor signalering veiligheid primaire waterkeringen: methode)

De monitoring van de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen en de andere parameters voor signalering over de veiligheid van primaire waterkeringen vindt plaats volgens bijlage XXXIIB bij deze regeling.

Artikel 12.2d. (monitoring omgevingswaarden en andere parameters voor signalering veiligheid primaire waterkeringen: frequentie)

De monitoring voor de omgevingswaarde voor de veiligheid van primaire waterkeringen en de andere parameters voor signalering over de veiligheid van primaire waterkeringen vindt voor elk dijktraject ten minste eenmaal per twaalf jaar plaats.

Artikel 12.2e. (monitoring omgevingswaarden en andere parameters voor signalering veiligheid primaire waterkeringen: verslaglegging)

De verslaglegging over de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen en de andere parameters voor signalering over de veiligheid van primaire waterkeringen vindt plaats volgens hoofdstuk 5 van bijlage XXXIIA bij deze regeling.

Artikel 12.2f. (monitoring alarmeringswaarden: methode)

De monitoring van de alarmeringswaarden voor hoogwaterstanden die een gevaar voor primaire waterkeringen kunnen opleveren, bedoeld in artikel 15.3, vindt plaats volgens het Landelijk Draaiboek Hoogwater en Overstromingsdreiging.

§ 12.1.3. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk

Artikel 12.2g. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op de monitoring, bedoeld in artikel 11.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de omgevingswaarden voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.0i van dat besluit.

Artikel 12.2h. (monitoring omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk: methode)

De monitoring van de omgevingswaarden voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk vindt plaats volgens het Voorschrift monitoring veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk.

Artikel 12.2i. (monitoring omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk: frequentie)

De monitoring voor de omgevingswaarde voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk vindt voor elk dijktraject ten minste eenmaal per twaalf jaar plaats.

Afdeling 12.2. Milieu en gezondheid

§ 12.2.1. Kwaliteit van de buitenlucht

§ 12.2.1.1. Monitoring luchtkwaliteit

Artikel 12.3. (toepassingsbereik)
1.

De paragrafen 12.2.1.2 en 12.2.1.3 zijn van toepassing op:

2.

De artikelen 12.4 tot en met 12.27 en 12.34 tot en met 12.37 zijn van toepassing op de monitoring, bedoeld in artikel 20.2, tweede lid, van de wet, voor de alarmeringswaarden voor concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, bedoeld in artikel 15.2.

§ 12.2.1.2. Monitoring door meten

Artikel 12.4. (aantal monitoringspunten luchtkwaliteit Amsterdam/Haarlem)

In de agglomeratie Amsterdam/Haarlem, bedoeld in artikel 2.38, onder a, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  • a. vier voor stikstofdioxide;
  • b. vier voor PM10;
  • c. twee voor PM2,5;
  • d. drie voor ozon, waarvan:
  • 1°. twee in voorstedelijk gebied; en
  • 2°. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt; en
  • e. één voor benzo(a)pyreen.
Artikel 12.5. (aantal monitoringspunten luchtkwaliteit Den Haag/Leiden)

In de agglomeratie Den Haag/Leiden, bedoeld in artikel 2.38, onder b, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  • a. vier voor stikstofdioxide;
  • b. vier voor PM10;
  • c. één voor PM2,5; en
  • d. drie voor ozon, waarvan:
  • 1°. twee in voorstedelijk gebied; en
  • 2°. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt.
Artikel 12.6. (aantal monitoringspunten luchtkwaliteit Eindhoven)

In de agglomeratie Eindhoven, bedoeld in artikel 2.38, onder c, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  • a. twee voor stikstofdioxide;
  • b. twee voor PM10;
  • c. één voor PM2,5; en
  • d. één voor ozon in voorstedelijk gebied, dat ook voor stikstofdioxide wordt gebruikt.
Artikel 12.7. (aantal monitoringspunten luchtkwaliteit Heerlen/Kerkrade)

In de agglomeratie Heerlen/Kerkrade, bedoeld in artikel 2.38, onder d, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  • a. één voor zwaveldioxide;
  • b. twee voor stikstofdioxide;
  • c. twee voor PM10;
  • d. twee voor PM2,5; en
  • e. één voor ozon in voorstedelijk gebied, dat ook voor stikstofdioxide wordt gebruikt.
Artikel 12.8. (aantal monitoringspunten luchtkwaliteit Rotterdam/Dordrecht)

In de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht, bedoeld in artikel 2.38, onder e, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  • a. twee voor zwaveldioxide;
  • b. vier voor stikstofdioxide;
  • c. vier voor PM10;
  • d. vier voor PM2,5;
  • e. één voor lood;
  • f. drie voor ozon, waarvan:
  • 1°. twee in voorstedelijk gebied; en
  • 2°. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt; en
  • g. één voor benzo(a)pyreen.
Artikel 12.9. (aantal monitoringspunten luchtkwaliteit Utrecht)

In de agglomeratie Utrecht, bedoeld in artikel 2.38, onder f, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  • a. twee voor stikstofdioxide;
  • b. twee voor PM10;
  • c. twee voor PM2,5; en
  • d. één voor ozon in voorstedelijk gebied, dat ook voor stikstofdioxide wordt gebruikt.
Artikel 12.10. (aantal monitoringspunten luchtkwaliteit zone midden)

In de zone midden, bedoeld in artikel 2.39, onder a, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  • a. drie voor zwaveldioxide;
  • b. acht voor stikstofdioxide;
  • c. acht voor PM10;
  • d. zeven voor PM2,5;
  • e. één voor lood;
  • f. drie voor koolmonoxide; en
  • g. zeven voor ozon, waarvan:
  • 1°. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en
  • 2°. vier ook voor stikstofdioxide worden gebruikt.
Artikel 12.11. (aantal monitoringspunten luchtkwaliteit zone noord)

In de zone noord, bedoeld in artikel 2.39, onder b, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  • a. één voor zwaveldioxide;
  • b. twee voor stikstofdioxide, waarvan er één ook voor stikstofoxiden wordt gebruikt;
  • c. zeven voor PM10;
  • d. vier voor PM2,5;
  • e. één voor lood; en
  • f. zes voor ozon, waarvan:
  • 1°. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en
  • 2°. drie ook voor stikstofdioxide worden gebruikt.
Artikel 12.12. (aantal monitoringspunten luchtkwaliteit zone zuid)

In de zone zuid, bedoeld in artikel 2.39, onder c, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  • a. één voor zwaveldioxide;
  • b. drie voor stikstofdioxide;
  • c. zes voor PM10;
  • d. vier voor PM2,5,
  • e. één voor lood; en
  • f. zes voor ozon, waarvan:
  • 1°. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en
  • 2°. drie ook voor stikstofdioxide worden gebruikt.
Artikel 12.13. (aantal monitoringspunten richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht)

In Nederland ligt ten minste één monitoringspunt voor het meten van:

  • a. de concentraties van arseen, cadmium en nikkel;
  • b. de achtergrondconcentraties van arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen, benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen; en
  • c. de depositie van:
  • 1°. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen; en
  • 2°. benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen.
Artikel 12.14. (aantal monitoringspunten ook gebruiken voor luchtkwaliteit NOx, VOS en PAK’s)
1.

Van de in de artikelen 12.4 tot en met 12.9 bedoelde monitoringspunten voor het meten van de concentratie van ozon, wordt ten minste één monitoringspunt in stedelijk of voorstedelijk gebied ook gebruikt voor het meten van de concentratie van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen.

2.

Van de in de artikelen 12.4 en 12.8 bedoelde monitoringspunten voor het meten van de concentratie van benzo(a)pyreen, wordt ten minste één monitoringspunt ook gebruikt voor het meten van de concentratie van andere relevante polycyclische aromatische koolwaterstoffen, waaronder in ieder geval benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen.

Artikel 12.15. (aantal monitoringspunten ook gebruiken voor chemische samenstellingen PM2,5)

Van de in de artikelen 12.10 tot en met 12.12 bedoelde monitoringspunten voor het meten van de concentratie van PM2,5, wordt ten minste één monitoringspunt ook gebruikt voor het meten van de concentraties van de chemische samenstellingen van PM2,5, waaronder in ieder geval sulfaat, nitraat, natrium, kalium, ammonium, chloride, calcium, magnesium, elementair koolstof en organisch koolstof.

Artikel 12.16. (locatie monitoringspunten algemeen)
1.

De monitoringspunten voor het meten van de concentratie van zwaveldioxide, stikstofdioxide, PM2,5, PM10, lood, koolmonoxide, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen liggen:

  • a. op locaties waar de hoogste concentratie voorkomt waaraan de bevolking wel of niet rechtstreeks kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de omgevingswaarde significant is;
  • b. op een andere locatie dan bedoeld onder a die representatief is voor de blootstelling van de bevolking als geheel; en
  • c. op een locatie waar het meten van zeer kleine micromilieus in de directe omgeving wordt voorkomen, waaraan in ieder geval wordt voldaan als een monitoringspunt representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht:
  • 1°. van een straatsegment met een lengte van ten minste 100 m op locaties die sterk door het verkeer worden beïnvloed, voor stikstofdioxide, PM2,5 en PM10, lood en koolmonoxide;
  • 2°. van een locatie van ten minste 200 m2 die sterk door het verkeer wordt beïnvloed, voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen;
  • 3°. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en
  • 4°. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied.
2.

De monitoringspunten voor het meten van de verhoging van de concentratie door een milieubelastende activiteit worden zo geplaatst dat ten minste één monitoringspunt benedenwinds van die activiteit in het meest dichtbijgelegen woongebied ligt.

3.

De monitoringspunten zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke locaties buiten de directe omgeving.

4.

Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op de monitoring van de omgevingswaarden voor zwaveldioxide, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

5.

Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de monitoring van:

  • a. de achtergrondconcentraties van arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en de andere in artikel 12.14, tweede lid, genoemde polycyclische aromatische koolwaterstoffen;
  • b. de depositie van:
  • 1°. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen;
Artikel 12.17. (locatie monitoringspunten ozon)
1.

De monitoringspunten voor het meten van de concentratie van ozon liggen op locaties:

  • a. binnen de zones en agglomeraties, bedoeld in de artikelen 2.38 en 2.39, waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking of de vegetatie kan worden blootgesteld gedurende een periode die ten opzichte van de middelingstijd significant is; en
  • b. waarvan aannemelijk is dat ze niet direct worden beïnvloed door plaatselijke emissiebronnen.
2.

De monitoringspunten zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke locaties buiten hun directe omgeving

Artikel 12.18. (locatie monitoringspunten achtergrondconcentraties)

De monitoringspunten voor het meten van achtergrondconcentraties:

  • a. liggen op een locatie waar deze niet worden beïnvloed door agglomeraties als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 17, van de richtlijn luchtkwaliteit of industrieterreinen binnen een straal van 5 km; en
  • b. zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke locaties buiten hun directe omgeving.
Artikel 12.19. (wijze van bemonsteren algemeen)
1.

Bij de monitoringspunten, bedoeld in de artikelen 12.16 en 12.17, wordt bemonsterd door de lucht in een inlaatbuis te laten stromen:

  • a. waarbij de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen;
  • b. binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor metingen aan de rooilijn; en
  • c. zonder enige verstoring van de luchtstroom in de directe omgeving van het bemonsteringsapparaat.
2.

De inlaatbuis ligt tussen de 1,5 m en 4 m boven de grond, tenzij een grotere hoogte nodig is.

3.

De inlaatbuis ligt zo dat wordt voorkomen dat:

  • a. de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt; en
  • b. de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen.
4.

Het derde lid, onder a, is niet van toepassing op het bemonsteren van ozon.

Artikel 12.20. (wijze van bemonsteren bij wegen)
1.

Als het gaat om het bemonsteren van de concentratie van stikstofdioxide, PM2,5 en PM10, lood, koolmonoxide en benzeen op locaties die sterk door het verkeer worden beïnvloed, ligt de inlaatbuis:

  • a. ten minste 25 m van de rand van grote kruispunten, waarbij de verkeersstroom wordt onderbroken en de uitstoot verschilt ten opzichte van het overige gedeelte van de weg; en
  • b. niet meer dan 10 m van de wegrand.
2.

Als het gaat om het bemonsteren van concentraties van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen op locaties die sterk door het verkeer worden beïnvloed, ligt de inlaatbuis:

  • a. ten minste 25 m van de rand van grote kruispunten, waarbij de verkeersstroom wordt onderbroken en de uitstoot verschilt ten opzichte van het overige gedeelte van de weg;
  • b. ten minste 4 m van het midden van de dichtstbij gelegen rijbaan; en
  • c. op een locatie die representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht in de nabijheid van de rooilijn.
Artikel 12.21. (zwaveldioxide: meetmethode)
1.

Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van zwaveldioxide is NEN-EN 14212 van toepassing.

2.

De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor zwaveldioxide is ten hoogste 15% voor:

  • a. een uurgemiddelde waarde van 350 µg/m3; en
  • b. een 24-uurgemiddelde waarde van 125 µg/m3.
3.

In afwijking van het tweede lid is op locaties als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving de meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor zwaveldioxide ten hoogste 15% voor een jaargemiddelde waarde van 20 µg/m3.

4.

Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14212 van toepassing.

Artikel 12.22. (zwaveldioxide: gemiddelden)
1.

Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van zwaveldioxide worden uurgemiddelde en 24-uurgemiddelde concentraties bepaald.

2.

Er wordt een 24-uurgemiddelde bepaald als:

  • a. per etmaal ten minste achttien uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn; of
3.

Het aantal gevalideerde uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%.

4.

Op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden of zullen worden overschreden.

5.

Uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.21, tweede of derde lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.23. (stikstofdioxide en stikstofoxiden: meetmethode)
1.

Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van stikstofdioxide en stikstofoxiden is NEN-EN 14211 van toepassing.

2.

De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor stikstofdioxide is ten hoogste 15% voor:

  • a. een uurgemiddelde waarde van 200 µg/m3; en
  • b. een jaargemiddelde waarde van 40 µg/m3.
3.

De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor stikstofoxiden is kleiner dan, of gelijk aan 15% voor een jaargemiddelde waarde van 30 µg/m3.

4.

Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14211 van toepassing.

Artikel 12.24. (stikstofdioxide en stikstofoxiden: gemiddelden)
1.

Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van stikstofdioxide en stikstofoxiden worden uurgemiddelde concentraties bepaald.

2.

Het aantal gevalideerde uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%.

3.

Op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zal worden overschreden.

4.

Uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.23, tweede of derde lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.25. (PM10: meetmethode)
1.

Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van PM10 is NEN-EN 12341 van toepassing.

2.

De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor PM10 is ten hoogste 25% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 50 µg/m3.

3.

Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14907 van toepassing.

Artikel 12.26. (PM10: gemiddelden)
1.

Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van PM10 worden 24-uurgemiddelde concentraties bepaald.

2.

Er wordt een 24-uurgemiddelde bepaald als:

  • a. per etmaal ten minste achttien uur bemonsterd is; of
3.

Het aantal gevalideerde 24-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%.

4.

Op grond van de beschikbare 24-uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zullen worden overschreden.

5.

24-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.25, tweede lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.27. (PM10: zeezoutcorrectie)
1.

Als de gemeten 24-uurgemiddelde concentratie PM10 meer dan 35 maal per kalenderjaar de omgevingswaarde voor PM10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overschrijdt, wordt het aantal overschrijdingen verminderd met het aantal overschrijdingen, bedoeld in bijlage XXIII, onder A, in de daarbij aangegeven provincie.

2.

Als de gemeten kalenderjaargemiddelde concentratie PM10 hoger is dan de omgevingswaarde voor PM10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt de gemeten concentratie verminderd met het aantal microgram per kubieke meter, bedoeld in bijlage XXIII, onder B, in de daarbij aangegeven gemeente.

Artikel 12.28. (PM2,5: meetmethode)
1.

Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van PM2,5 is NEN-EN 12341 van toepassing.

2.

De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor PM2,5 is ten hoogste 25% voor een jaargemiddelde waarde van 25 µg/m3.

3.

Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 12341 van toepassing.

Artikel 12.29. (meting PM2,5: gemiddelden)
1.

Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van PM2,5 worden 24-uurgemiddelde concentraties bepaald.

2.

Er wordt een 24-uurgemiddelde concentratie bepaald als per etmaal ten minste achttien uur bemonsterd is.

3.

Het aantal gevalideerde 24-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%.

4.

Op grond van de beschikbare 24-uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden of zullen worden overschreden.

5.

24-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.28, tweede lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.30. (lood: meetmethode)
1.

Op het bemonsteren van de concentratie van lood is NEN-EN 12341 van toepassing.

2.

Op het meten van de concentratie van lood is NEN-EN 14902 van toepassing.

3.

De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor lood is ten hoogste 50% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 0,5 µg/m3.

4.

Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14902 van toepassing.

Artikel 12.31. (lood: gemiddelden)
1.

Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van lood worden gedurende ten minste 14% van de tijd in een kalenderjaar concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.

2.

Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar is ten minste 90%.

3.

Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.30, derde lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.32. (koolmonoxide: meetmethode)
1.

Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van koolmonoxide is NEN-EN 14626 van toepassing.

2.

De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor koolmonoxide is ten hoogste 15% voor een acht-uurgemiddelde waarde van 10.000 µg/m3.

3.

Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14626 van toepassing.

Artikel 12.33. (koolmonoxide: gemiddelden)
1.

Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van koolmonoxide worden uurgemiddelde en acht-uurgemiddelde concentraties bepaald.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)