Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)
- a. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar wordt aangevraagd: € 800;
- b. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.900; of
- c. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.500.
Artikel 14.41a. (flora- en fauna-activiteit schadelijke handelingen: tarief omgevingsvergunning)
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op:
- a. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief:
- 1°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar wordt aangevraagd: € 600;
- 2°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van een tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600; of
- 3°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000; of
- b. flora- en fauna-activiteiten soorten als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief:
- 1°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar wordt aangevraagd: € 600;
- 2°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van een tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600; of
- 3°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000; of
- c. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief:
- 1°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar wordt aangevraagd: € 600;
- 2°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van een tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600; of
- 3°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000.
Artikel 14.41b. (flora- en fauna-activiteit commercieel bezit: tarief omgevingsvergunning)
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op:
- a. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: € 80; of
- b. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: € 80.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning.
Artikel 14.41c. (flora- en fauna-activiteit niet-commercieel bezit: tarief omgevingsvergunning)
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op:
- a. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: € 60; of
- b. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: € 60.
Artikel 14.41d. (flora- en fauna-activiteit uitzetten van dieren of eieren van dieren: tarief omgevingsvergunning)
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitzetten van dieren of eieren van dieren, bedoeld in artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief:
- a. voor de herintroductie van een soort: € 1.600; of
- b. voor het uitzetten, planten of zaaien van exoten: € 800.
Artikel 14.41e. (valkeniersactiviteit: tarief omgevingsvergunning)
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op:
- a. een valkeniersactiviteit, bedraagt het tarief: € 65; en
- b. een duplicaat van een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit, bedraagt het tarief: € 30.
De gelden die zijn voldaan voor een verleende omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit worden niet gerestitueerd.
Artikel 14.41f. (jachtgeweeractiviteit: tarief omgevingsvergunning)
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op:
- a. een jachtgeweeractiviteit, bedraagt het tarief: € 138;
- b. een jachtgeweeractiviteit voor de periode aansluitend op de periode waarvoor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend, bedraagt het tarief: € 68;
- c. het wijzigen van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, bedraagt het tarief: € 30;
- d. het vervangen als gevolg van verlies van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, bedraagt het tarief: € 30; en
- e. een duplicaat van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, bedraagt het tarief: € 30.
De gelden die zijn voldaan voor een verleende omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit worden niet gerestitueerd.
Het tarief voor een combinatie van de in het eerste lid genoemde handelingen bedraagt niet meer dan het bedrag dat zou zijn verschuldigd voor dat deel van de combinatie waarvoor het hoogste tarief geldt.
Artikel 14.42. (modaliteiten)
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de wet, of een activiteit als bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, 11.46, eerste lid, en 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt het tarief:
- a. als de wijziging geen nieuwe ecologische beoordeling vergt: € 0; en
- b. als de wijziging een nieuwe ecologische beoordeling vergt: 25% van het tarief dat bij de activiteiten, bedoeld in artikelen 14.41 en 14.41a, hoort.
Als onderzoek als bedoeld in artikel 48a van de Regeling wapens en munitie, deel uitmaakt van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.14f, verhoogd met € 55.
Artikel 14.43. (flora- en fauna-activiteiten: tarief maatwerkvoorschrift)
Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 11.31, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 100.
Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op het verbod op bezit van en handel in dieren en planten als bedoeld in artikel 11.96, eerste, tweede en derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en betrekking heeft op levende dieren, bedraagt het tarief € 15.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van het maatwerkvoorschrift.
Artikel 14.43a. (herbeplanten: tarief maatwerkvoorschrift)
Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op herbeplanten van grond als bedoeld in artikel 11.114, onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 300.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van het maatwerkvoorschrift.
Artikel 14.44. (documenten uit de cites-basisverordening: tarief documenten)
Voor de behandeling van een aanvraag om afgifte of wijziging van de hierna genoemde documenten, bedraagt het tarief voor:
- a. een invoervergunning als bedoeld in artikel 4 van de cites-basisverordening: € 60;
- b. een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5 van de cites-basisverordening: € 60;
- c. een wederuitvoercertificaat als bedoeld in artikel 5 van de cites-basisverordening: € 60;
- d. een bijlage bij een document als bedoeld in onderdeel a, b of c waarop maximaal 3 soorten worden vermeld: € 60;
- e. een inschrijving als wetenschappelijke instelling als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de cites-basisverordening: € 40;
- f. een certificaat als bedoeld in de artikelen 8, derde lid, en 9, tweede lid, onderdeel b, van de cites-basisverordening: € 15;
- g. een certificaat van persoonlijke eigendom als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de cites-uitvoeringsverordening: € 45;
- h. een certificaat van monsterverzameling als bedoeld in artikel 44 bis van de cites-uitvoeringsverordening: € 60;
- i. een muziekinstrumentencertificaat als bedoeld in artikel 44 decies, eerste lid, van de cites-uitvoeringsverordening: € 45;
- j. een certificaat voor reizende tentoonstellingen als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de cites-uitvoeringsverordening: € 45;
- k. een etiket als bedoeld in artikel 66, zesde lid, van de cites-uitvoeringsverordening: € 0,25; en
- l. een vergunning als bedoeld in artikel 66, zevende lid, van de cites-uitvoeringsverordening: € 60.
Artikel 14.44a. (documenten uit de invasieve-exoten-basisverordening: tarief documenten)
Voor de behandeling van een aanvraag om een document als bedoeld in de artikelen 8, zesde lid, en 9, zesde lid, van de invasieve-exoten-basisverordening, voor zover de aanvraag niet gelijktijdig wordt ingediend met de aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 11.109 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt: € 15.
Artikel 14.45. (tarief ringen, merken of merktekens)
Voor de behandeling van een aanvraag om merktekens voor een geprepareerde vogel als bedoeld in artikel 7.219, vierde lid, bedraagt het tarief: € 1 per merkteken.
De aan erkende organisaties, als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, door de leverancier in rekening gebrachte kostprijs voor de vervaardiging van gesloten pootringen wordt aan de aanvrager doorberekend.
De erkende organisaties kunnen de in het tweede lid bedoelde kostprijs verhogen met een bedrag ter dekking van de kosten voor de uitreiking van ringen ter hoogte van maximaal € 1 per ring.
Gesloten pootringen worden uitgereikt na voldoening van de som van de gelden, bedoeld in het tweede en derde lid.
Artikel 14.46
[Vervallen]
§ 14.1.4. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten
Artikel 14.47. (activiteit die het werelderfgoed betreft: tarief maatwerkvoorschrift)
Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een activiteit die het werelderfgoed betreft als bedoeld in artikel 14.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 2.211.
Afdeling 14.2. Gebruiksvergoeding door initiatiefnemer bij gedoogplicht
Artikel 14.48. (toepassingsbereik)
Deze afdeling is van toepassing als:
- a. een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.14 of 10.21 van de wet is opgelegd voor een werk dat tot stand wordt gebracht of wordt opgeruimd door een initiatiefnemer als bedoeld in artikel 13.3e, eerste lid, van de wet; en
- b. de initiatiefnemer op grond van artikel 13.3e, eerste lid, van de wet een redelijke gebruiksvergoeding is verschuldigd.
Artikel 10.1 van de wet is van overeenkomstige toepassing op deze afdeling.
Artikel 14.49. (hoogte redelijke gebruiksvergoeding rechthebbenden)
Een initiatiefnemer is de redelijke gebruiksvergoeding, bedoeld in artikel 13.3e, eerste lid, van de wet, jaarlijks aan de eigenaar van de onroerende zaak verschuldigd. De redelijke gebruiksvergoeding wordt bepaald volgens de formule:
gebruiksvergoeding = grondoppervlakte · grondwaarde · rendementsfactor
waarbij wordt verstaan onder:
grondoppervlakte: oppervlakte in vierkante meter van het deel van de onroerende zaak waarop de gedoogplicht rust;
grondwaarde: marktwaarde per vierkante meter van de grondoppervlakte, uitgaande van de prijs die tot stand zou zijn gekomen bij een veronderstelde vrije koop in het economische verkeer tussen een redelijk handelende verkoper en een redelijk handelende koper, uitgaande van het in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten gebruik van de onroerende zaak;
rendementsfactor: forfaitair rendement van 2%.
Bij het bepalen van de grondwaarde wordt uitgegaan van de waarde op de dag voorafgaand aan die waarop de gedoogplicht wordt opgelegd.
De grondwaarde wordt vanaf de dag waarop de verplichting tot gedogen ingaat elke vijf jaar geïndexeerd overeenkomstig het percentage waarmee de consumentenprijsindex, zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek, over de derde maand voorafgaand aan die waarin indexatie plaatsvindt, afwijkt van:
- a. de consumentenprijsindex geldend op de dag waarop de verplichting tot gedogen is ingegaan; of
- b. als indexatie tien jaar of meer na het ingaan van de verplichting tot gedogen plaatsvindt: de consumentenprijsindex waarop de voorgaande indexatie is gebaseerd.
Als voor de grondoppervlakte op grond van artikel 13.3e van de wet ook een redelijke gebruiksvergoeding aan een andere rechthebbende dan de eigenaar van de onroerende zaak is verschuldigd, komt die gebruiksvergoeding in mindering op de gebruiksvergoeding, bedoeld in het eerste lid.
De redelijke gebruiksvergoeding voor de andere rechthebbende wordt bepaald naar rato van:
- a. de aard van het recht dat die rechthebbende op de onroerende zaak heeft; en
- b. het aantal vierkante meter van de onroerende zaak waarop die rechthebbende een recht heeft en waarop de gedoogplicht rust.
Hoofdstuk 15. Bevoegdheden in bijzondere omstandigheden
Afdeling 15.1
Afdeling 15.2
Afdeling 15.3. Alarmeringswaarden
§ 15.3.1. Algemene bepalingen
Artikel 15.1. (toepassingsbereik)
Deze afdeling is van toepassing op het vaststellen van de alarmeringswaarden, bedoeld in artikel 19.10, eerste lid, van de wet, en op het geven van informatie of waarschuwingen bij overschrijding of dreigende overschrijding van een alarmeringswaarde als bedoeld in artikel 19.11 van de wet.
§ 14.1.4. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten
Artikel 15.2. (alarmeringswaarden verontreinigende stoffen in de buitenlucht)
Voor zwaveldioxide geldt een alarmeringswaarde van 500 μg/m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren.
Voor stikstofdioxide geldt een alarmeringswaarde van 400 μg/m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren.
Voor ozon gelden de volgende alarmeringswaarden:
- a. 180 μg/m3 als uurgemiddelde concentratie; en
- b. 240 μg/m3 als uurgemiddelde concentratie.
Voor PM10 gelden de volgende alarmeringswaarden:
- a. 70 μg/m3 als daggemiddelde concentratie; en
- b. 100 μg/m3 als daggemiddelde concentratie.
De alarmeringswaarden, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, gelden in gebieden van ten minste 100 km2 of in een volledige agglomeratie of zone als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39.
Artikel 15.3. (alarmeringswaarden hoogwaterstanden)
De alarmeringswaarden voor hoogwaterstanden die een gevaar voor primaire waterkeringen kunnen opleveren, bedoeld in artikel 19.10, eerste lid, onder b, van de wet, zijn vastgesteld in bijlage XXXV.
§ 15.3.3. Informatie en waarschuwing bij overschrijding of dreigende overschrijding van alarmeringswaarden voor concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht
Artikel 15.4. (niveaus van verhoogde concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht)
Van geringe smog is sprake wanneer:
- a. de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide lager is dan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder a, respectievelijk artikel 2.4, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
- b. de concentratie van ozon lager is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder a; of
- c. de daggemiddelde concentratie van PM10 lager is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder a.
Van matige smog is sprake wanneer:
- a. de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide hoger is dan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder a, respectievelijk artikel 2.4, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, maar lager is dan de alarmeringswaarden, bedoeld in artikel 15.2, eerste lid, respectievelijk tweede lid;
- b. de concentratie van ozon hoger is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder a, maar lager is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder b; of
- c. de daggemiddelde concentratie van PM10 zich bevindt tussen de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder a, en de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder b.
Van ernstige smog is sprake wanneer:
- a. de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide hoger is dan de alarmeringswaarden, bedoeld in artikel 15.2, eerste lid, respectievelijk tweede lid;
- b. de concentratie van ozon hoger is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder b; of
- c. de daggemiddelde concentratie van PM10 hoger is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder b.
Artikel 15.5. (vaststellen niveau van verontreinigende stoffen in de buitenlucht)
Het vaststellen of sprake is van geringe, matige of ernstige smog vindt plaats door het RIVM overeenkomstig artikel 12.3, tweede lid.
Artikel 15.6. (basisinformatie)
Het RIVM stelt basisinformatie over zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 beschikbaar op www.luchtmeetnet.nl en zo mogelijk via andere landelijke media.
Basisinformatie als bedoeld in het eerste lid omvat ten minste:
- a. een beschrijving van het ontstaan van concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 in de buitenlucht;
- b. een weergave van de actuele concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 per agglomeratie en zone als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39 en een toelichting daarop; en
- c. een aanduiding van de actuele concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 als geringe, matige of ernstige smog.
Artikel 15.7. (analyse luchtkwaliteit bij matige of ernstige smog)
Als naar redelijke verwachting van het RIVM het risico bestaat op matige of ernstige smog en in perioden van matige of ernstige smog, analyseert het RIVM ieder uur de ontwikkeling van de kwaliteit van de buitenlucht op basis van de vaststelling van de concentraties, bedoeld in artikel 12.3, tweede lid.
Artikel 15.8. (matige of ernstige smog: informatie aan het publiek en bijzonder gevoelige bevolkingsgroepen)
Bij matige of ernstige smog stelt het RIVM, in aanvulling op de in artikel 15.6 genoemde basisinformatie, beschikbaar:
- a. een beschrijving van het ontstaan van smog en van de verontreinigende stoffen in de buitenlucht die matige of ernstige smog veroorzaken;
- b. een prognose van de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 voor de eerstvolgende middag, dag of dagen;
- c. een beschrijving van de bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen waarvoor matige of ernstige smog risico’s kan inhouden voor de gezondheid, van te verwachten symptomen en van door die bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen te treffen voorzorgsmaatregelen; en
- d. een verwijzing naar het Longfonds, de GGD en het RIVM als bronnen van nadere informatie over smog.
De in het eerste lid bedoelde informatie wordt beschikbaar gesteld op www.luchtmeetnet.nl en zo mogelijk via andere landelijke media.
Artikel 15.9. (matige smog: informatie aan bestuursorganen en andere instanties)
Als matige smog is vastgesteld in een of meer agglomeraties of zones als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39 en de matige smog is veroorzaakt door verhoogde concentraties van zwaveldioxide of stikstofdioxide als bedoeld in artikel 15.4, tweede lid, onder a, stelt het RIVM gedeputeerde staten van de betreffende provincies, het ANP, de GGD en het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in kennis van de actuele concentraties van zwaveldioxide en stikstofdioxide.
Artikel 15.10. (ernstige smog: informatie en waarschuwing aan bestuursorganen en andere instanties)
Als ernstige smog is vastgesteld in een of meer agglomeraties of zones als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39, stelt het RIVM gedeputeerde staten van de betreffende provincies, het ANP, de GGD en het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, onmiddellijk in kennis van:
- a. de actuele concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10;
- b. de alarmeringswaarde die wordt overschreden;
- c. de hoogste uurgemiddelde concentratie en voor ozon de hoogste acht-uurgemiddelde concentratie;
- d. de datum, het tijdstip van aanvang, de duur, de plaats en, voor zover bekend, de oorzaak van de overschrijding van de betreffende alarmeringswaarde;
- e. een gemotiveerde prognose van de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 voor de eerstvolgende middag, dag of dagen in het betreffende geografische gebied en de verwachte duur van de ernstige smog;
- f. een beschrijving van de bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen waarvoor ernstige smog risico’s kan inhouden voor de gezondheid, van te verwachten symptomen en van door die bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen te treffen voorzorgsmaatregelen; en
- g. informatie over de stoffen waarvan de concentratie tijdelijk is verhoogd.
Op de dagen die volgen op een dag dat ernstige smog is vastgesteld, stelt het RIVM de instanties, genoemd in het eerste lid, ten minste eenmaal per dag in kennis van geactualiseerde gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met g.
De commissaris van de Koning doet van het optreden van ernstige smog zo spoedig mogelijk mededeling aan het publiek door middel van radio en televisie of op een andere door de commissaris te bepalen wijze. De mededeling omvat de informatie, bedoeld in het eerste lid, en:
- a. een verwijzing naar het Longfonds, de GGD en het RIVM als bronnen van nadere informatie over smog; en
- b. voor zover van toepassing, gegevens over de belangrijkste bronsectoren die bijdragen aan de ernstige smog en aanbevelingen voor maatregelen om de emissies te verminderen.
Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer naar redelijke verwachting van het RIVM ernstige smog dreigt te ontstaan.
Artikel 15.11. (informatie bij dreigende overschrijding alarmeringswaarde ozon of PM10)
Artikel 15.10, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing wanneer naar redelijke verwachting van het RIVM het risico bestaat op overschrijding van de alarmeringswaarde voor ozon of PM10, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder a, respectievelijk artikel 15.2, vierde lid, onder a, of wanneer overschrijding van die alarmeringswaarde is vastgesteld.
Artikel 15.12. (vaststellen Smogdraaiboek)
Gedeputeerde staten stellen voor de uitvoering van de artikelen 15.10, derde en vierde lid, en 15.11 een provinciaal draaiboek smog vast op basis van het Modeldraaiboek Smog.
§ 15.3.3. Informatie en waarschuwing bij overschrijding of dreigende overschrijding van alarmeringswaarden voor concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht
Artikel 15.13. (informatie en waarschuwing bij overschrijding alarmeringswaarden: hoogwaterstanden)
Op het geven van informatie of waarschuwingen bij een overschrijding of dreigende overschrijding van de alarmeringswaarden voor hoogwaterstanden, bedoeld in artikel 15.3, is het Landelijk Draaiboek Hoogwater en Overstromingen van toepassing.
Hoofdstuk 15. Bevoegdheden in bijzondere omstandigheden
Afdeling 15.1
Artikel 16.1. (tactisch beheer)
Aan de Dienst, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster, wordt een uitsluitend recht verleend voor het in opdracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verrichten van werkzaamheden die verband houden met het coördineren van het beheer van de landelijke voorziening.
Afdeling 15.2
Artikel 16.2. (beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de landelijke voorziening)
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties neemt passende generieke maatregelen om de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de landelijke voorziening te waarborgen.
Tot de maatregelen behoort in ieder geval het vastleggen en implementeren van een noodherstelplan bij verlies van gegevens in de landelijke voorziening.
Artikel 16.3. (storingen, aantastingen en beveiligingsincidenten landelijke voorziening)
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verhelpt storingen, aantastingen van de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de landelijke voorziening en beveiligingsincidenten binnen een redelijke termijn.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan zonder voorafgaande kennisgeving de toegang tot of de beschikbaarheid van de landelijke voorziening onderbreken, als sprake is van een storing, een aantasting van de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de landelijke voorziening of een beveiligingsincident. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekt informatie over de aard en verwachte duur van de onderbreking via een algemeen toegankelijk kanaal.
Artikel 16.4. (bevoegdheden minister bij misbruik van de landelijke voorziening)
Om aantasting van de beveiliging, misbruik of oneigenlijk gebruik van de landelijke voorziening te signaleren en adequaat te beëindigen, kan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties:
- a. controles uitvoeren op de gegevens in de landelijke voorziening;
- b. bij het vermoeden van misbruik of oneigenlijk gebruik de toegang tot de landelijke voorziening onderbreken; of
- c. bij geconstateerd misbruik of oneigenlijk gebruik de toegang tot de landelijke voorziening beëindigen.
Afdeling 16.2a. Omgevingsdocumenten
Artikel 16.4a. (aanwijzing omgevingsdocument)
Omgevingsdocument zijn de besluiten en andere rechtsfiguren die zijn opgenomen in bijlage 4 of bijlage 5 bij de Regeling standaarden publicaties Omgevingswet.
Afdeling 16.1. Inrichting en beheer landelijke voorziening
Artikel 16.5. (systeembeschrijving)
De systeembeschrijving, bedoeld in artikel 20.29 van de wet, bestaat uit:
- a. hoofdstuk 8 van de in bijlage XXXVI opgenomen Standaard toepasbare regels, versie 2.0, en de hoofdstukken 5 tot en met 9 van het daarbij behorende en in die bijlage opgenomen Informatiemodel toepasbare regels; en
- b. de hoofdstukken 3 en 4 van de in bijlage XXXVII opgenomen Standaard aanvragen en meldingen, versie 5.0.
Artikel 16.6. (levering informatie voor formulier)
Informatie voor het samenstellen van het via de landelijke voorziening te verstrekken formulier, bedoeld in artikel 14.2, derde lid, van het Omgevingsbesluit, wordt beschikbaar gesteld volgens het onderdeel van de systeembeschrijving, bedoeld in artikel 16.5, onder a.
Artikel 16.7. (levering statusinformatie)
Een in bijlage VIII bij het Omgevingsbesluit bedoeld gegeven over de status van een besluit of andere rechtsfiguur wordt verstrekt volgens de standaard en met gebruikmaking van de voorziening zoals op grond van de Bekendmakingswet is bepaald voor de publicatie van het besluit of de andere rechtsfiguur waarop het gegeven betrekking heeft.
Artikel 16.8. (facultatieve levering toepasbare regels)
Als een bestuursorgaan voor ontsluiting via de landelijke voorziening informatie beschikbaar stelt die is bedoeld om een ieder in staat te stellen op eenvoudige wijze inzicht te verkrijgen in regels die gelden voor een bepaalde activiteit, gebeurt dit volgens het onderdeel van de systeembeschrijving, bedoeld in artikel 16.5, onder a.
Afdeling 16.4. Verantwoordelijkheden bij verwerking persoonsgegevens in samenwerkfunctionaliteit
Artikel 16.9. (toepassingsbereik)
Deze afdeling is van toepassing op het via de landelijke voorziening uitwisselen van persoonsgegevens bij het voorbereiden van een beslissing op een aanvraag of het beoordelen van een melding of gegevens en bescheiden ter voldoening aan een andere informatieverplichting dan een melding op grond van de wet, waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens, gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken zijn.
Artikel 16.10. (informatieverstrekking aan betrokkene)
Het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens, draagt zorg voor het verstrekken van informatie aan de betrokkene in overeenstemming met de artikelen 13 en 14 van de Algemene verordening gegevensbescherming.
Artikel 16.11. (rechten van betrokkene)
Betrokkene kan een verzoek over de uitoefening van de aan hem toegekende rechten als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de Algemene verordening gegevensbescherming richten aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De minister richt hiervoor een contactpunt in.
De minister geleidt een verzoek als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk door naar het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens. Dit bestuursorgaan handelt het verzoek af.
Artikel 16.12. (melden datalek in verband met operationele werking landelijke voorziening)
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties meldt een inbreuk in verband met persoonsgegevens die verband houdt met de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening aan de Autoriteit persoonsgegevens en informeert het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens daarover.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt degene om wiens persoonsgegevens het gaat onverwijld in kennis van een inbreuk in verband met persoonsgegevens als bedoeld in het eerste lid als de inbreuk waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor diens rechten en vrijheden.
Artikel 16.13. (melden datalek in verband met gebruik landelijke voorziening)
Het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens, meldt een inbreuk in verband met persoonsgegevens die verband houdt met het gebruik van de landelijke voorziening aan de Autoriteit persoonsgegevens en informeert de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daarover.
Het bestuursorgaan stelt degene om wiens persoonsgegevens het gaat onverwijld in kennis van een inbreuk in verband met persoonsgegevens als bedoeld in het eerste lid als de inbreuk waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor diens rechten en vrijheden.
Artikel 16.14. (melden datalek bij onduidelijkheid oorsprong)
Als niet duidelijk is of een inbreuk in verband met persoonsgegevens verband houdt met de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening of het gebruik daarvan, meldt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de inbreuk aan de Autoriteit persoonsgegevens en informeert hij het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens daarover.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt degene om wiens persoonsgegevens het gaat onverwijld in kennis van een inbreuk in verband met persoonsgegevens als bedoeld in het eerste lid als de inbreuk waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor diens rechten en vrijheden.
Artikel 16.15. (registratie datalekken)
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties documenteert alle inbreuken in verband met persoonsgegevens die verband houden met de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening.
Het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens, documenteert alle inbreuken in verband met persoonsgegevens die verband houden met het gebruik van de landelijke voorziening.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties documenteert alle overige inbreuken in verband met persoonsgegevens.
Hoofdstuk 16. Digitaal stelsel Omgevingswet
Artikel 17.1. (overgangsrecht emissiefactoren ammoniak en PM10 voor pelsdieren)
Vervallen
Artikel 17.1a. (overgangsrecht aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit)
Artikel 7.207b, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is vereist op grond van:
- a. een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of
Artikel 17.2. (overgangsrecht formulier te saneren gebouwen)
De lijst met vanwege het geluid te saneren gebouwen, bedoeld in artikel 15.2 van het Omgevingsbesluit, wordt vastgesteld volgens het formulier ‘Formulier saneringslijst’, beschikbaar gesteld op www.bureausaneringverkeerslawaai.nl.
Artikel 17.3. (overgangsrecht: rekenformule luchtvaartgeluid bij berekenen gecumuleerd geluid)
Tot het tijdstip, bedoeld in artikel 3.25, derde lid, wordt het geluid door luchtvaart omgerekend naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt, volgens de formule:
Artikel 17.4. (algemeen overgangsrecht bouwactiviteiten)
Op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onder a, van de wet, een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel voor een activiteit geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving of een aanvraag om een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor een activiteit geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving, ingediend voor het tijdstip waarop een wijziging van hoofdstuk 5 of paragraaf 7.2.2, inclusief de daar genoemde bijlagen, in werking treedt, of op bezwaar of beroep, ingesteld tegen een beslissing op een dergelijke aanvraag, blijven de regels in hoofdstuk 5 of paragraaf 7.2.2 van toepassing zoals die golden op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend.
Op een melding voor een activiteit geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving, gedaan voor het tijdstip waarop een wijziging van hoofdstuk 5 of paragraaf 7.2.2, inclusief de daar genoemde bijlagen, in werking treedt, blijven de regels van hoofdstuk 5 en paragraaf 7.2.2 van toepassing zoals die golden op het tijdstip waarop de melding is gedaan.
Artikel 17.5. (overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen)
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop de gegevens voor de basisgeluidemissie uiterlijk worden verzameld, bestaat het geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen als bedoeld in artikel 3.26 van het Besluit kwaliteit leefomgeving uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de volgende afstand, gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg:
- a. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m;
- b. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
- c. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Als een lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg wordt bij de toepassing van het eerste lid het totaal van het aantal sporen of rijstroken beschouwd.
Artikel 17.6. (overgangsrecht geluid spoorvoertuigen op emplacementen)
Bij wijziging van een geluidproductieplafond op grond van artikel 12.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt de hoogte van het geluidproductieplafond berekend op basis van:
- a. de geluidbrongegevens behorende bij het geldende geluidproductieplafond of, voor zover van toepassing, de gewijzigde geluidbrongegevens, bedoeld in bijlage XXXIX; en
- b. de geluidbrongegevens die horen bij het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van de hoofdspoorweg.
Het geluid, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt bepaald op basis van aard en omvang van de activiteiten opgenomen in de representatieve bedrijfssituatie van het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de vigerende omgevingsvergunning, waarbij de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften in acht worden genomen.
Paragraaf 2.7 van bijlage IVf is van overeenkomstige toepassing op de geluidbronvermogens van stilstaande treinen.
Hoofdstuk 17. Overgangsrecht
Artikel 17a.1. (begripsbepalingen)
Vervallen
Artikel 17a.2. (AERIUS Register)
Vervallen
Artikel 17a.3. (compartimenten AERIUS Register)
Vervallen
Artikel 17a.4. (maatregelen waardoor stikstofdepositieruimte ontstaat)
Vervallen
Artikel 17a.5. (vullen compartimenten in AERIUS Register)
Vervallen
Artikel 17a.6. (bestemming stikstofdepositieruimte SSRS-bank)
Vervallen
Artikel 17a.7. (bestemming stikstofdepositieruimte verkregen door maatregelen voor gemelde PAS-projecten)
Vervallen
Artikel 17a.8. (bestemming stikstofdepositieruimte verkregen door maatregelen ministers)
Vervallen
Artikel 17a.9. (bestemming stikstofdepositieruimte verkregen door maatregelen gedeputeerde staten)
Vervallen
Artikel 17a.10. (bestemming stikstofdepositieruimte van ten hoogste 0,05 mol)
Vervallen
Artikel 17a.11. (algemene bepalingen over reservering en toedeling stikstofdepositieruimte)
Vervallen
Artikel 17a.12. (reservering stikstofdepositieruimte voor project)
Vervallen
Artikel 17a.13. (reservering stikstofdepositieruimte voor woningbouwcluster)
Vervallen
Artikel 17a.14. (voorwaarden reservering stikstofdepositieruimte voor gemeld PAS-project)
Vervallen
Artikel 17a.15. (verdeling stikstofdepositieruimte over gemelde PAS-projecten)
Vervallen
Artikel 17a.16. (reservering stikstofdepositieruimte voor gemeld PAS-project na verdeling ruimte en ontvangst aanvraag)
Vervallen
Artikel 17a.17. (registratie wijzigingen in AERIUS Register)
Vervallen
Hoofdstuk 17a. AERIUS Register
Artikel 18.1. (inwerkingtreding)
Deze regeling treedt in werking op een bij ministerieel besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Een ministerieel besluit als bedoeld in het eerste lid wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel 18.2. (citeertitel)
Deze regeling wordt aangehaald als: Omgevingsregeling.
Bijlage I. bij artikel 1.1 van deze regeling (begripsbepalingen)
A. Begrippen
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
B. Verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en internationale verdragen
Bijlage II. bij artikel 1.4 van deze regeling (uitgaven en verwijzingen)
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)