Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-10-01
Laatst bijgewerkt 2026-10-07
State In force
Source BWB
artikelen 1089
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Gedragscode Periode Uitgezonderde verbodsbepaling
Gedragscode soortenbescherming Aedes 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e
Gedragscode soortenbescherming gemeenten 9 juni 2025 tot en met 31 maart 2030 Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e
Gedragscode soortenbescherming Havenbedrijven 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e
Gedragscode soortenbescherming Natuurbeheer 1 april 2025 tot en met 31 maart 2030 Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e
Gedragscode soortenbescherming ProRail 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e
Gedragscode soortenbescherming Provinciale Infrastructuur 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e
Gedragscode soortenbescherming Rijkswaterstaat 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e
Gedragscode soortenbescherming Unie van Waterschappen 1 april 2025 tot en met 31 maart 2030 Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e
Gedragscode soortenbescherming VEWIN 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e

§ 4.7.3. Flora- en fauna-activiteiten: aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten

Artikel 4.27. (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten: bestrijding schadelijke dieren)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, opzettelijk te doden of te vangen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht om de volgende schadeveroorzakende dieren te bestrijden als bedoeld in 11.57, onder b, van dat besluit:

  • a. het konijn (Oryctolagus cuniculus); of
  • b. de vos (Vulpes vulpes).
2.

Het eerste lid geldt alleen als:

  • a. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied te voorkomen;
  • b. de schade, bedoeld onder a, is aan te merken als:
  • 1°. schade aan de flora of fauna, of natuurlijke habitats; of
  • 2°. schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en
  • c. wordt voldaan aan de in artikel 4.28 gestelde eisen en beperkingen.
Artikel 4.27a. (voorwaarden voor uitzondering op het handelsverbod invasieve exoten, niet behorende tot invasieve uitheemse soorten aangewezen op grond van invasieve-exoten-basisverordening)
1.

Als voorwaarden als bedoeld in artikel 11.109a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden vastgesteld:

  • a. degene die planten, of delen of producten daarvan, als bedoeld in artikel 11.109a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verhandelt, draagt er zorg voor dat alle passende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de planten, of delen of producten daarvan, zich kunnen voortplanten of zich kunnen verspreiden in het milieu;
2.

Als passende maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de planten en hun natuurlijke leefomgeving.

Artikel 4.28. (middelen en methodes die zijn toegestaan voor bestrijden andere soorten)
1.

Als middelen als bedoeld in artikel 11.58, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn toegestaan voor het bestrijden van het konijn (Oryctolagus cuniculus) en de vos (Vulpes vulpes) worden aangewezen:

  • a. geweren;
  • b. honden, met uitzondering van lange honden;
  • c. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis), slechtvalken (Falco peregrinus) en woestijnbuizerds;
  • d. kastvallen;
  • e. vangkooien;
  • f. fretten; en
  • g. buidels.
2.

Aardhonden worden niet gebruikt voor het vangen of doden van vossen in holen in de periode van 1 maart tot en met 31 augustus.

3.

De aangewezen middelen worden niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen. Dit geldt niet voor fretten, kastvallen, vangkooien en buidels.

Artikel 4.29. (aanwijzing vergunningvrije gevallen: vervoer zieke dieren)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, te vangen geldt niet voor het opzettelijk vangen van een ziek of gewond dier, met uitzondering van de gewone zeehond of grijze zeehond, voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

2.

Het eerste lid geldt alleen als:

  • a. het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging krachtens:
  • 1°. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en
  • b. als het een zieke of gewonde ree, of een ziek of gewond edelhert, damhert of wild zwijn betreft: voorafgaand aan het vervoer melding is gedaan bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder.
3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het opzettelijk vangen van een zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond door personen die in dienst zijn van, of als opdrachtnemer of als vrijwilliger actief zijn voor een van de organisaties, bedoeld in het vierde lid, voor vervoer:

  • a. in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren; of
  • b. anders dan met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
4.

Het derde lid geldt alleen als:

  • a. de uit het wild afkomstige zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond binnen twaalf uur wordt overgedragen aan een van de volgende organisaties:
  • 1°. Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam;
  • 2°. Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel;
  • 3°. Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Lauwersoog;
  • 4°. Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen; of
  • 5°. Stichting Zeehondenopvang Terschelling te West-Terschelling;
  • b. de organisaties, genoemd onder a, bij de beslissing over het vangen, voor het vervoeren van het dier, het Handelingskader zeehondenopvang, opgenomen in bijlage VIIa, onder B, volgen, en als zij krachtens artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren zijn gerechtigd uit het wild afkomstige gewone zeehonden of grijze zeehonden onder zich te hebben en te verzorgen; en
  • c. de in het derde lid bedoelde personen werkzaam zijn binnen het werkgebied van de organisatie, genoemd onder a, weergegeven op de kaart in bijlage VIIa, onder A, en aantoonbaar beschikken over:
  • 1°. kennis van:
  • i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
  • ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond;
  • iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en
  • iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
  • 2°. bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond.
Artikel 4.30. (aanwijzing vergunningvrije gevallen en vrijstelling: uitzetten van dieren of eieren van dieren)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren of eieren van dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten voor het bestrijden van ziekten, plagen of onkruiden aangewezen in bijlage VIIb, onder A.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten als prooidieren voor die dieren aangewezen in bijlage VIIb, onder A en B.

3.

Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren, voor het gebruiken van dieren van de diersoorten aangewezen in bijlage VIIb, onder B, met het oog op de productie van dierlijke producten.

Artikel 4.31. (vergunningvrije gevallen bestendig beheer, onderhoud en gebruik en ter uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting waarvoor Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, opzettelijk te doden of te vangen, om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om de vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B, bij dat besluit, opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen geldt niet als:

  • b. het gaat om dieren en planten van de soorten aangewezen in bijlage VIIc; en
  • c. het gaat om handelingen in het kader van:
  • 1°. bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
  • 2°. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw;
  • 3°. bestendig gebruik; of
  • 4°. de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied.
Artikel 4.31a. (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere beschermde soorten: gedragscodes)
1.

Als gevallen waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt als bedoeld in artikel 11.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden aangewezen de flora- en fauna-activiteiten, bedoeld in artikel 11.54 van dat besluit, die:

  • a. worden beschreven in een in het tweede lid aangewezen gedragscode; en
  • b. betrekking hebben op soorten die vallen onder de reikwijdte van de gedagscode.
2.

Als gedragscodes als bedoeld in artikel 11.59, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de in tabel 4.31a bedoelde gedragscodes aangewezen voor de daarbij aangegeven periode.

Gedragscode Periode Uitgezonderde verbodsbepaling
Gedragscode soortenbescherming Aedes 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c
Gedragscode soortenbescherming gemeenten 9 juni 2025 tot en met 31 maart 2030 Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c
Gedragscode soortenbescherming Havenbedrijven 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c
Gedragscode soortenbescherming Natuurbeheer 1 april 2025 tot en met 31 maart 2030 Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c
Gedragscode soortenbescherming ProRail 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c
Gedragscode soortenbescherming Provinciale Infrastructuur 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c
Gedragscode soortenbescherming Rijkswaterstaat 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c
Gedragscode soortenbescherming Unie van Waterschappen 1 april 2025 tot en met 31 maart 2030 Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c
Gedragscode soortenbescherming VEWIN 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c

§ 4.7.4. Flora- en fauna-activiteiten: erkende maatregel specifieke zorgplicht

Artikel 4.31b. (toepassingsbereik)

De paragraaf is van toepassing op het treffen van maatregelen ter invulling van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij de vaststelling van de aanwezigheid van, of het gebruik door soorten, genoemd in artikel 4.31c, tweede lid, bij de na-isolatie van de spouwmuur van een grondgebonden woning.

Artikel 4.31c. (erkende maatregel specifieke zorgplicht: omgevingsDNA)
1.

Aan de verplichting om voorafgaand aan het na-isoleren van de spouwmuur van een grondgebonden woning na te gaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van soorten op de locatie waarop die activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie of van het gebruik door soorten van die locatie, bedoeld in artikel 11.27, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt in ieder geval voldaan als voorafgaand aan die flora- en fauna-activiteit de Beoordelingsrichtlijn omgevingsDNA-methode wordt toegepast.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid worden onder soorten verstaan dieren als bedoeld in tabel 4.31c.

baardvleermuis (Myotis mystacinus)
bosvleermuis (Nyctalus leisleri)
brandt’s vleermuis (Myotis brandtii)
gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
ingekorven vleermuis (Myotis emarginatus)
kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
laatvlieger (Eptesicus serotinus)
meervleermuis (Myotis dasycneme)
rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)
watervleermuis (Myotis daubent)
3.

Het eerste lid is niet van toepassing als de na-isolatie plaatsvindt op een locatie waarvoor geldt dat door gedeputeerde staten een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor na-isolatie van spouwmuren is verleend dat samenhangt met een soortenmanagementplan voor vleermuizen dat is vastgesteld door het gemeentebestuur of het provinciebestuur.

Afdeling 4.8. Algemene regels die de natuur betreffen: overig

§ 4.8.1. Administratie en merktekens beschermde diersoorten

Artikel 4.32. (administratieve verplichtingen voor fokken van dieren, kweken van planten en sommige cites-soorten)
1.

Dit artikel is van toepassing op degene die een levend gefokt dier, een levende gekweekte plant of een uit het wild afkomstig levend dier onder zich heeft, en de daar bijbehorende administratie als bedoeld in artikel 11.103 van het Besluit activiteiten leefomgeving bijhoudt als het dier of de plant behoort tot:

  • a. de soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
  • b. de soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage X bij de cites-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan;
  • c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, met uitzondering van:
  • 1°. gefokte vogels, die van een gesloten pootring zijn voorzien; en
  • d. de kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening als voor die soorten een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 17 van de cites-uitvoeringsverordening is afgegeven; of
  • e. een uit het wild afkomstig levend dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening.
2.

De administratie, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende gegevens:

  • a. de wetenschappelijke soortnaam van het dier of de plant en het aantal dieren of planten van die soort;
  • b. de datum en de plaats van verkrijging van het dier of de plant;
  • c. de naam, het adres en het land van de leverancier van wie het dier of de plant is verkregen;
  • d. het land van herkomst van het dier of de plant, als dit afwijkt van het land, bedoeld onder c;
  • e. het nummer van het bij de verkrijging van het dier of de plant behorende cites-document;
  • f. de datum en de plaats van vervreemding van het dier of de plant;
  • g. de naam, het adres en het land van de afnemer van het dier of de plant;
  • h. het nummer van het bij de vervreemding van het dier of de plant behorende cites-document;
  • i. de datum van de geboorte en het aantal nakomelingen van een dier;
  • j. gegevens over de soort en de code van de merktekens;
  • k. de datum van de aanbrenging van merktekens aan het dier of de plant; en
  • l. de datum en de plaats van sterfte van het dier of de plant, voor zover van toepassing.
3.

De administratie, bedoeld in het eerste lid:

  • a. is op naam gesteld, volledig en voorzien van een logische indeling en opeenvolgende nummering;
  • b. wordt gevoerd op een zodanige wijze dat controle daarvan direct mogelijk is en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, daaruit duidelijk blijken; en
  • c. wordt bewaard met alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben en verhandelen van dieren of planten als bedoeld in het eerste lid.
4.

De gegevens, bedoeld in het tweede lid, en de documenten, bedoeld in het derde lid, worden bewaard gedurende ten minste drie jaar na de datum van de laatste in de administratie aangebrachte wijziging of aanvulling.

Artikel 4.33. (pootringen gefokte vogels)
1.

De gesloten pootring, bedoeld in artikel 11.104, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor gefokte vogels:

  • a. is een individueel gemerkte, ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat zij, nadat zij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt;
  • b. heeft een diameter die niet groter is dan de in bijlage VIId voor de betrokken soort vastgestelde diameter;
  • c. voldoet aan de volgende eisen:
  • 1°. een ring met een diameter van 2,5 tot en met 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, en zijn op zodanige wijze voorzien van een breukzone, dat de ring knapt, als de ring wordt opgerekt; of
  • 2°. een ring met een diameter kleiner dan 2,5 mm en groter dan 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, of zijn vervaardigd van gekleurde kunststof, en zijn van zodanige kwaliteit, dat de ring knapt, als de ring wordt opgerekt; en
  • d. is voorzien van een kleurlaag die voor elk jaar waarin de ring mag worden aangebracht verschillend is.
2.

In afwijking van het eerste lid:

  • a. kan de gesloten pootring een diameter hebben die groter is dan de in de bijlage VIId vastgestelde maximale diameter, als de aanvrager aannemelijk kan maken dat een grotere diameter in verband met de dikte van de poot bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.35, noodzakelijk is; of
  • b. kunnen gesloten pootringen voor papegaaiachtigen en roofvogels zijn vervaardigd van roestvrij staal.
3.

Een aanvrager van een aanvraag als bedoeld in artikel 4.35:

  • a. brengt een gesloten pootring als bedoeld in het eerste lid alleen aan op in Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels van de soort waarvoor hij de gesloten pootring heeft aangevraagd; en
  • b. verschaft een gesloten pootring als bedoeld in het eerste lid niet aan derden.
Artikel 4.34. (aangewezen organisaties en verplichtingen administratie pootringen gefokte vogels)
1.

Als organisaties als bedoeld in artikel 11.104, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn belast met de afgifte van gesloten pootringen worden aangewezen:

  • a. Kleindier Liefhebbers Nederland, gevestigd te Utrecht;
  • b. Nederlandse Bond voor Vogelliefhebbers, gevestigd te Bergen op Zoom;
  • c. Parkieten Sociëteit, gevestigd te Arnhem;
  • d. Vereniging Aviornis International Nederland, gevestigd te Wijchen; en
  • e. Vereniging Belangenbehartiging Europese Cultuurvogel, gevestigd te Eindhoven.
2.

De organisaties, bedoeld in het eerste lid, houden een administratie bij met gebruikmaking van een door de Minister voor Natuur en Stikstof beschikbaar gesteld automatiseringssysteem.

3.

De administratie wordt bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaar en bevat per soort de volgende gegevens:

  • a. de soorten vogels waarvoor gesloten pootringen zijn aangevraagd;
  • b. als het gaat om gefokte vogels:
  • 1°. het aantal verstrekte gesloten pootringen;
  • 2°. de ringmaat; en
  • c. als het gaat om gefokte vogels behorende tot soorten die zijn opgenomen in bijlage A bij de cites-basisverordening:
  • 1°. de gegevens onder b, onder 1° en 2°; en
  • 2°. het aantal ouderparen;
  • d. de datum van toekenning van de gesloten pootringen; en
  • e. de noodzakelijke gegevens ter identificatie van de personen aan wie de gesloten pootringen zijn verstrekt.
4.

De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verschaffen de minister op verzoek, op een door de minister te bepalen wijze, alle informatie over de afgifte van gesloten pootringen.

Artikel 4.35. (aanvraag en afgifte pootringen gefokte vogels)
1.

Gesloten pootringen worden aangevraagd met gebruikmaking van een door een van de organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, ter beschikking gesteld aanvraagformulier dat volledig ingevuld en ondertekend wordt teruggestuurd.

2.

De organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, verstrekken alleen gesloten pootringen:

  • a. waarvoor door de leverancier een schriftelijke garantie is afgegeven dat de ringen voldoen aan de specificaties, bedoeld in artikel 4.33; en
  • b. die ten minste zijn voorzien van de letters NL, de aanduiding van de binnendiameter tot in tienden van een millimeter, de laatste twee cijfers van het jaartal waarin de gesloten pootring mag worden aangebracht en, per ringmaat, een uniek nummer bestaande uit de bondscode, een kweeknummer en een volgnummer.
3.

In afwijking van het tweede lid, onder b, zijn de gesloten pootringen, afgegeven door Kleindier Liefhebbers Nederland, voorzien van een uniek nummer bestaande uit de bondscode en een volgnummer.

4.

De organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, geven geen gesloten pootring af als:

  • a. niet aannemelijk is dat de aanvrager vogels, waarvoor hij een gesloten pootring aanvraagt, fokt; of
  • b. het redelijke vermoeden bestaat dat de aanvrager handelt of zal handelen in strijd met artikel 4.33, derde lid.

§ 4.8.2. Cites en invasieve exoten

Artikel 4.36. (fytosanitair certificaat)

Als plantensoorten waarvoor een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 3.70, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bij de Minister voor Natuur en Stikstof kan worden aangevraagd, worden aangewezen:

  • a. Apocynaceae: Pachypodium spp;
  • b. Cactaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;
  • c. Droseraceae: Dionaea muscipula;
  • d. Euphorbiaceae: de succulente soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;
  • e. Liliaceae: de soorten Aloe, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;
  • f. Nepenthaceae: de soorten Nepenthes, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;
  • g. Orchidaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, de hybriden van de soorten Paphiopedilum; en
  • h. Sarraceniaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening.
Artikel 4.37. (aangewezen soorten voor uitzondering op het verbod te handelen in strijd met invasieve-exoten-basisverordening)
1.

Als diersoorten als bedoeld in artikel 11.108, tweede lid, aanhef, van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvoor beheersmaatregelen als bedoeld in artikel 19 van de invasieve-exoten-basisverordening worden aangewezen:

  • a. de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis);
  • b. de Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Orconectus Limosus);
  • c. de Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes virilis);
  • d. de Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus);
  • e. de Rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus Clarkia); en
  • f. de Marmerkreeft (Procambarus fallax forma virginalis).
2.

Als voorwaarden als bedoeld in artikel 11.108, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor de beheersmaatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld:

  • 1°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de bevissing, de opslag, de handel, het transport, het houden en het gebruik van de betrokken dieren om te voorkomen dat zij zich kunnen voortplanten, kunnen ontsnappen en zich kunnen verspreiden;
  • 2°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de opslag, het transport en het houden van de dieren om te voorkomen dat de betrokken dieren door onbevoegden kunnen worden verwijderd uit de omgeving waarin zij worden opgeslagen of getransporteerd;
  • 3°. het beheren van afval, het onderhoud en schoonmaken van vistuigen, transport- en opslagmaterialen bij bevissing, de opslag, de handel, het transport en het houden van de dieren op zodanige wijze plaatsvindt dat exemplaren van de soorten zich niet kunnen verspreiden of door onbevoegden kunnen worden verwijderd; en
  • 4°. wordt voorkomen dat dieren van de soorten op het grondgebied van andere lidstaten worden gebracht, tenzij die lidstaten dat toestaan in het kader van door hen getroffen beheersmaatregelen; en
3.

Als passende maatregel als bedoeld in het tweede lid, onder a, onder 1° en 2°, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de dieren en hun natuurlijke leefomgeving, waarbij de dieren die overleven zich vervolgens niet kunnen voortplanten en zich niet kunnen verspreiden.

§ 4.8.3. Aanwijzing douanekantoren

Artikel 4.38. (aanwijzing douanekantoren)
1.

Als douanekantoren als bedoeld in artikel 11.94 van het Besluit activiteiten leefomgeving waar dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern, bijlage I bij het verdrag van Bonn of bijlage A, B, C, of D bij de cites-basisverordening binnen of buiten het grondgebied van Nederland worden gebracht, worden aangewezen:

  • a. voor het binnen Nederland brengen van levende dieren:
  • 1°. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol;
  • 2°. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Schiphol; en
  • 3°. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht;
  • b. voor het buiten Nederland brengen van levende dieren:
  • 1°. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol;
  • 2°. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Schiphol;
  • 3°. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht;
  • 4°. Rotterdam Haven, Bosporusstraat 5, 3199 LJ, Rotterdam (Maasvlakte); en
  • 5°. Rotterdam Haven, Reeweg 16, 3088 KA, Rotterdam;
  • c. voor dode dieren, dode of levende planten en producten, nesten en eieren van dieren of producten van planten: alle douanekantoren.
2.

Als veterinaire voorschriften gelden voor dieren of producten, nesten of eieren van dieren die behoren tot de soorten, bedoeld in het eerste lid, worden deze dieren of producten, nesten of eieren daarvan binnengebracht op plaatsen die daarvoor als inspectiepost aan de grens zijn erkend op grond van de verordening officiële controles.

§ 4.8.4. Houtopstanden: uitzondering op melding vellen houtopstand en plicht tot herbeplanting

Artikel 4.39. (uitzondering op melding vellen houtopstand en plicht tot herbeplanting: gedragscodes)

Als gedragscode als bedoeld in artikel 11.131, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aangewezen de Gedragscode houtopstanden TenneT, voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.

Hoofdstuk 5. Algemene regels over activiteiten en bouwwerken geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving

Afdeling 5.1. Duurzaamheid

§ 5.1.1. Technische bouwsystemen

Artikel 5.1. (toepassingsbereik)

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op technische bouwsystemen als bedoeld in paragraaf 4.7.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.2. (energieprestatie technisch bouwsysteem)

De waarde van de energieprestatie van een technisch bouwsysteem, bedoeld in de artikelen 4.248, eerste lid, en 5.21, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt bepaald op basis van de in bijlage VIII opgenomen rekenmethodiek.

Artikel 5.3. (verslaglegging energieprestatie)

Het verslag van de energieprestatie van een technisch bouwsysteem, bedoeld in

artikel 4.249 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bevat de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. de berekende waarde voor de energieprestatie als bedoeld in artikel 5.2;
  • b. de naam en het adres van degene die opdracht geeft tot het laten vaststellen van de energieprestatie;
  • c. het adres van het gebouw waar het technisch bouwsysteem zich in, op, aan of bij bevindt;
  • d. een aanduiding van het soort gebouw waar het technisch bouwsysteem zich in, op, aan of bij bevindt: woning of overig;
  • e. de naam en het registratienummer van degene die het technisch bouwsysteem heeft geïnstalleerd en het verslag heeft opgesteld of, als diegene geen registratienummer heeft, de naam en het adres;
  • f. een beschrijving van het soort technisch bouwsysteem;
  • g. een beschrijving van het type en serienummer van het technische bouwsysteem of componenten daarvan, of, bij het ontbreken van dergelijke gegevens, een nauwkeurige beschrijving van de locatie waar het technisch bouwsysteem zich in het gebouw bevindt;
  • h. een beschrijving van de verrichte werkzaamheden aan het technisch bouwsysteem;
  • i. de datum van de werkzaamheden aan het technisch bouwsysteem; en
  • j. de ondertekening door diegene die het technisch bouwsysteem heeft geïnstalleerd.
Artikel 5.4. (ruimteverwarmingssysteem)
1.

Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ruimteverwarmingssysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  • a. heeft een warmtecapaciteit die niet groter is dan nodig is om te voorzien in de warmtevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt. De temperatuur in het warmtedistributie- en afgiftedeel van het systeem is daarbij afgesteld op de laagst mogelijke temperatuur waarbij het ruimteverwarmingssysteem kan voldoen aan de benodigde warmtecapaciteit van het gebouw;
  • b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van de componenten van het systeem;
  • c. is afgesteld op een energetisch optimale stooklijn met behoud van comfort, is hydraulisch in balans en is ingeregeld om optimaal te presteren bij gemiddelde gebruiksomstandigheden; en
  • d. is voorzien van een ruimtethermostaat die voldoet aan de eisen voor een kamerthermostaat of andere centrale temperatuurregeling van klasse II of hoger als bedoeld in de Mededeling van de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft, en van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2014, C 207/02).
2.

Het eerste lid, onder d, is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met dat onderdeel vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd of als de kosten voor het aanbrengen van de ruimtethermostaat en de thermostatische radiatorkranen meer dan 20% bedragen van de kosten van het technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming.

Artikel 5.5. (ruimtekoelingssysteem)
1.

Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ruimtekoelingssysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  • a. heeft een koudecapaciteit niet groter dan nodig om te voorzien in de koudevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt, waarbij de temperatuur in het koudedistributie- en afgiftedeel van het systeem is afgesteld op de hoogst mogelijke temperatuur waarmee het ruimtekoelingssysteem kan voldoen aan de benodigde koudecapaciteit van het gebouw;
  • b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;
  • c. is afgesteld op de energetisch optimale condensor- en verdampertemperaturen met behoud van comfort, is hydraulisch in balans als het gaat om hydraulische systemen of heeft geoptimaliseerde luchtstromen als het gaat om lucht-distributiesystemen, en is ingeregeld op optimaal presteren bij typische gebruiksomstandigheden;
  • d. heeft een ruimtethermostaat als het gaat om een centraal aangestuurd systeem; en
  • e. heeft een door de gebruiker in te stellen thermostaat als het gaat om individueel geregelde units.
2.

Het eerste lid, onder d, is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met dat onderdeel vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt.

Artikel 5.6. (ventilatiesysteem)

Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ventilatiesysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  • a. sluit aan bij de ventilatiebehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt;
  • b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;
  • c. heeft een ventilatiedebiet dat is geoptimaliseerd voor laag energieverbruik met behoud van comfort en luchtkwaliteit; en
  • d. is voorzien van passende regelapparatuur waarmee het ventilatievolume in drie of meerdere standen of traploos aan te passen is aan de ventilatiebehoefte.
Artikel 5.7. (warm tapwatersysteem)

Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar warmtapwatersysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  • a. sluit aan bij de warmtapwaterbehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt;
  • b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;
  • c. heeft een warmtapwatertemperatuur, gemeten bij de warmteopwekker, die is geoptimaliseerd voor een zo laag mogelijk energieverbruik zonder risico’s voor legionella; en
  • d. is voorzien van regelapparatuur waarmee de watertemperatuur bij de warmteopwekker op toegankelijke wijze kan worden ingesteld.
Artikel 5.8. (ingebouwde verlichting)

Adequaat gedimensioneerde, geïnstalleerde, ingeregelde en instelbare ingebouwde verlichting als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  • a. heeft een hoeveelheid en type armaturen die voldoende zijn, maar niet meer dan nodig, voor de typische verlichtingsbehoefte van de ruimte waarin de verlichting ingebouwd wordt;
  • b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem; en
  • c. is instelbaar door aan-uit schakelaars of aanwezigheidsdetectie.
Artikel 5.9. (gebouwautomatiserings- en controlesysteem)

Adequaat gedimensioneerde, geïnstalleerde, ingeregelde en instelbare ingebouwde verlichting als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is voor oplevering getest en ingesteld op energetisch optimale prestatie onder typische gebruiksomstandigheden.

§ 5.1.2. Energielabels

Artikel 5.10. (toepassingsbereik)

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op energielabels als bedoeld in afdeling 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.11. (vaststellen energielabel voor woningen en woongebouwen)
1.

De energieprestatie van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt opgenomen en geregistreerd door een energieadviseur werkzaam voor een NL-EPBD-certificaathouder volgens BRL 9500-W.

2.

Het bij de bepaling van de energieprestatie gebruikte rekenprogramma is geattesteerd volgens BRL 9501.

3.

Na registratie van de energieprestatie door de energieadviseur bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, wordt het energielabel voor die woonfunctie, dat woongebouw of die logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw vastgesteld en afgegeven door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

4.

Het primair fossiel energiegebruik van de woonfunctie, het woongebouw of die logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt met behulp van de als bijlage IX opgenomen tabel omgezet in een letter of lettercombinatie. Bij de berekening van het primair fossiel energiegebruik van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt, als energiemaatregelen op gebiedsniveau van toepassing zijn, gerekend met forfaitaire waarden voor deze maatregelen.

5.

Voor een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, waarvoor de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend na 29 mei 2026, kan op het energielabel naast de letter of lettercombinatie, bedoeld in het vierde lid, de aanduiding A0 worden toegevoegd, als:

  • b. het primair fossiel energiegebruik een waarde heeft van ten hoogste de waarde opgenomen in de in bijlage IXa opgenomen tabel;
  • d. ter plaatse geen koolstofemissies uit fossiele brandstoffen wordt veroorzaakt.
Artikel 5.12. (vaststellen energielabel voor utiliteitsgebouwen)
1.

De energieprestatie van een gebruiksfunctie of gebouw, niet zijnde een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, wordt opgenomen en geregistreerd door een energieadviseur werkzaam voor een NL-EPBD-certificaathouder volgens BRL 9500-U.

2.

Het bij de bepaling van de energieprestatie gebruikte rekenprogramma is geattesteerd volgens BRL 9501.

3.

Na registratie van de energieprestatie door de energieadviseur bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, wordt het energielabel voor dat utiliteitsgebouw vastgesteld en afgegeven door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

4.

Het primair fossiel energiegebruik van het utiliteitsgebouw wordt met behulp van de als bijlage X opgenomen tabel omgezet in een letter of lettercombinatie. Bij de berekening van het primair fossiel energiegebruik van het utiliteitsgebouw wordt, als energiemaatregelen op gebiedsniveau van toepassing zijn, gerekend met kwaliteitsverklaringen voor deze maatregelen.

5.

Voor een utiliteitsgebouw waarvoor de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend na 29 mei 2026, kan op het energielabel naast de letter of lettercombinatie, bedoeld in het vierde lid, de aanduiding A0 worden toegevoegd, als:

  • b. het primair fossiel energiegebruik een waarde heeft van ten hoogste de waarde opgenomen in de in bijlage Xa opgenomen tabel;
  • d. ter plaatse geen koolstofemissies uit fossiele brandstoffen wordt veroorzaakt.
Artikel 5.13. (gegevens energielabel)

Het energielabel, bedoeld in artikel 5.11, derde lid, en artikel 5.12, derde lid, wordt vastgesteld op basis van in ieder geval:

  • a. gegevens over de algemene gebouwkenmerken, waaronder gebruiksfunctie, bouwjaar, gebruiksoppervlakte in m2 en, in het geval van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, woningtype;
  • b. gegevens over de aanwezige isolatie, waaronder beglazing, isolatie van de gevel, isolatie van het dak en isolatie van de vloer;
  • c. gegevens over de aanwezige installaties, waaronder verwarmingstoestel, tapwatertoestel, koelsysteem, ventilatiesysteem, zonneboiler, zonnepanelen en, in het geval van een utiliteitsgebouw, verlichting; en
  • d. gegevens over de berekende indicatoren van de energieprestatie, waaronder de energielabelklasse, het primair fossiel energiegebruik, het aandeel hernieuwbare energie, in het geval van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw de oververhitting in de zomer en de warmtebehoefte en, in het geval van een utiliteitsgebouw, de energiebehoefte.
Artikel 5.13a. (verplichte elementen energielabel)
1.

Het energielabel, bedoeld in artikel 5.11, derde lid, en artikel 5.12, derde lid, bevat:

  • a. de energielabelklasse;
  • b. het berekende jaarlijkse primair fossiel energiegebruik in kWh/(m2.jaar);
  • c. het aandeel hernieuwbare energie;
  • d. de operationele broeikasgasemissies in kgCO2/(m2.jaar), wanneer beschikbaar;
  • e. de feitelijke en potentiële bijdrage aan de opwarming van de aarde gedurende de gehele levenscyclus van het gebouw, wanneer beschikbaar;
  • f. het berekende jaarlijkse finale energiegebruik in kWh/(m2.jaar);
  • g. het berekende jaarlijkse primaire en finale energiegebruik in kWh;
  • h. de productie van hernieuwbare energie in kWh;
  • i. de belangrijkste energiedrager en het belangrijkste type hernieuwbare energiebron;
  • j. de berekende jaarlijkse energiebehoefte in kWh/(m2.jaar);
  • k. de vermelding of het gebouw in staat is te reageren op externe signalen en het energiegebruik aan te passen;
  • l. de vermelding of het verwarmingsdistributiesysteem in het gebouw ontworpen is om te functioneren bij lage temperaturen of efficiëntere temperatuurniveaus; en
  • m. de contactgegevens van het Energiehuis voor advies over renovatie.
2.

De elementen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, staan op de voorpagina van het energielabel.

Artikel 5.13b. (verplichte elementen energielabel)
1.

De aanbevelingen, bedoeld in artikel 6.29, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, hebben betrekking op maatregelen die uitgevoerd kunnen worden:

  • a. in samenhang met een ingrijpende renovatie van de bouwschil of een of meer technische bouwsystemen; en
  • b. voor individuele onderdelen van dat gebouw of gedeelte daarvan zonder dat sprake is van een ingrijpende renovatie.
2.

De aanbevelingen bevatten in ieder geval:

  • a. een beoordeling of de systemen voor verwarming, ventilatie, airconditioning en warmwater voor huishoudelijke doeleinden zodanig kunnen worden aangepast dat zij werken bij efficiëntere temperatuurinstellingen; en
  • b. een beoordeling van de resterende levensduur van de verwarmingssystemen of airconditioningsystemen en, in voorkomend geval, vermelding van mogelijke alternatieven voor vervanging.
3.

De aanbevelingen houden rekening met locatiegebonden omstandigheden en bouwtechnische belemmeringen en bieden een raming voor de gebouwgebonden energiebesparingen en de vermindering van de operationele broeikasgasemissies.

Artikel 5.14. (registratie energielabel)
1.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan registreren:

  • b. kenmerken van de registratie van de energieprestatie bedoeld in artikel 5.11, eerste en tweede lid, en artikel 5.12, eerste en tweede lid, waaronder de aanduiding van het soort opname van de energieprestatie, de opnamedatum van de energieprestatie en gegevens over de energieadviseur, de NL-EPBD-certificaathouder en de geattesteerde software;
  • c. de registratiedatum van de energieprestatie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het unieke registratienummer van het energielabel; en
  • d. de gegevens, bedoeld in artikel 5.13, op basis waarvan het energielabel is vastgesteld.
2.

De minister beheert de registratie.

3.

De registratie heeft tot doel het toezicht op de naleving en handhaving van de voorschriften op het gebied van energielabels te kunnen waarborgen en de verstrekking van de gegevens aan de instellingen en organisaties, bedoeld in het vijfde lid, mogelijk te maken voor zover de gegevens noodzakelijk zijn in verband met hun werkzaamheden als bedoeld in het vijfde lid.

4.

De minister is verwerkingsverantwoordelijke voor de registratie.

5.

De minister kan het energielabel en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, verstrekken aan:

  • a. certificatie-instellingen, voor zover het energielabel en die gegevens noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van hun taak zoals omschreven in BRL 9500-W en BRL 9500-U;
  • b. het centraal bureau voor de statistiek, voor zover het energielabel en die gegevens noodzakelijk zijn voor het van overheidswege uitvoeren van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap; en
  • c. andere onderzoeksinstellingen en -organisaties, voor zover het energielabel en die gegevens gebruikt worden voor wetenschappelijke, statistische of historische doeleinden en de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig geschaad wordt.
6.

De minister verstrekt het energielabel, de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de uitvoerfile van het rekenprogramma, bedoeld in paragraaf 4.3.6 van BRL 9500-W en paragraaf 4.2.6 van BRL 9500-U, aan de eigenaar van het gebouw of gedeelte daarvan waarvoor het energielabel is afgegeven.

7.

De minister verstrekt het energielabel en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan:

  • a. de persoon die in de basisregistratie personen op het woonadres van het gebouw of gedeelte daarvan waarvoor het energielabel is afgegeven, staat ingeschreven; en
  • b. de energieadviseur, bedoeld in de artikelen 5.11, eerste lid, en 5.12, eerste lid, voor het gebouw of gedeelte daarvan waarvan hij de energieprestatie heeft geregistreerd.
8.

De gegevens in de registratie worden ten hoogste vijftien jaar bewaard, gerekend vanaf de opnamedatum van de energieprestatie voor een energielabel.

Artikel 5.15. (zichtbaar ophangen energielabel)

Bij de toepassing van artikel 6.30, tweede en derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt ten minste een weergave van de numerieke energieprestatie-indicator van het primair fossiel energiegebruik in kWh/(m2.jaar) en de in een letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van dat energiegebruik opgehangen.

Artikel 5.16. (document voor vergunningaanvraag)

Onder energielabel wordt niet verstaan het document dat is opgesteld op basis van de energieprestatie en is geregistreerd in het kader van een vergunningaanvraag als bedoeld in BRL 9500-W.

§ 5.1.3. Airconditioningsystemen en verwarmingssystemen

§ 5.1.3.1. Algemene bepalingen

Artikel 5.17. (toepassingsbereik)

Vervallen

§ 5.1.3.2. Keuring van airconditioningsystemen

Artikel 5.18. (keuring airconditioningsystemen)

Vervallen

Artikel 5.18a. (keuring gecombineerde verwarmings- en airconditioningsystemen)

Vervallen

§ 5.1.3.3. Eisen vakbekwaamheid keuring airconditioningsystemen

Artikel 5.19. (exameninstelling airconditioningsysteemdeskundige)

Vervallen

Artikel 5.20. (examenreglement airconditioningsysteemdeskundige)

Vervallen

Artikel 5.21. (examen airconditioningsysteemdeskundige)

Vervallen

Artikel 5.22. (herexamen airconditioningsysteemdeskundige)

Vervallen

Artikel 5.23. (diploma airconditioningsysteemdeskundige)

Vervallen

Artikel 5.24. (registratie diploma airconditioningsysteemdeskundige)

Vervallen

Artikel 5.25. (bijscholingsexamen airconditioningsystemen)

Vervallen

§ 5.1.3.4. Keuring verwarmingssysteem

Artikel 5.27. (keuringsverslag en afmelding)

Vervallen

§ 5.1.4. Maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot gebouwen

Artikel 5.28. (toepassingsbereik)

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het treffen van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.29. (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
1.

De maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn de maatregelen in bijlage XIV.

2.

In afwijking van het eerste lid zijn de maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, de maatregelen in bijlage XIVa, als sprake is van:

Artikel 5.30. (rekenmethodiek terugverdientijd maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
1.

De terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV opgenomen rekenmethodiek.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaald volgens de in bijlage XVa opgenomen rekenmethodiek als sprake is van:

3.

Bij het berekenen van de hoeveelheid aardgasequivalent, bedoeld in de artikelen 3.84 en 3.84a van het Besluit bouwwerken leefomgeving en bijlage XV, worden de volgende waarden gehanteerd:

  • a. 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 Nm3 aardgasequivalent;
  • b. 1 ton stookolie komt overeen met 1300 Nm3 aardgasequivalent;
  • c. 1 ton steenkool komt overeen met 925 Nm3 aardgasequivalent;
  • d. 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 Nm3 aardgasequivalent;
  • e. 1 m3 niet-Gronings aardgas komt overeen met X m3 aardgasequivalent, waarbij X wordt berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/m3 van het ingezette aardgas te delen door 31,65 MJ/m3;
  • f. 1 GJ warmte komt overeen met 31,6 Nm3 aardgasequivalent;
  • g. 1 liter diesel komt overeen met 1,13 Nm3 aardgasequivalent; en
  • h. 1 liter benzine komt overeen met 1,04 Nm3 aardgasequivalent.
4.

Als een brandstof wordt gebruikt die niet is opgenomen in het tweede lid, wordt de hoeveelheid aardgasequivalent per eenheid bepaald door de onderste verbrandingswaarde van deze stof in MJ per eenheid gewicht of volume te delen door 31,65 MJ/Nm3.

5.

De emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV of bijlage XVa opgenomen regels.

§ 5.1.5. Bijna energieneutrale nieuwbouw

Artikel 5.31. (toepassingsbereik)

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op bijna energieneutrale nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.149 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.31a. (certificering opname energieprestatie nieuwbouw)

De energiebehoefte, de waarde voor primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie van nieuwbouw, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, worden bepaald door een bedrijf dat is gecertificeerd volgens BRL 9500-W, subdeelgebied detailopname, of BRL 9500-U, subdeelgebied detailopname.

Artikel 5.31b. (rekenprogramma opname energieprestatie nieuwbouw)

De energiebehoefte, de waarde voor primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie van nieuwbouw, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, worden bepaald aan de hand van een rekenprogramma dat is geattesteerd volgens BRL 9501.

Artikel 5.31c. oververhitting

De berekening van de gewogen overschrijdingsuren, bedoeld in artikel 4.149b, tweede en derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voldoet aan de in bijlage XVI opgenomen eisen.

§ 5.1.6. Bepalen milieubelasting en soepelere milieuprestatie-eis

Artikel 5.32. (toepassingsbereik)

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het bepalen van de belasting van het milieu door de in een gebouw toe te passen materialen, bedoeld in artikel 4.158 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.32a. (milieubelasting)
1.

De belasting van het milieu door de in een gebouw toe te passen materialen wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Bouwwerken met gebruikmaking van de weegfactoren, bedoeld in bijlage XVIa.

2.

Bij het bepalen van de belasting van het milieu door de in een gebouw toe te passen materialen worden meegenomen:

  • a. constructieonderdelen; en
  • b. infrastructuur voor opwekking en transport van elektriciteit, aardgas of warmte buiten het gebouw.
Artikel 5.32b. (soepelere milieuprestatie-eis)

De soepelere milieuprestatie-eis, bedoeld in artikel 4.159, derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt berekend volgens de formule:

  • a. als het gaat om een woonfunctie in een woongebouw met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 60 m2: 1,6 + 0,015 x (60 – g.o.functie);
  • b. als het gaat om een andere woonfunctie met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 80 m2: 1,6 + 0,015 x (80 – g.o.functie); en
  • c. als het gaat om een kantoorfunctie waarvan het verliesoppervlakte van het gebouw gedeeld door de gebruiksoppervlakte groter is dan 2,5: 1,55 + 0,75 x (Als;gebouw : g.o.gebouw – 2,5) waarbij wordt verstaan onder: g.o.functie: gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie; Als;gebouw: verliesoppervlakte van het gebouw; en g.o.gebouw: gebruiksoppervlakte van het gebouw.

§ 5.1.7. Systeem voor gebouwautomatisering en -controle

Artikel 5.32c. (toepassingsbereik)

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op:

Artikel 5.32d. (systeem voor gebouwautomatisering en -controle bestaande bouw anders dan een woonfunctie)
1.

Een systeem voor gebouwautomatisering en -controle als bedoeld in artikel 3.146 van het Besluit bouwwerken leefomgeving voldoet ten minste aan de volgende eisen:

  • a. de functies, bedoeld in tabel 6 van NEN-EN-ISO 52120-1, voldoen aan klasse C, met uitzondering van functie 7.4 en de situaties, bedoeld in het tweede lid; en
  • b. functie 7.4, bedoeld in tabel 6 van NEN-EN-ISO 52120-1, voldoet aan klasse B.
2.

In afwijking van het eerste lid, onder a, geldt voor de volgende situaties dat:

  • a. als bestaande zonwering niet automatisch bedienbaar is, functie 6 , bedoeld in tabel 6 van NEN-EN-ISO 52120-1, voldoet aan klasse D; en
  • b. als geen luchtkleppen per ruimte aanwezig zijn, voor functie 4.1, bedoeld in tabel 6 van NEN-EN-ISO 52120-1, tijdsturing op de centrale ventilatie-unit toegepast mag worden.
3.

Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing als vanwege de veiligheid of gezondheid van personen een functie, bedoeld in tabel 6 van NEN-EN-ISO 52120-1, continu beschikbaar moet zijn.

Artikel 5.32e. (systeem voor gebouwautomatisering en -controle nieuwbouw anders dan een woonfunctie)

Een systeem voor gebouwautomatisering en -controle als bedoeld in de artikelen 4.160d en 5.21g van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voldoet ten minste aan de volgende eisen:

  • a. de functies, bedoeld in tabel 6 van NEN-EN-ISO 52120-1, voldoen aan klasse B, met uitzondering van functie 7.4; en
  • b. functie 7.4, bedoeld in tabel 6 van NEN-EN-ISO 52120-1, voldoet aan klasse A.
Artikel 5.32f. (systeem voor ondersteuning energiegebruik technische bouwsystemen nieuwbouw woonfunctie)
1.

Een systeem voor ondersteuning energiegebruik technische bouwsystemen als bedoeld in de artikelen 4.160g en 5.21h van het Besluit bouwwerken leefomgeving, heeft ten minste een energiemeter die gegevens registreert over:

  • a. de elektriciteit die geleverd wordt vanuit het distributiesysteem voor elektriciteit naar de woonfunctie; en
  • b. voor zover van toepassing:
  • 1°. de elektriciteit die geleverd wordt vanuit de woonfunctie naar het distributiesysteem voor elektriciteit;
  • 2°. de elektriciteit die opgewekt wordt door een technisch bouwsysteem binnen de woonfunctie of op het bouwwerkperceel;
  • 3°. het gasverbruik door een technisch bouwsysteem binnen de woonfunctie; en
  • 4°. het verbruik van aan de woonfunctie geleverde warmte.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)