Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-10-01
Laatst bijgewerkt 2026-10-07
State In force
Source BWB
artikelen 1089
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, onder 1° tot en met 3°, worden op de energiemeter weergegeven als actuele waarden en als periodieke waarden op minimaal dag-, maand- en jaarbasis.

3.

Als de energiemeter voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gebruik maakt van een extern aangesloten elektronisch beeldscherm of een dongel:

  • a. is de energiemeter voorzien van een poortconnector die voldoet aan de eisen opgenomen in paragraaf 5.1 van de P1 Companion Standard; en
  • b. heeft het elektronisch beeldscherm of de dongel ten minste twee poort connectoren.
4.

Een systeem voor ondersteuning energiegebruik technische bouwsystemen als bedoeld in artikel 4.160g van het Besluit bouwwerken leefomgeving heeft, in aanvulling op het eerste lid, leidingdoorvoeren tussen de meterkast van de woonfunctie en de opstelplaatsen van technische bouwsystemen.

Afdeling 5.2. Nadere regels over de toepassing van normen

§ 5.2.1. Algemene bepalingen

Artikel 5.33. (toepassingsbereik)

Deze afdeling is van toepassing op in het Besluit bouwwerken leefomgeving genoemde normen.

§ 5.2.2. Bestaande bouw

Artikel 5.34. (NEN 2057)

Bij de toepassing van NEN 2057 geldt dat onderdeel 6.1 wordt gelezen als: Projecteer de delen van de daglichtopening loodrecht op het projectievlak.

Artikel 5.35. (NEN 2535)

Bij de toepassing van NEN 2535 is het in die norm bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.36. (NEN 2575)
1.

Bij de toepassing van NEN 2575 is het in die norm bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

2.

Waar in de artikelen 3.119 en 4.213 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 2575 geldt het volgende:

  • a. het in onderdeel 4, tabel 1, onder algemeen, bedoelde minimaal toelaatbaar geluidniveau van toonsignalen van 65 dB geldt alleen voor verkeersruimten; voor verblijfsruimten geldt alleen het in die tabel bedoelde geluidsniveau toonsignaal dat minimaal 6 dB boven het gemiddelde omgevingsgeluid uitkomt;
  • b. het in onderdeel 4, tabel 2, onder algemeen, bedoelde minimaal toelaatbaar geluidniveau van gesproken berichten van 60 dB geldt alleen voor verkeersruimten; voor verblijfsruimten geldt alleen het in die tabel bedoelde geluidsniveau toonsignaal dat minimaal 6 dB boven het gemiddelde omgevingsgeluid uitkomt;
  • c. onderdeel 12.4.2 Specificatie Luidsprekers is niet van toepassing;
  • d. onderdeel 17 Bekabeling is niet van toepassing.
3.

Het tweede lid is niet van toepassing op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie met doormelding als bedoeld in de artikelen 3.115 en 4.208 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie zonder doormelding die na 1 november 2008 is opgeleverd of gewijzigd.

Artikel 5.37. (NEN 8062)
1.

Waar in artikel 3.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is bepaald dat de brandveiligheid van een afvoervoorziening voor rookgas wordt bepaald volgens NEN 8062 geldt bij de toepassing van onderdeel 4 van die norm dat materiaal waaruit een voorziening voor de afvoer van rookgas is samengesteld onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064, voor zover in dat materiaal een temperatuur kan optreden van meer dan 363 K. In afwijking van ‘onbrandbaar’ volgens NEN 6064 mogen ook materialen die voldoen aan de brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1 zijn toegepast.

2.

Bij de toepassing van onderdeel 5 van NEN 8062 geldt dat de luchtdichtheid van een voorziening voor de afvoer van rookgas kleiner is dan 25 m3/m2/h.

3.

Als bij het bouwen de voorziening is gerealiseerd met toepassing van NEN 6062 en de bestaande voorziening aan dat normblad voldoet, is voldaan aan het eerste en het tweede lid.

Artikel 5.38

[Vervallen]

§ 5.2.3. Nieuwbouw

Artikel 5.39. (NEN 1006)

Bij toepassing van NEN 1006 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van gezondheid bevatten over een voorziening voor drinkwater of warmwater.

Artikel 5.40. (NEN 1010)

Bij toepassing van NEN 1010 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van veiligheid bevatten over een voorziening voor elektriciteit.

Artikel 5.41. (NEN 1087)
1.

Waar in artikel 4.122 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 1087, wordt bedoeld de hoofdstukken 5 en 8 van die norm.

2.

Waar in artikel 4.137, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 1087, wordt bedoeld de onderdelen 5.1 en 5.3 van die norm.

Artikel 5.41a. (NEN 1594)

Bij de toepassing van NEN 1594 is de derde alinea van onderdeel 4.2.2.2 van NEN 1594 niet van toepassing op een brandslangaansluiting in de eerste ruimte als bedoeld in artikel 4.221, vijfde en zesde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.42. (NEN 2057)

Bij de toepassing van NEN 2057 geldt dat in vergelijking (1) in hoofdstuk 4 van NEN 2057

‘A e,i = A d,i x C b,i x C u,i x CLTA’ wordt gelezen als: A e,i = A d,i x C b,i x C u,i.

Artikel 5.43. (NEN 2535 en NEN 2575)

Bij de toepassing van NEN 2535 en NEN 2575 is het in die normen bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.44. (NEN 2757)

Waar in de artikelen 4.136, 4.138 en 4.141 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 2757, wordt bedoeld:

  • a. NEN 2757-1 voor verbrandingsinstallaties met een belasting kleiner dan of gelijk aan 130 kW op bovenwaarde; en
  • b. NEN 2757-2 voor verbrandingsinstallaties met een belasting groter dan 130 kW op bovenwaarde.
Artikel 5.45. (NEN 5077)

Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van de tabellen 3, 5, 6 en 7 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn.

Artikel 5.46. (NEN 7120)

Bij de toepassing van NEN 7120 gelden voor de in onderdeel 5.3.2 opgenomen formule de waarden, aangegeven in tabel 5.46, voor de correctiefactor CEPC;mn;U/W:

Gebruiksfunctie Gebruiksfunctie C EPC;mn;U/W
1 Woonfunctie
a. woonwagen 0,99
b. andere woonfunctie 1,10
2 Bijeenkomstfunctie 0,73
3 Celfunctie 0,98
4 Gezondheidszorgfunctie
a. met bedgebied 1,17
b. andere gezondheidszorgfunctie 0,98
6 Kantoorfunctie 1,05
7 Logiesfunctie
a. logiesfunctie in logiesgebouw 0,90
b. logiesfunctie niet in logiesgebouw 0,88
8 Onderwijsfunctie 1,44
9 Sportfunctie 0,86
10 Winkelfunctie 0,85
Artikel 5.47. (NEN-EN 1838)

Waar in het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN-EN 1838, wordt bedoeld onderdeel 5.4.5 van die norm.

Artikel 5.48. (NEN-EN 1990)

Bij de toepassing van NEN-EN 1990 wordt tabel NB. 1- 2.1 gelezen als:

Ontwerplevensduur Ontwerplevensduur Toepassing
Klasse Jaren Toepassing
1A 5 Tijdelijke bouwwerken, anders dan een woonfunctie: waarbij de termijn, genoemd in een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, niet langer is dan 5 jaar, of die vergunningvrij zijn voor de activiteit bouwen. Bouwwerken in gevolgklasse CC2 of CC3: binnen deze klasse moeten de in rekening te brengen belastingen zijn gebaseerd op een referentieperiode van 15 jaar. Voor CC1 is dit 5 jaar.
1B 15 Tijdelijke bouwwerken, anders dan bouwwerken die vallen in klasse 1A.
2 15 Constructies en bouwwerken voor landbouw en tuinbouw en soortgelijke toepassingen, alleen voor productiedoeleinden, waarbij het aantal personen dat in het gebouw aanwezig is, beperkt is. Industriebouwwerken, al dan niet tijdelijk, met 1 of 2 bouwlagen.
3 50 Bouwwerken anders dan bedoeld onder 1A, 1B en 2.
Artikel 5.49

[Vervallen]

Artikel 5.50. (NTA 8800)

Bij het bepalen van het aandeel hernieuwbare energie, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, volgens NTA 8800 mag restwarmte en -koude als bedoeld in NTA 8800 worden meegerekend.

Afdeling 5.3. Veiligheid

§ 5.3.1. Algemene bepalingen

Artikel 5.51. (toepassingsbereik)

Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties als bedoeld in artikel 6.45 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en bouw- en sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.1 van dat besluit.

§ 5.3.2. Certificering van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties in verband met koolmonoxide

Artikel 5.52. (concentratie (bijna-)ongevallen)

De concentratie koolmonoxide, bedoeld in artikel 6.46 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bedraagt 20 ppm.

Artikel 5.53. (beeldmerk)
1.

Het beeldmerk, bedoeld in artikel 6.47, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is het beeldmerk, opgenomen in bijlage XVIII.

2.

Certificaathouders voeren het beeldmerk op alle uitingen die betrekking hebben op de werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties en bij het zich legitimeren bij klanten.

3.

Het is verboden het beeldmerk te voeren wanneer niet wordt beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 3.35, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

§ 5.3.3. Veiligheid directe omgeving bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 5.54. (risicomatrix)

De risicomatrix, bedoeld in artikel 7.5a van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is de risicomatrix, opgenomen in bijlage XVIIIa.

Artikel 5.55. (veiligheidscoördinator directe omgeving en bouw- en sloopveiligheidsplan)

De noodzaak tot het aanstellen van een veiligheidscoördinator directe omgeving en het opstellen van een bouw- en sloopveiligheidsplan, bedoeld in artikel 7.5a, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is aanwezig als het invullen van de risicomatrix, bedoeld in artikel 5.54, resulteert in opgeteld twaalf of meer punten.

Afdeling 5.4. Geluid en gezondheid

§ 5.4.1. Algemene bepalingen

Artikel 5.56. (toepassingsbereik)

Deze afdeling is van toepassing op bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen en bouw- en sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

§ 5.4.2. Bescherming tegen geluid van buiten

Artikel 5.57. (bepalen: gezamenlijk geluid bij afwijkende spectra)

Als het gezamenlijke geluid bedoeld in artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leegomgeving wordt bepaald op grond van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.103a of 5.23a, aanhef en onder a, van het Besluit bouwwerken leefomgeving en voor het bepalen van de karakteristieke geluidwering gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van NEN 5077 om afwijkende spectra te gebruiken, is artikel 3.26, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.58. (berekenen: overgangsrecht gezamenlijk geluid)

Op het berekenen van het gezamenlijke geluid voor een verblijfsgebied, bedoeld in artikel 4.103c, tweede lid, aanhef, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn de artikelen 3.26 en 3.27 van toepassing.

§ 5.4.3. Bescherming tegen geluid van installaties

Artikel 5.59. (berekenen: geluidsniveau installatie voor warmte- of koudeopwekking)
1.

Het geluidsniveau van een installatie voor warmte- of koudeopwekking, bedoeld in de artikelen 4.107, tweede lid, en 4.108, derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt bepaald berekend volgens bijlage XVII.

2.

Op het berekenen van het geluidsniveau is artikel 6.6, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

§ 5.4.4. Geluidhinder bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 5.60. (bepalen: dagwaarden geluid bouw- en sloopwerkzaamheden)
2.

Op het bepalen van de dagwaarden zijn de artikelen 6.5 en 6.6, tweede, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 5.5. Onderzoek naar de staat van een bouwwerk

Artikel 5.61. (breedplaatvloeren)
1.

Als bouwwerk waarop artikel 3.6 van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is wordt aangewezen een bouwwerk met breedplaatvloeren die:

  • a. een overspanning hebben van meer dan 8,5 m; of
  • b. zijn toegepast in niet-geïsoleerde daken.
2.

Onder de aanwijzing valt niet een bouwwerk:

  • b. dat voor 1 januari 2000 gereed is gemeld; of
  • c. waarvoor na 1 januari 2018 een omgevingsvergunning is verleend.
3.

Onder de aanwijzing vallen ook niet gedeelten van een bouwwerk met alleen een woonfunctie of een nevengebruiksfunctie daarvan, anders dan een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen.

4.

Het onderzoek wordt verricht volgens het Stappenplan beoordeling bestaande gebouwen met breedplaatvloeren.

5.

De uitkomsten van het onderzoek worden voor 1 juli 2025 in een rapport vastgelegd.

6.

Met een onderzoek en rapport als bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld een ander onderzoek en rapport dat naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoont dat de constructieve veiligheid van de breedplaatvloeren in het bouwwerk voldoet aan paragraaf 3.2.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Afdeling 5.6. Periodieke beoordeling van de constructieve veiligheid van een bouwwerk

Artikel 5.62. (bouwwerken)
1.

Als bouwwerk waarop artikel 3.6a van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is wordt aangewezen een bouwwerk met:

  • a. een bijeenkomstfunctie;
  • b. een onderwijsfunctie;
  • c. een sportfunctie; of
  • d. een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer,

niet zijnde een nevengebruiksfunctie daarvan, als het bouwwerk voor deze gebruiksfuncties is bestemd om te worden gebruikt door ten minste 5.000 personen.

2.

Onder de aanwijzing valt niet een bouwwerk dat voor 1 januari 1950 nieuw is gebouwd, tenzij het:

  • a. op of na 1 januari 1950 is verbouwd met een verandering van de draagconstructie;
  • b. op of na 1 januari 1950 een wijziging van de gebruiksfunctie heeft ondergaan; of
  • c. een gebruiksgebied heeft dat niet in zijn geheel is voorzien van uitwendige scheidingsconstructies.
Artikel 5.63. (initiële beoordeling)
1.

Een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.62 wordt uiterlijk drie jaar na de gereedmelding beoordeeld volgens NTA 8790 door een bedrijf als bedoeld in artikel 5.65.

2.

Het rapport met de bevindingen van de initiële beoordeling bevat:

  • a. een beschrijving van de uitgevoerde beoordeling en een overzicht van de daarbij gebruikte documenten;
  • 1°. het vertrouwen is gerechtvaardigd dat bij het bouwwerk niet meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar lopen bij het bezwijken van een constructieonderdeel;
  • 3°. het bouwwerk niet voldoet aan de onder 2° bedoelde eisen , onder vermelding van de door hem geconstateerde afwijkingen; en
  • c. een plan voor de periodieke beoordeling van het bouwwerk als bedoeld in NTA 8790, als sprake is van een verklaring als bedoeld onder b, onder 2° of 3°.
3.

Het rapport van de initiële beoordeling wordt aan het bevoegd gezag verstrekt uiterlijk een week nadat het rapport is vastgesteld door het beoordelende bedrijf.

Artikel 5.64. (periodieke beoordeling)
1.

Een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.62 wordt na de initiële beoordeling, bedoeld in artikel 5.63, door een bedrijf als bedoeld in artikel 5.65 periodiek beoordeeld volgens NTA 8790 en het voor het bouwwerk opgestelde plan voor de periodieke beoordeling, bedoeld in artikel 5.63, tweede lid, onder c.

2.

Het rapport van de bevindingen van de periodieke beoordeling bevat:

  • a. een beschrijving van de uitgevoerde beoordeling en een overzicht van de daarbij gebruikte documenten;
  • 2°. het bouwwerk niet voldoet aan de onder 1° bedoelde eisen, onder vermelding van de door hem geconstateerde afwijkingen; en
  • c. een actualisering van het plan voor de periodieke beoordeling als dit naar het oordeel van de persoon, bedoeld in artikel 5.65, tweede lid, nodig is.
3.

Het rapport van de periodieke beoordeling wordt aan het bevoegd gezag verstrekt uiterlijk een week nadat het rapport is vastgesteld door het beoordelende bedrijf.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op een bouwwerk waarvan het rapport van de initiële beoordeling, bedoeld in artikel 5.63, een verklaring bevat van de persoon, bedoeld in artikel 5.65, tweede lid, dat naar zijn oordeel het vertrouwen is gerechtvaardigd dat bij het bouwwerk niet meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar lopen bij het bezwijken van een constructieonderdeel.

Artikel 5.65. (beoordelend bedrijf)
1.

De beoordeling van een bouwwerk als bedoeld in deze afdeling wordt uitgevoerd door een bedrijf dat, anders dan via de overeenkomst tot het uitvoeren van die beoordeling, niet organisatorisch, financieel of juridisch betrokken is bij het eigendom of het gebruik van het bouwwerk en dat niet betrokken is of is geweest bij de nieuwbouw of verbouw van het bouwwerk of het toezicht daarop.

2.

De beoordeling wordt uitgevoerd door een persoon met een registratie voor het deskundigheidsgebied registerontwerper of registertoetser B in het register van de Stichting Constructeursregister.

Artikel 5.66. (overgangsrecht initiële beoordeling)

Een bouwwerk dat voor de inwerkingtreding van deze afdeling gereed is gemeld, wordt in afwijking van artikel 5.63, eerste lid, beoordeeld voor 1 juli 2025.

Afdeling 5.7. Technische specificaties voor de fysieke gigabitinfrastructuur

Artikel 5.67. (technische eisen aan de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur)
1.

De glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur, bedoeld in artikel 4.245, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  • a. beschikt over een invoerpunt dat voldoet aan NEN 2768 voor glasvezelbekabeling voor de aansluiting op een openbaar elektronischecommunicatienetwerk;
  • b. beschikt over een mantelbuis voor de invoer voor glasvezelbekabeling met een buitendiameter van ten minste 50 mm tussen het invoerpunt en het toegangspunt;
  • d. biedt bescherming tegen mechanische belasting en klimatologische blootstelling; en
  • e. is toegankelijk voor onderhoud en het aanbrengen van extra binnenhuisglasvezelbekabeling.
2.

De glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur van een woongebouw beschikt ook over:

  • a. een aaneengesloten ruimte met een binnendiameter van ten minste 40 mm tussen het toegangspunt en een ruimte met een netwerkaansluitpunt; en
  • b. een netwerkaansluitpunt dat:
  • 1°. connectoren heeft die voldoen aan NEN-EN 50173-1;
  • 2°. voldoende bescherming biedt tegen stof, laserstraling en fysieke belasting; en
  • 3°. een robuust ontwerp heeft dat voorkomt dat kabels of connectoren knikken of beschadigen.
Artikel 5.68. (technische eisen aan de binnenhuisglasvezelbekabeling)

De binnenhuisglasvezelbekabeling, bedoeld in artikel 4.245, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  • a. voldoet aan NEN-EN 50173-1;
  • b. heeft een minimale toelaatbare buigradius die groter is dan 10 keer de diameter van de binnenhuisglasvezelkabel; en
  • c. is niet in hetzelfde leidingsysteem aangebracht als elektrische kabels en leidingen.
Artikel 5.69. (technische eisen aan het toegangspunt)

Het toegangspunt, bedoeld in artikel 4.245, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is gelegen in een toegankelijke gemeenschappelijke ruimte die beschikt over:

  • a. een voorziening waarin de binnenhuisglasvezelbekabeling van verschillende woonfuncties vanuit de netwerkaansluitpunten samenkomen en van waaruit de aansluiting op het openbaar elektronischecommunicatienetwerk kan worden gemaakt;
  • b. een wandcontactdoos met een elektrische spanning van 230 volt.

Hoofdstuk 6. Meet- en rekenregels decentraal gereguleerde activiteiten

Afdeling 6.1. Algemeen

Artikel 6.1. (toepassingsbereik)

Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van de gevolgen van activiteiten bij het vaststellen of wordt voldaan aan de regels in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening, als daarin op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de wet regels zijn opgenomen over die activiteiten.

Artikel 6.2. (normadressaat)

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 6.3. (maatwerk- of vergunningvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verbonden, over artikel 6.14, vierde en vijfde lid.

2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 6.14, vierde en vijfde lid, tenzij anders is bepaald.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan worden verbonden.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.9, 8.10, 8.11 en 8.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 6.2. Meet- en rekenregels activiteiten waarover in omgevingsplannen regels zijn gesteld

§ 6.2.1. Veiligheid

Artikel 6.3a. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de vuurbelasting van een gebruiksfunctie, voor zover het gaat om het bouwen en in stand houden van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen.

Artikel 6.3b. (bepalen: vuurbelasting)

Als een omgevingsplan met het oog op het waarborgen van de veiligheid regels over het bouwen en in stand houden van een bouwwerk voor het verblijven van personen bevat met betrekking tot de vuurbelasting van een gebruiksfunctie, is op het bepalen van die vuurbelasting NEN 6090 van toepassing.

§ 6.2.2. Waterkwaliteit

§ 6.2.2.1. Meetmethoden afvalwater

Artikel 6.3c. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater, voor zover het gaat om het lozen van huishoudelijk afvalwater of afvalwater bij:

  • a. sanering of ontwatering;
  • b. het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen;
  • c. het maken van betonmortel;
  • d. het uitwassen van beton;
  • e. het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal;
  • f. het wassen van motorvoertuigen; en
  • g. het fokken, houden, of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.
Artikel 6.3d. (meten: afvalwater)
1.

Als een omgevingsplan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater bevat:

  • a. is op het bemonsteren van afvalwater NEN 6600-1 van toepassing, en is een monster niet gefiltreerd;
  • b. is op het conserveren van een monster NEN-EN_ISO 5667-3 van toepassing;
  • c. worden bij het analyseren van een monster onopgeloste stoffen meegenomen, en is op het analyseren daarvan NEN-EN 872 van toepassing.
2.

In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van een monster van afvalwater bij sanering of ontwatering van toepassing:

  • a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
  • b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
  • c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;
  • d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
  • e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
  • f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
  • g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
  • h. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;
  • i. voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;
  • j. voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;
  • k. voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;
  • l. voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;
  • m. voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;
  • n. voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;
  • o. voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;
  • p. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
  • q. voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;
  • r. voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;
  • s. voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;
  • t. voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en
  • u. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
3.

In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van een monster van huishoudelijk afvalwater van toepassing:

  • a. voor biomedisch zuurstofgebruik: ISO 5815-1/2; en
  • b. voor chemisch zuurstofgebruik: NEN-ISO 15705.
4.

In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van een monster van afvalwater bij het maken van betonmortel van toepassing:

  • a. voor chemisch zuurstofgebruik: NEN-ISO 15705; en
  • b. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
5.

In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van zilver in een monster van afvalwater bij het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

6.

In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van olie in een monster van afvalwater bij het wassen van motorvoertuigen NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

§ 6.2.2.2. Geleiden van afvalwater

Artikel 6.3e. (geleiden door septic tank)

Als een omgevingsplan regels bevat over het geleiden van huishoudelijk afvalwater door een septic tank, is op het bepalen van de nominale inhoud NEN-EN 12566-1 van toepassing en op het bepalen van het hydraulisch rendement annex B van NEN-EN 12566-1.

Artikel 6.3f. (geleiden door slibvangput en olieafscheider)

Als een omgevingsplan regels bevat over het geleiden van afvalwater afkomstig van het uitwendig wassen van motorvoertuigen door een slibvangput en olieafscheider, is NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2 van toepassing.

Artikel 6.3g. (geleiden door vetafscheider en slibvangput)
1.

Als een omgevingsplan regels bevat over het geleiden door een vetafscheider en slibvangput van vethoudend afvalwater afkomstig van:

  • a. het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur;
  • b. het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur;
  • c. het bereiden van voedingsmiddelen met een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen;
  • d. het bereiden van voedingsmiddelen met een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW;
  • e. het slachten van ten hoogste 10.000 kg levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;
  • f. het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;
  • g. het uitsnijden van vis; of
  • h. het uitsnijden en pekelen van organen,

zijn NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 van toepassing op een vetafscheider en slibvangpunt die zijn geplaatst op of na 14 september 2004.

2.

In afwijking van het eerste lid kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

§ 6.2.3. Geluid

Artikel 6.4. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door een activiteit, anders dan het wonen, met uitzondering van het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen en doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen:

  • a. op een geluidgevoelig gebouw;
  • b. in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw; en
Artikel 6.5. (bepalen: waar het geluid wordt bepaald)
1.

Het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt bepaald op een of meer punten waar het geluid representatief is en dat ligt:

  • a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de gevel, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag;
  • b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de locatie waar een gevel mag komen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag die gebouwd mag worden;
  • c. als het gaat om een woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van de woonwagen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag; en
  • d. als het gaat om een woonschip: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip op 1 m boven het maaiveld.
2.

In het eerste lid wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip.

Artikel 6.6. (bepalen: geluid door activiteiten, anders dan specifieke activiteiten, op een geluidgevoelig gebouw of op een andere locatie)
1.

Het geluid door een activiteit wordt bepaald volgens bijlage IVh als sprake is van:

  • b. een activiteit waarvoor een omgevingsplan een waarde bevat gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds die als omgevingswaarden zijn vastgesteld voor een industrieterrein.
2.

De bedrijfsduurcorrectie, bedoeld in bijlage IVh, wordt niet toegepast voor muziek.

3.

In afwijking van het eerste lid wordt het geluid door een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking bepaald volgens bijlage XVIIIb.

4.

Bij het bepalen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten.

5.

Bij het bepalen van het geluid worden het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidniveau LAmax afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbij gelegen even getal.

Artikel 6.7. (bepalen: geluid door activiteiten, anders dan specifieke activiteiten, in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen)
1.

Op het bepalen van het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen zijn NEN 5077 en NEN-EN-ISO 12354-3 van toepassing.

2.

Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van tabel 3 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn.

Artikel 6.8. (berekenen: geluid door een windturbine of windpark)
1.

Het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.74, eerste of tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, wordt berekend volgens bijlage IVi.

2.

Bij het berekenen worden de waarden in dB Lden en dB Lnight afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.

3.

Bij het berekenen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten.

Artikel 6.8a. (tijdelijke regeling berekenen: geluid door een windturbine of windpark)

Artikel 6.8, eerste lid, is ook van toepassing op het berekenen van het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.75a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat.

Artikel 6.9. (berekenen: geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen)
1.

Het geluid door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde gelegen civiele of militaire schietbaan of militair springterrein, waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.76, tweede of derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, wordt berekend volgens bijlage XVIIIc.

2.

In afwijking van het eerste lid kan het geluid door het exploiteren van een civiele schietbaan, als het gaat om een kleiduivenschietbaan of een schermenbaan voor het toepassingsgebied, bedoeld in bijlage XVIIId, ook volgens die bijlage worden berekend.

3.

Bij het berekenen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten.

§ 6.2.4. Trillingen

Artikel 6.10. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de trillingen door een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw.

Artikel 6.11. (bepalen: trillingen door activiteiten)
1.

Op het bepalen van de trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw waarvoor een omgevingsplan waarden als bedoeld in artikel 5.87, 5.87a, 5.88 of 5.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, is paragraaf 6.2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B, van toepassing.

2.

De waarden worden afgerond op twee decimalen.

§ 6.2.5. Bodem

Artikel 6.11a. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de kwaliteitseisen van het eindonderzoek bodem en het herstel van de bodemkwaliteit na het beëindigen van:

  • a. het pekelen van dierlijke bijproducten of organen; en
  • b. het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.
Artikel 6.11b. (eindonderzoek bodem)

Als een omgevingsplan regels bevat over het verrichten van een eindonderzoek bodem om de kwaliteit van de bodem vast te stellen, voldoet het bodemonderzoek aan NEN 5725 en NEN 5740 en wordt het veldwerk verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 6.11c. (herstel bodemkwaliteit)

Als een omgevingsplan regels bevat over het herstel van de bodemkwaliteit, wordt dat herstel verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

§ 6.2.6. Geur

Artikel 6.12. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het berekenen van de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk of het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, op een geurgevoelig gebouw.

Artikel 6.13. (berekenen: geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk)
1.

Op het berekenen van de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.100, eerste of tweede lid, 5.101 of 5.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, op een geurgevoelig gebouw is standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3 van toepassing.

2.

Bij het toepassen van de standaardrekenmethode is de emissie van geur per seconde de som van de emissies van geur per seconde door de verschillende procesonderdelen.

3.

De emissie van geur per seconde door een procesonderdeel wordt:

  • a. als voor het procesonderdeel in bijlage XVIIIe een geuremissiefactor is vastgesteld: berekend door de geuremissiefactor te vermenigvuldigen met de oppervlakte of, als het gaat om overstorten, de lengte van het procesonderdeel; en
  • b. als voor het procesonderdeel in bijlage XVIIIe geen geuremissiefactor is vastgesteld: bepaald met een geuronderzoek volgens NTA 9065.
Artikel 6.14. (berekenen: geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf)
1.

Op het berekenen van de geur door het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens of het houden van landbouwhuisdieren, waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.109, eerste, tweede of derde lid, of 5.117, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, op een geurgevoelig gebouw is het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning van toepassing.

2.

Bij het toepassen van het verspreidingsmodel:

  • a. is de emissie van geur per seconde de som van de emissies van geur per seconde door de verschillende diercategorieën, gehouden in de verschillende dierenverblijven;
  • c. wordt bij een dierenverblijf met meer dan een emissiepunt het geometrisch gemiddelde van die punten aangemerkt als emissiepunt.
3.

De emissie van geur per seconde door een diercategorie wordt berekend door het aantal dieren van die diercategorie in een dierenverblijf te vermenigvuldigen met de voor die diercategorie geldende emissie van geur per dierplaats per seconde.

4.

De emissie van geur per dierplaats per seconde is gelijk aan de in bijlage V vastgestelde geuremissiefactor voor het in het dierenverblijf toegepaste huisvestingssysteem.

5.

In afwijking van het vierde lid wordt de emissie van geur per dierplaats per seconde bij het toepassen van een aanvullende techniek berekend met het voor die techniek in bijlage VI vastgestelde reductiepercentage voor geur en de in bijlage V vastgestelde geuremissiefactor volgens de formule:

  • a. als één aanvullende techniek wordt toegepast, anders dan in een situatie als bedoeld onder b: emissie van geur = geuremissiefactor huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur aanvullende techniek);
  • b. als een luchtwassysteem als aanvullende techniek wordt toegepast in combinatie met een huisvestingssysteem waarvan de geuremissiefactor lager is dan 30% van de geuremissiefactor voor een overig huisvestingssysteem: emissie voor geur = geuremissiefactor overig huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur luchtwassysteem) x 0,3; en
  • c. als een aanvullende techniek in combinatie met een andere aanvullende techniek wordt toegepast: emissie van geur = geuremissiefactor huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur aanvullende techniek A) x (100% - reductiepercentage geur aanvullende techniek B).

§ 6.2.7. Lichtschittering

Artikel 6.14a. (meten: reflectiewaarden)

Als het omgevingsplan regels bevat over de lichtschittering van een windturbine, is op het uitvoeren van de meting van reflectiewaarden NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

Afdeling 6.2a. Meet- en rekenregels activiteiten waarover in waterschapverordeningen regels zijn gesteld

§ 6.2a.1. Meetmethoden afvalwater

Artikel 6.14b. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater, voor zover het gaat om het lozen van huishoudelijk afvalwater of afvalwater bij:

  • a. sanering of ontwatering;
  • b. bij het opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen; en
  • c. bij het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen.
Artikel 6.14c. (meten: afvalwater)
1.

Als een waterschapsverordening een emissiegrenswaarde voor het lozen afvalwater bevat:

  • a. is op het bemonsteren van afvalwater NEN 6600-1 van toepassing, en is een monster niet gefiltreerd;
  • b. is op het conserveren van een monster NEN-EN_ISO 5667-3 van toepassing; en
  • c. worden bij het analyseren van een monster onopgeloste stoffen meegenomen.
2.

Op het analyseren van een monster van afvalwater bij sanering of ontwatering is van toepassing:

  • a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
  • b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
  • c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;
  • d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
  • e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
  • f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
  • g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
3.

Op het analyseren van een monster van huishoudelijk afvalwater is van toepassing:

  • a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2;
  • b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
  • c. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
  • d. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
  • e. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
  • f. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
4.

Op het analyseren van een monster van afvalwater bij het opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen is van toepassing:

  • a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
  • b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
  • c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
  • d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
  • e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
  • f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
  • g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
  • h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
  • i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
5.

Op het analyseren van een monster van afvalwater bij het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen is van toepassing:

  • a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;
  • b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
  • c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2;
  • d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en
  • e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

§ 6.2a.2. Geleiden van afvalwater

Artikel 6.14d. (geleiden door septic tank)

Als een waterschapsverordening regels bevat over het geleiden van huishoudelijk afvalwater door een septic tank, is op het bepalen van de nominale inhoud NEN-EN 12566-1 van toepassing en op het bepalen van het hydraulisch rendement annex B van NEN-EN 12566-1.

§ 6.2a.3. Meetmethode stof

Artikel 6.14e. (meten: afvalwater)

Als een waterschapsverordening een emissiegrenswaarde bevat voor stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie voor de opvang van stoffen bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken, is op het meten NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Afdeling 6.3. Meet- en rekenregels activiteiten waarover in omgevingsverordeningen regels zijn gesteld

Artikel 6.15. (methode berekenen stikstofdepositie Natura 2000-activiteit)

De stikstofdepositie door het verrichten van een Natura 2000-activiteit waarvoor een omgevingsverordening een regel als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de wet bevat, wordt berekend met AERIUS Calculator.

Hoofdstuk 7. Gegevens en bescheiden

Afdeling 7.1. Algemeen

Artikel 7.1. (toepassingsbereik)

Dit hoofdstuk is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden:

  • a. bij een aanvraag om een besluit op grond van de wet;
Artikel 7.1a. (verstrekken van gegevens en bescheiden via de landelijke voorziening)
1.

Gegevens en bescheiden die via de landelijke voorziening worden ingediend, worden verstrekt in een van de volgende bestandsformaten: PNG, TIFF, JPG, ODT, SVG, CSV, ODS of PDF/A.

2.

Gegevens of bescheiden kunnen in een ander bestandsformaat worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag dat kenbaar heeft gemaakt.

Artikel 7.1b. (verstrekken van coördinaten)

Als coördinaten worden verstrekt, worden deze uitgedrukt in:

  • a. het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; of
  • b. als het gaat om een activiteit in de Noordzee: het European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323).

Afdeling 7.2. Aanvraag omgevingsvergunningen

§ 7.2.1. Algemene bepalingen

Artikel 7.2. (toepassingsbereik)

Deze afdeling is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de wet en, voor zover het gaat om de artikelen 7.3 en 7.4, ook op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4 van de wet.

Artikel 7.3. (algemene aanvraagvereisten)

Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd;
  • b. het telefoonnummer van de aanvrager;
  • c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
  • d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
  • e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde;
  • f. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde;
  • g. als wordt gevraagd een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden over regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 van de wet: een beschrijving van het onderwerp van dat voorschrift; en
  • h. als wordt gevraagd om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen: gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 7.4. (participatie)
1.

Bij de aanvraag wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken.

2.

Als burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

§ 7.2.2. Bouwactiviteiten

§ 7.2.2.1. Algemeen

Artikel 7.5. (bouwactiviteit: toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 7.6. (bouwactiviteit: algemene aanvraagvereisten)

Bij een aanvraag wordt een opgave van de bouwkosten verstrekt.

Artikel 7.7. (bouwactiviteit: veiligheid)
1.

Bij een aanvraag worden met het oog op het waarborgen van de veiligheid gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de belastingen en de belastingcombinaties voor sterkte en stabiliteit van de bouwconstructie en onderdelen daarvan;
  • b. de uiterste grenstoestand van de bouwconstructie en onderdelen daarvan;
  • c. de detaillering van trappen, hellingbanen en afscheidingen aan randen van vloeren, trappen of hellingbanen;
  • d. de beweegbare constructieonderdelen in de gevel;
  • e. de brandklasse en rookklasse van constructieonderdelen;
  • f. de brandcompartimentering en de kwaliteit van scheidingsconstructies;
  • g. de vluchtroutes, het verloop, de inrichting en de capaciteit hiervan, evenals de draairichting van de deuren waardoor een vluchtroute voert en de deuren grenzend aan de vluchtroute; en
  • h. de inbraakwerendheid.
2.

Als de aanvraag betrekking heeft op het veranderen of vergroten van een bestaand bouwwerk, blijkt uit de aangeleverde gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, ook wat de opbouw van de bestaande constructie is en wat de toegepaste materialen zijn.

3.

Bij de aanvraag wordt een toelichting op het ontwerp van de constructies verstrekt over:

  • a. de aangehouden belastingen en belastingcombinaties;
  • b. de constructieve samenhang;
  • c. het stabiliteitsprincipe; en
  • d. de bouwconstructie en de brandwerendheid bij het bezwijken hiervan.
Artikel 7.8. (bouwactiviteit: gezondheid)

Bij een aanvraag worden met het oog op het beschermen van de gezondheid gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de geluidwering van buiten;
  • b. de bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties;
  • c. de geluidsabsorptie van gemeenschappelijke verkeersruimten van een woongebouw;
  • d. de geluidwering tussen niet-gemeenschappelijke verblijfsruimten van dezelfde gebruiksfunctie en de geluidwering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties;
  • e. de luchtvolumestroom en waterdichtheid, regenwerendheid, de factor van de temperatuur en wateropname van inwendige en uitwendige scheidingsconstructies;
  • f. de voorziening voor luchtverversing en de spuivoorziening;
  • g. de afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht;
  • h. het weren van ratten en muizen; en
  • i. de daglichtoppervlakte.
Artikel 7.9. (bouwactiviteit: duurzaamheid)
1.

Bij een aanvraag worden met het oog op duurzaamheid gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de waarden voor energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik, het aandeel hernieuwbare energie en oververhitting in de zomer;
  • b. de thermische eigenschappen van de toegepaste uitwendige scheidingsconstructie;
  • c. de beperking van luchtdoorlatendheid; en
  • d. de belasting van het milieu door de in een gebouw toe te passen materialen.
2.

Op het bepalen van de belasting van het milieu door de in een gebouw toe te passen materialen is artikel 5.32a van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.10. (bouwactiviteit: bruikbaarheid en toegankelijkheid)

Bij een aanvraag worden met het oog op bruikbaarheid en toegankelijkheid gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt:

  • a. de aanduiding van de gebruiksfuncties, de verblijfsgebieden en de afmeting en de bezetting van alle ruimten inclusief totaaloppervlakten per gebruiksfunctie;
  • b. de aanduiding van bad- of toiletruimte, lift, buitenberging en buitenruimte;
  • c. de integrale toegankelijkheid van het bouwwerk en in het bouwwerk gelegen ruimten;
  • d. de aanduiding van de vloerpeilen ten opzichte van het aansluitende terrein; en
  • e. de aanduiding van de opstelplaats van een aanrecht en kook-, stook- en warmwatertoestellen.
Artikel 7.11. (bouwactiviteit: bouwwerkinstallaties)
1.

Bij een aanvraag worden voor bouwwerkinstallaties gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de noodstroomvoorziening en -verlichting;
  • b. het leidingplan en aansluitpunten van breedbandconnectie, gas-, elektra- en waterleiding;
  • c. de aansluitpunten van de drinkwater- en warmwatervoorziening;
  • d. het leidingplan en aansluitpunten van riolering en hemelwaterafvoeren;
  • e. de aard en locatie van brandveiligheidinstallaties en van de vluchtrouteaanduiding;
  • f. gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen voor veilig onderhoud met behulp van de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012; en
  • g. technische bouwsystemen en het daarbij behorende systeemrendement.
2.

Als de aanvraag gaat over een woongebouw worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. zelfsluitende deuren;
  • b. spreekinstallaties; en
  • c. signaalvoorzieningen en deuropeners ter voorkoming van veel voorkomende criminaliteit.
Artikel 7.12

[Vervallen]

Artikel 7.12a

[Vervallen]

Artikel 7.13. (bouwactiviteit: overige aanvraagvereisten)

Bij een aanvraag worden gegevens en bescheiden verstrekt over kwaliteitsverklaringen bouw en CE-markeringen van bouwproducten.

Artikel 7.14. (bouwactiviteit: aanvullende aanvraagvereisten woonwagens)

Bij een aanvraag die gaat over een woonwagen, kan ter voldoening aan de artikelen 7.7 tot en met 7.11 en 7.13, documentatie van de leverancier van de woonwagen worden verstrekt.

Artikel 7.15. (bouwactiviteit: aanvullende aanvraagvereisten wegtunnels)
1.

Bij een aanvraag die gaat over een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels worden aanvullend op de artikelen 7.7, tot en met 7.13 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • c. als er een gestandaardiseerde uitrusting wordt toegepast: een toelichting waaruit blijkt dat het ontwerp aansluit bij de standaarduitrusting van de tunnel waarvoor op grond van artikel 6b van die wet is gekozen; en
2.

Als ook gevraagd wordt om een voorschrift als bedoeld in artikel 7.3, onder g, worden voor wegtunnels ook gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat de toestemming als bedoeld in artikel 14 van de richtlijn 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 over minimumveiligheidseisen voor tunnels in het transeuropese wegennet (PbEU 2004, L 167, gerectificeerd in PbEU 2004, L 201) is verkregen om van eisen van die richtlijn af te wijken.

§ 7.2.2.2. Op een later tijdstip te verstrekken gegevens en bescheiden

Artikel 7.16. (bouwactiviteit: uitgestelde aanvraagvereisten)
1.

Gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 8.3c, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarvoor het bevoegd gezag op grond van dat lid op verzoek van de aanvrager een voorschrift tot het later verstrekken van die gegevens en bescheiden aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit moet verbinden zijn:

  • a. de belastingen en de belastingcombinaties voor sterkte en stabiliteit en de uiterste grenstoestand van alle te wijzigen constructieve delen van het bouwwerk en van het bouwwerk als geheel, voor zover het niet gaat om de hoofdlijn van de constructie of het constructieprincipe; en
  • b. de details van de in of voor het bouwwerk toegepaste bouwwerkinstallaties, voor zover het niet gaat om de gegevens over de hoofdlijn of het principe van de toegepaste installaties.
2.

Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden betrekking hebben op tekeningen of berekeningen waaruit het constructieprincipe blijkt voor de nieuwe situatie en, als daarvan sprake is, voor de bestaande situatie. Dit gaat om:

  • a. tekeningen van de definitieve hoofdopzet van de constructie van alle verdiepingen met inbegrip van globale maatvoering;
  • b. een schematisch funderingsoverzicht of palenplan met globale plaatsing, aantallen en paalpuntniveaus, met inbegrip van globaal grondonderzoek waaruit de draagkracht van de ondergrond blijkt;
  • c. plattegronden van vloeren en daken, met inbegrip van globale maatvoering;
  • d. overzichtstekeningen van constructies in staal, hout en geprefabriceerd beton, met inbegrip van stabiliteitsvoorzieningen en dilataties, principedetails van karakteristieke constructieonderdelen in een schaal van 1:20, 1:10 of 1:5, met inbegrip van maatvoering; en
3.

De hoofdlijn, bedoeld in het eerste lid, onder b, gaat in ieder geval over de wijze van verwarming, koeling en luchtbehandeling, de locatie en wijze van verticaal transport en de locatie van en het type brandveiligheidinstallatie.

4.

Gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 8.3c, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarvoor het bevoegd gezag op grond van dat lid als naar zijn oordeel de bouwactiviteit daartoe aanleiding geeft een voorschrift tot het later verstrekken van die gegevens en bescheiden aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit kan verbinden zijn: de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.7, eerste lid, onder c tot en met h, en 7.8 tot en met 7.11.

§ 7.2.2.3. Tekeningen en berekeningen

Artikel 7.17. (bouwactiviteit: tekening)
1.

Bij een aanvraag worden tekeningen verstrekt met een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding.

2.

Tenzij paragraaf 7.2.9.3 van toepassing is en de daarin aangegeven schaal geldt, heeft een tekening een schaal die niet kleiner is dan:

  • a. 1:1.000, als het gaat om een situatietekening;
  • b. 1:100, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 10.000 m2; en
  • c. 1:200, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van 10.000 m2 of groter.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)