Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee

Type Verdrag
Publication 1996-07-28
State In force
Source BWB
artikelen 448
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Voor de toepassing van dit deel betekent „Staten met een ongunstige geografische ligging” kuststaten, met inbegrip van Staten grenzend aan ingesloten of half-ingesloten zeeën, wier geografische ligging hen afhankelijk maakt van de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van andere Staten in de subregio of regio voor voldoende aanvoer van vis voor de voeding van hun bevolking of delen daarvan en kuststaten die geen aanspraak kunnen maken op een eigen exclusieve economische zone.

3.

De voorwaarden en modaliteiten van een zodanige deelneming worden door de betrokken Staten vastgesteld door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met:

  • a. de noodzaak gevolgen te vermijden die nadelig zijn voor vissersgemeenschappen of de visserij van de kuststaat;
  • b. de mate waarin de Staat met een ongunstige geografische ligging, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, ingevolge bestaande bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten deelneemt aan of gerechtigd is deel te nemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van andere kuststaten;
  • c. de mate waarin andere Staten met een ongunstige geografische ligging en Staten zonder zeekust deelnemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zone van de kuststaat en de daaruit voortvloeiende noodzaak een bijzondere last voor één bepaalde kuststaat of deel daarvan te vermijden;
  • d. de voedselbehoeften van de bevolking van de onderscheiden Staten.
4.

Wanneer het oogstvermogen van een kuststaat een punt bereikt waarop deze in staat zou zijn de gehele toelaatbare vangst van de levende rijkdommen in zijn exclusieve economische zone te oogsten, werken de kuststaat en de andere betrokken Staten samen bij de totstandkoming van billijke regelingen op bilaterale, subregionale of regionale basis om de deelneming van ontwikkelingslanden met een ongunstige geografische ligging uit dezelfde subregio of regio mogelijk te maken aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten van de subregio of regio, als passend is gezien de omstandigheden en op voor alle partijen bevredigende voorwaarden. Bij de tenuitvoerlegging van deze bepaling dient tevens rekening te worden gehouden met de in het derde lid genoemde factoren.

5.

Ontwikkelde Staten met een ongunstige geografische ligging zijn ingevolge de bepalingen van dit artikel slechts gerechtigd deel te nemen aan de exploitatie van levende rijkdommen in de exclusieve economische zones van ontwikkelde kuststaten van dezelfde subregio of regio, voor zover de kuststaat, bij het verlenen van toegang aan andere Staten tot de levende rijkdommen van zijn exclusieve economische zone, rekening heeft gehouden met de noodzaak nadelige gevolgen voor vissersgemeenschappen en economische ontwrichting in Staten wier onderdanen gewoonlijk in de zone vissen, tot een minimum te beperken.

6.

De bovenstaande bepalingen laten onverlet regelingen eventueel overeengekomen in subregio’s of regio’s, waar de kuststaten aan Staten met een ongunstige geografische ligging van dezelfde subregio of regio gelijke of preferentiële rechten kunnen toekennen voor de exploitatie van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zones.

Artikel 71. Niet-toepasselijkheid van de artikelen 69 en 70

De bepalingen van de artikelen 69 en 70 zijn niet van toepassing in het geval van een kuststaat wiens economie in overgrote mate afhankelijk is van de exploitatie van de levende rijkdommen van zijn exclusieve economische zone.

Artikel 72. Beperkingen op de overdracht van rechten
1.

De ingevolge de artikelen 69 en 70 bepaalde rechten tot exploitatie van de levende rijkdommen mogen niet direct of indirect worden overgedragen aan derde Staten of hun onderdanen door middel van verhuur of licentie, door het oprichten van joint ventures of op enige andere wijze die de werking van een zodanige overdracht heeft, tenzij anderszins overeengekomen door de betrokken Staten.

2.

De voorgaande bepaling belet de betrokken Staten niet technische of financiële bijstand te verkrijgen van de Staten of internationale organisaties ten einde de uitoefening van de rechten voortvloeiend uit de artikelen 69 en 70 te vergemakkelijken, mits zulks niet de in het eerste lid bedoelde werking heeft.

Artikel 73. Afdwinging van de naleving van de wetten en voorschriften van de kuststaat
1.

In de uitoefening van zijn soevereine rechten de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone te exploreren, exploiteren, behouden en te beheren, kan de kuststaat de maatregelen nemen, met inbegrip van het aan boord gaan, de inspectie, de aanhouding en het instellen van gerechtelijke procedures, die nodig kunnen zijn ter waarborging van de naleving van de door hem overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften.

2.

Aangehouden schepen en hun bemanning worden onverwijld in vrijheid gesteld na het verschaffen van een redelijke waarborgsom of het stellen van een andere zekerheid.

3.

De straffen van de kuststaat voor schendingen van de wetten en voorschriften inzake de visserij in de exclusieve economische zone mogen, tenzij de betrokken Staten anders overeenkomen, niet omvatten vrijheidsbeneming of andere vormen van lichamelijke straf.

4.

In gevallen van aanhouding of vasthouding van vreemde schepen stelt de kuststaat langs passende weg onverwijld de vlaggestaat in kennis van de genomen maatregelen en van de daarna opgelegde eventuele straffen.

Artikel 74. Afbakening van de exclusieve economische zone tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten
1.

De afbakening van de exclusieve economische zone tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten geschiedt bij overeenkomst op basis van het internationale recht, zoals bedoeld in artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof, ten einde een billijke oplossing te bereiken.

2.

Indien niet binnen een redelijke termijn een overeenkomst tot stand komt, maken de betrokken Staten gebruik van de procedures, bepaald in Deel XV.

3.

In afwachting van de totstandkoming van een overeenkomst zoals bepaald in het eerste lid stellen de betrokken Staten in een geest van onderling begrip en samenwerking, alles in het werk om voorlopige regelingen van praktische aard aan te gaan en tijdens deze overgangsperiode de totstandkoming van een definitieve overeenkomst niet in gevaar te brengen of te belemmeren. Zodanige regelingen laten de definitieve afbakening onverlet.

4.

Wanneer er een overeenkomst tussen de betrokken Staten van kracht is, worden vraagstukken betreffende de afbakening van de exclusieve economische zone opgelost overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst.

Artikel 75. Kaarten en lijsten van geografische coördinaten
1.

Onder voorbehoud van dit Deel dienen de buitengrenslijnen van de exclusieve economische zone en de afbakeningslijnen, getrokken overeenkomstig artikel 74, te worden aangegeven op kaarten van een schaal of schalen groot genoeg om de positie ervan te kunnen vaststellen. Waar passend kunnen deze buitengrenslijnen of afbakeningslijnen worden vervangen door lijsten van geografische coördinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.

2.

De kuststaat geeft voldoende bekendheid aan zodanige kaarten of lijsten van geografische coördinaten en legt een exemplaar van elke kaart of lijst neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

DEEL VI. CONTINENTAAL PLAT

Artikel 76. Begripsomschrijving van het continentale plat
1.

Het continentale plat van een kuststaat omvat de zeebodem en de ondergrond van de onder water gelegen gebieden die zich buiten zijn territoriale zee uitstrekken door de natuurlijke voortzetting van zijn landterritorium tot de buitenste grens van de continentale rand, of tot een afstand van 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten wanneer de buitenste grens van de continentale rand zich niet tot die afstand uitstrekt.

2.

Het continentale plat van een kuststaat strekt zich niet verder uit dan de grenzen bepaald in het vierde tot en met het zesde lid.

3.

De continentale rand omvat de onder water gelegen voortzetting van de landmassa van de kuststaat en bestaat uit de zeebodem en ondergrond van het plat, de helling en de voet. Deze rand omvat niet de diepe oceaanbodem met de oceaanruggen of de ondergrond daarvan.

  • a. Voor de toepassing van dit Verdrag stelt de kuststaat de buitenste grens van de continentale rand vast wanneer deze zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten door:
  • (i). een lijn, getrokken overeenkomstig het zevende lid, uitgaande van de uiterste vaste punten bij elk waarvan de dikte van de sedimentaire rotsen ten minste 1 procent is van de kortste afstand van een zodanig punt tot de voet van de continentale helling; of
  • (ii). een lijn, getrokken overeenkomstig het zevende lid, uitgaande van vaste punten niet verder dan 60 zeemijl van de voet van de continentale helling.
  • b. Bij gebreke van bewijs van het tegendeel wordt de voet van de continentale helling bepaald als het punt van de maximale verandering van de hellingshoek aan zijn basis.
5.

De vaste punten die de lijn bepalen van de buitengrenzen van het continentale plat op de zeebodem, getrokken overeenkomstig het vierde lid, letter a onder (i) en (ii) mogen ofwel niet verder liggen dan 350 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten ofwel niet verder liggen dan 100 zeemijl van de 2500-meter-isobath, die de lijn is welke de diepten van 2500 meter verbindt.

6.

Niettegenstaande de bepalingen van het vijfde lid mag op onderzeese ruggen de buitengrens van het continentale plat niet meer belopen dan 350 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. Dit lid is niet van toepassing op onderzeese bodemverheffingen die natuurlijke onderdelen van de continentale rand zijn, zoals de hoogvlakten, opgaande hellingen, drempels, banken en uitsteeksels.

7.

De kuststaat legt de buitengrenzen van zijn continentale plat vast, waar dat plat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, door rechte lijnen van niet langer dan 60 zeemijl lengte, die vaste punten verbinden, omschreven door breedte- en lengtecoördinaten.

8.

Gegevens omtrent de grenzen van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl vanaf de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, dienen door de kuststaat te worden voorgelegd aan de Commissie inzake de grenzen van het continentale plat, in het leven geroepen ingevolge Bijlage II op basis van een billijke geografische vertegenwoordiging. De Commissie doet de kuststaten aanbevelingen inzake aangelegenheden betreffende de vaststelling van de buitengrenzen van hun continentale plat. De grenzen van het plat, door de kuststaat vastgesteld op basis van deze aanbevelingen, zijn definitief en bindend.

9.

De kuststaat legt bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties kaarten en van belang zijnde informatie, met inbegrip van geodetische gegevens, neder, door middel waarvan de buitengrenzen van het continentale plat duurzaam worden beschreven. De Secretaris-Generaal geeft hieraan naar behoren bekendheid.

10.

De bepalingen van dit artikel laten onverlet de kwestie van de afbakening van het continentale plat tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.

Artikel 77. Rechten van de kuststaat op het continentale plat
1.

De kuststaat oefent over het continentale plat soevereine rechten uit ter exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plat.

2.

De in het eerste lid bedoelde rechten zijn exclusief in die zin dat, indien de kuststaat het continentale plat niet exploreert of de natuurlijke rijkdommen ervan niet exploiteert, niemand deze werkzaamheden mag gaan verrichten dan met de uitdrukkelijke toestemming van de kuststaat.

3.

De rechten van de kuststaat op het continentale plat zijn niet afhankelijk van een daadwerkelijke of fictieve bezetting of van enige uitdrukkelijke proclamatie.

4.

De in dit Deel bedoelde natuurlijke rijkdommen bestaan uit de minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en de ondergrond, alsmede uit levende organismen die tot de sedentaire soorten behoren, dat wil zeggen organismen die ten tijde dat ze geoogst kunnen worden, hetzij zich onbeweeglijk op of onder de zeebodem bevinden, hetzij zich niet kunnen verplaatsen dan in voortdurend fysiek contact met de zeebodem of de ondergrond.

Artikel 78. Juridische status van de bovengelegen wateren en het luchtruim boven die wateren en de rechten en vrijheden van andere Staten
1.

De rechten van de kuststaat op het continentale plat doen geen afbreuk aan de juridische status van de bovengelegen wateren of van het luchtruim boven die wateren.

2.

De uitoefening van de rechten van de kuststaat over het continentale plat mag geen inbreuk maken op of leiden tot ongerechtvaardigde belemmering van de scheepvaart en andere rechten en vrijheden van andere Staten, zoals bepaald in dit Verdrag.

Artikel 79. Onderzeese kabels en pijpleidingen op het continentale plat
1.

Alle Staten zijn gerechtigd onderzeese kabels en pijpleidingen op het continentale plat te leggen, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

2.

Onder voorbehoud van zijn recht redelijke maatregelen te nemen voor de exploratie van het continentale plat en de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen daarvan en het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging door pijpleidingen, mag de kuststaat het leggen of het onderhoud van onderzeese kabels of pijpleidingen niet belemmeren.

3.

Het tracé van de pijpleidingen die op het continentale plat worden gelegd, is onderworpen aan de toestemming van de kuststaat.

4.

Niets in dit Deel doet afbreuk aan het recht van de kuststaat voorwaarden te stellen voor kabels of pijpleidingen die zijn gebied of territoriale zee binnenkomen, of aan zijn rechtsmacht over kabels en pijpleidingen, aangelegd of gebruikt in verband met de exploratie van zijn continentale plat of de exploitatie van de rijkdommen daarvan of de werkzaamheden van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen die zich onder zijn rechtsmacht bevinden.

5.

Bij het leggen van onderzeese kabels of pijpleidingen houden de Staten naar behoren rekening met reeds aanwezige kabels of pijpleidingen. Inzonderheid dienen de mogelijkheden voor het herstellen van bestaande kabels en pijpleidingen niet te worden aangetast.

Artikel 80. Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentale plat

Artikel 60 is mutatis mutandis van toepassing op kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentale plat.

Artikel 81. Boren op het continentale plat

De kuststaat bezit het exclusieve recht machtiging te verlenen tot het boren op het continentale plat voor alle doeleinden en hiervoor regels te stellen.

Artikel 82. Betalingen en bijdragen met betrekking tot de exploitatie van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl
1.

De kuststaat verricht betalingen of levert bijdragen in natura met betrekking tot de exploitatie van de niet-levende rijkdommen van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl vanaf de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.

2.

De betalingen en bijdragen geschieden jaarlijks met betrekking tot de totale produktie op een plaats na de eerste vijf jaar van produktie op die plaats. Voor het zesde jaar is de hoogte van de betaling of bijdrage 1 procent van de waarde of de omvang van de produktie op die plaats. De hoogte stijgt met 1 procent voor elk volgend jaar tot het twaalfde jaar en blijft daarna op 7 procent. De produktie omvat niet de natuurlijke rijkdommen gebruikt in verband met de exploitatie.

3.

Een ontwikkelingsstaat die netto-importeur is van een minerale rijkdom die wordt gewonnen uit zijn continentale plat, is vrijgesteld van het verrichten van zulke betalingen of het leveren van zulke bijdragen met betrekking tot die minerale hulpbron.

4.

De betalingen worden verricht of de bijdragen worden geleverd via de Autoriteit, die deze zal verdelen onder de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, op basis van billijke verdelingscriteria, met inachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten, vooral de minst ontwikkelde onder hen, alsmede van de Staten zonder zeekust.

Artikel 83. Afbakening van het continentale plat tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten
1.

De afbakening van het continentale plat tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten geschiedt bij overeenkomst op basis van het internationaal recht, zoals bedoeld in artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof ten einde een billijke oplossing te bereiken.

2.

Indien niet binnen een redelijke termijn een overeenkomst tot stand komt, maken de betrokken Staten gebruik van de procedures bepaald in deel XV.

3.

In afwachting van de totstandkoming van een overeenkomst zoals bepaald in het eerste lid stellen de betrokken Staten in een geest van wederzijds begrip en samenwerking, alles in het werk om voorlopige overeenkomsten van praktische aard aan te gaan en tijdens deze overgangsperiode de totstandkoming van een definitieve overeenkomst niet te verstoren of te belemmeren. Zodanige regelingen laten de definitieve afbakening onverlet.

4.

Wanneer er een overeenkomst tussen de betrokken Staten van kracht is, worden vraagstukken betreffende de afbakening van het continentale plat opgelost overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst.

Artikel 84. Kaarten en lijsten van geografische coördinaten
1.

Onder voorbehoud van dit Deel dienen de buitengrenslijnen van het continentale plat en de afbakeningslijnen, getrokken overeenkomstig artikel 83, te worden aangegeven op kaarten van een schaal of schalen groot genoeg om hun positie te kunnen vaststellen. Waar passend kunnen deze buitengrenslijnen of afbakeningslijnen worden vervangen door lijsten van geografische coördinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.

2.

De kuststaat geeft voldoende bekendheid aan zodanige kaarten of lijsten van geografische coördinaten en legt een exemplaar van elke kaart of lijst neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en, in het geval daarop de buitengrenslijnen van het continentale plat staan aangegeven, bij de Secretaris-Generaal van de Autoriteit.

Artikel 85. Het aanleggen van tunnels

Dit Deel doet geen afbreuk aan het recht van de kuststaat de ondergrond te exploiteren door middel van het aanleggen van tunnels, ongeacht de diepte van het water boven de ondergrond.

DEEL VII. VOLLE ZEE

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 86. Toepassing van de bepalingen van dit Deel

De bepalingen van dit Deel zijn van toepassing op alle delen van de zee die niet zijn begrepen in de exclusieve economische zone, in de territoriale zee of in de binnenwateren van een Staat, of in de archipelwateren van een archipelstaat. Dit artikel laat de vrijheden die alle Staten overeenkomstig artikel 58 genieten in de exclusieve economische zone onverlet.

Artikel 87. Vrijheid van de volle zee
1.

De volle zee is open voor alle Staten, ongeacht of deze kuststaat of Staat zonder zeekust zijn. De vrijheid van de volle zee wordt uitgeoefend op de voorwaarden, neergelegd bij dit Verdrag en bij andere regels van het internationaal recht. Deze vrijheid houdt, zowel voor kuststaten als voor Staten zonder zeekust onder meer in:

  • a. de vrijheid van scheepvaart;
  • b. de vrijheid er overheen te vliegen;
  • c. de vrijheid onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen, onder voorbehoud van Deel VI;
  • d. de vrijheid kunstmatige eilanden en andere krachtens het internationaal recht toegestane installaties te bouwen, onder voorbehoud van Deel VI;
  • e. de vrijheid van visserij, onder voorbehoud van de voorwaarden, neergelegd in Afdeling 2;
  • f. de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek, onder voorbehoud van de Delen VI en XIII.
2.

Deze vrijheden worden uitgeoefend door alle Staten met behoorlijke inachtneming van de belangen van andere Staten in hun uitoefening van de vrijheid van de volle zee en tevens met behoorlijke inachtneming van de rechten krachtens dit Verdrag met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied.

Artikel 88. Voorbehoud van de volle zee voor vreedzame doeleinden

De volle zee is voorbehouden voor vreedzame doeleinden.

Artikel 89. Ongeldigheid van aanspraken op soevereiniteit over de volle zee

Geen enkele Staat kan rechtsgeldig een deel van de volle zee aan zijn soevereiniteit onderwerpen.

Artikel 90. Recht van scheepvaart

Iedere Staat, ongeacht of deze een kuststaat of Staat zonder zeekust is, heeft het recht schepen onder zijn eigen vlag op de volle zee te doen varen.

Artikel 91. Nationaliteit van schepen
1.

Iedere Staat stelt de voorwaarden vast voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, voor de registratie van schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren. Een schip heeft de nationaliteit van de Staat wiens vlag het gerechtigd is te voeren. Er moet een wezenlijke band bestaan tussen de Staat en het schip.

2.

Iedere Staat dient aan schepen aan wie hij het recht heeft verleend zijn vlag te voeren, documenten te verstrekken waaruit zulks blijkt.

Artikel 92. Status van schepen
1.

Een schip mag slechts onder de vlag van één Staat varen en is, behalve in bijzondere gevallen waarin uitdrukkelijk is voorzien in internationale verdragen of in dit Verdrag, op volle zee onderworpen aan de uitsluitende rechtsmacht van die Staat. Een schip mag gedurende een reis of tijdens het verblijf in een aanloophaven niet van vlag veranderen, behalve in het geval van een werkelijke overdracht van de eigendom of een wijziging in de registratie.

2.

Een schip dat vaart onder de vlag van twee of meer Staten en dat naar omstandigheden de ene of de andere vlag gebruikt, kan zich tegenover een derde Staat op de nationaliteit van geen van deze Staten beroepen en kan worden gelijkgesteld met een schip zonder nationaliteit.

Artikel 93. Schepen die de vlag voeren van de Verenigde Naties, hun gespecialiseerde organisaties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie

De voorgaande artikelen laten onverlet de kwestie van schepen in officiële dienst van de Verenigde Naties, hun gespecialiseerde organisaties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie en die de vlag van de Verenigde Naties voeren.

Artikel 94. Plichten van de vlaggestaat
1.

Iedere Staat oefent doeltreffend zijn rechtsmacht en toezicht in administratieve, technische en sociale aangelegenheden uit over schepen die zijn vlag voeren.

2.

Inzonderheid dient iedere Staat:

  • a. een register bij te houden van schepen, dat de namen en bijzonderheden bevat van schepen die zijn vlag voeren, behalve van die welke van de algemeen aanvaarde internationale voorschriften zijn uitgesloten op grond van hun geringe grootte; en
  • b. ingevolge zijn binnenlandse wetgeving rechtsmacht op zich te nemen over elk schip dat zijn vlag voert en over de kapitein, officieren en bemanning daarvan met betrekking tot administratieve, technische en sociale aangelegenheden betreffende het schip.
3.

Iedere Staat neemt ten aanzien van de schepen die zijn vlag voeren alle maatregelen die nodig zijn om de veiligheid op zee te verzekeren, onder andere met betrekking tot:

  • a. de bouw, uitrusting en zeewaardigheid der schepen;
  • b. het bemannen der schepen en de arbeidsvoorwaarden voor en de opleiding van de bemanning, waarbij rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde internationale verdragen;
  • c. het gebruik van signalen, het onderhouden van verbindingen en het voorkomen van aanvaringen.
4.

Deze maatregelen omvatten die welke nodig zijn om te verzekeren:

  • a. dat elk schip, voorafgaand aan de registratie en daarna met passende tussenpozen, wordt onderworpen aan een onderzoek door een bevoegde deskundige en dat het de kaarten, nautische publikaties en navigatie-uitrusting en instrumenten aan boord heeft die vereist zijn voor de veilige vaart van het schip;
  • b. dat elk schip onder het bevel staat van een kapitein en officieren die de juiste bekwaamheden bezitten, inzonderheid op het gebied van zeemanschap, navigatie, verbindingen en scheepswerktuigkunde, en dat de bemanning wat bekwaamheden en aantal betreft, passend is voor het type, de grootte, de machines en uitrusting van het schip;
  • c. dat de kapitein, de officieren, en voor zover passend, de bemanning volledig bekend zijn met en dat van hen de naleving wordt geëist van de van toepassing zijnde internationale voorschriften voor de beveiliging van mensenlevens op zee, de voorkoming van aanvaringen, het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging van de zee en het onderhouden van radioverbindingen.
5.

Bij het nemen van de in het derde en het vierde lid vereiste maatregelen dient iedere Staat zich te houden aan algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en praktijken en alle stappen te ondernemen die nodig zijn om de naleving daarvan te verzekeren.

6.

Een Staat die ernstige redenen heeft aan te nemen dat de passende rechtsmacht en het passend toezicht ten aanzien van een schip niet zijn uitgeoefend, kan de feiten rapporteren aan de vlaggestaat. Bij ontvangst van zulk een rapport onderzoekt de vlaggestaat de aangelegenheid en neemt hij, wanneer dienstig, alle nodige maatregelen om de situatie te corrigeren.

7.

Iedere Staat dient een onderzoek te laten instellen door of ten overstaan van een naar behoren bevoegd persoon of bevoegde personen naar elk ongeval op zee of voorval verband houdend met de navigatie in volle zee, waarbij een schip dat zijn vlag voert, is betrokken en dat verlies aan mensenlevens of ernstig letsel aan onderdanen van een andere Staat of ernstige schade aan schepen of installaties van een andere Staat of aan het mariene milieu heeft veroorzaakt. De vlaggestaat en de andere Staat werken samen bij het leiden van een door die andere Staat gehouden onderzoek naar zulk een ongeval op zee of voorval verband houdend met de navigatie.

Artikel 95. Immuniteit van oorlogsschepen in volle zee

Oorlogsschepen in volle zee genieten volledige immuniteit van de rechtsmacht van iedere Staat die niet de vlaggestaat is.

Artikel 96. Immuniteit van slechts voor niet-commerciële overheidsdoeleinden gebruikte schepen

Schepen die het eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door een Staat en door die Staat slechts voor niet-commerciële overheidsdoeleinden worden gebruikt, genieten in volle zee volledige immuniteit van de rechtsmacht van iedere Staat die niet de vlaggestaat is.

Artikel 97. Rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden in geval van aanvaring of een ander voorval verband houdend met de navigatie
1.

In geval van een aanvaring of een ander voorval verband houdend met de navigatie van een schip in volle zee, waarvoor de kapitein of enige andere persoon in dienst van het schip strafrechtelijk of tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld, kan tegen een dergelijke persoon een strafvervolging of tuchtrechtelijke vervolging slechts worden ingesteld voor de rechterlijke of bestuurlijke autoriteiten van de vlaggestaat of van de Staat waarvan een dergelijke persoon onderdaan is.

2.

De Staat die een gezagvoerdersdiploma of ander diploma heeft uitgereikt is, in tuchtrechtelijke gevallen, bij uitsluiting bevoegd om, na een behoorlijke door het recht omschreven procedure, zulke diploma’s in te trekken, ook indien de houder geen onderdaan van die Staat is.

3.

Het aanhouden of vasthouden van een schip mag, zelfs voor maatregelen van onderzoek, alleen gelast worden door de autoriteiten van de vlaggestaat.

Artikel 98. Plicht hulp te verlenen
1.

Iedere Staat dient de kapitein van een schip dat zijn vlag voert ertoe te verplichten dat hij, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor het schip, de bemanning of de passagiers:

  • a. hulp verleent aan een ieder die hij op zee in levensgevaar aantreft;
  • b. met de grootst mogelijke spoed personen die in nood verkeren te hulp komt, indien hem is medegedeeld dat zij hulp behoeven, voor zover een dergelijke handelwijze redelijkerwijze van hem verwacht kan worden;
  • c. na een aanvaring hulp verleent aan het andere schip, zijn bemanning en passagiers en, indien mogelijk, het andere schip de naam van zijn eigen schip, de haven waar het is geregistreerd en de dichtsbijzijnde haven waar het zal aanlopen, mededeelt.
2.

Iedere kuststaat bevordert de oprichting, het functioneren en het onderhoud van een voor zijn taak berekende en doeltreffende opsporings- en reddingsdienst ten behoeve van de veiligheid op en boven de zee en dient, waar de omstandigheden zulks nodig maken, hiertoe met zijn buurstaten regionale overeenkomsten voor wederzijdse samenwerking te sluiten.

Artikel 99. Verbod van het vervoer van slaven

ledere Staat neemt doeltreffende maatregelen om het vervoer van slaven in schepen die zijn vlag mogen voeren, te verhinderen en te bestraffen, alsmede om onrechtmatig gebruik van zijn vlag voor dat doel te verhinderen. Iedere slaaf die op enig schip, ongeacht de vlag die het voert, zijn toevlucht zoekt, krijgt door dit enkele feit zijn vrijheid.

Artikel 100. Plicht samen te werken ter onderdrukking van piraterij

Alle Staten werken zo nauw mogelijk samen ter onderdrukking van piraterij op volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige Staat vallen.

Artikel 101. Begripsomschrijving van piraterij

Piraterij is een der hiernavolgende handelingen:

  • a. iedere onwettige daad van geweld of aanhouding, alsmede iedere daad van plundering die door de bemanning of de passagiers van een particulier schip of een particulier luchtvaartuig voor persoonlijke doeleinden wordt gepleegd en die is gericht:
  • (i). in volle zee, tegen een ander schip of luchtvaartuig of tegen personen of eigendommen aan boord van een zodanig schip of luchtvaartuig;
  • (ii). tegen een schip, een luchtvaartuig, personen of eigendommen op een plaats die buiten de rechtsmacht van enige staat valt;
  • b. iedere vrijwillige deelneming aan de exploitatie van een schip of luchtvaartuig met kennis van de feiten die het schip of luchtvaartuig tot piratenschip of piratenluchtvaartuig maken;
  • c. iedere opruiing tot of opzettelijke vergemakkelijking van een in letter a of b omschreven handeling.
Artikel 102. Piraterij dooreen oorlogsschip, staatsschip of staatsluchtvaartuig waarvan de bemanning heeft gemuit

De daden van piraterij als omschreven in artikel 101, bedreven door een oorlogsschip, staatsschip of staatsluchtvaartuig waarvan de bemanning heeft gemuit en het beheer van het schip of luchtvaartuig heeft overgenomen, worden gelijkgesteld met daden bedreven door een particulier schip of luchtvaartuig.

Artikel 103. Begripsomschrijving van een piratenschip of piratenluchtvaartuig

Een schip of luchtvaartuig wordt als piratenschip of piratenluchtvaartuig beschouwd als het door de personen die de daadwerkelijke macht over het schip of het luchtvaartuig uitoefenen, bestemd is om te worden gebruikt voor het bedrijven van een van de in artikel 101 genoemde handelingen. Hetzelfde geldt voor een schip of luchtvaartuig dat gebruikt is voor het plegen van een dergelijke handeling, zolang het in de macht blijft van de personen die zich aan die handeling hebben schuldig gemaakt.

Artikel 104. Behoud of verlies van de nationaliteit van een piratenschip of piratenluchtvaartuig

Een schip of luchtvaartuig kan zijn nationaliteit behouden ondanks het feit dat het een piratenschip of piratenluchtvaartuig is geworden. Het behoud of het verlies van de nationaliteit wordt bepaald door de wet van de Staat die deze nationaliteit heeft toegekend.

Artikel 105. Inbeslagneming van een piratenschip of piratenluchtvaartuig

In volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige Staat zijn gelegen, mag iedere Staat een piratenschip of piratenluchtvaartuig of een schip of luchtvaartuig dat door piraten onderscheidenlijk kapers is overmeesterd en zich in hun macht bevindt, in beslag nemen, de personen aan boord arresteren en de goederen aan boord in beslag nemen. De gerechten van de Staat die de inbeslagneming heeft uitgevoerd, kunnen beslissen over de op te leggen straffen en kunnen tevens besluiten hoe gehandeld zal worden met de schepen, luchtvaartuigen of eigendommen, met inachtneming van de rechten van derden te goeder trouw.

Artikel 106. Aansprakelijkheid voor inbeslagneming zonder voldoende grond

Indien een schip of luchtvaartuig zonder voldoende grond in beslag is genomen wegens verdenking van piraterij, is de Staat die de inbeslagneming heeft verricht, tegenover de Staat wiens nationaliteit het schip of luchtvaartuig bezit, aansprakelijk voor ieder verlies of iedere schade die ten gevolge van de inbeslagneming is ontstaan.

Artikel 107. Schepen en luchtvaartuigen die gerechtigd zijn tot inbeslagneming wegens piraterij

Inbeslagneming wegens piraterij mag alleen geschieden door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen, of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.

Artikel 108. Smokkel in verdovende middelen of psychotrope stoffen
1.

Alle Staten werken samen bij de onderdrukking van de smokkel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, waarmede schepen in volle zee zich bezig houden in strijd met internationale verdragen.

2.

Een Staat die redelijke gronden heeft aan te nemen dat een schip dat zijn vlag voert, zich bezighoudt met smokkel in verdovende middelen of psychotrope stoffen, kan verzoeken om de medewerking van andere Staten ter onderdrukking van zodanige smokkel.

Artikel 109. Uitzendingen vanaf de volle zee waarvoor geen machtiging is verleend
1.

Alle Staten werken samen bij de onderdrukking van uitzendingen vanaf de volle zee waarvoor geen machtiging is verleend.

2.

Voor de toepassing van dit Verdrag betekent „uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend” het overbrengen van radio- of televisie-uitzendingen vanaf een schip of installatie in volle zee, bedoeld voor ontvangst door het publiek, in strijd met de internationale voorschriften, evenwel met uitzondering van noodseinen.

3.

Personen die zich bezighouden met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend, kunnen worden vervolgd voor het gerecht van:

  • a. de vlaggestaat van het schip;
  • b. de Staat van registratie van de installatie;
  • c. de Staat waarvan de persoon onderdaan is;
  • d. iedere Staat waar de uitzendingen kunnen worden ontvangen; of
  • e. iedere Staat waar de radioverbindingen waarvoor machtiging is verleend, erdoor worden gestoord.
4.

In volle zee kan een Staat die rechtsmacht bezit overeenkomstig het derde lid, in overeenstemming met artikel 110 alle personen of schepen aanhouden die zich bezighouden met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend, en de uitzendapparatuur in beslag nemen.

Artikel 110. Recht van onderzoek
1.

Behalve in gevallen waarin zulks is toegestaan uit hoofde van aan verdragen ontleende bevoegdheden is een oorlogsschip dat in volle zee een vreemd schip aantreft, dat geen schip is dat overeenkomstig de artikelen 95 en 96 recht heeft op volledige immuniteit, niet gerechtigd het aan te houden, tenzij er gegronde reden bestaat aan te nemen:

  • a. dat het schip zich bezighoudt met piraterij;
  • b. dat het schip zich bezighoudt met slavenhandel;
  • c. dat het schip zich bezighoudt met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend en de vlaggestaat van het oorlogsschip ingevolge artikel 109 rechtsmacht bezit;
  • d. dat het schip geen nationaliteit heeft; of
  • e. dat het schip, hoewel het een vreemde vlag voert of weigert zijn vlag te tonen, in werkelijkheid van dezelfde nationaliteit is als het oorlogsschip.
2.

In de gevallen bedoeld in het eerste lid kan het oorlogsschip overgaan tot een onderzoek naar het recht van het schip tot het voeren van zijn vlag. Te dien einde kan het een boot naar het verdachte schip zenden onder bevel van een officier. Indien er na het onderzoek van de scheepspapieren verdenking blijft bestaan, kan het overgaan tot een nader onderzoek aan boord van het schip, welk onderzoek dient te geschieden zonder onnodige overlast te veroorzaken.

3.

Indien de verdenkingen ongegrond blijken te zijn en indien het aangehouden schip niets heeft gedaan om die verdenkingen te rechtvaardigen, wordt het schadeloos gesteld voor ieder verlies of iedere schade daardoor eventueel geleden.

4.

Deze bepalingen zijn mutatis mutandis van toepassing op militaire luchtvaartuigen.

5.

Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op andere naar behoren gemachtigde schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in gebruik zijn bij de Staat.

Artikel 111. Achtervolgingsrecht
1.

Een vreemd schip kan worden achtervolgd als de bevoegde autoriteiten van de kuststaat goede redenen hebben aan te nemen, dat het schip de wetten en voorschriften van die Staat heeft overtreden. Een dergelijke achtervolging dient aan te vangen wanneer het vreemde schip of een van zijn boten zich binnen de binnenwateren, de archipelwateren, de territoriale zee of de aansluitende zone van de achtervolgende Staat bevindt en mag alleen buiten de territoriale zee of de aansluitende zone worden voortgezet, indien de achtervolging niet is onderbroken. Het is niet noodzakelijk dat, op het ogenblik waarop het vreemde schip binnen de territoriale zee of de aansluitende zone bevel krijgt te stoppen, het schip dat het bevel geeft zich eveneens binnen de territoriale zee of de aansluitende zone bevindt. Indien het vreemde schip zich bevindt binnen een aansluitende zone als omschreven in artikel 33, mag slechts tot achtervolging worden overgegaan, indien er een inbreuk heeft plaats gehad op de rechten voor welker bescherming de zone is ingesteld.

2.

Het recht van achtervolging is mutatis mutandis van toepassing op overtredingen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat, met inbegrip van de veiligheidszones rond installaties op het continentale plat, van de wetten en voorschriften van de kuststaat die overeenkomstig dit Verdrag van toepassing zijn op de exclusieve economische zone of het continentale plat, met inbegrip van zulke veiligheidszones.

3.

Het achtervolgingsrecht houdt op zodra het achtervolgde schip de territoriale zee van zijn eigen land of van een derde Staat bereikt.

4.

De achtervolging wordt niet geacht te zijn begonnen voordat het achtervolgende schip zich er met behulp van de ter beschikking staande bruikbare middelen van overtuigd heeft, dat het achtervolgde schip of een van zijn boten of andere schepen die in één verband werken en het achtervolgde schip als moederschip gebruiken zich bevinden binnen de territoriale zee, onderscheidenlijk de aansluitende zone of de exclusieve economische zone of boven het continentale plat. De achtervolging mag slechts worden begonnen nadat een zichtbaar of hoorbaar signaal tot stoppen is gegeven op een afstand die het voor het vreemde schip mogelijk maakt het signaal te zien of te horen.

5.

Het achtervolgingsrecht mag alleen worden uitgeoefend door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.

6.

Indien de achtervolging wordt verricht door een luchtvaartuig:

  • a. zijn de bepalingen van het eerste tot en met het vierde lid mutatis mutandis van toepassing;
  • b. moet het luchtvaartuig dat het bevel tot stoppen geeft zelf het schip daadwerkelijk achtervolgen tot het ogenblik waarop een schip of luchtvaartuig van de kuststaat, dat door het luchtvaartuig is opgeroepen, ter plaatse verschijnt om de achtervolging over te nemen, tenzij het luchtvaartuig zelf in staat is het schip aan te houden. Het is geen voldoende rechtvaardiging voor een aanhouding buiten de territoriale zee dat het schip slechts door het luchtvaartuig is ontdekt als overtreder of als verdacht van een overtreding, indien het niet bevel heeft gekregen te stoppen, alsmede is achtervolgd door het luchtvaartuig zelf of door andere luchtvaartuigen of schepen die de achtervolging ononderbroken voortzetten.
7.

Het vrijgeven van een schip dat binnen de rechtsmacht van een Staat is aangehouden en dat naar een haven van die Staat is geëscorteerd met de bedoeling dat daar een onderzoek zal worden ingesteld door de bevoegde autoriteiten, kan niet worden geëist alleen op grond van het feit dat het schip, tijdens zijn reis, door een deel van de exclusieve economische zone of over een deel van de volle zee geëscorteerd werd, indien de omstandigheden zulks noodzakelijk maakten.

8.

Indien een schip buiten de territoriale zee tot stoppen is gedwongen of aangehouden onder omstandigheden die de uitoefening van het achtervolgingsrecht niet rechtvaardigen, dient het schip voor ieder verlies of iedere schade daardoor eventueel geleden, schadeloos te worden gesteld.

Artikel 112. Recht tot het leggen van onderzeese kabels en pijpleidingen
1.

Alle Staten hebben het recht onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen op de bodem van de volle zee buiten het continentale plat.

2.

Artikel 79, vijfde lid, is op zulke kabels en pijpleidingen van toepassing.

Artikel 113. Breuk of beschadiging van een onderzeese kabel of pijpleiding

Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te bepalen dat strafbaar is het opzettelijk of ten gevolge van grove onachtzaamheid breken of beschadigen van een onderzeese kabel in volle zee door een schip dat zijn vlag voert, of door een persoon die is onderworpen aan zijn rechtsmacht, op een zodanige wijze, dat daardoor de telegraaf- of telefoonverbindingen kunnen worden onderbroken of bemoeilijkt, alsmede het breken of beschadigen van een onderzeese pijpleiding of een sterkstroomkabel. Deze bepaling is ook van toepassing op gedrag opzettelijk gericht op of vermoedelijk leidend tot een dergelijke breuk of beschadiging. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op een breuk of beschadiging veroorzaakt door personen die slechts handelen met het gerechtvaardigde doel hun leven of hun schip te redden, nadat zij alle noodzakelijke voorzorgen hadden genomen om een dergelijke breuk of beschadiging te vermijden.

Artikel 114. Breuk of beschadiging door eigenaars van een onderzeese kabel of pijpleiding van een andere onderzeese kabel of pijpleiding

Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te bepalen dat, indien aan zijn rechtsmacht onderworpen personen die eigenaar zijn van een kabel of een pijpleiding in volle zee, bij het leggen of herstellen van die kabel of pijpleiding een breuk in of schade aan een andere kabel of pijpleiding veroorzaken, deze personen de kosten van het herstel moeten betalen.

Artikel 115. Schadeloosstelling voor verlies, geleden bij het voorkomen van schade aan een onderzeese kabel of pijpleiding

Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te verzekeren, dat eigenaars van schepen die kunnen bewijzen dat zij een anker, net of ander vistuig hebben opgeofferd ten einde beschadiging van een onderzeese kabel of pijpleiding te voorkomen, schadeloos zullen worden gesteld door de eigenaar van de kabel of pijpleiding, onder voorwaarde dat de eigenaar van het schip van te voren alle redelijke voorzorgsmaatregelen heeft genomen.

AFDELING 2. BEHOUD EN BEHEER VAN DE LEVENDE RIJKDOMMEN VAN DE VOLLE ZEE

Artikel 116. Recht te vissen op de volle zee

Alle Staten hebben ten behoeve van hun onderdanen het recht om de visserij op de volle zee uit te oefenen, onder inachtneming van:

  • a. hun verdragsrechtelijke verplichtingen;
  • b. de rechten en plichten alsmede de belangen van kuststaten zoals bepaald in onder andere artikel 63, tweede lid, en de artikelen 64 tot en met 67; en
  • c. de bepalingen van deze afdeling.
Artikel 117. Plicht van Staten jegens hun onderdanen maatregelen te treffen voor het behoud van de levende rijkdommen van de volle zee

Op alle Staten rust de plicht zelf of in samenwerking met andere Staten die maatregelen jegens hun onderdanen te treffen, die nodig zijn voor het behoud van de levende rijkdommen van de volle zee.

Artikel 118. Samenwerking tussen Staten bij het behoud en het beheer van levende rijkdommen

De Staten werken met elkaar samen bij het behoud en het beheer van levende rijkdommen in de gebieden van de volle zee. Staten wier onderdanen dezelfde levende rijkdommen, of verschillende levende rijkdommen in hetzelfde gebied exploiteren, dienen onderhandelingen aan te knopen ten einde de noodzakelijke maatregelen te nemen voor het behoud van de betrokken levende rijkdommen. Al naar passend werken zij samen bij de oprichting hiertoe van subregionale of regionale visserijorganisaties.

Artikel 119. Behoud van de levende rijkdommen van de volle zee
1.

Bij de vaststelling van de toelaatbare vangst en het vaststellen van andere maatregelen tot behoud van de levende rijkdommen in de volle zee dienen de Staten:

  • a. maatregelen te nemen die erop zijn gericht, op grond van de beste wetenschappelijke gegevens waarover de betrokken Staten beschikken, populaties van geoogste soorten in stand te houden of te herstellen op een peil dat een gedurig maximale opbrengst oplevert, zoals nader bepaald door milieutechnische en economische factoren, met inbegrip van de bijzondere behoeften van ontwikkelingsstaten en met inachtneming van de visserijpatronen, de onderlinge afhankelijkheid van visstapels en algemeen aanbevolen internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale minimumnormen;
  • b. rekening te houden met de gevolgen voor soorten die verwant zijn met of afhankelijk van geoogste soorten ten einde populaties van zulke verwante of afhankelijke soorten in stand te houden of te herstellen tot boven het peil waarop hun voortplanting ernstig kan worden bedreigd.
2.

De beschikbare wetenschappelijke gegevens, statistieken inzake vangst en visserij en andere voor het behoud van visstapels van belang zijnde gegevens worden regelmatig bijgedragen en uitgewisseld via bevoegde subregionale, regionale of mondiale, internationale organisaties, naar gelang passend, en waaraan wordt deelgenomen door alle betrokken Staten.

3.

De betrokken Staten verzekeren dat maatregelen voor het behoud en de tenuitvoerlegging van deze maatregelen niet naar vorm of in feite discriminatie inhouden van vissers van enige Staat.

Artikel 120. Zeezoogdieren

Artikel 65 is eveneens van toepassing op het behoud en het beheer van zeezoogdieren in de volle zee.

DEEL VIII. REGELING VOOR EILANDEN

Artikel 121. Regeling voor eilanden
1.

Een eiland is een natuurlijk gevormd landgebied, omgeven door water, dat bij vloed boven water uitsteekt.

2.

Behalve zoals bepaald in het derde lid, worden de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentale plat van een eiland vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag die op andere landgebieden van toepassing zijn.

3.

Rotsen waarop geen duurzame menselijke bewoning of eigen economisch leven mogelijk is, hebben geen exclusieve economische zone of continentaal plat.

DEEL IX. INGESLOTEN OF HALF-INGESLOTEN ZEEËN

Artikel 122. Begripsomschrijving

Voor de toepassing van dit Verdrag betekent „ingesloten of half-ingesloten zee” een golf, bekken of zee, omgeven door twee of meer Staten en met een andere zee of de oceaan verbonden door een nauwe doorgang, dan wel geheel of voornamelijk bestaande uit de territoriale zeeën en exclusieve economische zones van twee of meer kuststaten.

Artikel 123. Samenwerking tussen Staten grenzend aan ingesloten of half-ingesloten zeeën

Staten grenzend aan een ingesloten of half-ingesloten zee dienen met elkaar samen te werken bij de uitoefening van hun rechten en het vervullen van hun plichten ingevolge dit Verdrag. Hiertoe trachten zij, rechtstreeks of door middel van een passende regionale organisatie:

  • a. het beheer, het behoud, de exploratie en exploitatie van de levende rijkdommen van de zee te coördineren;
  • b. de uitoefening van hun rechten en plichten ten aanzien van de bescherming en het behoud van het mariene milieu te coördineren;
  • c. hun beleid inzake wetenschappelijk onderzoek te coördineren en waar passend gezamenlijke programma’s voor wetenschappelijk onderzoek in het gebied te ondernemen;
  • d. naar gelang passend andere belangstellende Staten of internationale organisaties uit te nodigen met hen samen te werken ter bevordering van het bepaalde in dit artikel.

DEEL X. RECHT VAN TOEGANG VAN STATEN ZONDER ZEEKUST TOT EN VAN HET VERLATEN VAN DE ZEE; VRIJHEID VAN DOORTOCHT

Artikel 124. Gebruik van termen
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag betekent:

  • a. „Staat zonder zeekust” een Staat die geen zeekust heeft;
  • b. „Staat van doortocht” een Staat, met of zonder zeekust, gelegen tussen een Staat zonder zeekust en de zee, over wiens gebied verkeer in doortocht plaatsvindt;
  • c. „verkeer in doortocht” doortocht van personen, bagage, goederen en vervoermiddelen over het grondgebied van een of meer Staten van doortocht, wanneer het passeren van zulk een grondgebied, met of zonder overlading, opslag in entrepot, het verdelen van lading in kleinere hoeveelheden of wijziging in de wijze van vervoer, slechts een deel is van een complete reis die begint of eindigt binnen het grondgebied van de Staat zonder zeekust;
  • d. „middel van vervoer”:
  • (i). treinwagons, vaartuigen voor gebruik op zee, meren of rivieren, en voertuigen voor gebruik op de weg;
  • (ii). waar de plaatselijke omstandigheden zulks vereisen, dragers en lastdieren.
2.

Staten zonder zeekust en Staten van doortocht kunnen, bij onderlinge overeenkomst, onder de middelen van vervoer begrijpen pijpleidingen en gasleidingen en andere middelen van vervoer dan die begrepen in het eerste lid.

Artikel 125. Recht van toegang tot en van het verlaten van de zee; vrijheid van doortocht
1.

Staten zonder zeekust hebben het recht van toegang tot en van het verlaten van de zee ten behoeve van de uitoefening van de in dit Verdrag bepaalde rechten, met inbegrip van die betreffende de vrijheid van de volle zee en het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid. Hiertoe genieten Staten zonder zeekust vrijheid van doortocht over het grondgebied van Staten van doortocht met alle middelen van vervoer.

2.

De voorwaarden en modaliteiten voor de uitoefening van de vrijheid van doortocht worden overeengekomen tussen de betrokken Staten zonder zeekust en Staten van doortocht door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten.

3.

Staten van doortocht hebben bij de uitoefening van hun volledige soevereiniteit over hun grondgebied, het recht alle maatregelen te nemen nodig om te verzekeren dat de in dit Deel voor Staten zonder zeekust bepaalde rechten en voorzieningen op generlei wijze hun rechtmatige belangen aantasten.

Artikel 126. Uitsluiting van de toepassing van de meest-begunstigde-natie-clausule

De bepalingen van dit Verdrag, alsmede de bijzondere overeenkomsten betreffende de uitoefening van het recht van toegang tot en van het verlaten van de zee, alsook het vaststellen van rechten en voorzieningen wegens de bijzondere geografische ligging van Staten zonder zeekust, zijn uitgesloten van de toepassing van de clausule inzake de meest begunstigde natie.

Artikel 127. Douanerechten, belastingen en andere heffingen
1.

Verkeer in doortocht is niet onderworpen aan douanerechten, belastingen of andere heffingen, behalve heffingen opgelegd voor specifieke diensten verleend in verband met zulk verkeer.

2.

Middelen van vervoer in doortocht en andere voorzieningen ten behoeve van en gebruikt door Staten zonder zeekust zijn niet onderworpen aan hogere belastingen of heffingen dan die welke worden opgelegd voor het gebruik van middelen van vervoer van de Staat van doortocht.

Artikel 128. Belastingvrije zones en andere douanefaciliteiten

Ten behoeve van het verkeer in doortocht kunnen belastingvrije zones of andere douanefaciliteiten worden ingesteld in de havens van binnenkomst of vertrek in de Staten van doortocht, bij overeenkomst tussen die Staten en de Staten zonder zeekust.

Artikel 129. Samenwerking bij de bouw en verbetering van middelen van vervoer

Wanneer er in de Staten van doortocht geen middelen van vervoer zijn waarmede uitvoering kan worden gegeven aan de vrijheid van doortocht of wanneer de bestaande middelen, met inbegrip van de installaties en uitrusting van de havens, in enigerlei opzicht ontoereikend zijn, kunnen de betrokken Staten van doortocht en Staten zonder zeekust samenwerken bij de bouw of de verbetering daarvan.

Artikel 130. Maatregelen ter vermijding of wegneming van vertragingen of andere moeilijkheden van technische aard in het verkeer in doortocht
1.

Staten van doortocht treffen alle passende maatregelen ter vermijding van vertragingen of andere moeilijkheden van technische aard in het verkeer in doortocht.

2.

Indien zulke vertragingen of moeilijkheden zich mochten voordoen, werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken Staten van doortocht en Staten zonder zeekust samen aan de snelle wegneming daarvan.

Artikel 131. Gelijke behandeling in zeehavens

Schepen die de vlag voeren van Staten zonder zeekust genieten een behandeling die gelijk is aan die welke wordt toegekend aan andere vreemde schepen in zeehavens.

Artikel 132. Toekenning van ruimere doortochtfaciliteiten

Dit Verdrag brengt niet op enigerlei wijze met zich de intrekking van doortochtfaciliteiten die ruimer zijn dan die bepaald in dit Verdrag en die tussen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag zijn overeengekomen of door een Staat die partij is bij dit Verdrag zijn toegekend. Dit Verdrag sluit evenmin de toekenning uit van ruimere faciliteiten in de toekomst.

DEEL XI. HET GEBIED

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 133. Gebruik van termen

Voor de toepassing van dit Deel:

  • a. betekent „rijkdommen” alle vaste, vloeibare of gasvormige minerale rijkdommen aanwezig in het Gebied op of onder de zeebodem, met inbegrip van verschillende metalen bevattende knollen (hierna te noemen „metaalknollen”).
  • b. worden rijkdommen, wanneer uit het Gebied gewonnen, „delfstoffen” genoemd.
Artikel 134. Reikwijdte van dit Deel
1.

Dit Deel is van toepassing op het Gebied.

2.

De werkzaamheden in het Gebied worden geregeld door het bepaalde in dit Deel.

3.

De eisen betreffende de nederlegging van en de bekendheid te geven aan de kaarten of lijsten van geografische coördinaten waaruit de grenzen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1, blijken, zijn vervat in Deel VI.

4.

Niets in dit artikel is van invloed op de vaststelling van de buitengrenzen van het continentale plat overeenkomstig Deel VI of de geldigheid van overeenkomsten betreffende de afbakening tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.

Artikel 135. Juridische status van de bovengelegen wateren en van het luchtruim boven die wateren

Noch dit Deel noch enige rechten verleend of uitgeoefend ingevolge dit Deel zijn van invloed op de juridische status van de wateren gelegen boven het Gebied of van het luchtruim boven die wateren.

AFDELING 2. OP HET GEBIED TOEPASSELIJKE BEGINSELEN

Artikel 136. Gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid

Het Gebied en zijn rijkdommen zijn het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid.

Artikel 137. Juridische status van het Gebied en zijn rijkdommen
1.

Geen enkele Staat mag aanspraak maken op soevereiniteit of soevereine rechten uitoefenen ten aanzien van enig deel van het Gebied of de rijkdommen ervan, en evenmin mag enige Staat of een natuurlijke persoon of rechtspersoon zich een deel daarvan toeëigenen. Een zodanige aanspraak of uitoefening van soevereiniteit of soevereine rechten of een zodanige toeëigening worden niet erkend.

2.

Alle rechten op de rijkdommen van het Gebied berusten bij de gehele mensheid, uit wier naam de Autoriteit optreedt. Deze rijkdommen kunnen niet worden vervreemd. De uit het Gebied gewonnen delfstoffen kunnen evenwel alleen worden vervreemd overeenkomstig dit Deel en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.

3.

Geen Staat of natuurlijke persoon of rechtspersoon mag aanspraak maken op rechten, dan wel rechten verwerven of uitoefenen, ten aanzien van de uit het Gebied gewonnen delfstoffen, behalve overeenkomstig dit Deel. Anderszins wordt een zodanige aanspraak op, dan wel verwerving of uitoefening van zodanige rechten niet erkend.

Artikel 138. Algemeen gedrag van Staten met betrekking tot het Gebied

Het algemeen gedrag van Staten met betrekking tot het Gebied dient in overeenstemming te zijn met de bepalingen van dit Deel, de beginselen vervat in het Handvest van de Verenigde Naties en andere regels van het internationale recht in het belang van de handhaving van vrede en veiligheid en de bevordering van internationale samenwerking en wederzijds begrip.

Artikel 139. Verplichting toe te zien op de naleving van het Verdrag en aansprakelijkheid voor schade
1.

De Staten die Partij zijn zien erop toe dat de werkzaamheden in het Gebied, verricht door Staten die Partij zijn, of staatsondernemingen of natuurlijke personen of rechtspersonen die de nationaliteit bezitten van Staten die Partij zijn of onder het daadwerkelijk toezicht staan van deze Staten of van hun onderdanen, worden verricht overeenkomstig dit Deel. Dezelfde verplichting geldt voor internationale organisaties ten aanzien van werkzaamheden door zodanige organisaties in het Gebied verricht.

2.

Onverminderd de regels van het internationale recht en Bijlage III, artikel 22, leidt schade veroorzaakt door de nalatigheid van Staten die Partij zijn of van internationale organisaties hun verplichtingen ingevolge dit Deel na te komen, tot aansprakelijkheid; Staten die Partij zijn of internationale organisaties, die gezamenlijk optreden, zijn gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk. Een Staat die Partij is, is evenwel niet aansprakelijk voor schade, veroorzaakt door de nalatigheid van een persoon voor wie hij borg staat ingevolge artikel 153, tweede lid, letter b, het bepaalde in dit Deel na te leven, indien de Staat die Partij is ingevolge artikel 153, vierde lid, en Bijlage III, artikel 4, vierde lid, alle nodige en passende maatregelen heeft getroffen om de daadwerkelijke naleving ervan te verzekeren.

3.

Staten die Partij zijn en die lid zijn van internationale organisaties dienen passende maatregelen te treffen ten einde de toepassing van dit artikel ten aanzien van zulke organisaties te waarborgen.

Artikel 140. Het belang van de mensheid
1.

De werkzaamheden in het Gebied worden, zoals uitdrukkelijk bepaald in dit Deel, verricht in het belang van de gehele mensheid, ongeacht de geografische ligging van de Staten en of deze kuststaten dan wel Staten zonder zeekust zijn; in het bijzonder wordt rekening gehouden met de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten en van volken die nog niet hun algehele onafhankelijkheid of een andere vorm van zelfbestuur hebben verworven, zoals erkend door de Verenigde Naties overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering en andere desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering.

2.

De Autoriteit voorziet in een billijke verdeling van financiële en andere economische baten, opkomend uit werkzaamheden in het Gebied, via passende regelingen en op non-discriminatoire grondslag, overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter f, onder (i).

Artikel 141. Gebruik van het Gebied voor uitsluitend vreedzame doeleinden

Het Gebied staat uitsluitend open voor gebruik voor vreedzame doeleinden door alle Staten, of deze kuststaten dan wel Staten zonder zeekust zijn, zulks zonder onderscheid en onverminderd de andere bepalingen van dit Deel.

Artikel 142. Rechten en wettige belangen van kuststaten
1.

Werkzaamheden in het Gebied met betrekking tot voorkomens van rijkdommen in het Gebied die zich uitstrekken tot over de grenzen waartoe de nationale rechtsmacht zich uitstrekt, worden verricht met behoorlijke inachtneming van de rechten en wettige belangen van de kuststaat onder wiens rechtsmacht zodanige voorkomens zich uitstrekken.

2.

Er wordt voortdurend overleg, met inbegrip van een stelsel van voorafgaande kennisgeving, gevoerd met de betrokken Staat, ten einde inbreuk op zodanige rechten en belangen te vermijden. In gevallen waarin werkzaamheden in het Gebied kunnen leiden tot de exploitatie van rijkdommen vallend onder de nationale rechtsmacht is de voorafgaande toestemming van de betrokken kuststaat vereist.

3.

Noch dit Deel noch enigerlei rechten verleend of uitgeoefend ingevolge dit Deel zijn van invloed op de rechten van kuststaten de met de desbetreffende bepalingen van Deel XII verenigbare maatregelen te treffen die noodzakelijk kunnen zijn om ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar voor hun kustlijn, of voor daarmede samenhangende belangen, door verontreiniging of de dreiging daarvan of door andere gevaarlijke voorvallen, voortvloeiend uit of veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied te voorkomen, te verminderen of weg te nemen.

Artikel 143. Wetenschappelijk zeeonderzoek
1.

Wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied wordt uitsluitend verricht voor vreedzame doeleinden en ten bate van de gehele mensheid, overeenkomstig Deel XIII.

2.

De Autoriteit kan wetenschappelijk zeeonderzoek verrichten betreffende het Gebied en zijn rijkdommen en kan contracten hiertoe sluiten. De Autoriteit bevordert en stimuleert het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied en coördineert en verspreidt de resultaten van zulke onderzoeken en analyses wanneer deze beschikbaar zijn.

3.

Staten die Partij zijn kunnen wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied verrichten. Staten die Partij zijn, bevorderen de internationale samenwerking bij het wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied door:

  • a. aan internationale programma’s deel te nemen en samenwerking in wetenschappelijk zeeonderzoek door personeel van verschillende landen en van de Autoriteit te stimuleren;
  • b. te verzekeren dat programma’s worden opgesteld via de Autoriteit of andere internationale organisaties, naar gelang passend, ten bate van ontwikkelingsstaten en technologisch minder ontwikkelde Staten ten einde:
  • (i). hun onderzoekvermogen te versterken;
  • (ii). hun personeel en het personeel van de Autoriteit op te leiden in de technieken en toepassingen van het onderzoek;
  • (iii). de tewerkstelling van hun gekwalificeerde personeel bij onderzoek in het Gebied te begunstigen;
  • c. de resultaten van onderzoek en analyse, wanneer deze beschikbaar zijn, op doeltreffende wijze te verspreiden, via de Autoriteit of eventueel via andere internationale kanalen.
Artikel 144. Overdracht van technologie
1.

De Autoriteit neemt overeenkomstig dit Verdrag maatregelen:

  • a. om de technologie en wetenschappelijke kennis betreffende werkzaamheden in het Gebied te verwerven; en
  • b. de overdracht aan ontwikkelingsstaten van zulke technologie en wetenschappelijke kennis te bevorderen en te stimuleren zodat alle Staten die Partij zijn voordeel daarvan hebben.
2.

Hiertoe werken de Autoriteit en de Staten die Partij zijn samen bij de bevordering van de overdracht van technologie en wetenschappelijke kennis betreffende werkzaamheden in het Gebied, zodat de Onderneming en alle Staten die Partij zijn voordeel daarvan kunnen hebben. Inzonderheid nemen zij het initiatief tot en bevorderen zij:

  • a. programma’s voor de overdracht van technologie aan de Onderneming en aan ontwikkelingsstaten met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, met inbegrip van onder meer het vergemakkelijken van de toegang van de Onderneming en van ontwikkelingsstaten tot de desbetreffende technologie op billijke en redelijke voorwaarden en bedingen;
  • b. maatregelen, gericht op de vooruitgang van de technologie van de Onderneming en de binnenlandse technologie van ontwikkelingsstaten, vooral door personeel van de Onderneming en van ontwikkelingsstaten kansen te bieden voor opleiding in de wetenschap en technologie van de zee en voor hun volledige deelneming aan werkzaamheden in het Gebied.
Artikel 145. Bescherming van het mariene milieu

Overeenkomstig dit Verdrag worden de noodzakelijke maatregelen genomen met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied ter verzekering van doeltreffende bescherming van het mariene milieu tegen schadelijke gevolgen die uit zodanige werkzaamheden kunnen voortvloeien. Hiertoe neemt de Autoriteit passende regels, voorschriften en procedures aan voor onder meer:

  • a. het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging en andere gevaren voor het mariene milieu, met inbegrip van de kustlijn en van verstoring van het ecologisch evenwicht van het mariene milieu, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de noodzaak van bescherming tegen de schadelijke gevolgen van werkzaamheden zoals boren, baggeren, graven, het zich ontdoen van afvalstoffen, de bouw en exploitatie of het onderhoud van installaties, pijpleidingen en andere inrichtingen samenhangend met deze werkzaamheden;
  • b. de bescherming en het behoud van de natuurlijke rijkdommen van het Gebied en het voorkomen van schade aan de flora en fauna van het mariene milieu.
Artikel 146. Bescherming van mensenlevens

Met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied worden de noodzakelijke maatregelen genomen ter verzekering van een doeltreffende bescherming van mensenlevens. Hiertoe neemt de Autoriteit passende regels, voorschriften en procedures aan ter aanvulling van bestaand internationaal recht zoals vervat in de desbetreffende verdragen.

Artikel 147. Verenigbaarheid van werkzaamheden in het Gebied met andere activiteiten in het mariene milieu
1.

De werkzaamheden in het Gebied worden verricht met redelijke inachtneming van andere activiteiten in het mariene milieu.

2.

Voor het verrichten van werkzaamheden in het Gebied gebruikte installaties zijn onderworpen aan de volgende voorwaarden:

  • a. deze installaties worden opgericht, geplaatst en verwijderd uitsluitend overeenkomstig dit Deel en met inachtneming van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit. Er moet naar behoren voorafgaand kennisgeving worden gedaan van de oprichting, plaatsing en verwijdering van deze installaties en er moeten permanente middelen voor het geven van waarschuwing omtrent hun aanwezigheid in stand worden gehouden;
  • b. deze installaties mogen niet worden geplaatst waar gevaar bestaat dat het gebruik van erkende scheepvaartroutes die onmisbaar zijn voor de internationale scheepvaart wordt gehinderd, of in gebieden waar intensief de visserij wordt beoefend;
  • c. rond deze installaties worden veiligheidszones ingesteld met een passende bebakening om de veiligheid van de scheepvaart en van de installaties te verzekeren. De configuratie en de plaats van deze veiligheidszones mag niet zodanig zijn dat daardoor een gordel wordt gevormd die de rechtmatige toegang van de scheepvaart tot bepaalde maritieme zones of de vaart langs internationale scheepvaartroutes belemmert;
  • d. deze installaties worden uitsluitend voor vreedzame doeleinden gebruikt;
  • e. deze installaties bezitten niet de status van eilanden. Zij hebben geen eigen territoriale zee en hun aanwezigheid is niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee, de exclusieve economische zone of het continentaal plat.
3.

Andere werkzaamheden in het mariene milieu worden verricht met redelijke inachtneming van activiteiten in het Gebied.

Artikel 148. Deelneming van ontwikkelingsstaten aan werkzaamheden in het Gebied

De daadwerkelijke deelneming van ontwikkelingsstaten aan werkzaamheden in het Gebied wordt bevorderd zoals speciaal bepaald in dit Deel, met behoorlijke inachtneming van hun bijzondere belangen en behoeften en inzonderheid van de bijzondere behoefte van Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging onder hen, om de belemmeringen voortvloeiend uit hun ongunstige ligging, met inbegrip van een ver verwijderde ligging van het Gebied en de moeilijkheden het Gebied te bereiken en het te verlaten, te overwinnen.

Artikel 149. Oudheidkundige en historische voorwerpen

Alle in het Gebied gevonden voorwerpen van oudheidkundige en historische aard worden bewaard of vervreemd ten bate van de gehele mensheid, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de preferentiële rechten van de Staat of het land van oorsprong, of de Staat van culturele oorsprong, of de Staat van historische en oudheidkundige oorsprong.

AFDELING 3. ONTGINNING VAN DE RIJKDOMMEN VAN HET GEBIED

Artikel 150. Beleid ten aanzien van werkzaamheden in het Gebied

Werkzaamheden in het Gebied worden, zoals speciaal bepaald in dit Deel, op zodanige wijze verricht dat daardoor een gezonde ontwikkeling van de wereldeconomie en een evenwichtige groei van het internationale handelsverkeer worden gestimuleerd en internationale samenwerking voor de algemene ontwikkeling van alle landen, vooral de ontwikkelingsstaten, wordt bevorderd en ten einde te verzekeren:

  • a. de ontginning van de rijkdommen van het Gebied;
  • b. het ordelijke, veilige en rationale beheer van de rijkdommen van het Gebied, met inbegrip van het doelmatig verrichten van werkzaamheden in het Gebied en, overeenkomstig de gezonde beginselen van het natuurbehoud, het vermijden van nodeloze verspilling;
  • c. de uitbreiding van kansen voor deelneming aan zulke werkzaamheden overeenkomstig met name de artikelen 144 en 148;
  • d. deelneming in inkomsten door de Autoriteit en de overdracht van technologie aan de Onderneming en aan ontwikkelingsstaten zoals bepaald in dit Verdrag;
  • e. het toenemend overeenkomstig de behoeften beschikbaar komen van uit het Gebied gewonnen delfstoffen, te zamen met delfstoffen, gewonnen uit andere bronnen, ten einde de voorziening van de gebruikers met deze delfstoffen te waarborgen;
  • f. de bevordering van rechtvaardige stabiele prijzen die lonend zijn voor de producenten en billijk voor de gebruikers, voor delfstoffen gewonnen uit zowel het Gebied als uit andere bronnen en de bevordering van evenwicht op lange termijn tussen vraag en aanbod;
  • g. de vergroting van kansen voor alle Staten die Partij zijn, ongeacht hun sociale en economische stelsel of geografische ligging, deel te nemen in het ontginnen van de rijkdommen van het Gebied en de voorkoming van monopolisering van werkzaamheden in het Gebied;
  • h. de bescherming van ontwikkelingslanden tegen nadelige gevolgen voor hun economie of hun inkomsten uit export, voortvloeiend uit een verlaging van de prijs van een delfstof die behoort tot die welke uit het Gebied worden gewonnen, of een vermindering van de omvang van de export van die delfstof, voor zover deze verlaging of vermindering wordt veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied, zoals bepaald in artikel 151;
  • i. het ontginnen van het gemeenschappelijk erfdeel ten bate van de gehele mensheid; en
  • j. dat de voorwaarden voor toegang tot de markten voor de invoer van uit de rijkdommen van het Gebied geproduceerde delfstoffen en voor de invoer van uit deze delfstoffen vervaardigde basisprodukten niet gunstiger zijn dan de gunstigste die gelden voor invoer uit andere bronnen.
Artikel 151. Produktiebeleid
  • a. Onverminderd de doelen, vervat in artikel 150 en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het bepaalde in letter h van dat artikel, neemt de Autoriteit, optredend via bestaande instanties dan wel via de nieuwe regelingen of overeenkomsten die passend kunnen zijn, en waaraan alle belanghebbende partijen, met inbegrip van zowel producenten als verbruikers, deelnemen, de maatregelen die nodig zijn voor de bevordering van de groei, de doelmatigheid en de stabiliteit van markten voor de basisprodukten, vervaardigd uit de in het Gebied gewonnen delfstoffen, tegen prijzen die lonend zijn voor de producenten en billijk voor de gebruikers. Alle Staten die Partij zijn werken hiertoe samen.
  • b. De Autoriteit heeft het recht deel te nemen aan alle conferenties die zich bezighouden met deze basisprodukten en waaraan alle belanghebbende partijen, met inbegrip van zowel producenten als gebruikers, deelnemen. De Autoriteit heeft het recht partij te worden bij een regeling of overeenkomst die uit zulke conferenties voortvloeit. Deelneming van de Autoriteit aan ingevolge deze regelingen of overeenkomsten ingestelde organen, dient betrekking te hebben op de produktie in het Gebied en overeenkomstig de desbetreffende regels van die organen te zijn.
  • c. De Autoriteit voldoet aan haar verplichtingen ingevolge de in dit lid bedoelde regelingen of overeenkomsten op een wijze die een eenvormige en non-discriminatoire toepassing verzekert ten aanzien van alle produktie van de desbetreffende delfstoffen in het Gebied. Hierbij handelt de Autoriteit op een wijze die verenigbaar is met de voorwaarden van bestaande contracten en goedgekeurde werkplannen van de Onderneming.
  • a. Tijdens de in het derde lid aangegeven overgangsperiode wordt geen commerciële produktie ondernomen op grond van een goedgekeurd werkplan, totdat de exploitant bij de Autoriteit een produktievergunning heeft aangevraagd en deze is verleend. Zodanige produktievergunningen mogen niet worden aangevraagd of verleend meer dan vijf jaar vóór de voorgenomen aanvang van de commerciële produktie ingevolge het werkplan, tenzij de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit een andere termijn voorschrijven gezien de aard en het tijdschema van de uitvoering van het project.
  • b. In de aanvrage voor de produktievergunning geeft de exploitant de verwachte jaarlijkse hoeveelheid nikkel aan die ingevolge het goedgekeurde werkplan zal worden gewonnen. De aanvrage omvat een overzicht van de door de exploitant te maken kosten nadat hij de vergunning heeft ontvangen, welke redelijkerwijze zijn berekend, om hem in staat te stellen op de voorgenomen datum een begin te maken met de commerciële produktie.
  • c. Voor de toepassing van het bepaalde in de letters a en b stelt de Autoriteit passende prestatienormen vast overeenkomstig Bijlage III, artikel 17.
  • d. De Autoriteit verleent een produktievergunning voor het aangevraagde produktieniveau, tenzij het totaal van dat niveau en van de niveaus waarvoor reeds een vergunning werd verleend, hoger is dan het produktieplafond voor nikkel, zoals berekend ingevolge het vierde lid, in het jaar waarin de vergunning wordt verleend, tijdens enig jaar van de voorgenomen produktie dat valt binnen de overgangsperiode.
  • e. De aanvrage en de produktievergunning worden een integrerend onderdeel van het goedgekeurde werkplan.
  • f. Indien de aanvrage van de exploitant voor een produktievergunning wordt afgewezen op grond van letter d, kan de exploitant te allen tijde opnieuw een aanvrage bij de Autoriteit indienen.
3.

De overgangsperiode begint vijf jaar vóór de eerste januari van het jaar waarin de aanvang van de vroegste commerciële produktie op grond van een goedgekeurd werkplan is voorgenomen. Indien de vroegste commerciële produktie wordt uitgesteld tot na het oorspronkelijk voorgenomen jaar, worden het begin van de overgangsperiode en het oorspronkelijk berekende produktieplafond dienovereenkomstig gewijzigd. De overgangsperiode duurt 25 jaar of tot het einde van de Herzieningsconferentie, bedoeld in artikel 155 of tot de dag waarop de in het eerste lid bedoelde nieuwe regelingen of overeenkomsten in werking treden, welke van beide het eerst valt. De Autoriteit herkrijgt de in dit artikel bepaalde bevoegdheden voor het resterende gedeelte van de overgangsperiode indien genoemde regelingen of overeenkomsten zouden verstrijken of om enigerlei reden buiten werking zouden treden.

  • a. Het produktieplafond voor enig jaar van de overgangsperiode is het totaal van:
  • (i). het verschil tussen de trendlijnwaarden voor het nikkelverbruik, zoals berekend op grond van letter (b), voor het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het jaar van de vroegste commerciële produktie en het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de overgangsperiode; en
  • (ii). zestig procent van het verschil tussen de trendlijnwaarden voor het nikkelverbruik, zoals berekend op grond van letter (b), voor het jaar waarvoor een aanvraag voor de produktievergunning is ingediend en het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het jaar van de vroegste commerciële produktie.
  • b. Voor de toepassing van letter (a):

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)