Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee

Type Verdrag
Publication 1996-07-28
State In force
Source BWB
artikelen 448
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Een Staat die Partij is, die partij is bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag kan de andere partij of partijen uitnodigen het geschil te onderwerpen aan conciliatie volgens de procedure van Bijlage V, afdeling 1, of een andere conciliatieprocedure.

2.

Indien de uitnodiging wordt aanvaard en de partijen het eens worden over de te volgen conciliatieprocedure, kan elke partij het geschil onderwerpen aan conciliatie volgens die procedure.

3.

Indien de uitnodiging niet wordt aanvaard of de partijen het niet eens worden over de procedure, wordt de poging tot conciliatie geacht te zijn beëindigd.

4.

Wanneer een geschil is onderworpen aan conciliatie, kan deze slechts worden beëindigd in overeenstemming met de overeengekomen conciliatieprocedure, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.

Artikel 285. Toepassing van deze afdeling op geschillen, voorgelegd ingevolge Deel XI

Deze afdeling is van toepassing op elk geschil dat ingevolge Deel XI, afdeling 5, dient te worden geregeld in overeenstemming met de in dit Deel voorziene procedures. Indien een ander lichaam dan een Staat die Partij is, partij is bij een dergelijk geschil, is deze afdeling mutatis mutandis van toepassing.

AFDELING 2. VERPLICHTE PROCEDURES LEIDENDE TOT BINDENDE BESLISSINGEN

Artikel 286. Toepassing van deze afdeling

Met inachtneming van afdeling 3 wordt elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, dat niet is geregeld met toepassing van afdeling 1, op verzoek van een van de partijen bij het geschil voorgelegd aan het hof of scheidsgerecht dat bevoegd is krachtens deze afdeling.

Artikel 287. Keuze van procedure
1.

Bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna is een Staat vrij om door middel van een schriftelijke verklaring een of meer van de volgende wijzen van regeling van geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag te kiezen:

  • a. het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, opgericht overeenkomstig Bijlage VI;
  • b. het Internationale Gerechtshof;
  • c. een scheidsgerecht, ingesteld overeenkomstig Bijlage VII;
  • d. een bijzonder scheidsgerecht, ingesteld overeenkomstig Bijlage VIII voor een of meer van de daarin vermelde soorten van geschillen.
2.

Een krachtens het eerste lid afgelegde verklaring tast niet aan en wordt niet aangetast door de verplichting van een Partij om de bevoegdheid van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee te aanvaarden naar de mate en op de wijze, voorzien in Deel XI, afdeling 5.

3.

Een Staat die Partij is, die partij is bij een geschil waarvoor een van kracht zijnde verklaring niet geldt, wordt geacht arbitrage overeenkomstig Bijlage VII te hebben aanvaard.

4.

Indien de partijen bij een geschil dezelfde procedure voor de regeling van het geschil hebben aanvaard, kan het geschil slechts aan die procedure worden onderworpen, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.

5.

Indien de partijen bij een geschil niet dezelfde procedure voor de regeling van het geschil hebben aanvaard, kan het geschil slechts aan arbitrage overeenkomstig Bijlage VII worden onderworpen, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.

6.

Een krachtens het eerste lid afgelegde verklaring blijft van kracht tot drie maanden na de nederlegging van een kennisgeving van herroeping bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

7.

Een nieuwe verklaring, een kennisgeving van herroeping of het aflopen van een verklaring tast geenszins een zaak aan die aanhangig is voor een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens dit artikel, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.

8.

De in dit artikel bedoelde verklaringen en kennisgevingen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die afschriften ervan doet toekomen aan de Partijen.

Artikel 288. Bevoegdheid
1.

Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, is bevoegd inzake elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag dat eraan wordt voorgelegd overeenkomstig dit Deel.

2.

Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, is eveneens bevoegd inzake elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van een internationale overeenkomst welke betrekking heeft op de doeleinden van dit Verdrag en dat eraan wordt voorgelegd overeenkomstig die overeenkomst.

3.

De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, ingesteld overeenkomstig Bijlage VI, en elke andere kamer of elk ander scheidsgerecht, bedoeld in Deel XI, afdeling 5, is bevoegd inzake elke kwestie die eraan wordt voorgelegd in overeenstemming daarmee.

4.

In het geval van een geschil over de vraag of een hof of scheidsgerecht bevoegd is, beslist dat hof of scheidsgerecht.

Artikel 289. Deskundigen

Bij elk geschil waarbij wetenschappelijke of technische kwesties zijn betrokken, kan een hof of scheidsgerecht, de bevoegdheid uitoefenend krachtens deze afdeling, op verzoek van een partij of uit eigen beweging en in overleg met de partijen ten minste twee deskundigen op wetenschappelijk of technisch gebied uitkiezen, bij voorkeur van de desbetreffende lijst, opgesteld overeenkomstig Bijlage VIII, artikel 2, om in het hof of scheidsgerecht zitting te nemen zonder stemrecht.

Artikel 290. Voorlopige maatregelen
1.

Indien een hof of scheidsgerecht, waaraan een geschil op de juiste wijze is voorgelegd, meent op het eerste gezicht bevoegd te zijn krachtens dit Deel of Deel XI, afdeling 5, kan dat hof of scheidsgerecht alle voorlopige maatregelen voorschrijven welke het hof of scheidsgerecht onder de omstandigheden passend acht om in afwachting van de definitieve uitspraak de onderscheiden rechten van de partijen bij het geschil in stand te houden of ernstige schade aan het mariene milieu te voorkomen.

2.

De voorlopige maatregelen kunnen worden gewijzigd of herroepen zodra de omstandigheden die deze rechtvaardigen zijn veranderd of hebben opgehouden te bestaan.

3.

Voorlopige maatregelen kunnen krachtens dit artikel slechts op verzoek van een partij bij het geschil en nadat de partijen de mogelijkheid is gegeven te worden gehoord, worden voorgeschreven, gewijzigd of herroepen.

4.

Het hof of scheidsgerecht stelt de partijen bij het geschil en andere Partijen die worden geacht in aanmerking te komen, terstond in kennis van het voorschrijven, wijzigen of herroepen van voorlopige maatregelen.

5.

In afwachting van de instelling van een scheidsgerecht waaraan een geschil wordt voorgelegd krachtens deze afdeling kan elk hof of scheidsgerecht waarover de partijen het eens zijn geworden, of wanneer zij het niet eens zijn geworden binnen twee weken vanaf de datum van het verzoek om voorlopige maatregelen, het Internationale Hof voor het Recht van de Zee of, in het geval van werkzaamheden in het Gebied, de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, voorlopige maatregelen overeenkomstig dit artikel voorschrijven, wijzigen of herroepen, indien wordt gemeend dat het in te stellen scheidsgerecht op het eerste gezicht bevoegd zou zijn en dat de dringende aard van de situatie dit vereist. Nadat het is ingesteld kan het scheidsgerecht waaraan het geschil is voorgelegd, handelend overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid, deze voorlopige maatregelen wijzigen, herroepen of bevestigen.

6.

De partijen bij het geschil schikken zich onverwijld in alle krachtens dit artikel voorgeschreven voorlopige maatregelen.

Artikel 291. Toegankelijkheid
1.

Alle in dit Deel bedoelde procedures voor de regeling van geschillen staan open voor Staten die Partij zijn.

2.

De in dit Deel voorziene procedures voor de regeling van geschillen staan slechts open voor andere lichamen dan de Staten die Partij zijn voor zover dit Verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet.

Artikel 292. Spoedige vrijgeving van schepen en bemanningen
1.

Wanneer de autoriteiten van een Staat die Partij is een schip hebben aangehouden dat onder de vlag van een andere Partij vaart en aangevoerd wordt dat de Staat die de aanhouding heeft verricht de bepalingen van dit Verdrag inzake de spoedige vrijgeving van het schip of de bemanning ervan terstond na de storting van een redelijke borgsom of andere financiële zekerheid niet in acht heeft genomen, kan de kwestie van de vrijgeving worden voorgelegd aan een hof of scheidsgerecht waarover de partijen het eens zijn geworden, of, bij gebreke van een dergelijke overeenkomst, binnen 10 dagen te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding aan een hof of scheidsgerecht aanvaard overeenkomstig artikel 287 door de Staat die de aanhouding heeft verricht, of het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.

2.

Het verzoek om vrijgeving kan alleen worden gedaan door of uit naam van de Staat, onder de vlag waarvan het schip vaart.

3.

Het hof of scheidsgerecht behandelt onverwijld het verzoek om vrijgeving en behandelt alleen de kwestie van de vrijgeving, ongeacht het gevolg dat wordt gegeven aan een actie tegen het schip, de eigenaar of de bemanning ervan voor de bevoegde nationale rechter. De autoriteiten van de Staat die de aanhouding heeft verricht blijven bevoegd het schip of zijn bemanning op ieder moment vrij te geven.

4.

Terstond na de storting van de door het hof of scheidsgerecht vastgestelde borgsom of andere financiële zekerheid nemen de autoriteiten van de Staat die de aanhouding heeft verricht terstond de uitspraak van het hof of scheidsgerecht in acht betreffende de vrijgeving van het schip of zijn bemanning.

Artikel 293. Toepasselijk recht
1.

Een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, past dit Verdrag en de andere regels van internationaal recht die niet onverenigbaar zijn met dit Verdrag toe.

2.

Het eerste lid maakt geen inbreuk op de bevoegdheid van het hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, een zaak te beslissen ex aequo et bono, indien de partijen aldus overeenkomen.

Artikel 294. Inleidende procedures
1.

Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, waaraan een verzoek is gericht met betrekking tot een geschil genoemd in artikel 297, beslist op verzoek van een partij, of kan uit eigen beweging beslissen, of dit verzoek een misbruik van rechtsgang vormt of dat het prima facie gegrond is. Indien het hof of scheidsgerecht beslist dat het verzoek een misbruik van rechtsmiddelen vormt of prima facie ongegrond is, beëindigt het hof of scheidsgerecht de behandeling ervan.

2.

Bij ontvangst van het verzoek stelt het hof of scheidsgerecht de andere partij of partijen onmiddellijk in kennis van het verzoek en stelt een redelijke tijdslimiet vast waarbinnen zij kunnen verzoeken om een beslissing overeenkomstig het eerste lid.

3.

Niets in dit artikel tast het recht aan van enige partij bij een geschil inleidende excepties te maken overeenkomstig de toepasselijke procedureregels.

Artikel 295. Uitputting van nationale rechtsmiddelen

Elk geschil tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag kan, waar dit door het internationale recht wordt vereist, alleen nadat de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput worden onderworpen aan de in deze afdeling bedoelde procedures.

Artikel 296. Definitieve en bindende aard van beslissingen
1.

Elke beslissing die wordt gegeven door een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, is definitief en wordt nagevolgd door alle partijen bij het geschil.

2.

Een dergelijke beslissing heeft geen bindende kracht behoudens tussen de partijen en met betrekking tot het desbetreffende geschil.

AFDELING 3. BEPERKINGEN EN EXCEPTIES OP DE TOEPASSELIJKHEID VAN AFDELING 2

Artikel 297. Beperkingen op de toepasselijkheid van afdeling 2
1.

Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag met betrekking tot de uitoefening door een kuststaat van zijn in dit Verdrag voorziene soevereine rechten of jurisdictie zijn onderworpen aan de in afdeling 2 bedoelde procedures in de volgende gevallen:

  • a. wanneer wordt aangevoerd dat een kuststaat in strijd met de bepalingen van dit Verdrag heeft gehandeld met betrekking tot de vrijheden en rechten van scheepvaart, van overvliegen of het leggen van onderzeese kabels en pijpleidingen, of met betrekking tot de andere internationaal rechtmatige soorten gebruik van de zee, genoemd in artikel 58;
  • b. wanneer wordt aangevoerd dat een Staat bij de uitoefening van de voornoemde vrijheden, rechten of soorten gebruik heeft gehandeld in strijd met dit Verdrag of met de wetten of voorschriften, die door de kuststaat zijn aangenomen in overeenstemming met dit Verdrag en andere regels van internationaal recht, die daarmee niet onverenigbaar zijn; of
  • c. wanneer wordt aangevoerd dat een kuststaat heeft gehandeld in strijd met bepaalde internationale regels en normen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu, die van toepassing zijn voor deze kuststaat en die zijn ingesteld door dit Verdrag of door middel van een bevoegde internationale organisatie of diplomatieke conferentie overeenkomstig dit Verdrag.
  • a. Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot het wetenschappelijk zeeonderzoek worden geregeld in overeenstemming met afdeling 2, met dien verstande dat de kuststaat niet is verplicht de onderwerping aan een dergelijke regeling te aanvaarden van enig geschil dat voortkomt uit:
  • (i). de uitoefening door de kuststaat van een recht of bevoegdheid overeenkomstig artikel 246, of
  • (ii). een besluit van de kuststaat om opschorting of beëindiging van een onderzoeksproject te gelasten overeenkomstig artikel 253.
  • b. Een geschil dat voortkomt uit de aanvoering door de onderzoek verrichtende Staat, dat de kuststaat zijn rechten krachtens de artikelen 246 en 253 met betrekking tot een bepaald project niet uitoefent op een manier die verenigbaar is met dit Verdrag, wordt op verzoek van een van de partijen onderworpen aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, mits de conciliatiecommissie er niet bij betrekt de uitoefening door de kuststaat van zijn bevoegdheid bepaalde gebieden aan te wijzen zoals is voorzien in artikel 246, zesde lid, of van zijn bevoegdheid om toestemming te weigeren overeenkomstig artikel 246, vijfde lid.
  • a. Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot de visserij worden geregeld overeenkomstig afdeling 2, met dien verstande dat de kuststaat niet is verplicht de onderwerping aan een dergelijke regeling te aanvaarden van enig geschil betreffende zijn soevereine rechten met betrekking tot de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone of de uitoefening ervan, met inbegrip van zijn discretionaire bevoegdheid de toelaatbare vangst te bepalen, zijn vermogen tot het oogsten, de toedeling van resthoeveelheden aan andere Staten en de voorwaarden, gesteld in zijn wetten en voorschriften inzake behoud en beheer.
  • b. Wanneer geen regeling is bereikt met behulp van afdeling 1 van dit Deel, wordt een geschil onderworpen aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, op verzoek van een van de partijen bij het geschil, wanneer wordt aangevoerd dat:
  • (i). een kuststaat duidelijk niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan om door middel van juiste maatregelen tot behoud en beheer te verzekeren dat de instandhouding van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone niet ernstig in gevaar komt;
  • (ii). een kuststaat in willekeur heeft geweigerd op verzoek van een andere Staat de toelaatbare vangst te bepalen alsmede zijn vermogen tot het oogsten van levende rijkdommen met betrekking tot voorraden in het oogsten waarvan die andere Staat belang stelt; of
  • (iii). een kuststaat in willekeur heeft geweigerd aan een Staat krachtens de artikelen 62, 69 en 70 en de voorwaarden die de kuststaat heeft gesteld en verenigbaar zijn met dit Verdrag, het geheel of een deel van de resthoeveelheid waarvan de kuststaat heeft verklaard dat deze bestaat toe te delen.
  • c. In geen geval stelt de conciliatiecommissie haar discretionaire bevoegdheid in de plaats van die van de kuststaat.
  • d. Het rapport van de conciliatiecommissie wordt overgelegd aan de passende internationale organisaties.
  • e. Bij het onderhandelen over overeenkomsten, bedoeld in de artikelen 69 en 70, nemen de staten die Partij zijn, tenzij zij anderszins overeenkomen, een bepaling op inzake de maatregelen die zij dienen te nemen om de mogelijkheid van onenigheid over de uitlegging of toepassing van de overeenkomst tot een minimum terug te brengen, en inzake de te volgen procedure in het geval er toch onenigheid ontstaat.
Artikel 298. Facultatieve excepties op de toepasselijkheid van afdeling 2
1.

Bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna kan een Staat, onverminderd de verplichtingen die krachtens afdeling 1 ontstaan, schriftelijk verklaren dat hij een of meer van de in afdeling 2 bedoelde procedures niet aanvaardt met betrekking tot een of meer van de volgende groepen geschillen:

  • a.
  • (i). geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de artikelen 15, 74 en 83 inzake de afbakening van zeegrenzen, of betreffende historische baaien of titels, mits een Staat die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, op verzoek van een partij bij het geschil, onderwerping van de zaak aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, aanvaardt, wanneer een dergelijk geschil na de inwerkingtreding van dit Verdrag ontstaat en binnen redelijke tijd geen overeenstemming is bereikt in onderhandelingen tussen de partijen, en mits verder elk geschil dat noodzakelijkerwijze met zich brengt de gelijktijdige behandeling van een onopgelost geschil betreffende soevereiniteit of andere rechten op vastelands- of eilandgebied van deze onderwerping aan conciliatie wordt uitgesloten;
  • (ii). nadat de conciliatiecommissie haar rapport heeft overgelegd, dat de argumenten dient aan te geven waarop het is gebaseerd, onderhandelen de partijen over een akkoord op basis van dat rapport; indien de onderhandelingen niet op een akkoord uitlopen, onderwerpen de partijen de kwestie met wederzijds goedvinden aan een van de in afdeling 2 bedoelde procedures, tenzij de partijen anderszins overeenkomen;
  • (iii). letter (a) is niet van toepassing op een geschil betreffende zeegrenzen dat definitief is geregeld door een akkoord tussen de partijen of dat dient te worden geregeld overeenkomstig een bilaterale of multilaterale overeenkomst die bindend is voor deze partijen;
  • b. geschillen betreffende militaire activiteiten, met inbegrip van militaire activiteiten van staatsschepen en staatsluchtvaartuigen die voor andere dan commerciële doeleinden worden gebruikt, en geschillen betreffende daden van rechtshandhaving met betrekking tot soevereine rechten of jurisdictie, welke zijn uitgesloten van de rechtsmacht van een hof of scheidsgerecht krachtens artikel 297, tweede of derde lid;
  • c. geschillen met betrekking waartoe de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de functies uitoefent die deze door het Handvest van de Verenigde Naties zijn opgedragen, tenzij de Veiligheidsraad besluit de zaak van de agenda te schrappen of de partijen verzoekt de zaak te regelen door de in dit Verdrag voorziene middelen.
2.

Een Staat die Partij is, die een verklaring ingevolge het eerste lid heeft afgelegd, kan deze op ieder tijdstip intrekken of instemmen met de onderwerping van een geschil, dat door een dergelijke verklaring is uitgesloten, aan elke in dit Verdrag bedoelde procedure.

3.

Een Staat die Partij is, die een verklaring ingevolge het eerste lid heeft afgelegd is niet bevoegd een geschil dat onder een uitgesloten groep geschillen valt te onderwerpen aan enige in dit Verdrag bedoelde procedure zonder de toestemming van de Staat die Partij is waarmee hij het geschil heeft.

4.

Indien een van de Staten die Partij zijn een verklaring ingevolge het eerste lid, letter a, heeft afgelegd, kan elke andere Staat die Partij is een geschil dat onder een uitgesloten groep geschillen valt en dat deze met de verklarende partij heeft, onderwerpen aan de in die verklaring genoemde procedure.

5.

Een nieuwe verklaring, of het intrekken van een verklaring tast geenszins de procedures aan die voor een hof of scheidsgerecht lopen overeenkomstig dit artikel, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.

6.

Verklaringen en kennisgevingen van het intrekken ervan krachtens dit artikel worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die een afschrift ervan doet toekomen aan de Staten die Partij zijn.

Artikel 299. Recht van de partijen om een procedure overeen te komen
1.

Een geschil dat van de in afdeling 2 bedoelde procedures is uitgesloten krachtens artikel 297 of door een krachtens artikel 298 afgelegde verklaring kan alleen met instemming van de partijen bij het geschil worden onderworpen aan die procedures.

2.

Niets in deze afdeling maakt inbreuk op het recht van de partijen bij een geschil, een andere procedure voor de regeling van het geschil overeen te komen of het bij minnelijke schikking te regelen.

DEEL XVI. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 300. Goede trouw en misbruik van recht

De Staten die Partij zijn, komen te goeder trouw de verplichtingen na die zij op grond van dit Verdrag op zich hebben genomen en oefenen de rechten, bevoegdheden en vrijheden die in dit Verdrag worden erkend, uit op een wijze die geen misbruik van recht vormt.

Artikel 301. Vreedzaam gebruik van de zee

Bij de uitoefening van hun rechten en de nakoming van hun plichten op grond van dit Verdrag onthouden de Staten die Partij zijn zich van elke bedreiging met of elk gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van enige Staat, en van enigerlei andere handelwijze die onverenigbaar is met de beginselen van het internationale recht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 302. Openbaarmaking van gegevens

Onverminderd het recht van een Staat die Partij is zijn toevlucht te nemen tot de procedures voor de regeling van geschillen, bedoeld in dit Verdrag, wordt niets in dit Verdrag geacht een Staat die Partij is te verplichten, bij het nakomen van zijn plichten op grond van dit Verdrag, gegevens te verschaffen waarvan de openbaarmaking strijdig is met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid.

Artikel 303. In zee gevonden archeologische en historische voorwerpen
1.

Staten hebben de plicht in zee gevonden voorwerpen van archeologische of historische aard te beschermen en werken tot dit doel samen.

2.

Om de handel in dergelijke voorwerpen te beheersen, kan de kuststaat bij de toepassing van artikel 33 aannemen dat de verwijdering ervan, zonder zijn toestemming, van de zeebodem in de zone genoemd in dat artikel, een inbreuk binnen zijn grondgebied of territoriale zee zou betekenen op de wetten en voorschriften, genoemd in dat artikel.

3.

Niets in dit artikel tast de rechten van aanwijsbare eigenaars aan, het bergingsrecht of andere regels van maritiem recht, noch wetten en gebruiken op het gebied van culturele uitwisselingen.

4.

Dit artikel tast geen andere internationale overeenkomsten en regels van internationaal recht aan betreffende de bescherming van voorwerpen van archeologische of historische aard.

Artikel 304. Aansprakelijkheid bij schade

De bepalingen van dit Verdrag betreffende aansprakelijkheid bij schade tasten niet de toepassing aan van bestaande en de totstandkoming van nieuwe aansprakelijkheidsregels op grond van het internationale recht.

DEEL XVII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 305. Ondertekening
1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door:

  • a. alle Staten;
  • b. Namibië, vertegenwoordigd door de Raad van de Verenigde Naties voor Namibië;
  • c. alle zelfbesturende geassocieerde Staten die deze status hebben gekozen door middel van een daad van zelfbeschikking, onder toezicht en met goedkeuring van de Verenigde Naties overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering, en die bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
  • d. alle zelfbesturende geassocieerde Staten die overeenkomstig hun onderscheiden akten van associatie bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
  • e. alle gebieden die volledig intern zelfbestuur genieten, dat als zodanig is erkend door de Verenigde Naties, maar geen volledige onafhankelijkheid hebben bereikt overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering, en die bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid om verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
  • f. internationale organisaties, overeenkomstig Bijlage IX.
2.

Dit Verdrag blijft openstaan voor ondertekening tot en met 9 december 1984 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Jamaica en tevens vanaf 1 juli 1983 tot en met 9 december 1984 op de zetel van de Verenigde Naties te New York.

Artikel 306. Bekrachtiging en formele bevestiging

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd door de Staten en de andere lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letters b, c, d en e, en overeenkomstig Bijlage IX formeel te worden bevestigd door de lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letter f. De akten van bekrachtiging en van formele bevestiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 307. Toetreding

Dit Verdrag staat open voor toetreding door de Staten en de andere lichamen, bedoeld in artikel 305. Toetreding door de lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letter f, geschiedt overeenkomstig Bijlage IX. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 308. Inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag treedt in werking 12 maanden na de datum van nederlegging van de zestigste akte van bekrachtiging of toetreding.

2.

Voor iedere Staat die dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de zestigste akte van bekrachtiging of toetreding treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag, volgend op de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding, onder voorbehoud van het eerste lid.

3.

De Vergadering van de Autoriteit komt bijeen op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en kiest de Raad van de Autoriteit. De eerste Raad wordt samengesteld op een wijze die verenigbaar is met het doel van artikel 161, indien de bepalingen van dit artikel niet strikt kunnen worden toegepast.

4.

De regels, voorschriften en procedures, opgesteld door de Voorbereidende Commissie, worden voorlopig toegepast in afwachting van hun formele aanvaarding door de Autoriteit overeenkomstig Deel XI.

5.

De Autoriteit en haar organen handelen overeenkomstig resolutie II van de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee betreffende voorbereidende investeringen en overeenkomstig besluiten van de Voorbereidende Commissie, genomen krachtens die resolutie.

Artikel 309. Voorbehouden en excepties

Voorbehouden of excepties ten aanzien van dit Verdrag kunnen niet worden gemaakt, tenzij deze uitdrukkelijk zijn toegestaan op grond van andere artikelen van dit Verdrag.

Artikel 310. Verklaringen

Artikel 309 verhindert een Staat niet bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag verklaringen af te leggen, in welke bewoordingen of onder welke naam ook, onder andere met het oog op de harmonisatie van zijn wetgeving met de bepalingen van dit Verdrag, mits dergelijke verklaringen niet strekken tot uitsluiting of wijziging van de juridische werking van de bepalingen van dit Verdrag in de toepassing ervan op die Staat.

Artikel 311. Verhouding tot andere internationale overeenkomsten
1.

Tussen de Staten die Partij zijn, gaat dit Verdrag boven de Verdragen van Genève inzake het recht van de zee van 29 april 1958.

2.

Dit Verdrag wijzigt niet de rechten en plichten van de Staten die Partij zijn welke voortvloeien uit andere internationale overeenkomsten, die verenigbaar zijn met dit Verdrag en die noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn, op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aantasten.

3.

Twee of meer Staten die Partij zijn kunnen overeenkomsten tot wijziging of schorsing van de werking van bepalingen van dit Verdrag sluiten, die uitsluitend van toepassing zijn op hun onderlinge betrekkingen, mits dergelijke overeenkomsten zich niet uitstrekken tot een bepaling waarvan niet mag worden afgeweken als dit onverenigbaar is met de doeltreffende verwezenlijking van voorwerp en doel van het Verdrag, en mits dergelijke overeenkomsten voorts niet de toepassing van de grondbeginselen die erin zijn neergelegd, aantasten en de bepalingen van dergelijke overeenkomsten noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn, op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aantasten.

4.

De Staten die Partij zijn die het voornemen hebben een overeenkomst bedoeld in het derde lid te sluiten, stellen de andere Staten die Partij zijn door tussenkomst van de depositaris van dit Verdrag in kennis van hun voornemen de overeenkomst te sluiten, en van de wijzigingen of schorsingen waarin deze voorziet.

5.

Dit artikel tast niet de internationale overeenkomsten aan, die uitdrukkelijk zijn toegestaan of in stand worden gehouden door andere artikelen van dit Verdrag.

6.

De Staten die Partij zijn komen overeen dat geen wijzigingen worden aangebracht op het grondbeginsel betreffende het gemeenschappelijke erfdeel van de mensheid, genoemd in artikel 136, en dat zij geen partij zullen zijn bij een overeenkomst die daaraan afbreuk doet.

Artikel 312. Wijziging
1.

Na afloop van een periode van 10 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag kan een Staat die Partij is door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, specifieke wijzigingen op dit Verdrag voorstellen, die niet betrekking hebben op de werkzaamheden in het Gebied, en verzoeken om de bijeenroeping van een conferentie, die de voorgestelde wijzigingen moet bespreken. De Secretaris-Generaal brengt een dergelijke kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn. Hij roept de conferentie bijeen indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving ten minste de helft van de Staten die Partij zijn in positieve zin antwoordt op het verzoek.

2.

De besluitvormingsprocedure die van toepassing is op de conferentie tot wijziging, is dezelfde als die welke van toepassing is op de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, tenzij de conferentie anders besluit. De conferentie behoort alles in het werk te stellen om overeenstemming over de wijzigingen te bereiken door middel van consensus, en er behoort niet over te worden gestemd totdat alle pogingen om tot consensus te komen op niets zijn uitgelopen.

Artikel 313. Wijziging door middel van een vereenvoudigde procedure
1.

Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, een wijziging op dit Verdrag voorstellen die niet betrekking heeft op de werkzaamheden in het Gebied, en die door middel van de in dit artikel opgenomen vereenvoudigde procedure wordt aangenomen zonder de bijeenroeping van een conferentie. De Secretaris-Generaal brengt de kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn.

2.

Indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving een Staat die Partij is bezwaar maakt tegen de voorgestelde wijziging of tegen het voorstel tot aanneming ervan door middel van de vereenvoudigde procedure, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn verworpen. De Secretaris-Generaal brengt dit onmiddellijk ter kennis van alle Staten die Partij zijn.

3.

Indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving geen Staat die Partij is bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgestelde wijziging of tegen het voorstel tot aanneming ervan door middel van de vereenvoudigde procedure, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn aangenomen. De Secretaris-Generaal brengt het feit dat de voorgestelde wijziging is aangenomen ter kennis van alle Staten die Partij zijn.

Artikel 314. Wijzigingen van de bepalingen van dit Verdrag, uitsluitend betrekking hebbende op de werkzaamheden in het Gebied
1.

Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Autoriteit, een wijziging voorstellen van de bepalingen van dit Verdrag, uitsluitend betrekking hebbende op de werkzaamheden in het Gebied, met inbegrip van Bijlage VI, afdeling 4. De Secretaris-Generaal brengt een dergelijke kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn. De voorgestelde wijziging behoeft de goedkeuring van de Vergadering, nadat de Raad deze heeft goedgekeurd. De vertegenwoordigers van de Staten die Partij zijn in deze organen dienen te zijn gemachtigd de voorgestelde wijziging te bestuderen en goed te keuren. De voorgestelde wijziging, zoals goedgekeurd door de Raad en de Vergadering, wordt geacht te zijn aangenomen.

2.

Voordat de Raad en de Vergadering een wijziging overeenkomstig het eerste lid goedkeuren, vergewissen zij zich ervan, dat deze geen inbreuk maakt op het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied, in afwachting van de bijeenroeping van de Herzieningsconferentie overeenkomstig artikel 155.

Artikel 315. Ondertekening en bekrachtiging van, toetreding tot en authentieke teksten van wijzigingen
1.

Na de aanneming ervan staan de wijzigingen van dit Verdrag gedurende 12 maanden vanaf de datum van aanneming open voor ondertekening door de Staten die Partij zijn op de zetel van de Verenigde Naties te New York, tenzij in de wijzigingen anders wordt bepaald.

2.

De artikelen 306, 307 en 320 zijn van toepassing op alle wijzigingen van dit Verdrag.

Artikel 316. Inwerkingtreding van de wijzigingen
1.

De wijzigingen van dit Verdrag, niet zijnde die waarnaar wordt verwezen in het vijfde lid, treden in werking voor de Staten die Partij zijn die deze bekrachtigen of ertoe toetreden, op de dertigste dag na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door twee derde van de Staten die Partij zijn of door 60 Staten die Partij zijn, welke van de twee het grootste aantal is. Dergelijke wijzigingen tasten noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aan.

2.

Een wijziging kan bepalen dat een groter aantal bekrachtigingen of toetredingen is vereist voor de inwerkingtreding ervan dan door dit artikel wordt vereist.

3.

Voor elke Staat die Partij is die een wijziging, bedoeld in het eerste lid, bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van het vereiste aantal akten van bekrachtiging of toetreding, treedt de wijziging in werking op de dertigste dag na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.

4.

Een Staat die partij wordt bij dit Verdrag na de inwerkingtreding van een wijziging overeenkomstig het eerste lid wordt, indien hij geen andere bedoeling heeft kenbaar gemaakt, beschouwd als:

  • a. partij bij dit Verdrag zoals het gewijzigd is; en
  • b. partij bij het niet-gewijzigde Verdrag met betrekking tot iedere Staat die Partij is die niet is gebonden door de wijziging.
5.

De wijzigingen die uitsluitend betrekking hebben op de werkzaamheden in het Gebied en de wijzigingen van Bijlage VI treden voor alle Staten die Partij zijn in werking een jaar na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door drie vierde van de Partijen.

6.

Een Staat die Partij wordt bij dit Verdrag na de inwerkingtreding van wijzigingen overeenkomstig het vijfde lid wordt beschouwd als Partij bij dit Verdrag zoals gewijzigd.

Artikel 317. Opzegging
1.

Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, dit Verdrag opzeggen en daarbij de redenen aangeven. Het niet aangeven van redenen tast de geldigheid van de opzegging niet aan. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving, tenzij hierin een latere datum wordt aangegeven.

2.

De opzegging ontheft noch een Staat van de financiële en contractuele verplichtingen, ontstaan terwijl deze Partij was bij dit Verdrag, noch tast de opzegging enig recht, enige plicht of juridische toestand aan die voor die Staat voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van dit Verdrag vóór de buitenwerkingtreding ervan voor die Staat.

3.

De opzegging tast in generlei wijze de plicht van iedere Staat die Partij is aan elke in dit Verdrag neergelegde verplichting na te komen, waaraan deze krachtens het internationale recht zou zijn onderworpen onafhankelijk van dit Verdrag.

Artikel 318. Status van de Bijlagen

De Bijlagen maken een integrerend deel uit van dit Verdrag en een verwijzing naar dit Verdrag of naar een van de Delen ervan houdt een verwijzing in naar de desbetreffende Bijlagen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 319. Depositaris
1.

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is de depositaris van dit Verdrag en van de wijzigingen ervan.

2.

In aanvulling op zijn functies als depositaris dient de Secretaris-Generaal:

  • a. aan alle Staten die Partij zijn, de Autoriteit en de bevoegde internationale organisaties rapport uit te brengen over de problemen van algemene aard die met betrekking tot dit Verdrag zijn gerezen;
  • b. aan de Autoriteit kennis te geven van de bekrachtigingen en formele bevestigingen van dit Verdrag, de toetredingen ertoe en de wijzigingen ervan, alsmede van de opzeggingen van dit Verdrag;
  • c. aan de Staten die Partij zijn kennis te geven van de overeenkomsten, gesloten overeenkomstig artikel 311, vierde lid;
  • d. wijzigingen die overeenkomstig dit Verdrag zijn aangenomen, over te brengen aan de Staten die Partij zijn ter bekrachtiging of om ertoe toe te treden;
  • e. de noodzakelijke bijeenkomsten van de Staten die Partij zijn bijeen te roepen overeenkomstig dit Verdrag.
  • a. De Secretaris-Generaal brengt eveneens over aan de waarnemers, genoemd in artikel 156;
  • (i). de rapporten, bedoeld in het tweede lid, letter a;
  • (ij). de kennisgevingen, bedoeld in het tweede lid, letters b en c; en
  • (iii). de teksten van wijzigingen, bedoeld in het tweede lid, letter d, te hunner informatie.
  • b. De Secretaris-Generaal nodigt eveneens die waarnemers uit om in de hoedanigheid van waarnemers deel te nemen aan de bijeenkomsten van de Staten die Partij zijn, bedoeld in het tweede lid, letter e.
Artikel 320. Authentieke teksten

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, met inachtneming van artikel 305, tweede lid.

Artikel 1

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 76 wordt in overeenstemming met de volgende artikelen een Commissie inzake de grenzen van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl, ingesteld.

Artikel 2
1.

De Commissie bestaat uit 21 leden, die deskundig zijn op het gebied van de geologie, geofysica of hydrografie, door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag gekozen uit hun onderdanen, daarbij naar behoren rekening houdend met de noodzaak een billijke geografische vertegenwoordiging te waarborgen; deze leden hebben zitting in hun eigen persoonlijke hoedanigheid.

2.

De eerste verkiezing vindt zo spoedig mogelijk plaats, doch in elk geval binnen 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag. Ten minste drie maanden voor de datum van elke verkiezing richt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een brief aan de Staten die Partij zijn, waarin zij worden uitgenodigd binnen drie maanden voordrachten in te dienen, na passend regionaal overleg. De Secretaris-Generaal stelt een lijst in alfabetische volgorde op van alle aldus voorgedragen personen en legt deze voor aan alle Staten die Partij zijn.

3.

De verkiezing van leden van de Commissie vindt plaats tijdens een bijeenkomst van de Staten die Partij zijn, bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal ter plaatse van de hoofdzetel van de Verenigde Naties. Op die bijeenkomst, waarvoor twee derde van de Staten die Partij zijn een quorum vormen, zijn de in de Commissie verkozenen de op de voordracht staande personen, die een twee derde meerderheid verwerven van de stemmen van de vertegenwoordigers van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen. Uit elke geografische regio worden ten minste drie leden gekozen.

4.

De leden van de Commissie worden gekozen voor een termijn van vijf jaar. Zij zijn herkiesbaar.

5.

De Staat die Partij is, die een lid van de Commissie heeft voorgedragen, draagt de kosten van dat lid bij de uitoefening van zijn taken in de Commissie. De betrokken kuststaat draagt de kosten gemaakt met betrekking tot het advies, bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter b, van deze Bijlage. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zorgt voor het secretariaat.

Artikel 3
1.

De taken van de Commissie zijn:

  • a. het bestuderen van de door kuststaten voorgelegde gegevens en ander materiaal betreffende de buitengrenzen van het continentale plat in gebieden waar deze grenzen zich verder uitstrekken dan 200 zeemijl en het doen van aanbevelingen overeenkomstig artikel 76 en de Verklaring van Overeenstemming die op 29 augustus 1980 werd aangenomen door de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee;
  • b. het verschaffen van wetenschappelijk en technisch advies, indien zulks door de betrokken kuststaat wordt verzocht, ten behoeve van het opstellen van de in letter a bedoelde gegevens.
2.

De Commissie kan, in de nodig en nuttig geachte mate, samenwerken met de Intergouvernementele Oceanografische Commissie van de UNESCO, de Internationale Hydrografische Organisatie en andere bevoegde internationale organisaties ten einde wetenschappelijke en technische informatie uit te wisselen die de Commissie zou kunnen helpen bij het nakomen van haar verantwoordelijkheden.

Artikel 4

Wanneer een kuststaat voornemens is, overeenkomstig artikel 76 de buitengrenzen vast te stellen van zijn continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl, verstrekt hij, zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen 10 jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag voor die Staat, bijzonderheden omtrent zulke grenzen aan de Commissie, te zamen met wetenschappelijke en technische gegevens ter staving daar van. De kuststaat verstrekt tegelijkertijd de namen van Commissieleden die deze wetenschappelijk en technisch advies hebben verschaft.

Artikel 5

Tenzij de Commissie anders beslist, verricht zij haar werkzaamheden door middel van subcommissies, bestaande uit zeven leden, die op evenwichtige wijze zijn benoemd, met inachtneming van de specifieke aspecten van elke door een kuststaat voorgelegde kwestie. Onderdanen van de kuststaat die het verzoek indient en die lid zijn van de Commissie en Commissieleden die een kuststaat hebben bijgestaan door het verschaffen van wetenschappelijk en technisch advies met betrekking tot het verloop van de grenslijn mogen geen lid zijn van de subcommissie die deze kwestie behandelt, maar hebben het recht als lid deel te nemen aan de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot genoemde kwestie. De kuststaat die een verzoek bij de Commissie heeft ingediend, kan vertegenwoordigers zenden ter deelneming aan de desbetreffende werkzaamheden; deze hebben geen stemrecht.

Artikel 6
1.

De subcommissie legt haar aanbevelingen voor aan de Commissie.

2.

De goedkeuring door de Commissie van de aanbevelingen van de subcommissie geschiedt met een meerderheid van twee derde van de Commissieleden die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen.

3.

De aanbevelingen van de Commissie worden schriftelijk medegedeeld aan de kuststaat die het verzoek heeft ingediend en aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 7

Kuststaten stellen de buitengrenzen van het continentale plat vast in overeenstemming met het bepaalde in artikel 76, achtste lid, en overeenkomstig de desbetreffende nationale procedure.

Artikel 8

Ingeval de kuststaat niet instemt met de aanbevelingen van de Commissie, dient de kuststaat binnen een redelijke termijn een herzien of nieuw verzoek in bij de Commissie.

Artikel 9

Het optreden van de Commissie laat onverlet aangelegenheden betreffende de afbakening van grenzen tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.

Artikel 1. Eigendomsrecht op delfstoffen

Het eigendomsrecht op delfstoffen gaat over op het tijdstip van winning ervan overeenkomstig dit Verdrag.

Artikel 2. Prospectie
  • a. De Autorireit bevordert de prospectie in het Gebied.
  • b. Deze wordt eerst verricht nadat de Autoriteit een Behoorlijke schriftelijke verbintenis heeft ontvangen dat de toekomstige prospector dit Verdrag en de desbetreffende regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit betreffende samenwerking bij de opleidingsprogramma’s, bedoeld in de artikelen 143 en 144, en de bescherming van het mariene milieu zal naleven en de verificatie door de Autoriteit van deze naleving zal aanvaarden. De toekomstige prospector stelt tegelijkertijd de Autoriteit in kennis van de grenzen, bij benadering aangegeven, van het gebied of de gebieden waar de prospectie zal worden verricht.
  • c. De prospectie kan tegelijkertijd door meer dan een prospector in hetzelfde gebied of dezelfde gebieden worden verricht.
2.

De prospector verkrijgt uit hoofde van de prospectie geen rechten ten aanzien van de rijkdommen. Een prospector kan evenwel een redelijke hoeveelheid delfstoffen winnen voor het nemen van monsters.

Artikel 3. Exploratie en exploitatie
1.

De Onderneming, de Staten die Partij zijn en de andere lichamen, bedoeld in artikel 153, tweede lid, letter b, kunnen bij de Autoriteit een aanvrage indienen om goedkeuring van werkplannen voor werkzaamheden in het Gebied.

2.

De Onderneming kan een aanvraag indienen met betrekking tot ongeacht welk deel van het Gebied, maar aanvragen van andere lichamen of personen met betrekking tot gereserveerde gebieden zijn onderworpen aan de aanvullende eisen van artikel 9 van deze Bijlage.

3.

De exploratie en exploitatie worden alleen verricht in de gebieden, aangegeven in de in artikel 153, derde lid, bedoelde werkplannen, die zijn goedgekeurd door de Autoriteit overeenkomstig dit Verdrag en de desbetreffende regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.

4.

Ieder goedgekeurd werkplan dient:

  • a. in overeenstemming te zijn met dit Verdrag en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit;
  • b. te voorzien in toezicht door de Autoriteit op werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig artikel 153, vierde lid;
  • c. aan de exploitant, overeenkomstig de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, het uitsluitende recht te verlenen tot exploratie en exploitatie van de aangeduide categorieën rijkdommen in het door het werkplan bestreken gebied. Indien de aanvrager evenwel een werkplan ter goedkeuring voorlegt, dat alleen de exploratiefase of de exploitatiefase bestrijkt, verleent het goedgekeurde werkplan een zodanig uitsluitend recht alleen met betrekking tot die fase.
5.

Na goedkeuring door de Autoriteit heeft elk werkplan, behalve dat ingediend door de Onderneming, de vorm van een contract gesloten tussen de Autoriteit en de aanvrager of aanvragers.

Artikel 4. Vereisten waaraan aanvragers moeten voldoen
1.

Andere aanvragers dan de Onderneming voldoen aan de vereisten indien zij de nationaliteit bezitten of onder toezicht staan en voor hen wordt borg gestaan, zoals vereist in artikel 153, tweede lid, letter b, en indien zij de procedures volgen en voldoen aan de normen daarvoor gesteld in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.

2.

Behalve zoals bepaald in het zesde lid, hebben zulke normen betrekking op het financiële en technische vermogen van de aanvrager en de wijze waarop hij voorgaande contracten met de Autoriteit heeft uitgevoerd.

3.

Voor elke aanvrager wordt borg gestaan door de Staat die Partij is en waarvan hij onderdaan is, tenzij de aanvrager meer dan één nationaliteit bezit, zoals in het geval van een deelgenootschap of consortium van lichamen uit verscheidene Staten, in welk geval alle betrokken Staten die Partij zijn, borg moeten staan voor de aanvrage, of tenzij de aanvrager onder het daadwerkelijk toezicht staat van een andere Staat die Partij is of van de onderdanen daarvan, in welk geval beide Staten die Partij zijn, borg moeten staan voor de aanvrage. De normen en procedures voor de tenuitvoerlegging van de borg zijn vervat in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.

4.

De Staat of Staten die borg staan zijn er ingevolge artikel 139 voor verantwoordelijk dat zij, binnen hun wetsstelsel verzekeren dat een contractant waarvoor aldus borg wordt gestaan, de werkzaamheden in het Gebied verricht in overeenstemming met de voorwaarden van zijn contract en zijn verplichtingen krachtens dit Verdrag. Een Staat die borg staat, is evenwel niet aansprakelijk voor schade, veroorzaakt door het niet naleven door een contractant waarvoor de Staat borg staat, van diens verplichtingen, indien die Staat die Partij is wetten en voorschriften heeft aangenomen en bestuurlijke maatregelen heeft genomen die, binnen het kader van zijn wetsstelsel, redelijk passend zijn om de naleving door onder zijn rechtsmacht staande personen te verzekeren.

5.

In de procedures voor beoordeling van de vereisten waaraan Staten die Partij zijn als aanvragers moeten voldoen, wordt rekening gehouden met hun hoedanigheid van Staat.

6.

De normen vereisen dat elke aanvrager, zonder uitzondering, als onderdeel van zijn aanvrage zich ertoe verbindt:

  • a. de verplichtingen hem opgelegd door de bepalingen van Deel XI, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, de besluiten van de organen van de Autoriteit, en de voorwaarden van zijn contracten met de Autoriteit als afdwingbaar te aanvaarden en deze na te komen;
  • b. toezicht door de Autoriteit te aanvaarden op werkzaamheden in het Gebied, zoals toegestaan door dit Verdrag;
  • c. de Autoriteit de schriftelijke verzekering te verstrekken dat hij zijn verplichtingen krachtens het contract te goeder trouw zal vervullen;
  • d. de bepalingen inzake de overdracht van technologie vervat in artikel 5 van deze Bijlage na te leven.
Artikel 5. Overdracht van technologie
1.

Bij de indiening van een werkplan dient elke aanvrager de Autoriteit een algemene beschrijving ter beschikking te stellen van de te gebruiken uitrusting en methoden bij het verrichten van werkzaamheden in het Gebied, alsmede andere van belang zijnde informatie waarop geen industriële eigendomsrechten rusten, over de kenmerken van zulke technologie, alsook informatie waar zulke technologie beschikbaar is.

2.

Iedere exploitant stelt de Autoriteit in kennis van herzieningen in de beschrijvingen informatie die ingevolge het eerste lid ter beschikking zijn gesteld, telkens wanneer een belangrijke technologische verandering of innovatie wordt ingevoerd.

3.

Ieder contract voor het verrichten van werkzaamheden in het Gebied bevat de onderstaande verbintenissen van de zijde van de contractant:

  • a. op verzoek van de Autoriteit, op billijke en redelijke commerciële voorwaarden en bedingen aan de Onderneming de technologie ter beschikking te stellen, waarvan hij gebruik maakt bij het verrichten van werkzaamheden in het Gebied krachtens het contract, en welke de contractant gerechtigd is over te dragen. Dit geschiedt door middel van licenties of andere passende regelingen, over de totstandkoming waarvan de contractant onderhandelt met de Onderneming en die worden neergelegd in een afzonderlijke overeenkomst ter aanvulling van het contract. Op deze verbintenis kan slechts een beroep worden gedaan, indien de Onderneming constateert dat zij niet in staat is op de open markt dezelfde of even doeltreffende en nuttige technologie te verkrijgen op billijke en redelijke commerciële voorwaarden en bedingen;
  • b. een schriftelijke verzekering te verkrijgen van de eigenaar van technologie die wordt gebruikt bij het verrichten van werkzaamheden in het Gebied krachtens het contract, welke technologie niet algemeen beschikbaar is op de open markt en niet valt onder letter a, dat de eigenaar, op verzoek van de Autoriteit, deze technologie in licentie of volgens andere passende regelingen en op billijke en redelijke commerciële voorwaarden en bedingen aan de Onderneming ter beschikking zal stellen in dezelfde mate als zij beschikbaar is gesteld aan de contractant. Indien deze verzekering niet is verkregen, mag de desbetreffende technologie niet door de contractant worden gebruikt bij het verrichten van werkzaamheden in het Gebied;
  • c. op verzoek van de Onderneming en indien het mogelijk is zulks te doen zonder aanmerkelijke kosten voor de contractant door middel van een executoriaal contract, van de eigenaar het recht te werven tot overdracht aan de Onderneming van door de contractant gebruikte technologie bij het verrichten van werkzaamheden in het Gebied krachtens het contract, die de contractant anderszins niet gerechtigd is over te dragen en die niet algemeen beschikbaar is op de open markt. Indien er binnen eenzelfde maatschappij een wezenlijke band bestaat tussen de contractant en de eigenaar van de technologie, dient rekening te worden gehouden met de vraag hoe nauw deze band is, alsmede met de mate van toezicht of invloed, bij de vaststelling of alle mogelijke maatregelen zijn genomen om zulk een recht te verwerven. Indien de contractant daadwerkelijk toezicht op de eigenaar uitoefent en dit recht niet van de eigenaar vermag te verwerven, dient met dit feit rekening te worden gehouden bij de vaststelling of de contractant voldoet aan de eisen voor daaropvolgende aanvragen om goedkeuring van een werkplan;
  • d. op verzoek van de Onderneming de verwerving door de Onderneming te vergemakkelijken van technologie vallend onder letter b, onder licentie of volgens andere passende regelingen en op billijke en redelijke commerciële voorwaarden en bedingen, indien de Onderneming besluit rechtstreeks met de eigenaar van de technologie te onderhandelen;
  • e. dezelfde maatregelen te nemen als zijn voorgeschreven in de letters a, b, c en d, ten behoeve van een ontwikkelingsstaat of groep van ontwikkelingsstaten die krachtens artikel 9 van deze Bijlage een contract heeft aangevraagd, mits deze maatregelen beperkt zijn tot de exploitatie van het gedeelte van het door de contractant beoogde gebied dat ingevolge artikel 8 van deze Bijlage is gereserveerd en mits werkzaamheden op grond van het contract waarom door de ontwikkelingsstaat of groep van ontwikkelingsstaten wordt verzocht, niet de overdracht met zich brengt van technologie aan een derde Staat of de onderdanen van een derde Staat. De verplichting krachtens deze bepaling geldt alleen dan met betrekking tot een bepaalde contractant, wanneer niet om de technologie is verzocht door de Onderneming of de technologie niet door die contractant aan de Onderneming is overgedragen.
4.

Geschillen betreffende de in het derde lid vereiste verbintenissen, alsook betreffende andere bepalingen van het contract, zijn onderworpen aan verplichte regeling overeenkomstig Deel XI en, in gevallen van schending van deze verbintenissen, kan zulks leiden tot schorsing of beëindiging van het contract of de oplegging van geldstraffen overeenkomstig artikel 18 van deze Bijlage. Geschillen over de vraag of door de contractant gedane aanbiedingen binnen het kader van billijke en redelijke commerciële voorwaarden en bedingen vallen, kunnen door elk der partijen worden voorgelegd aan bindende commerciële arbitrage overeenkomstig de arbitrageregels van UNCITRAL of andere arbitrageregels die kunnen worden voorgeschreven in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit. Indien de uitspraak is dat de door de contractant gedane aanbieding niet valt binnen het kader van billijke en redelijke commerciële voorwaarden en bedingen, krijgt de contractant 45 dagen tijd om zijn aanbieding te herzien ten einde deze binnen dit kader te brengen, alvorens de Autoriteit stappen onderneemt overeenkomstig artikel 18 van deze Bijlage.

5.

Indien de Onderneming niet in staat is op billijke en redelijke voorwaarden en bedingen passende technologie te verwerven ten einde op een geschikt tijdstip een aanvang te kunnen maken met de winning en be- en verwerking van delfstoffen uit het Gebied, kan de Raad of de Vergadering een groep van Staten die Partij zijn bijeenroepen, bestaande uit de Staten die zich bezighouden met werkzaamheden in het Gebied, de Staten die borg staan voor de lichamen die zich bezighouden met werkzaamheden in het Gebied en andere Staten die Partij zijn die toegang hebben tot zodanige technologie. Deze groep pleegt onderling overleg en neemt doeltreffende maatregelen om te verzekeren dat zodanige technologie aan de Onderneming ter beschikking wordt gesteld op billijke en redelijke commerciële voorwaarden en bedingen. Elk van deze Staten die Partij is, neemt hiertoe binnen zijn eigen wetsstelsel alle in de praktijk mogelijke maatregelen.

6.

In het geval van „joint ventures” met de Onderneming, geschiedt de overdracht van technologie overeenkomstig de voorwaarden van de overeenkomst inzake de „joint-venture”.

7.

De in het derde lid vereiste verbintenissen worden opgenomen in elk contract voor het verrichten van werkzaamheden in het Gebied tot 10 jaar na de aanvang van de commerciële produktie door de Onderneming; gedurende deze periode kan daarop een beroep worden gedaan.

8.

Voor de toepassing van dit artikel betekent „technologie” de gespecialiseerde uitrusting en know-how, met inbegrip van handboeken, ontwerpen, gebruiksaanwijzingen, opleiding en technisch advies en technische bijstand, nodig voor de assemblage, het onderhoud en de werking van een levensvatbaar systeem, en het recht van dit alles hiertoe een niet-exclusief gebruik te maken.

Artikel 6. Goedkeuring van werkplannen
1.

Zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag en elke vierde maand daarna bestudeert de Autoriteit de voorgestelde werkplannen.

2.

Bij de bestudering van een aanvrage om goedkeuring van een werkplan in de vorm van een contract gaat de Autoriteit eerst na of:

  • a. de aanvrager heeft voldaan aan de overeenkomstig artikel 4 van deze Bijlage vastgestelde procedure en de Autoriteit de verbintenissen en verzekeringen heeft verstrekt die in dat artikel worden vereist. Ingeval niet aan deze procedures is voldaan of indien één van deze verbintenissen of verzekeringen ontbreekt, krijgt de aanvrager 45 dagen om deze gebreken te corrigeren;
  • b. de aanvrager voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 4 van deze Bijlage.
3.

Alle voorgestelde werkplannen worden bestudeerd in de volgorde waarin zij zijn ontvangen. De voorgestelde werkplannen moeten voldoen aan en zijn onderworpen aan de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, met inbegrip van die inzake operationele vereisten, financiële bijdragen en verbintenissen betreffende de overdracht van technologie. Indien de voorgestelde werkplannen aan deze vereisten voldoen, hecht de Autoreiteit haar goedkeuring daaraan, mits zij in overeenstemming zijn met de eenvormige en non-discriminatoire vereisten, vervat in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, tenzij:

  • a. een deel van het gebied of het gehele gebied waarop het voorgestelde werkplan betrekking heeft, is begrepen in een goedgekeurd werkplan of een eerder voorgelegd voorgesteld werkplan, waarover de Autoriteit nog geen definitieve beslissing heeft genomen;
  • b. een deel van het gebied of het gehele gebied waarop het voorgestelde werkplan betrekking heeft door de Autoriteit is uitgesloten ingevolge artikel 162, tweede lid, letter x; of
  • c. het voorgestelde werkplan is ingediend of ervoor wordt borg gestaan door een Staat die Partij is die reeds in het bezit is van:
  • (i). werkplannen voor de exploratie en exploitatie van metaalknollen in niet-gereserveerde gebieden die, te zamen met ongeacht welk van de delen van het gebied waarop de aanvrage voor een werkplan betrekking heeft, in omvang groter zijn dan 30 procent van een cirkelvormig gebied met een oppervlakte van 400.000 vierkante kilometer rond het centrum van ongeacht welk van beide delen van het gebied waarop het voorgestelde werkplan betrekking heeft;
  • (ii). werkplannen voor de exploratie en exploitatie van metaalknollen in niet-gereserveerde gebieden die, te zamen genomen, 2 procent vormen van de totale zeebodem die niet is gereserveerd, of waarvan de exploitatie niet is uitgesloten ingevolge artikel 162, tweede lid, letter x.
4.

Voor de toepassing van de norm, vervat in het derde lid, letter c, wordt een door een deelgenootschap of consortium ingediend werkplan pro rata toegerekend aan de Staten die Partij zijn, die borg staan, en erbij betrokken zijn overeenkomstig artikel 4, derde lid, van deze Bijlage. De Autoriteit kan werkplannen, vallend onder het derde lid, letter c, goedkeuren indien zij vaststelt dat zulk een goedkeuring het niet mogelijk maakt dat een Staat die Partij is of lichamen waarvoor deze Staat borg staat het verrichten van werkzaamheden in het Gebied monopoliseert/ monopoliseren of andere Staten die Partij zijn uitsluit/uitsluiten van werkzaamheden in het Gebied.

5.

Niettegenstaande het derde lid, letter a, kan de Autoriteit na het einde van de overgangsperiode, aangegeven in artikel 151, derde lid, door middel van regels, voorschriften en procedures andere met dit Verdrag verenigbare procedures en criteria aannemen, voor de beslissing van welke aanvragers werkplannen worden goedgekeurd in gevallen van keuze tussen aanvragers voor een voorgesteld gebied. Deze procedures en criteria verzekeren de goedkeuring van werkplannen op billijke en non-discriminatoire grondslag.

Artikel 7. Keuze uit aanvragers van produktievergunningen
1.

Zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag en elke vierde maand daarna bestudeert de Autoriteit de in de onmiddellijk daaraan voorafgaande periode ingediende aanvragen om een produktievergunning. De Autoriteit verleent de aangevraagde vergunningen indien al deze aanvragen kunnen worden goedgekeurd zonder de produktiegrens te overschrijden of inbreuk te maken op verplichtingen van de Autoriteit krachtens een grondstoffenovereenkomst of -regeling waarbij zij partij is geworden zoals bedoeld in artikel 151.

2.

Wanneer uit de aanvragers van produktievergunningen een keuze moet worden gemaakt wegens de in artikel 151, tweede tot en met zevende lid, vastgestelde produktiegrens of wegens de verplichtingen van de Autoriteit krachtens een grondstoffenovereenkomst of -regeling waarbij zij partij is geworden, zoals bepaald in artikel 151, eerste lid, verricht de Autoriteit de keuze op basis van objectieve en non-discriminatoire normen, vervat in haar regels, voorschriften en procedures.

3.

Bij de toepassing van het tweede lid geeft de Autoriteit de voorrang aan die aanvragers die:

  • a. een betere garantie van doelmatigheid geven, gezien hun financiële en technische vermogen en de wijze waarop zij eventueel eerder goedgekeurde werkplannen hebben uitgevoerd;
  • b. eerder vooruitzicht op financiële voordelen voor de Autoriteit bieden, rekening houdend met de datum als voorzien voor de aanvang van de commerciële produktie;
  • c. reeds de meeste middelen in prospectie en exploratie hebben geïnvesteerd, en de grootste inspanningen daarvoor hebben verricht.
4.

Aanvragers die in een bepaalde periode niet zijn gekozen hebben in volgende perioden voorrang totdat zij een produktievergunning ontvangen.

5.

De keuze geschiedt met inachtneming van de noodzaak alle Staten die Partij zijn ruimere mogelijkheden te bieden deel te nemen aan de werkzaamheden in het Gebied en van de noodzaak monopolisering van deze werkzaamheden te voorkomen, en wel ongeacht het sociale en economische stelsel of de geografische ligging van deze Staten, ten einde discriminatie ten aanzien van een Staat of stelsel te vermijden.

6.

Wanneer minder gereserveerde gebieden dan niet-gereserveerde gebieden worden geëxploiteerd, hebben aanvragen om produktievergunningen met betrekking tot gereserveerde gebieden voorrang.

7.

De in dit artikel bedoelde beslissingen worden zo spoedig mogelijk na de afloop van elk tijdvak genomen.

Artikel 8. Reservering van gebieden

Elke andere aanvrage dan die welke door de Onderneming of door andere lichamen wordt ingediend voor gereserveerde gebieden, dient een totaal gebied te bestrijken, dat niet uit één geheel behoeft te bestaan en dat groot genoeg is en voldoende geschatte commerciële waarde bezit om twee mijnbouwoperaties mogelijk te maken. De aanvrager dient de coördinaten aan te geven die het gebied verdelen in twee delen van gelijke geschatte commerciële waarde en alle door hem verkregen gegevens met betrekking tot beide delen over te leggen. Onverminderd de bevoegdheden van de Autoriteit ingevolge artikel 17 van deze Bijlage dienen de over te leggen gegevens betreffende metaalknollen betrekking te hebben op het in kaart brengen en het nemen van monsters ervan, de rijkdom aan metaalknollen en het metaalgehalte. Binnen 45 dagen na ontvangst van zodanige gegevens wijst de Autoriteit aan, welk deel dient te worden gereserveerd voor het verrichten van werkzaamheden door de Autoriteit via de Onderneming of te zamen met ontwikkelingsstaten. Deze aanwijzing kan worden uitgesteld voor nogmaals een tijdvak van 45 dagen indien de Autoriteit een onafhankelijke deskundige verzoekt na te gaan of alle krachtens dit artikel vereiste gegevens zijn overgelegd. Het aangewezen gebied wordt een gereserveerd gebied zodra het werkplan voor het niet-gereserveerde gebied is goedgekeurd en het contract is ondertekend.

Artikel 9. Werkzaamheden in gereserveerde gebieden
1.

De Onderneming wordt de gelegenheid geboden te beslissen of zij voornemens is werkzaamheden in elk gereserveerd gebied te verrichten. Deze beslissing kan te allen tijde worden genomen tenzij de Autoriteit een kennisgeving ingevolge het vierde lid ontvangt, in welk geval de Onderneming binnen een redelijke tijd een beslissing dient te nemen. De Onderneming kan beslissen zulke gebieden te exploiteren in „joint ventures” met de belangstellende Staat of het belangstellende lichaam.

2.

De Onderneming kan contracten sluiten voor de uitvoering van een deel van haar werkzaamheden overeenkomstig Bijlage IV, artikel 12. Zij kan ook „joint ventures” aangaan voor het verrichten van zulke werkzaamheden met lichamen die ingevolge artikel 153, tweede lid, letter b, gerechtigd zijn werkzaamheden in het Gebied te verrichten. Wanneer de Onderneming zulke „joint ventures” overweegt, biedt zij aan Staten die Partij zijn, die ontwikkelingsstaten zijn en aan hun onderdanen de mogelijkheid van daadwerkelijke deelneming aan.

3.

De Autoriteit kan in haar regels, voorschriften en procedures inhoudelijke en procedurele vereisten en voorwaarden voorschrijven met betrekking tot zodanige contracten en „joint ventures”.

4.

Een Staat die Partij is en die een ontwikkelingsstaat is of een natuurlijke persoon of rechtspersoon waarvoor deze borg staat en die onder het daadwerkelijk toezicht staat van deze Staat of van een andere ontwikkelingsstaat die een aan de voorwaarden voldoende aanvrager is, of een groep van voornoemde categorieën, kan de Autoriteit ervan in kennis stellen dat hij een werkplan ingevolge artikel 6 van deze Bijlage wenst in te dienen met betrekking tot een gereserveerd gebied. Dit werkplan wordt nader bezien, indien de Onderneming ingevolge het eerste lid beslist dat zij niet voornemens is werkzaamheden in dat gebied te verrichten.

Artikel 10. Voorkeur en voorrang onder aanvragers

Een exploitant die een goedgekeurd werkplan voor alleen exploratie heeft, zoals bepaald in artikel 3, vierde lid, letter c, van deze Bijlage, geniet voorkeuren voorrang onder de aanvragers voor een werkplan dat de exploitatie van hetzelfde gebied en dezelfde rijkdommen betreft. Een zodanige voorkeur kan evenwel worden ingetrokken, indien de prestatie van de exploitant niet bevredigend is geweest.

Artikel 11. Overeenkomsten tot gezamenlijke onderneming
1.

Contracten kunnen voorzien in overeenkomsten tot gezamenlijke onderneming tussen de contractant en de Autoriteit, handelend via de Onderneming, in de vorm van „joint ventures” of deling van de produktie, alsook andere vormen van overeenkomsten tot gezamenlijke onderneming, die dezelfde bescherming genieten tegen herziening, schorsing of beëindiging als contracten met de Autoriteit.

2.

Contractanten die zulke overeenkomsten tot gezamenlijke onderneming met de Onderneming aangaan, kunnen financiële stimulansen ontvangen zoals bepaald in artikel 13 van deze Bijlage.

3.

Deelgenoten in „joint ventures” met de Onderneming zijn aansprakelijk voor de betalingen, vereist in artikel 13 van deze Bijlage, naar rato van hun aandeel in de „joint ventures”, onder voorbehoud van de financiële stimulansen, bedoeld in dat artikel.

Artikel 12. Door de Onderneming verrichte werkzaamheden
1.

Ingevolge artikel 153, tweede lid, letter a, door de Onderneming in het Gebied verrichte werkzaamheden, vallen onder het bepaalde in Deel XI, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit en haar desbetreffende besluiten.

2.

Door de Onderneming ingediende werkplannen dienen vergezeld te gaan van stukken waaruit haar financiële en technische vermogen blijkt.

Artikel 13. Financiële voorwaarden van contracten
1.

Bij het aannemen van regels, voorschriften en procedures betreffende de financiële voorwaarden van een contract tussen de Autoriteit en de in artikel 153, tweede lid, letter b, bedoelde lichamen, en bij het onderhandelen over deze financiële voorwaarden overeenkomstig Deel XI en die regels, voorschriften en procedures, wordt de Autoriteit geleid door de volgende doelstellingen:

  • a. optimale inkomsten voor de Autoriteit te verzekeren uit de opbrengst van commerciële produktie;
  • b. investeringen en technologie aan te trekken voor de exploratie en exploitatie van het Gebied;
  • c. gelijkheid van behandeling in financieel opzicht en vergelijkbare financiële verplichtingen voor contractanten te verzekeren;
  • d. op eenvormige en non-discriminatoire wijze stimulansen te bieden aan contractanten, opdat dezen overeenkomsten tot gezamenlijke onderneming aangaan met de Onderneming en ontwikkelingsstaten of onderdanen daarvan, de overdracht van technologie daaraan stimuleren en het personeel van de Autoriteit en van ontwikkelingsstaten opleiden;
  • e. de Onderneming in staat te stellen, zich daadwerkelijk met diepzeemijnbouw bezig te houden op hetzelfde tijdstip als de lichamen, bedoeld in artikel 153, tweede lid, letter b; en
  • f. te verzekeren dat de contractanten niet, als gevolg van de krachtens het veertiende lid aan contractanten geboden stimulansen, op grond van de voorwaarden van contracten die worden herzien overeenkomstig artikel 19 van deze Bijlage of op grond van de bepalingen van artikel 11 van deze Bijlage met betrekking tot „joint ventures”, worden gesubsidieerd zodat zij een kunstmatig concurrentievoordeel verkrijgen tegenover degenen die zich met de mijnbouw op het vasteland bezighouden.
2.

Er dient een heffing te worden betaald voor de administratieve kosten van de behandeling van een aanvrage om goedkeuring van een werkplan in de vorm van een contract; deze heffing is vastgesteld op US $500.000 per aanvrage. Het bedrag van de heffing wordt van tijd tot tijd door de Raad opnieuw bezien ten einde te verzekeren dat de gemaakte administratieve kosten daardoor worden gedekt. Indien de door de Autoriteit bij de behandeling van een aanvrage gemaakte administratieve kosten lager zijn dan het vastgestelde bedrag, betaalt de Autoriteit het verschil terug aan de aanvrager.

3.

Van de datum van inwerkingtreding van het contract betaalt een contractant een jaarlijkse vaste heffing van US $ 1 miljoen. Indien de goedgekeurde datum van aanvang van de commerciële produktie wordt uitgesteld wegens vertraging in de afgifte van de produktievergunning, overeenkomstig artikel 151, is de jaarlijkse vaste heffing niet verschuldigd voor het tijdvak van uitstel. Vanaf de aanvangsdatum van de commerciële produktie betaalt de contractant de cijns of de jaarlijkse vaste heffing, naargelang welke van beide de hoogste is.

4.

Binnen een jaar na de aanvangsdatum van de commerciële produktie in overeenstemming met het derde lid, dient een contractant te kiezen of hij zijn financiële bijdrage aan de Autoriteit wenst te voldoen door:

  • a. alleen een cijns te betalen; of
  • b. een combinatie te betalen van een cijns en een aandeel in de netto opbrengst.
  • a. Indien een contractant verkiest zijn financiële bijdrage aan de Autoriteit te voldoen door alleen een cijns te betalen, wordt deze vastgesteld op een percentage van de marktwaarde van de be- en verwerkte metalen, voortgebracht uit de metaalknollen die worden gewonnen uit het door het contract bestreken gebied. Dit percentage wordt als volgt vastgesteld:
(i) eerste t/m tiende jaar van commerciële produktie 5 procent
(ii) elfde jaar tot einde van commerciële produktie 12 procent.
  • b. De bedoelde marktwaarde is het produkt van de hoeveelheid been verwerkte metalen afkomstig uit de metaalknollen, gewonnen uit het door het contract bestreken gebied en de gemiddelde prijs voor die metalen tijdens het desbetreffende boekjaar, zoals omschreven in het zevende en achtste lid.
6.

Indien een contractant verkiest zijn financiële bijdrage aan de Autoriteit te voldoen door de betaling van een combinatie van een cijns en een aandeel in de netto opbrengst, worden deze betalingen als volgt bepaald:

  • a. De cijns wordt vastgesteld op een percentage van de marktwaarde, bepaald overeenkomstig letter b, van de be- en verwerkte metalen afkomstig uit de metaalknollen die uit het door het contract bestreken gebied worden gewonnen. Dit percentage wordt als volgt vastgesteld: Indien in het tweede tijdvak van commerciële produktie, zoals omschreven in letter d, het rendement van de investeringen in enig boekjaar zoals omschreven in letter m daalt tot beneden 15 procent ten gevolge van de betaling van de cijns van 4 procent, wordt de cijns in dat boekjaar 2 procent in plaats van 4 procent.
(i) eerste tijdvak van commerciële produktie 2 procent
(ii) tweede tijdvak van commerciële produktie 4 procent
  • b. De bedoelde marktwaarde is het produkt van de hoeveelheid been verwerkte metalen afkomstig uit de metaalknollen, gewonnen uit het door het contract bestreken gebied, en de gemiddelde prijs voor die metalen tijdens het desbetreffende boekjaar zoals omschreven in het zevende en achtste lid.
  • c.
  • (i). Het aandeel van de Autoriteit in de netto opbrengst wordt onttrokken aan dat deel van de netto opbrengst van de contractant dat kan worden toegerekend aan de diepzeemijnbouw van de rijkdommen van het door het contract bestreken gebied, hierna te noemen de toe te rekenen netto opbrengst.
  • (ii). Het aandeel van de Autoriteit in de netto opbrengst wordt bepaald overeenkomstig de onderstaande glijdende schaal:
Deel van netto opbrengst Aandeel van de Autoriteit Aandeel van de Autoriteit
Deel van netto opbrengst Eerste tijdvak van commerciële produktie Tweede tijdvak van commerciële produktie
Dat deel dat een rendement op de investering vertegenwoordigt dat hoger is dan 0 procent, doch lager dan 10 procent 35 procent 40 procent
Dat deel dat een rendement op de investering vertegenwoordigt dat 10 procent of hoger is, doch lager dan 20 procent 42,5 procent 50 procent
Dat deel dat een rendement op de investering vertegenwoordigt dat 20 procent of hoger is 50 procent 70 procent
  • d.
  • (i). Het in de letters a en c bedoelde eerste tijdvak van commerciële produktie vangt aan in het eerste boekjaar van de commerciële produktie en eindigt in het boekjaar waarin de ontginningskosten van de contractant met rente over het nog niet afgeschreven deel daarvan, volledig worden afgeschreven ten laste van zijn kasoverschot, en wel als volgt: In het eerste boekjaar waarin ontginningskosten worden gemaakt, zijn de nog niet afgeschreven ontginningskosten gelijk aan de ontginningskosten verminderd met het kasoverschot in dat jaar. In elk volgend boekjaar zijn de nog niet afgeschreven ontginningskosten gelijk aan de nog niet afgeschreven ontginningskosten aan het einde van het voorgaande boekjaar, vermeerderd met rente daarover van 10 procent per jaar, vermeerderd met de in het lopende boekjaar gemaakte ontginningskosten en verminderd met het kasoverschot van de contractant in het lopende boekjaar. Het boekjaar waarin de nog niet afgeschreven ontnningskosten voor de eerste maal de waarde nul bereiken, is het boekjaar waarin de ontginningskosten van de contractant met rente over het niet afgeschreven gedeelte daarvan, volledig worden afgeschreven ten laste van zijn kasoverschot. Het kasoverschot van de contractant in enig boekjaar is zijn bruto opbrengst verminderd met zijn exploitatiekosten en verminderd met zijn betalingen aan de Autoriteit ingevolge letter c.
  • (ii). Het tweede tijdvak van commerciële produktie vangt aan in het boekjaar na afloop van het eerste tijdvak van commerciële produktie en loopt tot het einde van het contract.
  • e. „Netto opbrengst” betekent het produkt van de netto opbrengst van de contractant en de verhouding tussen de ontginningskosten in de mijnbouwsector en de ontginningskosten van de contractant. Indien de contractant zich bezighoudt met de diepzeemijnbouw, het vervoer van metaalknollen en de produktie van voornamelijk drie be- en verwerkte metalen, namelijk kobalt, koper en nikkel, is het bedrag van de netto opbrengst niet minder dan 25 procent van de netto opbrengst van de contractant. Onder voorbehoud van letter n kan de Autoriteit, in alle andere gevallen, met inbegrip van die waarin de contractant zich bezighoudt met de diepzeemijnbouw, het vervoer van metaalknollen en de produktie van voornamelijk vier be- en verwerkte metalen, namelijk kobalt, koper, mangaan en nikkel, in haar regels, voorschriften en procedures passende minima voorschrijven die in dezelfde relatie tot elk geval zullen staan, als het minimum van 25 procent staat in het geval van de drie metalen.
  • f. „Netto opbrengst van de contractant” betekent de bruto opbrengst van de contractant verminderd met zijn exploitatiekosten en verminderd met de afschrijving van zijn ontginningskosten zoals uiteengezet in letter j.
  • g.
  • (i). Indien de contractant zich bezighoudt met de diepzeemijnbouw, het vervoer van metaalknollen en de produktie van be- en verwerkte metalen, betekent „bruto opbrengst van de contractant” de bruto opbrengst uit de verkoop van de be- en verwerkte metalen en alle andere gelden die overeenkomstig de financiële regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit redelijkerwijze kunnen worden toegerekend aan de exploitatie krachtens het contract.
  • (ii). in alle andere gevallen dan die aangegeven in de letters g (i) en n, betekent „bruto opbrengst van de contractant” de bruto opbrengst uit de verkoop van half-bewerkte metalen uit de metaalknollen gewonnen uit het door het contract bestreken gebied en alle andere gelden die overeenkomstig de financiële regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit redelijkerwijze kunnen worden toegerekend aan de exploitatie krachtens het contract.
  • h. „Ontginningskosten van de contractant” betekent:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)