Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee

Type Verdrag
Publication 1996-07-28
State In force
Source BWB
artikelen 448
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Inzonderheid oefenen de Staten voortdurend toezicht uit op de gevolgen van enigerlei werkzaamheden die zij toestaan of waarmede zij zich bezighouden, ten einde na te gaan of deze werkzaamheden wellicht kunnen leiden tot verontreiniging van het mariene milieu.

Artikel 205. Publikatie van rapporten

De Staten publiceren rapporten van de ingevolge artikel 204 verkregen resultaten of verstrekken zulke rapporten periodiek aan de bevoegde internationale organisaties, die deze ter beschikking dienen te stellen van alle Staten.

Artikel 206. Evaluatie van mogelijke gevolgen van werkzaamheden

Wanneer de Staten redelijke gronden hebben aan te nemen dat voorgenomen werkzaamheden onder hun rechtsmacht of toezicht aanzienlijke verontreiniging van of aanmerkelijke en schadelijke veranderingen in het mariene milieu kunnen teweegbrengen, dienen zij, voor zover uitvoerbaar, de mogelijke gevolgen van zulke werkzaamheden voor het mariene milieu te evalueren en rapporten van de resultaten van zulke evaluaties mede te delen op de wijze, bepaald in artikel 205.

AFDELING 5. INTERNATIONALE REGELS EN NATIONALE WETGEVING TER VOORKOMING, VERMINDERING EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING VAN HET MARIENE MILIEU

Artikel 207. Verontreiniging vanaf het land
1.

De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door bronnen op het land, met inbegrip van rivieren, estuaria, pijpleidingen en afvoerinstallaties, met inachtneming van internationaal overeengekomen regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures.

2.

De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.

3.

De Staten trachten te komen tot een harmonisatie van hun beleid in dit verband op het passende regionale niveau.

4.

De Staten trachten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en gebruiken vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanaf het land, met inachtneming van regionale bijzonderheden, het economisch vermogen van ontwikkelingsstaten en hun behoefte aan economische ontwikkeling. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.

5.

De wetten, voorschriften, maatregelen, regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid omvatten die welke zijn gericht op het zoveel mogelijk tot een minimum beperken van het vrijkomen van toxische schadelijke of gevaarlijke stoffen, vooral die welke persistent zijn, in het mariene milieu.

Artikel 208. Verontreiniging door werkzaamheden op de zeebodem die zijn onderworpen aan de nationale rechtsmacht
1.

Kuststaten dienen wetten en voorschriften aan te nemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit of in verband met onder hun rechtsmacht vallende werkzaamheden op de zeebodem en door kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen onder hun rechtsmacht ingevolge de artikelen 60 en 80.

2.

De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.

3.

Deze wetten, voorschriften en maatregelen dienen niet minder doeltreffend te zijn dan internationale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures.

4.

De Staten trachten te komen tot een harmonisatie van hun beleid in dit verband op het passende regionale niveau.

5.

De Staten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, stellen mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast ter voorkoming, vermindering en bestrijding van de in het eerste lid bedoelde verontreiniging van het mariene milieu. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.

Artikel 209. Verontreiniging door werkzaamheden in het Gebied
1.

Overeenkomstig Deel XI worden internationale regels, voorschriften en procedures vastgesteld ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied. Deze regels, voorschriften en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.

2.

Onder voorbehoud van de desbetreffende bepalingen van deze afdeling nemen de Staten wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied ondernomen door schepen, installaties, inrichtingen en andere werktuigen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd of onder hun gezag werkzaam zijn, naar gelang van het geval. De vereisten van deze wetten en voorschriften dienen niet minder doeltreffend te zijn dan de in het eerste lid bedoelde internationale regels, voorschriften en procedures.

Artikel 210. Verontreiniging door storting
1.

De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door storting.

2.

De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.

3.

Deze wetten, voorschriften en maatregelen dienen te verzekeren dat geen storting geschiedt zonder de toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Staten.

4.

De Staten trachten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.

5.

Storting binnen de territoriale zee en de exclusieve economische zone of op het continentale plat mag niet geschieden zonder de uitdrukkelijke voorafgaande goedkeuring van de kuststaat, die het recht heeft zodanige storting toe te staan, te regelen en te controleren, en wel nadat de aangelegenheid met andere Staten die wegens hun geografische ligging daarvan nadelige gevolgen kunnen ondervinden, grondig is onderzocht.

6.

De nationale wetten, voorschriften en maatregelen dienen niet minder doeltreffend te zijn bij de voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging dan de mondiale regels en normen.

Artikel 211. Verontreiniging door schepen
1.

De Staten stellen, optredend via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie, internationale regels en normen vast ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen en bevorderen, waar passend, de aanneming op dezelfde wijze van verkeersstelsels met het oogmerk het risico van ongevallen die verontreiniging van het mariene milieu, met inbegrip van de kustlijn, en verontreinigingsschade aan de daarmede samenhangende belangen van kuststaten zouden kunnen veroorzaken, tot een minimum te beperken. Deze regels en normen worden op dezelfde wijze van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.

2.

De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd. Deze wetten en voorschriften dienen niet minder doeltreffend te zijn dan die van algemeen aanvaarde internationale regels en normen vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.

3.

De Staten die bijzondere eisen vaststellen voor de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu als voorwaarde voor de binnenkomst van vreemde schepen in hun havens of binnenwateren of voor het aanlopen van hun laad- of losplaatsen buitengaats dienen naar behoren bekendheid te geven aan deze vereisten en deze mede te delen aan de bevoegde internationale organisatie. Wanneer deze eisen in gelijke vorm worden vastgesteld door twee of meer kuststaten bij het streven naar harmonisatie van het beleid, wordt in de mededeling aangegeven welke Staten aan deze samenwerkingsregelingen deelnemen. Iedere Staat eist van de kapitein van een schip dat zijn vlag voert of bij die Staat is geregistreerd, wanneer dit vaart binnen de territoriale zee van een aan zulke samenwerkingsregelingen deelnemende Staat, dat hij op verzoek van die Staat de Informatie verstrekt of het schip vaart naar een Staat in dezelfde regio die deelneemt aan zulke samenwerkingsregelingen en indien dat het geval is, meldt of het schip voldoet aan de vereisten inzake binnenkomst in een haven van die Staat. Dit artikel laat onverlet de voortdurende uitoefening door een schip van zijn recht van onschuldige doorvaart alsmede de toepassing van artikel 25, tweede lid.

4.

Kuststaten kunnen, bij de uitoefening van hun soevereiniteit binnen hun territoriale zee, wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging door vreemde schepen, met inbegrip van schepen die het recht van onschuldige doorvaart uitoefenen. Deze wetten en voorschriften mogen, overeenkomstig Deel II, afdeling 3, de onschuldige doorvaart van vreemde schepen niet belemmeren.

5.

Kuststaten kunnen, ter fine van de handhaving van de bepalingen, zoals neergelegd in afdeling 6, ten aanzien van hun exclusieve economische zones wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen, welke overeenstemmen met en uitvoering geven aan algemeen aanvaarde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.

  • a. Wanneer de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen ontoereikend zijn om te voorzien in bijzondere omstandigheden en kuststaten redelijke gronden hebben om aan te nemen dat een bepaald duidelijk omschreven gebied van hun onderscheiden exclusieve economische zones een gebied is, ten aanzien waarvan de aanneming van bijzondere verplichte maatregelen ter voorkoming van verontreiniging door schepen vereist is om erkende technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische omstandigheden in dat gebied, alsmede het gebruik of de bescherming van de rijkdommen daarvan en het speciale karakter van het verkeer daarin, kunnen de kuststaten, na passend overleg via de bevoegde internationale organisatie met andere betrokken Staten, voor dat gebied een mededeling aan die organisatie richten, waarbij ter staving wetenschappelijk en technisch bewijsmateriaal wordt voorgelegd, alsook informatie inzake de noodzakelijke ontvangstinrichtingen. Binnen 12 maanden na ontvangst van een zodanige mededeling bepaalt de organisatie of de situatie in dat gebied voldoet aan de hierboven uiteengezette eisen. Indien de organisatie aldus bepaalt, kan de kuststaat voor dat gebied wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen, met toepassing van de internationale regels en normen of gebruiken bij de navigatie die via de organisatie, van toepassing zijn verklaard op bijzondere gebieden. Deze wetten en voorschriften worden niet eerder van toepassing op vreemde schepen dan 15 maanden na indiening van de mededeling bij de organisatie.
  • b. De kuststaten geven bekendheid aan de begrenzing van een zodanig duidelijk omschreven gebied.
  • c. Indien de kuststaten voornemens zijn aanvullende wetten en voorschriften voor hetzelfde gebied aan te nemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen dienen zij, wanneer zij de voorgenoemde mededeling indienen, tegelijkertijd de organisatie daarvan in kennis te stellen. Deze aanvullende wetten en voorschriften kunnen betrekking hebben op lozingen of gebruiken bij de navigatie, maar daarin mag niet van vreemde schepen worden verlangd dat andere normen inzake ontwerp, constructie, bemanning of uitrusting worden nageleefd dan algemeen aanvaarde internationale regels en normen; zij worden van toepassing op vreemde schepen 15 maanden na indiening van de mededeling bij de organisatie mits de organisatie binnen 12 maanden na indiening van de mededeling daarmede instemt.
7.

De in dit artikel bedoelde internationale regels en normen dienen onder andere die te omvatten welke betrekking hebben op onverwijlde kennisgeving aan kuststaten, wier kustlijn of daarmede samenhangende belangen kunnen worden getroffen door voorvallen, met inbegrip van maritieme ongevallen, die lozingen of het risico van lozingen met zich brengen.

Artikel 212. Verontreiniging vanuit of via de dampkring
1.

De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanuit of via de dampkring, welke toepasselijk zijn op het luchtruim waarover zij soevereiniteit uitoefenen en op schepen die hun vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij hen staan geregistreerd, met inachtneming van internationaal overeengekomen regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures en de veiligheid van de luchtvaart.

2.

De Staten nemen de andere maatregelen die noodzakelijk kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.

3.

De Staten, daarbij in het bijzonder optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, trachten mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.

AFDELING 6. HANDHAVING VAN BEPALINGEN

Artikel 213. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging vanaf het land

De Staten handhaven de bepalingen van hun overeenkomstig artikel 207 aangenomen wetten en voorschriften en nemen wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanaf het land.

Artikel 214. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging door werkzaamheden op de zeebodem

De Staten handhaven de bepalingen van hun overeenkomstig artikel 208 aangenomen wetten en voorschriften en nemen de wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit of verband houdend met werkzaamheden op de zeebodem onder hun rechtsmacht verricht, alsmede veroorzaakt door kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen onder hun rechtsmacht ingevolge de artikelen 60 en 80.

Artikel 215. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging door werkzaamheden in het Gebied

De handhaving van het bepaalde in internationale regels, voorschriften en procedures, die zijn vastgesteld overeenkomstig Deel XI ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied, wordt geregeld in dat Deel.

Artikel 216. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging door storting
1.

De handhaving van de bepalingen van de wetten en voorschriften, aangenomen overeenkomstig dit Verdrag en van de van toepassing zijnde internationale regels en voorschriften, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door storting, geschiedt:

  • a. door de kuststaat met betrekking tot storting binnen zijn territoriale zee of zijn exclusieve economische zone of op zijn continentale plat;
  • b. door de vlaggestaat met betrekking tot schepen die zijn vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij deze Staat zijn geregistreerd;
  • c. door elke Staat met betrekking tot het laden van afvalstoffen of andere materialen dat geschiedt binnen zijn grondgebied of op zijn laad- of losplaatsen buitengaats.
2.

Een Staat wordt niet uit hoofde van dit artikel verplicht een rechtsvervolging in te stellen wanneer een andere Staat reeds overeenkomstig dit artikel een rechtsvervolging heeft ingesteld.

Artikel 217. Handhaving van de bepalingen door vlaggestaten
1.

De Staten verzekeren de naleving door schepen die hun vlag voeren of bij hen geregistreerd zijn van de van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie, en van hun overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen en nemen dienovereenkomstig wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn voor de toepassing ervan. De vlaggestaten zien toe op de doeltreffende handhaving van het bepaalde in zodanige regels, normen, wetten en voorschriften, ongeacht waar zich een overtreding voordoet.

2.

De Staten nemen inzonderheid passende maatregelen ten einde te verzekeren dat aan schepen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd wordt verboden uit te varen, totdat zij zee kunnen kiezen met inachtneming van de vereisten van de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen, met inbegrip van de vereisten met betrekking tot het ontwerp, de constructie, uitrusting en bemanning van schepen.

3.

De Staten verzekeren dat schepen die hun vlag voeren of bij hen zijn geregistreerd de certificaten aan boord hebben die worden vereist door en afgegeven ingevolge de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen. De Staten verzekeren dat schepen die hun vlag voeren periodiek worden geïnspecteerd ten einde na te gaan of deze certificaten in overeenstemming zijn met de feitelijke staat waarin de schepen verkeren. Deze certificaten worden door andere Staten aanvaard als bewijs van de staat waarin de schepen verkeren en worden door hen geacht dezelfde rechtskracht te bezitten als door hen afgegeven certificaten, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de staat waarin het schip verkeert niet wezenlijk overeenkomt met de gegevens van de certificaten.

4.

Indien een schip een overtreding begaat van via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie vastgestelde regels en normen, zorgt de vlaggestaat, onverminderd de artikelen 218, 220 en 228, voor een onmiddellijk onderzoek en stelt waar passend een rechtsvervolging in met betrekking tot de beweerde overtreding, ongeacht waar de overtreding zich heeft voorgedaan of waar de door deze overtreding veroorzaakte verontreiniging zich heeft voorgedaan of is geconstateerd.

5.

Vlaggestaten die een onderzoek naar de overtreding verrichten, kunnen de bijstand verzoeken van andere Staten wier medewerking nuttig zou kunnen zijn bij het ophelderen van de desbetreffende omstandigheden. De Staten trachten aan passende verzoeken van vlaggestaten te voldoen.

6.

De Staten stellen, op schriftelijk verzoek van een Staat, een onderzoek in naar overtredingen, waarvan wordt beweerd dat deze zijn begaan door schepen die hun vlag voeren. Indien te hunnen genoegen is aangetoond dat voldoende bewijsmateriaal beschikbaar is om een rechtsvervolging te kunnen instellen met betrekking tot de beweerde overtreding, stellen vlaggestaten onverwijld een zodanige rechtsvervolging overeenkomstig hun wetten in.

7.

Vlaggestaten stellen de verzoekende Staat en de bevoegde internationale organisatie onverwijld in kennis van de ondernomen stappen en de resultaten daarvan. Deze informatie is voor alle Staten beschikbaar.

8.

De in de wetten en voorschriften van Staten voorziene straffen voor schepen die hun vlag voeren dienen zwaar genoeg te zijn om deze van overtredingen, waar deze zich ook voordoen, te weerhouden.

Artikel 218. Handhaving van de bepalingen door havenstaten
1.

Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, kan die Staat een onderzoek doen en, wanneer het bewijsmateriaal zulks vereist, een rechtsvervolging instellen met betrekking tot enige lozing uit dat schip buiten de binnenwateren, de territoriale zee of exclusieve economische zone van die Staat in overtreding van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.

2.

Er wordt door bovenbedoelde Staat geen rechtsvervolging ingevolge het eerste lid ingesteld met betrekking tot een lozing die een overtreding vormt in de binnenwateren, de territoriale zee of de exclusieve economische zone van een andere Staat, tenzij daarom verzocht wordt door die Staat, de vlaggestaat of een Staat die schade heeft geleden of risico’s loopt door de lozing die een overtreding vormt, of tenzij de schending verontreiniging heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken in de binnenwateren, de territoriale zee of exclusieve economische zone van de Staat die de rechtsvervolging instelt.

3.

Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, voldoet die Staat, voor zover uitvoerbaar, aan verzoeken van andere Staten om onderzoek naar een lozing die een overtreding vormt, zoals bedoeld in het eerste lid, waarvan wordt aangenomen dat deze zich heeft voorgedaan in, schade heeft veroorzaakt of dreigde te veroorzaken in de binnenwateren, de territoriale zee of de exclusieve economische zone van de verzoekende Staat. Hij voldoet eveneens, voor zover uitvoerbaar, aan verzoeken van de vlaggestaat om onderzoek naar zulk een overtreding, ongeacht waar de overtreding zich heeft voorgedaan.

4.

Het dossier van een ingevolge dit artikel door een havenstaat verricht onderzoek wordt op verzoek toegezonden aan de vlaggestaat of de kuststaat. Een op basis van zulk een onderzoek door de havenstaat ingestelde rechtsvervolging kan, onverminderd het bepaalde in afdeling 7, worden geschorst op verzoek van de kuststaat wanneer de overtreding zich heeft voorgedaan binnen zijn binnenwateren, territoriale zee of exclusieve economische zone. Het bewijsmateriaal en het dossier van de zaak, te zamen met een borgstelling of andere financiële zekerheid nedergelegd bij de autoriteiten van de havenstaat, worden in dat geval overgedragen aan de kuststaat. Deze overdracht sluit de voortzetting van de rechtsvervolging in de havenstaat uit.

Artikel 219. Maatregelen betreffende de zeewaardigheid van schepen ter vermijding van verontreiniging

Onverminderd het bepaalde in afdeling 7 nemen Staten die, op verzoek of eigener beweging, hebben geconstateerd dat een schip in een van hun havens of op een van hun laad- of losplaatsen buitengaats, de van toepassing zijnde internationale regels en normen betreffende de zeewaardigheid van schepen overtreedt en daardoor het mariene milieu schade dreigt toe te brengen, voor zover uitvoerbaar, administratieve maatregelen om het schip te beletten uit te varen. Deze Staten kunnen het schip toestaan, slechts verder te varen naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf en, na wegneming van de oorzaken van de overtreding, staan zij het schip toe, onmiddellijk verder te varen.

Artikel 220. Handhaving van de bepalingen door kuststaten
1.

Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, kan die Staat, onder voorbehoud van het bepaald in afdeling 7, een rechtsvervolging instellen met betrekking tot overtredingen van zijn overeenkomstig dit Verdrag of van toepassing zijnde internatonale regels en normen aangenomen wetten en voorschriften ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen wanneer de overtreding zich heeft voorgedaan binnen de territoriale zee of de exclusieve economische zone van die Staat.

2.

Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat een in de territoriale zee van een Staat varend schip tijdens zijn doorvaart, overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften van die Staat of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen heeft overtreden, kan die Staat onverminderd de toepassing van de desbetreffende bepalingen van Deel II, afdeling 3, overgaan tot de feitelijke inspectie van het schip met betrekking tot de overtreding en kan hij, wanneer het bewijsmateriaal zulks vereist, een rechtsvervolging instellen, met inbegrip van de vasthouding van het schip, overeenkomstig zijn wetten, onder voorbehoud van het bepaalde in afdeling 7.

3.

Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat een schip varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan van van toepassing zijnde internationale regels en normen voor de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen of van de wetten en voorschriften van die Staat, aangenomen overeenkomstig en ter uitvoering van zodanige regels en normen, kan die Staat verlangen dat het schip informatie verstrekt aangaande zijn identiteit en haven van registratie, zijn laatste en zijn volgende aanloophaven en andere van belang zijnde informatie, vereist om vast te stellen of zich een overtreding heeft voorgedaan.

4.

Staten nemen wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen zodat schepen die hun vlag voeren, voldoen aan verzoeken om informatie ingevolge het derde lid.

5.

Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen, dat een schip varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat, in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan zoals bedoeld in het derde lid, leidend tot een aanzienlijke lozing die aanmerkelijke verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kan die Staat overgaan tot feitelijke inspectie van het schip voor aangelegenheden betreffende de overtreding indien het schip geweigerd heeft informatie te verstrekken, of indien de door het schip verstrekte informatie zeer duidelijk afwijkt van de feitelijke situatie en indien de omstandigheden van het geval een zodanige inspectie rechtvaardigen.

6.

Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen, dat een schip, varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat, in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan zoals bedoeld in het derde lid, leidend tot een lozing die grote schade of het risico van grote schade aan de kustlijn of daarmede samenhangende belangen van de kuststaat veroorzaakt, dan wel aan de rijkdommen van zijn territoriale zee of exclusieve economische zone, kan die staat, onverminderd het bepaalde in afdeling 7, mits het bewijs materiaal zulks rechtvaardigt, een rechtsvervolging instellen, met inbegrip van de vasthouding van het schip, overeenkomstig zijn wetten.

7.

Niettegenstaande de bepalingen van het zesde lid, laat de kuststaat, indien er passende procedures zijn vastgesteld via de bevoegde internationale organisaties of zoals anderszins overeengekomen, waarbij het naleven van de vereisten inzake borgstelling of een andere passende vorm van financiële zekerheid is verzekerd, indien deze Staat door zulke procedures is gebonden, het schip de reis voortzetten.

8.

De bepalingen van het derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, zijn ook van toepassing met betrekking tot nationale wetten en voorschriften, aangenomen krachtens artikel 211, zesde lid.

Artikel 221. Maatregelen ter vermijding van verontreiniging, voortvloeiend uit ongevallen ter zee
1.

Niets in dit Deel doet afbreuk aan het recht van Staten ingevolge het internationale recht, zowel het gewoonterecht als het gecodificeerde recht, maatregelen te nemen en te handhaven buiten de territoriale zee, naar evenredigheid van de feitelijke of dreigende schade, ter bescherming van hun kustlijn of daarmede samenhangende belangen, met inbegrip van de visserij, tegen verontreiniging of de dreiging van verontreiniging na een ongeval ter zee of na handelingen samenhangend met een zodanig ongeval, waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat deze zullen leiden tot aanzienlijke schadelijke gevolgen.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „ongeval ter zee” verstaan een aanvaring van schepen, het stranden of een ander scheepvaartvoorval of andere gebeurtenis aan boord van een schip of daarbuiten, leidend tot materiële schade of onmiddellijke dreiging van materiële schade aan een schip of de lading.

Artikel 222. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging vanuit of via de dampkring

Binnen het luchtruim onder hun soevereiniteit of met betrekking tot schepen die hun vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij hen zijn geregistreerd, handhavende Staten hun overeenkomstig artikel 212, eerste lid, en andere bepalingen van dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften en nemen zij de wetten en voorschriften aan en nemen zij de andere maatregelen die noodzakelijk zijn ter toepassing van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanuit of via de dampkring, zulks in overeenstemming met alle desbetreffende internationale regels en normen betreffende de veiligheid van de luchtvaart.

AFDELING 7. WAARBORGEN

Artikel 223. Maatregelen ter vergemakkelijking van rechtsvervolging

Bij een ingevolge dit Deel ingestelde rechtsvervolging nemen de Staten maatregelen ter vergemakkelijking van het horen van getuigen en de toelating van bewijsmateriaal, ingediend door autoriteiten van een andere Staat of door de bevoegde internationale organisatie en vergemakkelijken zij het bijwonen van een zodanige rechtsvervolging door officiële vertegenwoordigers van de bevoegde internationale organisatie, de vlaggestaat en Staten, getroffen door de uit overtredingen voortvloeiende verontreiniging. De officiële vertegenwoordigers die een zodanige rechtsvervolging bijwonen, hebben de rechten en plichten die zijn bepaald krachtens de nationale wetten en voorschriften of het internationale recht.

Artikel 224. Uitoefening van bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen

De ingevolge dit Deel toegekende bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen ten aanzien van vreemde schepen mogen slechts worden uitgeoefend door overheidsfunctionarissen of door oorlogsschepen, militaire luchtvaartuigen of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.

Artikel 225. Plicht tot vermijding van nadelige gevolgen bij de uitoefening van de bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen

Bij de uitoefening ingevolge dit Verdrag van hun bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen ten aanzien van vreemde schepen, mogen de Staten niet de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengen of anderszins een gevaar scheppen voor een schip of het naar een onveilige haven of ankerplaats brengen of het mariene milieu aan een onredelijk risico blootstellen.

Artikel 226. Onderzoek van vreemde schepen
  • a. De Staten dienen een vreemd schip niet langer op te houden dan beslist noodzakelijk is voor de in de artikelen 216, 218 en 220 bedoelde onderzoeken. Een feitelijke inspectie van een vreemd schip dient beperkt te blijven tot een onderzoek van de certificaten, registers of andere documenten die het schip volgens de algemeen aanvaarde internationale regels en normen aan boord dient te hebben of van soortgelijke documenten die het aan boord heeft; een nadere feitelijke inspectie van het schip mag alleen worden verricht na zulk een onderzoek en alleen wanneer:
  • (i). er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de staat waarin het schip of zijn uitrusting verkeert, niet wezenlijk overeenstemt met de gegevens van die documenten;
  • (ii). de inhoud van zulke documenten niet voldoende is om een vermoede overtreding te bevestigen of te verifiëren;
  • (iii). het schip geen geldige certificaten en registers aan boord heeft.
  • b. Indien uit het onderzoek een overtreding van de van toepassing zijnde wetten en voorschriften of internationale regels en normen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu blijkt, wordt het schip onverwijld vrijgegeven, behoudens redelijke procedures zoals borgstelling of het verstrekken van een andere passende financiële zekerheid;
  • c. Onverminderd de van toepassing zijnde internationale regels en normen betreffende de zeewaardigheid van schepen, kan het vrijgeven van een schip, wanneer dit een onredelijk risico van schade aan het mariene milieu zou opleveren, worden geweigerd of afhankelijk worden gesteld van het varen naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf. Wanneer het vrijgeven is geweigerd of daaraan voorwaarden zijn verbonden, dient de vlaggestaat van het schip daarvan onverwijld in kennis te worden gesteld en kan deze het vrijgeven van het schip verzoeken overeenkomstig Deel XV.
2.

De Staten werken samen bij het uitwerken van procedures ter vermijding van onnodige feitelijke inspectie van schepen op zee.

Artikel 227. Non-discriminatie met betrekking tot vreemde schepen

Bij de uitoefening van hun rechten en het nakomen van hun verplichtingen ingevolge dit Deel maken de Staten niet rechtens of in feite onderscheid ten aanzien van schepen van andere Staten.

Artikel 228. Schorsing van en beperkingen op de instelling van rechtsvervolging
1.

Een strafrechtelijke vervolging met betrekking tot overtredingen van van toepassing zijnde wetten en voorschriften of internationale regels en normen betreffende het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging door schepen, begaan door een vreemd schip buiten de territoriale zee van de Staat die de rechtsvervolging instelt, wordt geschorst bij het instellen van een strafrechtelijke vervolging met betrekking tot overeenkomstige aanklachten door de vlaggestaat binnen zes maanden na de datum waarop de rechtsvervolging oorspronkelijk werd ingesteld, tenzij deze rechtsvervolging betrekking heeft op een geval van grote schade voor de kuststaat, of de desbetreffende vlaggestaat herhaaldelijk zijn verplichtingen tot doeltreffende handhaving van de bepalingen van de van toepassing zijnde internationale regels en normen met betrekking tot door zijn schepen begane overtredingen heeft genegeerd. De vlaggestaat stelt te zijner tijd aan de Staat die eerder de rechtsvervolging had ingesteld een volledig dossier van de zaak en de akten van de rechtsvervolging ter beschikking, wanneer de vlaggestaat de schorsing van de rechtsvervolging heeft verzocht overeenkomstig dit artikel. Wanneer de door de vlaggestaat ingestelde rechtsvervolging tot een einde is gebracht, wordt de geschorste rechtsvervolging beëindigd. Bij betaling van de met betrekking tot een zodanige rechtsvervolging gemaakte kosten, wordt een borgstelling of andere financiële zekerheid verschaft in verband met de geschorste rechtsvervolging door de kuststaat vrijgegeven.

2.

Strafrechtelijke vervolging tegen vreemde schepen wordt niet ingesteld na het verstrijken van drie jaar van de datum waarop de overtreding werd begaan en wordt niet door een Staat ondernomen ingeval een andere Staat een rechtsvervolging heeft ingesteld, zulks onder voorbehoud van de bepalingen vervat in het eerste lid.

3.

De bepalingen van dit artikel laten onverlet het recht van de vlaggestaat tot het nemen van maatregelen, met inbegrip van strafrechtelijke vervolging, overeenkomstig zijn wetten, ongeacht eerdere rechtsvervolging door een andere Staat.

Artikel 229. Instelling van civiele procedures

Niets in dit Verdrag is van invloed op de instelling van een civiele procedure met betrekking tot een vordering wegens verlies of schade, voortvloeiend uit verontreiniging van het mariene milieu.

Artikel 230. Boetes en de inachtneming van de erkende rechten van de beschuldigde
1.

Met betrekking tot overtredingen van nationale wetten en voorschriften of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, begaan door vreemde schepen buiten de territoriale zee, kunnen alleen boetes worden opgelegd.

2.

Met betrekking tot overtredingen van nationale wetten en voorschriften of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, begaan door vreemde schepen in de territoriale zee, kunnen alleen boetes worden opgelegd, behalve in het geval van een opzettelijke en ernstige daad van verontreiniging in de territoriale zee.

3.

Tijdens een rechtsvervolging met betrekking tot zulke overtredingen, begaan door een vreemd schip, die kan leiden tot de oplegging van straffen, dienen de erkende rechten van de beschuldigde in acht te worden genomen.

Artikel 231. Kennisgeving aan de vlaggestaat en andere betrokken Staten

De Staten stellen onverwijld de vlaggestaat en andere betrokken Staten in kennis van krachtens afdeling 6 genomen maatregelen tegen vreemde schepen en leggen alle officiële rapporten betreffende zulke maatregelen voor aan de vlaggestaat. Met betrekking evenwel tot overtredingen, begaan in de territoriale zee, zijn de bovenstaande verplichtingen van de kuststaat alleen van toepassing op de maatregelen die bij een rechtsvervolging worden genomen. De diplomatieke vertegenwoordigers of consulaire ambtenaren en waar mogelijk de maritieme autoriteit van de vlaggestaat worden onmiddellijk op de hoogte gesteld van zulke krachtens afdeling 6 tegen vreemde schepen genomen maatregelen.

Artikel 232. Aansprakelijkheid van Staten voortvloeiend uit maatregelen tot handhaving van de bepalingen

De Staten zijn aansprakelijk voor aan hen toe te schrijven schade of verlies, voortvloeiend uit krachtens afdeling 6 genomen maatregelen, wanneer zulke maatregelen onwettig zijn of verder reiken dan die welke redelijkerwijze vereist zijn in het licht van de beschikbare informatie. De Staten voorzien in de mogelijkheid bij hun rechtbanken een eis tot schadevergoeding in te stellen met betrekking tot zulke schade of zulk verlies.

Artikel 233. Waarborgen met betrekking tot voor de internationale scheepvaart gebruikte zeestraten

Niets in de afdelingen 5, 6 en 7 is van invloed op het rechtsstelsel inzake zeestraten, dat geldt ten behoeve van de internationale scheepvaart. Indien evenwel een ander vreemd schip dan de schepen, bedoeld in afdeling 10 een overtreding heeft begaan van de wetten en voorschriften, bedoeld in artikel 42, eerste lid, letters a en b, die aanzienlijke schade voor het mariene milieu van de zeestraten veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kunnen de aan de zeestraten grenzende Staten passende maatregelen tot handhaving van de bepalingen nemen, daarbij mutatis mutandis de bepalingen van deze afdeling eerbiedigend.

AFDELING 8. MET IJS BEDEKTE GEBIEDEN

Artikel 234. Met ijs bedekte gebieden

Kuststaten hebben het recht non-discriminatoire wetten en voorschriften aan te nemen en te handhaven ter voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging door schepen in met ijs bedekte gebieden binnen de grenzen van de exclusieve economische zone, waar bijzonder moeilijke klimatologische omstandigheden en de aanwezigheid van ijs, dat zodanige gebieden voor het grootste deel van het jaar bedekt, belemmeringen of uitzonderlijke gevaren voor de scheepvaart doen ontstaan en waar verontreiniging van het mariene milieu grote schade of een onherstelbare verstoring van het ecologisch evenwicht zou kunnen veroorzaken. In zulke wetten en voorschriften dient terdege rekening te worden gehouden met de scheepvaart en de bescherming en het behoud van het mariene milieu, op basis van de beste wetenschappelijke gegevens waarover men beschikt.

AFDELING 9. VERANTWOORDELIJKHEID EN AANSPRAKELIJKHEID

Artikel 235. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid
1.

De Staten zijn verantwoordelijk voor de vervulling van hun internationale verplichtingen betreffende de bescherming en het behoud van het mariene milieu. Zij zijn aansprakelijk overeenkomstig het internationale recht.

2.

De Staten verzekeren dat rechtsmiddelen overeenkomstig hun wettelijke stelsels beschikbaar zijn voor de onverwijlde en toereikende compensatie of andere schadevergoeding met betrekking tot aan het mariene milieu veroorzaakte schade door verontreiniging door natuurlijke personen of rechtspersonen onder hun rechtsmacht.

3.

Met het doel onverwijlde en toereikende compensatie te verzekeren met betrekking tot alle door verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakte schade, werken de Staten samen bij de toepassing van het bestaande internationale recht en de verdere ontwikkeling van het internationale recht betreffende de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de evaluatie van en de compensatie voor schade en de regeling van daarmede samenhangende geschillen, alsook, waar passend, de uitwerking van normen en procedures voor de betaling van toereikende compensatie, zoals verplichte verzekering of compensatiefondsen.

AFDELING 10. SOEVEREINE IMMUNITEIT

Artikel 236. Soevereine immuniteit

De bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van de bescherming en het behoud van het mariene milieu zijn niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marinehulpschepen, andere schepen of luchtvaartuigen in eigendom van of in beheer bij een Staat en die tijdelijk uitsluitend worden ingezet voor niet-commerciële overheidsdienst. Elke Staat verzekert evenwel, door het nemen van passende maatregelen die de werkzaamheden of de operationele kwaliteiten van zulke schepen of luchtvaartuigen in zijn eigendom of beheer niet aantasten, dat zulke schepen of luchtvaartuigen, voor zover redelijk en uitvoerbaar, handelen in overeenstemming met dit Verdrag.

AFDELING 11. VERPLICHTING KRACHTENS ANDERE VERDRAGEN INZAKE DE BESCHERMING EN HET BEHOUD VAN HET MARIENE MILIEU

Artikel 237. Verplichting krachtens andere Verdragen inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu
1.

De bepalingen van dit Deel laten onverlet de specifieke verplichtingen die de Staten op zich hebben genomen krachtens bijzondere verdragen en overeenkomsten die eerder zijn gesloten en betrekking hebben op de bescherming en het behoud van het mariene milieu, alsook overeenkomsten die kunnen worden gesloten ter bevordering van de in dit Verdrag uiteengezette algemene beginselen.

2.

De door de Staten krachtens bijzondere verdragen op zich genomen specifieke verplichtingen met betrekking tot de bescherming en het behoud van het mariene milieu dienen te worden nagekomen op een wijze die verenigbaar is met de algemene beginselen en doelstellingen van dit Verdrag.

DEEL XIII. WETENSCHAPPELIJK ZEEONDERZOEK

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 238. Recht tot het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek

Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties, hebben het recht wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten, zulks onder voorbehoud van de rechten en plichten van andere Staten, zoals bepaald in dit Verdrag.

Artikel 239. Bevordering van wetenschappelijk zeeonderzoek

De Staten en bevoegde internationale organisaties bevorderen en vergemakkelijken de ontwikkeling en het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek overeenkomstig dit Verdrag.

Artikel 240. Algemene beginselen voor het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek

Bij het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek gelden de volgende beginselen:

  • a. wetenschappelijk zeeonderzoek wordt uitsluitend verricht voor vreedzame doeleinden;
  • b. wetenschappelijk zeeonderzoek wordt verricht met gebruikmaking van de passende wetenschappelijke methoden en middelen die verenigbaar zijn met dit Verdrag;
  • c. wetenschappelijk zeeonderzoek mag niet op ongerechtvaardigde wijze andere rechtmatige soorten gebruik van de zee, die verenigbaar zijn met dit Verdrag, hinderen en er wordt bij zodanige soorten gebruik naar behoren met dit onderzoek rekening gehouden;
  • d. wetenschappelijk zeeonderzoek wordt verricht in overeenstemming met alle desbetreffende voorschriften, aangenomen overeenkomstig dit Verdrag, met inbegrip van die ter bescherming en behoud van het mariene milieu.
Artikel 241. Niet-erkenning van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek als de juridische basis voor aanspraken

Werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek vormen geen juridische basis voor aanspraken op enig deel van het mariene milieu of de rijkdommen daarvan.

AFDELING 2. INTERNATIONALE SAMENWERKING

Artikel 242. Bevordering van internationale samenwerking
1.

De Staten en bevoegde internationale organisaties bevorderen, overeenkomstig het beginsel van eerbied voor de soevereiniteit en de rechtsmacht en op basis van wederzijds voordeel, de internationale samenwerking bij wetenschappelijk zeeonderzoek voor vreedzame doeleinden.

2.

In dit verband biedt een Staat, onverminderd de rechten en plichten van de Staten krachtens dit Verdrag, in toepassing van dit Deel, naar gelang passend, andere Staten een redelijke mogelijkheid van deze Staat, of met zijn medewerking, de informatie te verkrijgen die nodig is ter voorkoming en bestrijding van schade aan de gezondheid en de veiligheid van personen en aan het mariene milieu.

Artikel 243. Het scheppen van gunstige voorwaarden

De Staten en bevoegde internationale organisaties werken samen, door middel van het sluiten van bilaterale en multilaterale overeenkomsten, ten einde gunstige voorwaarden te scheppen voor het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in het mariene milieu en de inspanningen van wetenschapsmensen bij de bestudering van de aard van de verschijnselen en processen die zich voordoen in het mariene milieu en van de onderlinge samenhang daartussen, te bundelen.

Artikel 244. Openbaarmaking en verspreiding van informatie en kennis
1.

Overeenkomstig dit Verdrag stellen de Staten en bevoegde internationale organisaties, door openbaarmaking en verspreiding via passende kanalen, informatie beschikbaar inzake voorgestelde omvangrijke programma’s en de doelstellingen daarvan alsmede de kennis, voortvloeiend uit het wetenschappelijk zeeonderzoek.

2.

Hiertoe bevorderen de Staten, zowel afzonderlijk als in samenwerking met andere Staten en met bevoegde internationale organisaties, actief de mededeling van wetenschappelijke gegevens en informatie en de overdracht van uit het wetenschappelijk zeeonderzoek voortvloeiende kennis, vooral aan ontwikkelingsstaten, en bevorderen zij tevens de versterking van het eigen vermogen van ontwikkelingsstaten tot het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek, door middel van onder andere programma’s voor passend onderwijs aan en goede opleiding van hun wetenschappelijk en technisch personeel.

AFDELING 3. HET VERRICHTEN EN BEVORDEREN VAN WETENSCHAPPELIJK ZEEONDERZOEK

Artikel 245. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de territoriale zee

Bij de uitoefening van hun soevereiniteit hebben de kuststaten het exclusieve recht tot het verrichten van, en het uitvaardigen van voorschriften en verlenen van machtiging met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek in hun territoriale zee. Wetenschappelijk zeeonderzoek in dit gebied mag alleen worden verricht met de uitdrukkelijke toestemming van en op de voorwaarden gesteld door de kuststaat.

Artikel 246. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de exclusieve economische zone en op het continentale plat
1.

Kuststaten hebben bij de uitoefening van hun rechtsmacht het recht tot het verrichten van en het uitvaardigen van voorschriften en verlenen van machtiging met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek in hun exclusieve economische zone en op hun continentale plat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.

2.

Wetenschappelijk zeeonderzoek in de exclusieve economische zone en op het continentale plat wordt verricht met toestemming van de kuststaat.

3.

Kuststaten geven in normale omstandigheden hun toestemming voor projecten voorwetenschappelijk zeeonderzoek door andere Staten of bevoegde internationale organisaties in hun exclusieve economische zone of op hun continentale plat, overeenkomstig dit Verdrag te verrichten uitsluitend voor vreedzame doeleinden en ten einde de wetenschappelijke kennis van het mariene milieu te vergroten en ten bate van de gehele mensheid. Hiertoe stellen kuststaten regels en procedures vast ten einde te verzekeren dat een zodanige toestemming niet wordt vertraagd of op onredelijke gronden geweigerd.

4.

Voor de toepassing van het derde lid kunnen de omstandigheden als normaal worden beschouwd, ondanks het ontbreken van diplomatieke betrekkingen tussen de kuststaat en de Staat die het onderzoek verricht.

5.

Kuststaten kunnen evenwel naar eigen goeddunken hun toestemming onthouden aan het uitvoeren van een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek door een andere Staat of bevoegde internationale organisatie in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van de kuststaat indien dat project:

  • a. van rechtstreekse betekenis is voor de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen, levend of niet-levend;
  • b. met zich brengt het verrichten van boringen in het continentale plat, het gebruik van explosieven of de introductie van schadelijke stoffen in het mariene milieu;
  • c. de bouw, de exploitatie of het gebruik met zich brengt van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen zoals bedoeld in de artikelen 60 en 80;
  • d. ingevolge artikel 248 medegedeelde informatie betreffende de aard en de doelstellingen van het project bevat die onjuist is, of indien de Staat of de bevoegde internationale organisatie die het onderzoek verricht niet-nagekomen verplichtingen jegens de kuststaat heeft, voortvloeiende uit een eerder onderzoeksproject.
6.

Niettegenstaande het bepaalde in het vijfde lid kunnen kuststaten niet naar eigen goeddunken hun toestemming ingevolge letter a van dat lid onthouden ten aanzien van projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek die overeenkomstig de bepalingen van dit Deel worden ondernomen op het continentale plat buiten 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, buiten die specifieke gebieden die de kuststaat te allen tijde openbaar kan aanwijzen als gebieden waarin exploitatie of uitvoerige exploratoire werkzaamheden, gericht op die gebieden aan de gang zijn of binnen een redelijke termijn zullen plaatsvinden. Kuststaten geven op een redelijke termijn vooraf kennis van de aanwijzing van zulke gebieden, alsmede van wijzigingen daarin, maar zijn niet verplicht bijzonderheden over de werkzaamheden aldaar te verstrekken.

7.

De bepalingen van het zesde lid laten onverlet de rechten van kuststaten op het continentale plat zoals vastgelegd in artikel 77.

8.

Het wetenschappelijk zeeonderzoek, bedoeld in dit artikel, mag niet op ongerechtvaardigde wijze door kuststaten in de uitoefening van hun soevereine rechten en rechtsmacht, zoals bepaald in dit Verdrag, ondernomen werkzaamheden, hinderen.

Artikel 247. Projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek, ondernomen door of onder auspiciën van internationale organisaties

Een kuststaat die lid is van of een bilaterale overeenkomst heeft met een internationale organisatie en in wiens exclusieve economische zone of op wiens continentale plat die organisatie een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek wenst uit te voeren, rechtstreeks dan wel onder haar auspiciën, wordt geacht machtiging te hebben verleend voor de uitvoering van het project overeenkomstig de overeengekomen specificaties, indien die Staat het tot in bijzonderheden uitgewerkte project heeft goedgekeurd toen de organisatie het besluit nam voor het ondernemen van het project, of bereid is daaraan deel te nemen, en niet binnen vier maanden na kennisgeving van het project door de organisatie aan de kuststaat bezwaar heeft aangetekend.

Artikel 248. Plicht de kuststaat informatie te verschaffen

Staten en bevoegde internationale organisaties die voornemens zijn wetenschappelijk zeeonderzoek te ondernemen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van een kuststaat dienen uiterlijk zes maanden voor de beoogde aanvangsdatum van het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, die Staat een volledige omschrijving te verschaffen van:

  • a. de aard en de doelstellingen van het project;
  • b. de te gebruiken methoden en middelen, met inbegrip van naam, tonnage, type en klasse van de schepen en een beschrijving van de wetenschappelijke apparatuur;
  • c. de exacte geografische gebieden waarin het project zal worden uitgevoerd;
  • d. de beoogde datum van de eerste verschijning en het definitieve vertrek van de onderzoeksvaartuigen of van de installering van de apparatuur of de verwijdering daarvan, naar gelang van toepassing;
  • e. de naam van de instelling onder wier auspiciën het project wordt uitgevoerd, de directeur daarvan en de personen, belast met het project; en
  • f. het oordeel over de mate waarin de kuststaat zou moeten kunnen deelnemen aan of vertegenwoordigd zijn in het project.
Artikel 249. Plicht te voldoen aan bepaalde voorwaarden
1.

Wanneer Staten en bevoegde internationale organisaties wetenschappelijk zeeonderzoek ter hand nemen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van een kuststaat, dienen zij te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a. te verzekeren dat de kuststaat, indien deze zulks wenst, het recht heeft deel te nemen of vertegenwoordigd te zijn in het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, vooral aan boord van onderzoeksvaartuigen en andere schepen of installaties voor wetenschappelijk onderzoek, wanneer uitvoerbaar, zonder betaling van enigerlei bezoldiging aan de wetenschapsmensen van de kuststaat en zonder verplichting bij te dragen aan de kosten van het project;
  • b. de kuststaat, op diens verzoek, voorlopige verslagen te verstrekken, zo spoedig als mogelijk is, en de eindresultaten en conclusies na voltooiing van het onderzoek;
  • c. op zich te nemen de kuststaat, op diens verzoek, toegang te verschaffen tot alle gegevens en monsters, verworven in het kader van het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek alsook deze Staat gegevens te verschaffen die kunnen worden vermenigvuldigd en monsters die kunnen worden gesplitst zonder nadeel voor hun wetenschappelijke waarde;
  • d. op verzoek, de kuststaat een evaluatie te verstrekken van zulke gegevens, monsters en onderzoeksresultaten of hulp te bieden bij de evaluatie of interpretatie daarvan;
  • e. behoudens het bepaalde in het tweede lid, te verzekeren dat de onderzoeksresultaten, zo spoedig als uitvoerbaar is, internationaal ter beschikking worden gesteld via passende nationale of internationale kanalen;
  • f. de kuststaat onmiddellijk in kennis te stellen van belangrijke veranderingen in het onderzoeksprogramma;
  • g. tenzij anders overeengekomen, de installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek te verwijderen wanneer het onderzoek is voltooid.
2.

Dit artikel laat onverlet de voorwaarden, gesteld bij de wetten en voorschriften van de kuststaat voor het handelen naar eigen goeddunken bij het verlenen of onthouden van toestemming ingevolge artikel 246, vijfde lid, met inbegrip van de eis van voorafgaande instemming voor het internationaal ter beschikking stellen van de onderzoeksresultaten van een project dat van rechtstreekse betekenis is voor de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen.

Artikel 250. Mededelingen betreffende projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek

Tenzij anders overeengekomen, worden mededelingen betreffende projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek gedaan via passende officiële kanalen.

Artikel 251. Algemene criteria en richtsnoeren

De Staten streven ernaar via bevoegde internationale organisaties de vastlegging te bevorderen van algemene maatstaven en richtsnoeren om de Staten te helpen de aard en de implicaties van het wetenschappelijk zeeonderzoek vast te stellen.

Artikel 252. Stilzwijgende toestemming

Staten of bevoegde internationale organisaties kunnen overgaan tot uitvoering van een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek zes maanden na de datum waarop de ingevolge artikel 248 vereiste informatie aan de kuststaat werd verstrekt, tenzij de kusstaat binnen vier maanden na ontvangst van de mededeling die deze informatie bevatte, de Staat of organisatie die het onderzoek verricht ervan in kennis heeft gesteld dat:

  • a. hij zijn instemming heeft onthouden ingevolge de bepalingen van artikel 246; of
  • b. de door die Staat of bevoegde internationale organisatie verstrekte informatie betreffende de aard of de doelstellingen van het project niet overeenstemt met de kennelijke feiten; of
  • c. hij aanvullende informatie verlangt betreffende de voorwaarden en de informatie zoals bedoeld in de artikelen 248 en 249; of
  • d. de verplichtingen voortvloeiend uit de in artikel 249 vastgestelde voorwaarden met betrekking tot een eerder door die Staat of organisatie uitgevoerd project voor wetenschappelijk zeeonderzoek niet zijn nagekomen.
Artikel 253. Opschorting of beëindiging van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek
1.

Een kuststaat heeft het recht de opschorting te eisen van lopende werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek in zijn exclusieve economische zone of op zijn continentale plat indien:

  • a. de onderzoekswerkzaamheden niet worden verricht overeenkomstig de informatie, medegedeeld zoals bepaald in artikel 248, en waarop de toestemming van de kuststaat was gebaseerd; of
  • b. de Staat of bevoegde internationale organisatie die de onderzoekswerkzaamheden verricht, niet de bepalingen van artikel 249 naleeft betreffende de rechten van de kuststaat met betrekking tot het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek.
2.

Een kuststaat heeft het recht de beëindiging van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek te eisen in het geval van de niet-naleving van de bepalingen van artikel 248 die neerkomt op een belangrijke verandering in het onderzoeksproject of de onderzoekswerkzaamheden.

3.

Een kuststaat kan ook de beëindiging van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek eisen, indien een van de in het eerste lid bedoelde situaties niet binnen een redelijke termijn wordt rechtgezet.

4.

Na kennisgeving door de kuststaat van zijn besluit de opschorting of beëindiging te gelasten, beëindigen de Staten of bevoegde internationale organisaties die gemachtigd waren werkzaamheden op het gebied van wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten, de onderzoekswerkzaamheden die het onderwerp van een zodanige kennisgeving vormen.

5.

Een bevel tot opschorting ingevolge het eerste lid wordt ingetrokken door de kuststaat en de werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek mogen worden voortgezet, wanneer de Staat of de bevoegde internationale organisatie die het onderzoek verricht, de ingevolge de artikelen 248 en 249 vereiste voorwaarden is nagekomen.

Artikel 254. Rechten van aangrenzende Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging
1.

Staten en bevoegde internationale organisaties die aan een kuststaat een project hebben voorgelegd voor het ondernemen van wetenschappelijk zeeonderzoek zoals bedoeld in artikel 246, derde lid, geven de buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging kennis van het voorgestelde onderzoeksproject en stellen de kuststaat daarvan in kennis.

2.

Nadat door de betrokken kuststaat overeenkomstig artikel 246 en andere desbetreffende bepalingen van dit Verdrag toestemming is gegeven voor het voorgestelde project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, verschaffen de Staten en bevoegde internationale organisaties die zulk een project ondernemen, de buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging, op hun verzoek en wanneer passend, de van belang zijnde informatie zoals aangegeven in artikel 248 en artikel 249, eerste lid, letter f.

3.

De hierboven bedoelde buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging wordt, op hun verzoek, de gelegenheid gegeven, wanneer mogelijk, deel te nemen aan het voorgestelde project voor wetenschappelijk zeeonderzoek door middel van bevoegde deskundigen die door hen zijn benoemd en waartegen geen bezwaar wordt gemaakt door de kuststaat, overeenkomstig de voorwaarden die in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag zijn overeengekomen tussen de betrokken kuststaat en de Staat of bevoegde internationale organisaties die het wetenschappelijk zeeonderzoek verrichten.

4.

De in het eerste lid bedoelde Staten en bevoegde internationale organisaties verstrekken de bovengenoemde Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging, op hun verzoek, de informatie en hulp, omschreven in artikel 249, eerste lid, letter d, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 249, tweede lid.

Artikel 255. Maatregelen tot vergemakkelijking van wetenschappelijk zeeonderzoek en tot hulp aan onderzoeksschepen

De Staten trachten redelijke regels, voorschriften, en procedures aan te nemen ter bevordering en vergemakkelijking van overeenkomstig dit Verdrag verricht wetenschappelijk zeeonderzoek buiten hun territoriale zee en, naar gelang passend, onder voorbehoud van de bepalingen van hun wetten en voorschriften, ter vergemakkelijking van toegang tot hun havens en ter bevordering van hulp aan schepen voor wetenschappelijk zeeonderzoek die voldoen aan de desbetreffende bepalingen van dit Deel.

Artikel 256. Wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied

Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties hebben het recht, overeenkomstig de bepalingen van Deel XI, wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten in het Gebied.

Artikel 257. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de waterkolom buiten de exclusieve economische zone

Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties hebben het recht, overeenkomstig dit Verdrag, wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten in de waterkolom buiten de grenzen van de exclusieve economische zone.

AFDELING 4. INSTALLATIES OF APPARATUUR VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK IN HET MARIENE MILIEU

Artikel 258. Plaatsing en gebruik

De plaatsing en het gebruik van alle soorten installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek in enig gebied van het mariene milieu zijn onderworpen aan dezelfde voorwaarden als die welke in dit Verdrag zijn voorgeschreven voor het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in een zodanig gebied.

Artikel 259. Juridische status

De installaties of apparatuur bedoeld in deze afdeling, bezitten niet de status van eilanden. Zij hebben geen eigen territoriale zee en hun aanwezigheid is niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee, de exclusieve economische zone of het continentale plat.

Artikel 260. Veiligheidszones

Rond installaties voor wetenschappelijk onderzoek kunnen veiligheidszones met een redelijke breedte, en wel van niet meer dan 500 meter, worden vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag. Alle Staten verzekeren dat zodanige veiligheidszones door hun schepen worden geëerbiedigd.

Artikel 261. Geen hinder voor scheepvaartroutes

De plaatsing en het gebruik van alle soorten installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek mogen geen belemmering vormen voor gebruikelijke internationale scheepvaartroutes.

Artikel 262. Identificatiemerken en waarschuwingsseinen

De in deze afdeling bedoelde installaties of apparatuur dragen identificatiemerken waaruit de Staat van registratie of de internationale organisatie waaraan zij toebehoren blijkt, en dienen voldoende internationaal overeengekomen waarschuwingsseinen te bezitten om de veiligheid op zee en de veiligheid van de luchtvaart te verzekeren, met inachtneming van de regels en normen vastgesteld door bevoegde internationale organisaties.

AFDELING 5. VERANTWOORDELIJKHEID EN AANSPRAKELIJKHEID

Artikel 263. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid
1.

Staten en bevoegde internationale organisaties zijn ervoor verantwoordelijk dat wordt verzekerd dat wetenschappelijk zeeonderzoek of dit nu door of namens hen wordt ondernomen, wordt verricht overeenkomstig dit Verdrag.

2.

Staten en bevoegde internationale organisaties zijn verantwoordelijk en aansprakelijk voor de maatregelen die zij nemen in strijd met dit Verdrag met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek verricht door andere Staten, hun natuurlijke personen of rechtspersonen of door bevoegde internationale organisaties en vergoeden de uit zodanige maatregelen voortvloeiende schade.

3.

Staten en bevoegde internationale organisaties zijn verantwoordelijk en aansprakelijk ingevolge artikel 235 voor schade veroorzaakt door verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit wetenschappelijk zeeonderzoek ondernomen door of namens hen.

AFDELING 6. REGELING VAN GESCHILLEN EN VOORLOPIGE MAATREGELEN

Artikel 264. Regeling van geschillen

Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek worden geregeld overeenkomstig Deel XV, afdelingen 2 en 3.

Artikel 265. Voorlopige maatregelen

In afwachting van de regeling van een geschil overeenkomstig Deel XV, afdelingen 2 en 3, mag de Staat of bevoegde internationale organisatie die gemachtigd was een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek uit te voeren, niet toestaan dat de onderzoekswerkzaamheden worden aangevangen of voortgezet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de betrokken kuststaat.

DEEL XIV. ONTWIKKELING EN OVERDRACHT VAN MARIENE TECHNOLOGIE

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 266. Bevordering van de ontwikkeling en overdracht van mariene technologie
1.

De Staten werken, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, overeenkomstig hun vermogen samen, om actief de ontwikkeling en overdracht van mariene wetenschap en mariene technologie te bevorderen op billijke en redelijke voorwaarden en bedingen.

2.

De Staten bevorderen de ontwikkeling van het mariene wetenschappelijk en technologisch vermogen van Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, vooral ontwikkelingsstaten, met inbegrip van Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging, met betrekking tot de exploratie, exploitatie, het behoud en beheer van mariene rijkdommen, de bescherming en het behoud van het mariene milieu, wetenschappelijk zeeonderzoek, en andere werkzaamheden in het mariene milieu die verenigbaar zijn met dit Verdrag, ten einde de sociale en economische ontwikkeling van de ontwikkelingsstaten te versnellen.

3.

De Staten trachten gunstige economische en juridische voorwaarden te bevorderen voor de overdracht van mariene technologie ten bate van alle betrokken partijen, en wel op billijke grondslag.

Artikel 267. Bescherming van rechtmatige belangen

Bij de bevordering van de samenwerking ingevolge artikel 266 houden de Staten naar behoren rekening met alle rechtmatige belangen, met inbegrip van, onder meer, de rechten en plichten van bezitters, verstrekkers en ontvangers van mariene technologie.

Artikel 268. Fundamentele doelstellingen

De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties:

  • a. de verwerving, evaluatie en verspreiding van mariene technologische kennis en vergemakkelijken de toegang tot zodanige informatie en gegevens;
  • b. de ontwikkeling van passende mariene technologie;
  • c. de ontwikkeling van de noodzakelijke technologische infrastructuur ter vergemakkelijking van de overdracht van mariene technologie;
  • d. de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen door middel van de opleiding van en het onderwijs aan onderdanen van ontwikkelingsstaten en -landen en in het bijzonder de onderdanen van de minst-ontwikkelde daaronder;
  • e. internationale samenwerking op alle niveaus, vooral op regionaal, subregionaal en bilateraal niveau.
Artikel 269. Maatregelen ter verwezenlijking van de fundamentele doelstellingen

Ten einde de in artikel 268 bedoelde doelstellingen te verwezenlijken, trachten de Staten, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, onder meer:

  • a. programma’s op te stellen inzake technische samenwerking voor de doeltreffende overdracht van alle soorten mariene technologie aan Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, vooral de ontwikkelingsstaten zonder zeekust en ontwikkelingsstaten met een ongunstige geografische ligging, alsook andere ontwikkelingsstaten die niet in staat zijn geweest hun eigen technologisch vermogen op het gebied van de mariene wetenschap en de exploratie en exploitatie van mariene rijkdommen op te bouwen of te ontwikkelen of de infrastructuur voor zodanige technologie tot ontwikkeling te brengen;
  • b. gunstige voorwaarden te scheppen voor het sluiten van overeenkomsten, contracten en andere soortgelijke regelingen, op billijke en redelijke voorwaarden;
  • c. conferenties, studiebijeenkomsten en symposia te houden over wetenschappelijke en technologische onderwerpen, met name over het beleid op het gebied van en de wijzen van overdracht van mariene technologie;
  • d. de uitwisseling te bevorderen van wetenschapsbeoefenaren, technici en andere deskundigen;
  • e. projecten ter hand te nemen en joint ventures en andere vormen van bilaterale en multilaterale samenwerking te bevorderen.

AFDELING 2. INTERNATIONALE SAMENWERKING

Artikel 270. Kader voor de internationale samenwerking

De internationale samenwerking voor de ontwikkeling en overdracht van mariene technologie geschiedt, waar uitvoerbaar en passend, via bestaande bilaterale, regionale of multilaterale programma’s alsook via uitgebreide en nieuwe programma’s ter vergemakkelijking van het wetenschappelijk zeeonderzoek, de overdracht van mariene technologie, inzonderheid op nieuwe terreinen, en passende internationale financiering van onderzoek en ontwikkeling op oceanografisch gebied.

Artikel 271. Richtsnoeren, criteria en normen

De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, de opstelling van algemeen aanvaarde richtsnoeren, criteria en normen voor de overdracht van mariene technologie op bilaterale basis of binnen het kader van internationale organisaties en andere organen, in het bijzonder met inachtneming van de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten.

Artikel 272. Coördinatie van internationale programma’s

Op het terrein van overdracht van mariene technologie trachten de Staten te verzekeren dat bevoegde internationale organisaties hun werkzaamheden, met inbegrip van regionale of mondiale programma’s, coördineren, met inachtneming van de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten, vooral de Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging.

Artikel 273. Samenwerking met internationale organisaties en de Autoriteit

De Staten werken actief samen met bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit ter stimulering en vergemakkelijking van de overdracht aan ontwikkelingsstaten, hun onderdanen en de Onderneming van praktische kennis en mariene technologie met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied.

Artikel 274. Doelstellingen van de Autoriteit

Onder voorbehoud van alle rechtmatige belangen, met inbegrip van onder meer de rechten en plichten van bezitters, verstrekkers en ontvangers van technologie, verzekert de Autoriteit, met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, dat:

  • a. op basis van het beginsel van billijke geografische verdeling, onderdanen van ontwikkelingsstaten, of deze nu kuststaten, Staten zonder zeekust of Staten met een ongunstige geografische ligging zijn, worden aangenomen voor opleiding als lid van het leidinggevend, onderzoek verrichtend en technisch personeel dat voor haar werkzaamheden wordt aangeworven;
  • b. technisch documentatiemateriaal over de desbetreffende apparatuur, machines, toestellen en werkwijzen ter beschikking wordt gesteld aan alle Staten, inzonderheid aan ontwikkelingsstaten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken;
  • c. door de Autoriteit passende voorzieningen worden getroffen ter vergemakkelijking van de verwerving van technische hulp op het terrein van mariene technologie door Staten die deze nodig hebben en daarom verzoeken, inzonderheid ontwikkelingsstaten, en de verwerving door hun onderdanen van de nodige vaardigheden en kennis, met inbegrip van beroepsopleiding;
  • d. Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, inzonderheid ontwikkelingsstaten, worden bijgestaan bij de verwerving van de nodige apparatuur en installaties en het zich eigen maken van bepaalde werkwijzen en andere technische kennis door middel van de in dit Verdrag neergelegde financiële regelingen.

AFDELING 3. NATIONALE EN REGIONALE CENTRA VOOR MARIENE WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE

Artikel 275. Oprichting van nationale centra
1.

De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit, de oprichting, inzonderheid in ontwikkelingskuststaten, van nationale centra voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie en de versterking van bestaande nationale centra, ten einde het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek door ontwikkelingskuststaten te stimuleren en vooruit te helpen en hun nationale vermogen om hun mariene rijkdommen voor hun economisch voordeel aan te wenden en te behouden, te vergroten.

2.

De Staten geven, via bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit, voldoende steun ter vergemakkelijking van de oprichting en versterking van zodanige nationale centra, ten einde te voorzien in mogelijkheden voor voortgezette opleiding, in de nodige apparatuur, vaardigheden en kennis, alsook in technische deskundigen ten behoeve van die Staten welke zulke hulp nodig hebben en daarom verzoeken.

Artikel 276. Oprichting van regionale centra
1.

In coördinatie met de bevoegde internationale organisaties, de Autoriteit en nationale instellingen voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, bevorderen de Staten de oprichting van regionale centra voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, inzonderheid in ontwikkelingsstaten, ten einde het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek door ontwikkelingsstaten te stimuleren en vooruit te helpen en de overdracht van mariene technologie te bevorderen.

2.

Alle Staten in een regio werken samen met de zich daarin bevindende regionale centra ter verzekering van een doeltreffendere verwezenlijking van hun doelstellingen.

Artikel 277. Functies van regionale centra

De functies van deze regionale centra omvatten onder meer:

  • a. opleidings- en onderwijsprogramma’s op alle niveaus inzake verschillende aspecten van onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, inzonderheid mariene biologie, met inbegrip van het behoud en beheer van levende rijkdommen, oceanografie, hydrografie, waterbouwkunde, geologische exploratie van de zeebodem, mijnbouw en ontziltingstechnologieën;
  • b. beheersstudies;
  • c. studieprogramma’s betrekking hebbend op de bescherming en het behoud van het mariene milieu, en de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging;
  • d. de organisatie van regionale conferenties, studiebijeenkomsten en symposia;
  • e. de verwerving en be- en verwerking van gegevens en informatie op het gebied van mariene wetenschap en technologie;
  • f. de onverwijlde verspreiding van de resultaten van onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie in gemakkelijk toegankelijke publikaties;
  • g. het bekendheid geven aan nationale beleidslijnen met betrekking tot de overdracht van mariene technologie alsmede het verrichten van stelselmatig vergelijkend onderzoek inzake dit beleid;
  • h. de vergaring en systematisering van informatie over de afzet van technologie en over contracten en andere regelingen betreffende octrooien;
  • i. technische samenwerking met andere Staten in de regio.

AFDELING 4. SAMENWERKING TUSSEN INTERNATIONALE ORGANISATIES

Artikel 278. Samenwerking tussen internationale organisaties

De bevoegde internationale organisaties, bedoeld in dit Deel en in Deel XIII nemen alle passende maatregelen om, rechtstreeks of in nauwe onderlinge samenwerking, te verzekeren dat zij zich op doeltreffende wijze kwijten van hun taken en verantwoordelijkheden hun krachtens dit Deel opgelegd.

DEEL XV. REGELING VAN GESCHILLEN

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 279. Verplichting geschillen langs vreedzame weg te regelen

De Staten die Partij zijn, regelen elk geschil tussen hen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag langs vreedzame weg in overeenstemming met artikel 2, derde lid, van het Handvest van de Verenigde Naties en zoeken te dien einde een oplossing ervan met de middelen als aangegeven in artikel 33, eerste lid, van het Handvest.

Artikel 280. Regeling van geschillen met vreedzame middelen als gekozen door de partijen erbij

Geen enkele bepaling van dit Deel tast het recht van de Staten die Partij zijn aan te allen tijde overeen te komen een geschil tussen hen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag te regelen met door hen gekozen vreedzame middelen.

Artikel 281. Procedure te volgen wanneer de partijen niet tot een regeling zijn gekomen
1.

Wanneer de Staten die Partij zijn, partij zijn bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en zijn overeengekomen te trachten het geschil te regelen met door hen gekozen vreedzame middelen, zijn de in dit Deel voorziene procedures slechts van toepassing indien langs die weg geen regeling ervan is bereikt en de overeenkomst tussen de partijen de mogelijkheid van een verdere procedure niet uitsluit.

2.

Wanneer de partijen eveneens een tijdslimiet zijn overeengekomen, is het eerste lid slechts van toepassing na afloop van die tijdslimiet.

Artikel 282. Verplichtingen krachtens algemene, regionale of bilaterale overeenkomsten

Wanneer de Staten die Partij zijn, partij zijn bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en door middel van een algemene, regionale of bilaterale overeenkomst of op andere wijze zijn overeengekomen dat een dergelijk geschil op verzoek van een van de partijen wordt onderworpen aan een procedure die leidt tot een bindende beslissing, is die procedure van toepassing in plaats van de in dit Deel voorziene procedures, tenzij de partijen bij het geschil anderszins overeenkomen.

Artikel 283. Verplichting tot uitwisseling van standpunten
1.

Wanneer een geschil ontstaat tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, gaan de partijen bij het geschil met spoed over tot een uitwisseling van standpunten met betrekking tot de regeling ervan door middel van onderhandelingen of met andere vreedzame middelen.

2.

De partijen gaan eveneens met spoed over tot een uitwisseling van standpunten wanneer een procedure voor de regeling van een dergelijk geschil is beëindigd zonder dat de regeling is tot stand gekomen of wanneer een regeling is tot stand gekomen en de omstandigheden een bespreking vereisen van de wijze van nakoming ervan.

Artikel 284. Conciliatie

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)