Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds
Voor elke zending materialen moet de leverancier een afzonderlijke leveranciersverklaring opstellen, hetzij op de handelsfactuur betreffende deze zending of op een bijlage bij deze factuur, hetzij op een pakbon of op een ander handelsdocument inzake deze zending waarin de betrokken goederen voldoende nauwkeurig zijn omschreven om ze te kunnen identificeren.
De leveranciersverklaring kan op een voorgedrukt formulier worden gesteld.
De leveranciersverklaring wordt van een handtekening voorzien. Wanneer de factuur en de leveranciersverklaring per computer worden opgemaakt, behoeft de leveranciersverklaring niet van een handtekening te worden voorzien indien de douaneautoriteiten in het land of gebied waar de leveranciersverklaring wordt opgesteld weten wie de verantwoordelijke is binnen de onderneming van de leverancier. Deze douaneautoriteiten kunnen de toepassingsvoorwaarden van dit lid vaststellen.
De leveranciersverklaring wordt ingediend bij het bevoegde douanekantoor in de ACS-staat van uitvoer waarbij het verzoek om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is ingediend.
Leveranciersverklaringen en inlichtingenbladen die vóór de inwerkingtreding van dit Protocol overeenkomstig artikelen 23 van Protocol 1 bij de Vierde ACS-EEG-Overeenkomst zijn afgegeven, blijven geldig.
Artikel 27. Bewijsstukken
De in artikel 15, lid 3, en artikel 19, lid 3, bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten die door een EUR.1-certificaat of een factuurverklaring worden gedekt producten van oorsprong zijn uit een ACS-staat of uit een van de andere in artikel 6 bedoelde landen en aan de andere voorwaarden van dit Protocol voldoen, kunnen onder meer de volgende zijn:
- a. een rechtstreeks bewijs, bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding of de interne administratie van de exporteur of leverancier, van de door deze uitgevoerde be- of verwerkingen om de producten te verkrijgen;
- b. in een ACS-staat of in een van de andere in artikel 6 bedoelde landen afgegeven of opgestelde, en volgens het nationale recht gebruikte documenten waaruit de oorsprong van de gebruikte materialen blijkt;
- c. in een ACS-staat, in de Gemeenschap of in een LGO afgegeven of opgestelde, en volgens het nationale recht gebruikte documenten waaruit de be- of verwerking van de materialen in de ACS-staten, in de Gemeenschap of in de LGO's blijkt;
- d. EUR.1-certificaten of factuurverklaringen waaruit blijkt dat de gebruikte materialen van oorsprong zijn, die overeenkomstig dit Protocol in een ACS-staat of in een van de andere in artikel 6 bedoelde landen zijn afgegeven of opgesteld.
Artikel 28. Bewaring van het bewijs van de oorsprong en de bewijsstukken
De exporteur die om de afgifte van een EUR.1-certificaat verzoekt, bewaart de in artikel 15, lid 3, bedoelde documenten gedurende een periode van ten minste drie jaar.
De exporteur die een factuurverklaring opstelt, bewaart een kopie van deze factuurverklaring en van de in artikel 19, lid 3, bedoelde documenten gedurende een periode van ten minste drie jaar.
De douaneautoriteiten van het land van uitvoer die een EUR.1-certificaat afgeven bewaren het in artikel 15, lid 2, bedoelde aanvraagformulier gedurende een periode van ten minste drie jaar.
De douaneautoriteiten van het land van invoer bewaren de EUR.1-certificaten en factuurverklaringen die bij hen werden ingediend gedurende een periode van ten minste drie jaar.
Artikel 29. Verschillen en vormfouten
Worden geringe verschillen vastgesteld tussen de gegevens op het bewijs van de oorsprong en de gegevens op de documenten die, met het oog op het vervullen van de formaliteiten bij invoer, bij het douanekantoor worden ingediend, dan is het bewijs van de oorsprong hierdoor niet automatisch ongeldig, indien blijkt dat het wel degelijk met de aangebrachte producten overeenstemt.
Kennelijke vormfouten zoals typefouten op het bewijs van de oorsprong maken dit document niet ongeldig indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de in daarin vermelde gegevens.
Artikel 30. In euro uitgedrukte bedragen
De in een bepaalde nationale valuta van een lidstaat te gebruiken bedragen zijn de tegenwaarde in die nationale valuta van de in euro uitgedrukte bedragen op de eerste werkdag van oktober 1999.
De in euro uitgedrukte bedragen en de tegenwaarde in de nationale valuta van sommige lidstaten van de EG kunnen zo nodig door de Gemeenschap worden herzien en worden door de Gemeenschap, uiterlijk een maand voordat de herziening van kracht wordt, aan het Comité Douanesamenwerking medegedeeld. De Gemeenschap draagt er bij deze herziening zorg voor dat de te gebruiken bedragen in nationale valuta's niet worden verminderd en onderzoekt tevens of het wenselijk is de gevolgen van de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Het kan in dit verband besluiten de in euro uitgedrukte bedragen te wijzigen.
Wanneer de producten gefactureerd zijn in de valuta van een andere lidstaat van de EG, aanvaardt het land van invoer het bedrag dat door de betrokken lidstaat is medegedeeld.
TITEL V. REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING
Artikel 31. Wederzijdse bijstand
De ACS-staten doen de Commissie de afdrukken toekomen van de door hen gebruikte stempels alsmede de adressen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de controle van deze certificaten en de factuurverklaringen.
Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en factuurverklaringen worden met het oog op de toepassing van de preferentiële regeling aanvaard vanaf de ontvangst van deze informatie door de Commissie.
De Commissie geeft deze informatie aan de douaneautoriteiten van de lidstaten door.
Ten behoeve van de correcte toepassing van dit Protocol verlenen de Gemeenschap, de ACS-staten en de LGO's elkaar, via de bevoegde douane-instanties, bijstand bij de controle op de echtheid van de EUR.1-certificaten, de factuurverklaringen of de leveranciersverklaringen en de juistheid van de daarin vermelde gegevens.
De geraadpleegde autoriteiten verstrekken de relevante gegevens over de voorwaarden waarop het product is vervaardigd, met name over de voorwaarden waarop de oorsprongsregels in de verschillende betrokken ACS-staten, lidstaten of LGO's in acht zijn genomen.
Artikel 32. Controle van de bewijzen van de oorsprong
De bewijzen van de oorsprong worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit Protocol.
Voor de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het EUR.1-certificaat, de factuur, indien deze werd voorgelegd, de factuurverklaring of een kopie van deze documenten, terug aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, in voorkomend geval onder vermelding van de redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze aanvraag om een controle achteraf alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van de oorsprong onjuist zijn.
De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Zij kunnen in dit verband bewijsmateriaal opvragen, de administratie van de exporteur inzien en elke andere controle verrichten die zij dienstig achten.
Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de betrokken producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.
De douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd worden zo spoedig mogelijk van de resultaten van de controle in kennis gesteld. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de documenten al dan niet echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit de ACS-staten of uit een van de andere in artikel 6 bedoelde landen kunnen worden beschouwd en of aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.
Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na de datum van het verzoek om controle geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de aanvragende douaneautoriteiten de preferenties niet toe, behoudens buitengewone omstandigheden.
Indien de resultaten van de controle of andere beschikbare gegevens erop lijken te wijzen dat de bepalingen van dit Protocol worden geschonden, stelt de ACS-staat op eigen initiatief of op verzoek van de Gemeenschap met de nodige spoed een onderzoek in of laat hij een onderzoek instellen om eventuele schendingen vast te stellen en te voorkomen. De betrokken ACS-staat kan de Commissie verzoeken aan dit onderzoek deel te nemen.
Artikel 33. Controle van de leveranciersverklaring
De leveranciersverklaring kan door middel van steekproeven worden gecontroleerd en wanneer de douaneautoriteiten van de staat van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid of volledigheid van de gegevens over de oorsprong van de betrokken materialen.
De douaneautoriteiten aan wie een leveranciersverklaring wordt overgelegd, kunnen de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring werd opgesteld, verzoeken om afgifte van een inlichtingenblad volgens het model in bijlage VII bij dit Protocol. De douaneautoriteiten aan wie een leveranciersverklaring wordt overgelegd, kunnen ook de exporteur verzoeken een inlichtingenblad over te leggen, afgegeven door de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring werd opgesteld.
Een kopie van het inlichtingenblad wordt ten minste drie jaar bewaard door het kantoor dat het heeft afgegeven.
De verzoekende douaneautoriteiten worden zo spoedig mogelijk van de resultaten van de controle in kennis gesteld. Uit het antwoord moet duidelijk blijken of de verklaring betreffende de status van de materialen juist is.
Met het oog op een eventuele controle bewaren de leveranciers een kopie van het document dat de verklaring bevat alsmede elk document waaruit de werkelijke status van de goederen blijkt gedurende ten minste twee jaar.
De douaneautoriteiten van de staat waar de leveranciersverklaring is opgesteld, kunnen elk bewijs verlangen en alle controles uitvoeren die zij dienstig achten om de juistheid van de leveranciersverklaring te verifiëren.
Een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 dat is afgegeven of opgesteld op grond van een onjuiste leveranciersverklaring, wordt geacht ongeldig te zijn.
Artikel 34. Regeling van geschillen
Geschillen ten aanzien van de in de artikelen 32 en 33 bedoelde controles die de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd en de douaneautoriteiten die de controle moesten uitvoeren niet onderling kunnen regelen, en problemen in verband met de interpretatie van dit Protocol worden voorgelegd aan het bij artikel 37 bedoelde Comité Douanesamenwerking.
In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van dat land.
Artikel 35. Sancties
Tegen eenieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel producten onder de preferentiële regeling te doen vallen, worden sancties getroffen.
Artikel 36. Vrije zones
De ACS-staten nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat producten die onder geleide van een oorsprongsbewijs of een leveranciersverklaring worden verhandeld en die tijdens het vervoer in een op hun grondgebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere behandelingen ondergaan dan die welke gebruikelijk zijn om ze in goede staat te bewaren.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 geven de bevoegde autoriteiten, wanneer producten van oorsprong onder dekking van een oorsprongsbewijs in een vrije zone zijn ingevoerd een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw EUR.1-certificaat af, mits deze be- of verwerking in overeenstemming is met de bepalingen van dit Protocol.
Artikel 37. Comité voor douanesamenwerking
Er wordt een Comité voor douanesamenwerking ingesteld, hierna het „Comité” genoemd, dat ermee belast is de administratieve samenwerking met het oog op de juiste en uniforme toepassing van dit Protocol te waarborgen en elke andere opdracht op douanegebied die het kan worden toevertrouwd, uit te voeren.
Het Comité onderzoekt op gezette tijden welke de gevolgen zijn van de toepassing van de oorsprongsregels voor de ACS-staten, in het bijzonder voor de minst ontwikkelde ACS-staten, en doet de Raad van Ministers aanbevelingen voor passende maatregelen toekomen.
Het Comité neemt overeenkomstig artikel 6 besluiten over cumulatie.
Het Comité neemt overeenkomstig artikel 38 besluiten in verband met afwijkingen van dit Protocol.
Het Comité komt op gezette tijden bijeen, met name ter voorbereiding van de besluiten die krachtens artikel 40 door de Raad van Ministers worden genomen.
Het Comité is samengesteld uit deskundigen van de lidstaten en ambtenaren van de Commissie onder wier bevoegdheid douaneaangelegenheden vallen, enerzijds, en uit deskundigen die de ACS-staten vertegenwoordigen en ambtenaren van regionale groeperingen van de ACS-staten die verantwoordelijk zijn voor douaneaangelegenheden, anderzijds. Het Comité kan zo nodig een beroep doen op deskundigen.
Artikel 38. Afwijkingen
Wanneer zulks op grond van de ontwikkeling van bestaande industrieën of de vestiging van nieuwe industrieën gerechtvaardigd is, kan het Comité toestaan dat van dit Protocol wordt afgeweken.
De betrokken ACS-staat of ACS-staten stellen, voordat of wanneer de ACS-staten de kwestie aan het Comité voorleggen, de Gemeenschap in kennis van zijn (hun) verzoek om een afwijking en vermelden de redenen van het verzoek overeenkomstig lid 2.
De Gemeenschap willigt alle verzoeken van ACS-staten in die overeenkomstig dit artikel gerechtvaardigd zijn, tenzij hierdoor ernstige schade kan ontstaan voor een gevestigde industrie van de Gemeenschap.
Om het Comité in staat te stellen de verzoeken om afwijking te kunnen beoordelen, verstrekt de aanvragende ACS-staat, met behulp van het formulier waarvan het model in bijlage VIII is opgenomen, ter staving van zijn verzoek zo volledig mogelijke gegevens die met name op de volgende punten betrekking hebben:
- –. omschrijving van het eindproduct,
- –. aard en hoeveelheid van de materialen van oorsprong uit derde landen,
- –. aard en hoeveelheid van de materialen van oorsprong uit de ACS-staten, de Gemeenschap of de LGO of die aldaar een be- of verwerking hebben ondergaan,
- –. fabricageprocédés,
- –. toegevoegde waarde,
- –. aantal werknemers van het betrokken bedrijf,
- –. verwachte omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap,
- –. andere mogelijke bronnen waaruit grondstoffen betrokken kunnen worden,
- –. verantwoording van de duur van de gevraagde afwijking, rekening houdend met de andere bronnen waaruit de materialen eventueel betrokken kunnen worden,
- –. andere opmerkingen.
Hetzelfde geldt voor eventuele verlengingen.
Het formulier kan door het Comité worden gewijzigd.
Bij het onderzoek van de aanvragen wordt in het bijzonder rekening gehouden met:
- a. het ontwikkelingsniveau of de geografische ligging van de betrokken ACS-staat of ACS-staten;
- b. de gevallen waarin de toepassing van de bestaande oorsprongsregels de mogelijkheden van een bestaande industrie in een ACS-staat om haar uitvoer naar de Gemeenschap voort te zetten duidelijk zou verminderen, met name indien dit tot stopzetting van haar activiteiten zou leiden;
- c. bijzondere gevallen waarin duidelijk kan worden aangetoond dat belangrijke investeringen in een industrie door de toepassing van de oorsprongsregels ontmoedigd worden en waarin, door het toestaan van een afwijking, een investeringsprogramma kan worden uitgevoerd dat er op den duur toe leidt dat deze regels kunnen worden nageleefd.
In alle gevallen dient te worden onderzocht of de regels inzake de cumulatie van de oorsprong geen oplossing bieden voor het probleem.
Wanneer het verzoek om een afwijking een minstontwikkelde of insulaire ACS-staat betreft, wordt het in een geest van welwillendheid onderzocht, waarbij met name rekening wordt gehouden met:
- a. de economische en sociale weerslag van het te nemen besluit op de werkgelegenheid;
- b. de periode gedurende welke de afwijking moet worden toegepast, bij de vaststelling waarvan de bijzondere situatie van de betrokken ACS-staat en de moeilijkheden waarmede hij te kampen heeft, in aanmerking worden genomen.
Elk verzoek wordt afzonderlijk onderzocht, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de mogelijkheid om de oorsprong te verlenen aan producten waarin materialen zijn verwerkt die van oorsprong zijn uit naburige ontwikkelingslanden, minstontwikkelde landen of ontwikkelingslanden waarmee een of meer ACS-staten bijzondere banden hebben, mits met deze landen een bevredigende administratieve samenwerking tot stand kan worden gebracht.
Onverminderd de leden 1 tot en met 6 wordt de afwijking toegestaan wanneer de waarde die is toegevoegd aan de niet van oorsprong zijnde producten die in de betrokken ACS-staat of de ACS-staten zijn bewerkt of verwerkt, ten minste 45% van de waarde van het eindproduct bedraagt, mits door deze afwijking geen ernstige schade kan ontstaan voor een economische sector van de Gemeenschap of van een of meer lidstaten.
Onverminderd de leden 1 tot en met 7 worden afwijkingen voor tonijnconserven slechts toegestaan binnen een contingent van 8000 ton per jaar en voor tonijnzijden („loins”) binnen een contingent van 2000 ton per jaar.
De verzoeken om afwijkingen worden door de ACS-staten, met inachtneming van bovengenoemd contingenten, ingediend bij het Comité, dat deze afwijkingen automatisch verleent en deze door middel van een besluit in werking doet treden.
Het Comité draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen 75 werkdagen na ontvangst van het verzoek door de EEG-co-voorzitter van het Comité, een besluit wordt genomen. Indien de Gemeenschap de ACS-staten binnen deze termijn niet van zijn standpunt inzake het verzoek in kennis stelt, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd. Indien het Comité geen besluit neemt, wordt het Comité van Ambassadeurs verzocht in de maand volgende op die waarin de kwestie hem werd voorgelegd, een uitspraak te doen.
- a. De afwijkingen gelden voor een door het Comité vast te stellen periode die in het algemeen vijf jaar bedraagt.
- b. Het besluit tot afwijking kan voorzien in verlengingen zonder dat het Comité hiervoor een nieuw besluit behoeft te nemen, op voorwaarde dat door de betrokken ACS-staat of ACS-staten drie maanden vóór het einde van iedere periode wordt aangetoond dat nog niet kan worden voldaan aan de bepalingen van dit Protocol waarop de afwijking betrekking heeft. Indien tegen de verlenging bezwaar wordt gemaakt, wordt dit door het Comité ten spoedigste onderzocht en besluit het of de afwijking kan worden verlengd. Het Comité volgt hierbij de in lid 9 omschreven procedure. Alle dienstige maatregelen worden genomen om te voorkomen dat zich onderbrekingen in de toepassing van de afwijking voordoen.
- c. Tijdens de onder a en b genoemde periodes kan het Comité de voorwaarden voor toepassing van de afwijking opnieuw onderzoeken indien blijkt dat zich belangrijke wijzigingen hebben voorgedaan in de essentiële feiten die aanleiding hebben gegeven tot het goedkeuren van de afwijking. Naar aanleiding van dit onderzoek kan het Comité zijn besluit wijzigen wat het toepassingsgebied van de afwijking of een andere vroeger vastgestelde voorwaarde betreft.
Artikel 39. Bijzondere voorwaarden
De in dit Protocol gebruikte term „Gemeenschap” heeft geen betrekking op Ceuta en Melilla. Onder „producten van oorsprong uit de Gemeenschap” worden geen producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla verstaan.
Dit Protocol is van overeenkomstige toepassing om vast te stellen of producten die in Ceuta en Melilla worden ingevoerd, beschouwd kunnen worden van oorsprong te zijn uit de ACS-staten.
Wanneer geheel en al in Ceuta, Melilla, de LGO's of de Gemeenschap verkregen producten in de ACS-staten een be- of verwerking ondergaan, worden zij beschouwd geheel en al in de ACS-staten te zijn verkregen.
Be- en verwerkingen in Ceuta en Melilla, de LGO's of de Gemeenschap worden geacht in de ACS-staten te zijn verricht wanneer de materialen in de ACS-staten een verdere be- of verwerking ondergaan.
Voor de toepassing van de leden 3 en 4 worden de in artikel 5 genoemde ontoereikende be- en verwerkingen niet als een be- of verwerking beschouwd.
Ceuta en Melilla worden als één enkel grondgebied beschouwd.
TITEL VII. SLOTBEPALINGEN
Artikel 40. Herziening van de oorsprongsregels
Overeenkomstig artikel 7 van bijlage V worden de toepassing en de economische consequenties van dit Protocol jaarlijks of telkens wanneer de ACS-staten of de Gemeenschap daartoe een verzoek indienen, door de Raad van Ministers aan een onderzoek onderworpen met het doel daarin de noodzakelijk geachte wijzigingen of aanpassingen aan te brengen.
De Raad van Ministers houdt onder meer rekening met de mogelijke gevolgen van de technologische ontwikkelingen voor de regels van oorsprong.
De genomen besluiten worden zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd.
Artikel 41. Bijlagen
De bijlagen bij dit Protocol maken deel uit van dit Protocol.
Artikel 42. Tenuitvoerlegging
De Gemeenschap en de ACS-staten nemen, ieder voor zich, de maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit Protocol.
De Gemeenschap en de ACS-Staten komen de volgende bijzondere maatregelen overeen om de traditionele rund- en kalfsvleesexporterende ACS-Staten in staat te stellen hun positie op de markt van de Gemeenschap te behouden en hun producenten aldus een bepaald inkomensniveau te garanderen.
Artikel 1
Binnen de in artikel 2 vastgestelde grenzen worden de douanerechten, andere dan de ad-valoremrechten, op rund- en kalfsvlees van oorsprong uit de ACS-Staten met 92 % verlaagd.
Artikel 2
Onverminderd artikel 4, heeft de in artikel 1 vastgestelde verlaging van de douanerechten per kalenderjaar en per land betrekking op de onderstaande hoeveelheden, uitgedrukt in vlees zonder been:
| Botswana | 18.916 ton |
|---|---|
| Kenia | 142 ton |
| Madagascar | 7.579 ton |
| Swaziland | 3.363 ton |
| Zimbabwe | 9.100 ton |
| Namibië | 13.000 ton |
Artikel 3
Mocht er een teruggang van deze uitvoer ten gevolge van rampen zoals droogte, wervelstormen of veeziekten verwacht of geconstateerd worden, dan is de Gemeenschap bereid passende maatregelen te overwegen zodat de om deze redenen in een bepaald jaar niet geëxporteerde hoeveelheden in het volgende jaar kunnen worden geleverd.
Artikel 6
Bij toepassing van de in artikel 8, lid 1, van de bijlage betreffende de handelsregeling die tijdens de voorbereidingsperiode van toepassing is opgenomen vrijwaringsclausule op de sector rund- en kalfsvlees, neemt de Gemeenschap de nodige maatregelen om de uitvoer van de ACS-Staten naar de Gemeenschap te handhaven op een niveau dat verenigbaar is met de verbintenissen uit hoofde van dit Protocol.
Artikel 1
De ACS en de EU erkennen het zeer grote economische belang dat de bananenleveranciers in de ACS-Staten hebben bij de uitvoer van hun product naar de EU-markt. De EU stemt ermee in te onderzoeken welke maatregelen zo nodig genomen moeten worden om ervoor te zorgen dat deze leveranciers hun bananen kunnen blijven uitvoeren en op de markt van de Gemeenschap kunnen blijven afzetten.
Artikel 2
Elke betrokken ACS-Staat en de Gemeenschap zullen onderling overleg plegen om na te gaan welke maatregelen moeten worden genomen om de voorwaarden voor de productie en de afzet van bananen te verbeteren. Dit doel zal worden nagestreefd met alle middelen waarin de Overeenkomst voorziet uit hoofde van de financiële, technische, industriële en regionale samenwerking en samenwerking op het gebied van de landbouw. Deze maatregelen zullen zodanig zijn dat de ACS-Staten, en met name Somalië, hun concurrentievermogen kunnen verbeteren, gelet op de situatie van ieder van die staten. Er zullen maatregelen worden genomen voor alle stadia tussen productie en verbruik en met name de volgende:
- –. verbetering van de productievoorwaarden en de kwaliteit door acties op het gebied van onderzoek, oogst, verpakking, laden en lossen;
- –. vervoer en opslag;
- –. marketing en handelsbevordering.
Artikel 3
Om deze doeleinden te bereiken komen beide partijen overeen overleg te plegen in een permanente gemengde groep, bijgestaan door een groep deskundigen, die tot taak heeft de specifieke problemen die onder hun aandacht worden gebracht doorlopend te bestuderen.
Artikel 4
Indien de bananenproducerende ACS-Staten besluiten een gemeenschappelijke organisatie op te richten om deze doelstellingen na te streven, zal de Gemeenschap deze organisatie steunen en de verzoeken in overweging nemen die eventueel tot haar worden gericht ter ondersteuning van de werkzaamheden van die organisatie die passen in het kader van de regionale programma's uit hoofde van de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering.
Volgende lijsten bevatten de namen van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-Staten.
Artikel 1
In het kader van deze Overeenkomst worden als minst ontwikkelde ACS-Staten beschouwd:
| Angola | Mozambique |
|---|---|
| Benin | Niger |
| Burkina Faso | Rwanda |
| Burundi | Samoa |
| Kaapverdië | SaoTomé en Principe |
| Centraal-Afrikaanse Republiek | Sierra Leone |
| Tsjaad | Salomonseilanden |
| Comoren | Somalië |
| Democratische Republiek Congo | Sudan |
| Djibouti | Tanzania |
| Ethiopië | Tuvalu |
| Eritrea | Togo |
| Gambia | Uganda |
| Guinee | Vanuatu |
| Guinee-Bissau | Zambia |
| Equatoriaal-Guinea | |
| Haïti | |
| Kiribati | |
| Lesotho | |
| Liberia | |
| Malawi | |
| Mali | |
| Mauritanië | |
| Madagaskar |
Artikel 2
Vervallen
Artikel 3
Vervallen
INSULAIRE ACS-STATEN
Artikel 4
Vervallen
Artikel 5
De insulaire ACS-Staten zijn:
| Antigua en Barbuda | Micronesië |
|---|---|
| Bahama’s | Nauru |
| Barbados | Niue |
| Kaapverdië | Palau |
| Comoren | Papoea-Nieuw-Guinea |
| Cookeilanden | Saint Kitts en Nevis |
| Dominica | Saint Lucia |
| Dominicaanse Republiek | Saint Vincent en de Grenadines |
| Fiji | Samoa |
| Grenada | Sao Tomé en Principe |
| Haïti | Seychellen |
| Jamaica | Salomonseilanden |
| Kiribati | Tonga |
| Madagaskar | Trinidad en Tobago |
| Marshalleilanden | Tuvalu |
| Mauritius | Vanuatu |
De partijen bij de Overeenkomst,
Verlangende de goede werking van de Overeenkomst alsmede de voorbereiding van de daarmee samenhangende werkzaamheden en de uitvoering van de ter toepassing daarvan getroffen maatregelen te bevorderen door het sluiten van een Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten,
Overwegende dat derhalve de voorrechten en immuniteiten waarop de deelnemers aan werkzaamheden betreffende de toepassing van de Overeenkomst aanspraak kunnen maken, alsmede de regeling voor de officiële mededelingen in verband met deze werkzaamheden dienen te worden bepaald, zulks onverminderd het op 8 april 1965 te Brussel ondertekende Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen;
Overwegende voorts dat er een regeling inzake de eigendommen, fondsen en bezittingen van de Raad van ACS-Ministers en inzake het personeel daarvan dient te worden vastgesteld;
Overwegende dat bij de Overeenkomst van Georgetown van 6 juni 1975 de groep van ACS-Staten is opgericht en een Raad van ACS-Ministers en een Comité van Ambassadeurs zijn ingesteld; dat het secretariaat van de organen van de groep van ACS-Staten wordt waargenomen door het secretariaat van de ACS-Staten,
Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen die aan de Overeenkomst zijn gehecht:
Artikel 1
De vertegenwoordigers van de Regeringen van de lidstaten en van de ACS-Staten en de vertegenwoordigers van de Instellingen van de Europese Gemeenschappen alsmede hun adviseurs en deskundigen en de personeelsleden van het secretariaat van de ACS-Staten die op het grondgebied van de lidstaten of van de ACS-Staten deelnemen hetzij aan de werkzaamheden van de instellingen van de Overeenkomst of van de coördinatieorganen, hetzij aan werkzaamheden met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst, genieten aldaar gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar of van de plaats van hun missie de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.
De vorige alinea is eveneens van toepassing op de leden van de Paritaire Vergadering van de Overeenkomst, op de scheidsrechters die krachtens deze Overeenkomst kunnen worden aangewezen, op de leden van de eventueel op te richten raadgevende instanties van de economische en sociale groeperingen, op de ambtenaren en andere personeelsleden daarvan, op de leden van de organen van de Europese Investeringsbank en het personeel daarvan, alsmede op het personeel van het Centrum voor industriële ontwikkeling en het Centrum voor ontwikkeling van de landbouw.
HOOFDSTUK 2. EIGENDOMMEN, FONDSEN EN BEZITTINGEN VAN DE RAAD VAN ACS-MINISTERS
Artikel 2
De door de Raad van ACS-Ministers voor officiële doeleinden gebruikte gebouwen en lokalen zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening.
Tenzij zulks noodzakelijk is voor onderzoek in verband met ongevallen veroorzaakt door een motorvoertuig dat aan deze Raad toebehoort of voor zijn rekening aan het verkeer deelneemt, en behoudens in geval van door een dergelijk motorvoertuig veroorzaakte overtredingen van de verkeerswetgeving of ongevallen, kunnen de eigendommen en bezittingen van de Raad van ACS-Ministers zonder toestemming van de bij de Overeenkomst ingestelde Raad van Ministers niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.
Artikel 3
Het archief van de Raad van ACS-Ministers is onschendbaar.
Artikel 4
Er zijn specifieke bepalingen en maatregelen vastgesteld om de insulaire ACS-Staten te steunen in hun streven de natuurlijke en geografische moeilijkheden en andere belemmeringen die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen.
Artikel 5
De insulaire ACS-Staten zijn:
| Antigua en Barbuda | Micronesië |
|---|---|
| Bahama’s | Nauru |
| Barbados | Niue |
| Kaapverdië | Palau |
| Comoren | Papoea-Nieuw-Guinea |
| Cookeilanden | Saint Kitts en Nevis |
| Dominica | Saint Lucia |
| Dominicaanse Republiek | Saint Vincent en de Grenadines |
| Fiji | Samoa |
| Grenada | Sao Tomé en Principe |
| Haïti | Seychellen |
| Jamaica | Salomonseilanden |
| Kiribati | Tonga |
| Madagaskar | Trinidad en Tobago |
| Marshalleilanden | Tuvalu |
| Mauritius | Vanuatu |
Artikel 6
Voor hun officiële mededelingen en het overbrengen van al hun documenten genieten de Europese Gemeenschap, de gezamenlijke instellingen van de Overeenkomst en de coördinatieorganen op het grondgebied van de Staten die partij zijn bij de Overeenkomst, dezelfde behandeling als de internationale organisaties.
De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van de Europese Gemeenschap, van de gezamenlijke instellingen van de Overeenkomst en van de coördinatieorganen mogen niet aan censuur worden onderworpen.
HOOFDSTUK 2. EIGENDOMMEN, FONDSEN EN BEZITTINGEN VAN DE RAAD VAN ACS-MINISTERS
Artikel 9
Naam, hoedanigheid en adres van de fungerend voorzitter van het Comité van Ambassadeurs, van de secretaris of secretarissen, de adjunct-secretaris of adjunct-secretarissen van de Raad van ACS-Ministers alsmede van de permanente personeelsleden van het secretariaat van de ACS-Staten worden op gezette tijden door de Voorzitter van de Raad van ACS-Ministers aan de Regering van de Staat waar deze Raad is gevestigd, medegedeeld.
Artikel 10
Het hoofd van de delegatie van de Commissie en het gemandateerde personeel van de delegatie, met uitzondering van het plaatselijk aangeworven personeel, zijn vrijgesteld van elke belastingheffing in de ACS-Staat waar zij zijn gevestigd.
De in lid 1 bedoelde personeelsleden komen eveneens in aanmerking voor het bepaalde in artikel 31, lid 2, onder g), en in bijlage IV, hoofdstuk 4.
HOOFDSTUK 3. OFFICIËLE MEDEDELINGEN
Artikel 11
De in dit Protocol bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de begunstigden uitsluitend in het belang van hun officiële ambt verleend.
De in dit Protocol bedoelde instellingen en organen moeten van de immuniteit afzien in alle gevallen waarin opheffing van de immuniteit naar hun mening niet strijdig is met hun belangen.
Artikel 12
Artikel 98 van de Overeenkomst is van toepassing op de geschillen betreffende dit Protocol. De Raad van ACS-Ministers en de Europese Investeringsbank kunnen tijdens een arbitrageprocedure partij zijn in een zaak.
Artikel 1. Gekwalificeerde status
Zuid-Afrika neemt aan deze Overeenkomst deel onder de in dit protocol omschreven voorwaarden.
De bepalingen van de te Pretoria op 11 oktober 1999 ondertekende bilaterale overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap, haar lidstaten en Zuid-Afrika, hierna de „TDCA” (Trade and Development Co-operation Agreement between the European Community, its Member States and South Africa) genoemd, prevaleren boven de bepalingen van deze Overeenkomst.
Artikel 2. Algemene bepalingen, politieke dialoog en gezamenlijke instellingen
De algemene en institutionele bepalingen evenals de slotbepalingen van deze Overeenkomst zijn op Zuid-Afrika van toepassing.
Zuid-Afrika wordt volledig betrokken bij de algemene politieke dialoog en in de werking van de in het kader van deze Overeenkomst opgezette gezamenlijke instellingen en organen. Zuid-Afrika neemt evenwel niet deel aan het besluitvormingsproces ten aanzien van besluiten die moeten worden genomen met betrekking tot bepalingen welke op grond van dit protocol niet op Zuid-Afrika van toepassing zijn.
Artikel 3. Samenwerkingsstrategieën
De bepalingen inzake samenwerkingsstategieën van deze Overeenkomst zijn van toepassing op de samenwerking tussen de EG en Zuid-Afrika.
Artikel 4. Financiële middelen
De bepalingen van deze Overeenkomst betreffende de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering zijn niet van toepassing op Zuid-Afrika.
In afwijking van dit beginsel heeft Zuid-Afrika evenwel het recht aan de ACS-EG-samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering deel te nemen op de gebieden vermeld in artikel 8, met dien verstande dat de deelname van Zuid-Afrika volledig wordt gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien onder Titel VII van de TDCA. Voor zover TDCA-middelen worden aangewend voor het deelnemen aan maatregelen in het kader van de ACS-EG-samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering heeft Zuid-Afrika het recht volwaardig deel te nemen aan de besluitvormingsprocedures betreffende de tenuitvoerlegging van bedoelde steunmaatregelen.
Zuid-Afrikaanse natuurlijke personen en rechtspersonen komen in aanmerking voor het toegewezen krijgen van contracten welke worden gefinancierd uit de middelen waarin deze Overeenkomst voorziet. Met betrekking daartoe worden aan Zuid-Afrikaanse natuurlijke personen en rechtspersonen echter niet dezelfde preferenties verleend als aan natuurlijke personen en rechtspersonen van de ACS-Staten.
Artikel 5. Commerciële samenwerking
De bepalingen van deze Overeenkomst betreffende economische en commerciële samenwerking zijn niet van toepassing op Zuid-Afrika.
Zuid-Afrika wordt niettemin als waarnemer betrokken bij de dialoog tussen de overeenkomstsluitende partijen zoals bedoeld in artikelen 34 tot en met 40 van deze Overeenkomst.
Dit protocol vormt voor Zuid-Afrika geen beletsel voor onderhandelingen over en ondertekening van een economische partnerschapsovereenkomst (EPO) als bedoeld in deel 3, titel II, van deze Overeenkomst, als de andere partijen bij die EPO daarmee akkoord gaan.
Artikel 6. Toepasselijkheid van protocollen en verklaringen
De aan deze overeenkomst gehechte protocollen en verklaringen betreffende niet op Zuid-Afrika toepasselijke gedeelten van de Overeenkomst, zijn niet op Zuid-Afrika van toepassing. Alle andere verklaringen en protocollen zijn op Zuid-Afrika van toepassing.
Artikel 7. Herzieningsclausule
Dit protocol kan bij besluit van de Raad van Ministers worden herzien.
Artikel 8. Toepasselijkheid
Onverminderd het bepaalde in voorgaande artikelen worden in volgende tabel de op Zuid-Afrika toepasselijke en niet toepasselijke artikelen van de Overeenkomst en haar bijlagen aangegeven.
| Toepasselijk | Opmerkingen | Niet toepasselijk |
|---|---|---|
| Preambule | ||
| Deel 1, Titel I, Hoofdstuk 1: „Doeleinden, beginselen en actoren” (artikelen 1–7) | ||
| Deel 1, Titel II, „De politieke dimensie” artikelen 8–13 | ||
| Deel 2, „Institutionele bepalingen”; artikelen 14–17 | Overeenkomstig artikel 2 van dit protocol heeft Z-A in de gezamenlijke instellingen en organen geen stemrecht ten aanzien van besluiten die moeten worden genomen met betrekking tot bepalingen van de Overeenkomst welke niet op Z-A van toepassing zijn. | |
| Deel 3, Titel I, „Ontwikkelingsstrategiën”. | ||
| Overeenkomstig artikel 5 wordt Zuid-Afrika als waarnemer betrokken bij de dialoog tussen de overeenkomstsluitende partijen zoals bedoeld in artikelen 34 tot en met 40. | Deel 3, Titel II, Economische en commerciële samenwerking. | |
| Artikel 75.i (Bevordering van investeringen, steun voor de dialoog in het particuliere bedrijfsleven op regionaal niveau en tussen ACS en EU), Artikel 78 (Bescherming van investeringen) | Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika het recht op bepaalde gebieden aan de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering deel te nemen, met dien verstande dat de deelname volledig wordt gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien onder Titel VII van de TDCA. Overeenkomstig artikel 2 wordt Zuid-Afrika volledig betrokken bij de werkzaamheden van het bij artikel 83 opgerichte ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering zonder evenwel stemrecht te hebben met betrekking tot de bepalingen welke op Zuid-Afrika niet van toepassing zijn. | Deel 4, Samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering |
| Deel 5, Algemene bepalingen betreffende de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-Staten, artikelen 84–90 | ||
| Deel 6, Slotbepalingen, artikelen 91–100 | ||
| Bijlage I (Financieel protocol) | ||
| Bijlage II, Financieringsvoorwaarden, Hoofdstuk 5 (link met artikel 78 / bescherming van investeringen) | Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika het recht op bepaalde gebieden aan de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering deel te nemen, met dien verstande dat de deelname volledig wordt gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien onder Titel VII van de TDCA. | Bijlage II,Financieringsvoorwaarden, Hoofdstukken 1, 2, 3 en 4 |
| Bijlage III Institutionele ondersteuning (COD en TCLP) | Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika het recht op bepaalde gebieden aan de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering deel te nemen, met dien verstande dat de deelname volledig wordt gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien onder Titel VII van de TDCA. | |
| Bijlage IV, Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer: artikelen 6–14, (Regionale samenwerking) artikelen20–32 (Concurrentie en preferenties) | Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika, voor zover TDCA-middelen worden aangewend voor het deelnemen aan maatregelen in het kader van de ACS-EG-samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, het recht volwaardig deel te nemen aan de besluitvormingsprocedures betreffende de tenuitvoerlegging van bedoelde steunmaatregelen. Zuid-Afrikaanse natuurlijke personen en rechtspersonen komen bovendien in aanmerking voor het toegewezen krijgen van contracten welke worden gefinancierd uit de middelen waarin de Overeenkomst voorziet. Met betrekking daartoe worden aan Zuid-Afrikaanse inschrijvers echter niet dezelfde preferenties verleend als aan die uit de ACS-Staten. | Bijlage IV, artikelen 1–5 (nationale programmering); 15–19 (bepalingen betreffende projectcyclus), 27 (preferenties voor ACS-contractanten)en 34–38 (Uitvoerende instanties) |
| Bijlage V / Handelsregeling tijdens de voorbereidingsperiode | ||
| Bijlage VI; Lijsten van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-Staten |
De gevolmachtigden van:
Zijne Majesteit de Koning der Belgen,
Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,
De President van de Bondsrepubliek Duitsland,
De President van de Helleense Republiek,
Zijne Majesteit de Koning van Spanje,
De President van de Franse Republiek,
De President van Ierland,
De President van de Italiaanse Republiek,
Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,
De Federale President van de Republiek Oostenrijk,
De President van de Portugese Republiek,
De President van de Republiek Finland,
De Regering van het Koninkrijk Zweden,
Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal en bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap” genoemd, wier staten hierna „de lidstaten” worden genoemd,
en van de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en
de gevolmachtigden van:
De President van de Republiek Angola,
Hare Majesteit de Koningin van Antigua en Barbuda,
Het Staatshoofd van het Gemenebest van de Bahama's,
Het Staatshoofd van Barbados,
Hare Majesteit de Koningin van Belize,
De President van de Republiek Benin,
De President van de Republiek Botswana,
De President van Burkina Faso,
De President van de Republiek Boeroendi,
De President van de Republiek Kameroen,
De President van de Republiek Kaapverdië,
De President van de Centraal-Afrikaanse Republiek,
De President van de Republiek Tsjaad,
De President van de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren,
De President van de Democratische Republiek Congo,
De President van de Republiek Congo,
De Regering van de Cookeilanden,
De President van de Republiek Ivoorkust,
De President van de Republiek Djibouti,
De Regering van het Gemenebest Dominica,
De President van de Dominicaanse Republiek,
De President van de Staat Eritrea,
De President van de Republiek Equatoriaal-Guinee,
De President van de Democratische Federale Republiek Ethiopië,
De President van de Soevereine Democratische Republiek Fiji,
De President van de Republiek Gabon,
De President en het Staatshoofd van de Republiek Gambia,
De President van de Republiek Ghana,
Hare Majesteit de Koningin van Grenada,
De President van de Republiek Guinee,
De President van de Republiek Guinee-Bissau,
De President van de Republiek Guyana,
De President van de Republiek Haïti,
Het Staatshoofd van Jamaica,
De President van de Republiek Kenia,
De President van de Republiek Kiribati,
Zijne Majesteit de Koning van het Koninkrijk Lesotho,
De President van de Republiek Liberia,
De President van de Republiek Madagaskar,
De President van de Republiek Malawi,
De President van de Republiek Mali,
De Regering van de Republiek der Marshalleilanden,
De President van de Islamitische Republiek Mauritanië,
De President van de Republiek Mauritius,
De Regering van de Federale Staten van Micronesië,
De President van de Republiek Mozambique,
De President van de Republiek Namibië,
De Regering van de Republiek Nauru,
De President van de Republiek Niger,
Het Hoofd van de Federale Republiek Nigeria,
De Regering van Niue,
De Regering van de Republiek Palau,
Hare Majesteit de Koningin van de Onafhankelijke Staat Papoea-Nieuw-Guinea,
De President van de Republiek Rwanda,
Hare Majesteit de Koningin van Saint Kitts en Nevis,
Hare Majesteit de Koningin van Saint Lucia,
Hare Majesteit de Koningin van Saint Vincent en de Grenadines,
Het Staatshoofd van de Onafhankelijke Staat Samoa,
De President van de Democratische Republiek Sao Tomé en Principe,
De President van de Republiek Senegal,
De President van de Republiek der Seychellen,
De President van de Republiek Sierra Leone,
Hare Majesteit de Koningin van de Salomonseilanden,
De President van de Democratische Republiek Somalië,
De President van de Republiek Zuid-Afrika,
De President van de Republiek Soedan,
De President van de Republiek Suriname,
Zijne Majesteit de Koning van het Koninkrijk Swaziland,
De President van de Verenigde Republiek Tanzania,
De President van de Republiek Togo,
Zijne Majesteit Koning Taufa'ahau Tupou IV van Tonga,
De President van de Republiek Trinidad en Tobago,
Hare Majesteit de Koningin van Tuvalu,
De President van de Republiek Oeganda,
De Regering van de Republiek Vanuatu,
De Regering van de Republiek Zambia,
De President van de Republiek Zimbabwe,
wier staten hierna „de ACS-staten” worden genoemd, anderzijds,
op 23 juni 2000 voor de ondertekening van de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst te Cotonou bijeengekomen, hebben de volgende teksten goedgekeurd:
GEDAAN te Cotonou, de drieëntwintigste juni 2000.
Artikel 14 bis. Bijeenkomsten van staatshoofden en regeringsleiders
De partijen komen bijeen op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders in een door de partijen overeen te komen passende vorm.
DEEL 3. SAMENWERKINGSSTRATEGIEËN
TITEL I. ONTWIKKELINGSSTRATEGIEËN
HOOFDSTUK II. GEBIEDEN WAAROP STEUN WORDT VERLEEND
DEEL I. ECONOMISCHE ONTWIKKELING
Artikel 23 bis. Visserij
Gezien de sleutelrol die visserij en aquacultuur in de ACS-staten spelen door hun positieve bijdrage aan de werkgelegenheid, het genereren van inkomsten, de voedselzekerheid en de middelen van bestaan van plattelands- en kustgemeenschappen en daardoor aan de bestrijding van armoede, wordt de samenwerking gericht op de verdere ontwikkeling van de aquacultuursector en de visserijsector in de ACS-staten, teneinde de sociale en economische voordelen van deze sectoren op duurzame wijze te vergroten.
De samenwerkingsprogramma's en -activiteiten ondersteunen onder andere de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van strategieën en beheersplannen voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur en de visserij in de ACS-staten en -regio’s, de integratie van de aquacultuur en de visserij in de nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën, de ontwikkeling van de infrastructuur en de technische kennis om de ACS-staten in staat te stellen een maximale duurzame opbrengst te behalen uit hun visserij en aquacultuur, de opbouw van de capaciteit van de ACS-staten om externe problemen te overwinnen die verhinderen dat zij hun visserijrijkdommen ten volle kunnen valoriseren, en de stimulering en ontwikkeling van gemeenschappelijke ondernemingen voor investeringen in de visserij- en de aquacultuursector in de ACS-staten. In alle via onderhandelingen tot stand te komen visserijovereenkomsten tussen de Gemeenschap en de ACS-staten dient rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsstrategieën op dit gebied.
Met wederzijdse instemming kan op hoog niveau, inclusief ministerieel niveau, overleg worden gevoerd over ontwikkeling, verbetering en/of versterking van de ACS-EU-ontwikkelingssamenwerking op het gebied van duurzame aquacultuur en visserij.
DEEL IV. THEMATISCHE EN ALGEMENE VRAAGSTUKKEN
Artikel 31 bis. HIV/AIDS
De samenwerking ondersteunt de inspanningen van de ACS-staten ter ontwikkeling en versterking van beleid en programma’s in alle sectoren om de HIV/AIDSpandemie aan te pakken en te voorkomen dat deze de ontwikkeling belemmert. Steun wordt verleend aan de ACS-staten om de universele toegang tot HIV/AIDSpreventie, -behandeling, -verzorging en -steun tot stand te brengen en in stand te houden, en is met name gericht op:
- a). prioritaire ondersteuning van de ontwikkeling en uitvoering van alomvattende multisectorale strategieën en plannen inzake HIV/AIDS in het kader van nationale en regionale ontwikkelingsplannen;
- b). betrokkenheid van alle passende sectoren bij de nationale respons op HIV/AIDS en de brede inzet van belanghebbenden op alle niveaus;
- c). versterking van de stelsels voor volksgezondheid en de aanpak van personeelstekorten in de gezondheidszorg teneinde de universele toegang tot en de effectieve integratie van HIV/AIDSpreventie, behandeling, verzorging en andere zorgdiensten te waarborgen;
- d). aanpak van genderongelijkheid en seksueel geweld en misbruik, factoren die de HIV/AIDSpandemie versterken, alsmede intensivering van de inspanningen om de rechten van meisjes en vrouwen te garanderen, doeltreffende gendersensitieve HIV/AIDSprogramma's en -diensten voor meisjes en vrouwen te ontwikkelen, ook met betrekking tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en te bevorderen dat vrouwen ten volle worden betrokken bij de planning en besluitvorming inzake HIV/AIDSstrategieën en -programma’s;
- e). ontwikkeling van juridische en beleidsmatige ondersteunende kaders en afschaffing van bestraffende wetten, beleidslijnen, praktijken, stigmatisering en discriminatie waardoor de rechten van de mens worden ondermijnd, de kwetsbaarheid voor HIV/AIDS wordt vergroot en de toegang tot doeltreffende HIV/AIDSpreventie, -behandeling, -verzorging en -steun, waaronder geneesmiddelen, voorzieningen en diensten voor HIV/AIDSpatiënten en de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, wordt belemmerd;
- f). verbetering van de toegang tot wetenschappelijk onderbouwde, brede HIV/AIDSpreventie die zich richt op de plaatselijke factoren van de epidemie en de specifieke behoeften van vrouwen, jongeren en de meest kwetsbare bevolkingsgroepen; en
- g). betrouwbare toegang voor iedereen tot veilige, hoogwaardige en betaalbare geneesmiddelen en tot gezondheidsvoorzieningen, met inbegrip van voorzieningen voor seksuele en reproductieve gezondheid.
Artikel 32 bis. Klimaatverandering
De partijen erkennen dat klimaatverandering een ernstig wereldwijd milieuprobleem is, dat de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in gevaar brengt en toereikende, voorspelbare en tijdige financiële ondersteuning vereist. Om deze redenen dient de samenwerking, in overeenstemming met artikel 32 en met name lid 2, onder a), daarvan:
- a). te erkennen dat de ACS-staten, en met name kleine eilanden en laaggelegen ACS-staten, kwetsbaar zijn voor klimaatgerelateerde verschijnselen zoals kusterosie, cyclonen, overstromingen en door milieuomstandigheden veroorzaakte bevolkingsverplaatsingen, en dat in het bijzonder de minst ontwikkelde en niet aan zee grenzende ACS-staten kwetsbaar zijn voor toenemende overstromingen, droogte, ontbossing en woestijnvorming;
- b). beleid en programma's te versterken en ondersteunen tot vermindering van klimaatverandering en tot aanpassing aan de gevolgen daarvan en de dreiging die uit klimaatverandering voortvloeit, onder andere door middel van institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw;
- c). de capaciteit van de ACS-staten te versterken op het gebied van de ontwikkeling van en de deelname aan de wereldwijde koolstofmarkt; en
- d). zich te concentreren op de volgende activiteiten:
- i). opneming van klimaatverandering in de ontwikkelingsstrategieën en de inspanningen om armoede te bestrijden;
- ii). versterking van het politieke profiel van klimaatverandering binnen de ontwikkelingssamenwerking, onder meer door een passende beleidsdialoog;
- iii). bijstand aan de ACS-staten bij de aanpassing aan klimaatverandering in de desbetreffende sectoren, zoals landbouw, waterbeheer en infrastructuur, onder andere door overdracht en overname van relevante en milieuvriendelijke technologieën;
- iv). bevordering van rampenpreventie, aangezien er bij steeds meer rampen een verband is met klimaatverandering;
- v). verlening van financiële en technische steun voor bestrijdingsmaatregelen van de ACS-staten, in lijn met doelstellingen inzake armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling; dit omvat tevens het terugdringen van emissies die het gevolg zijn van ontbossing en aantasting van de bossen en het terugdringen van emissies in de landbouw;
- vi). verbetering van de informatieverstrekking over weer en klimaat en de weersvoorspellingen en van systemen voor vroegtijdige waarschuwing;
- vii). bevordering van hernieuwbare energiebronnen en koolstofarme technologieën die bevorderlijk zijn voor duurzame ontwikkeling.
TITEL II. ECONOMISCHE EN COMMERCIELE SAMENWERKING
HOOFDSTUK I. DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN
Artikel 37 bis. Andere handelsregelingen
In de context van de huidige handelspolitieke ontwikkeling naar sterkere liberalisering van het handelsverkeer kunnen de EU en de ACS-staten deelnemen aan onderhandelingen over en tenuitvoerlegging van overeenkomsten voor sterkere liberalisering van het multilaterale en bilaterale handelsverkeer. Deze liberalisering kan leiden tot het verlies van de aan de ACS-staten toegekende preferenties en tot aantasting van hun concurrentiepositie op de EU-markt en hun ontwikkelingsinspanningen, die de EU wenst te ondersteunen.
Overeenkomstig de doelstellingen van de economische en commerciële samenwerking streeft de EU naar maatregelen om mogelijke negatieve gevolgen van de liberalisering op te vangen, teneinde binnen het multilaterale handelsstelsel zo lang mogelijk een significante preferentiële toegang voor de ACS-staten te behouden en te bewerkstelligen dat elke onvermijdelijke vermindering van de preferenties geleidelijk wordt ingevoerd over een zo lang mogelijke periode.
Artikel 38 bis. Overleg
Wanneer nieuwe maatregelen, of maatregelen die zijn voorzien in programma’s van de Gemeenschap ter harmonisering van wetgeving met het oog op handelsfacilitering, de belangen van een of meer ACS-staten kunnen schaden, stelt de Gemeenschap, alvorens zij dergelijke maatregelen neemt, het secretariaat van de ACS-groep en de betrokken ACS-staten hiervan in kennis.
Om het de Gemeenschap mogelijk te maken de belangen van de ACS-groep in aanmerking te nemen, wordt op verzoek van de ACS-groep overleg gepleegd overeenkomstig artikel 12 van deze Overeenkomst om tot een bevredigende oplossing te komen.
Indien bestaande regelgeving van de Gemeenschap op het gebied van handelsfacilitering de belangen van een of meer ACS-staten schaadt of indien deze belangen worden geschaad door de interpretatie, de toepassing of de uitvoering van deze regelgeving, wordt op verzoek van de betrokken ACS-staten overleg gepleegd overeenkomstig artikel 12 om tot een bevredigende oplossing te komen.
Om een bevredigende oplossing te vinden, kunnen de partijen in het Gemengd Ministerieel Handelscomité ook andere handelsproblemen aan de orde stellen die het gevolg zijn van door de lidstaten getroffen of voorgenomen maatregelen.
Teneinde effectief overleg mogelijk te maken, stellen de partijen elkaar van dergelijke maatregelen in kennis.
De partijen komen overeen dat overleg binnen de instellingen van een economische partnerschapsovereenkomst en informatieverstrekking via deze instellingen, over aangelegenheden die onder een dergelijke overeenkomst vallen, geacht worden te voldoen aan dit artikel en aan artikel 12 van deze overeenkomst, mits alle mogelijk betrokken ACS-staten ondertekenaars zijn van de economische partnerschapsovereenkomst in het kader waarvan het overleg is gehouden of de informatie is verstrekt.
HOOFDSTUK III. SAMENWERKING IN INTERNATIONALE FORA
HOOFDSTUK IV. DE HANDEL IN DIENSTEN
HOOFDSTUK V. MET DE HANDEL BERBAND HOUDENDE TERREINEN
HOOFDSTUK VI. SAMENWERKING OP ANDERE GEBIEDEN
DEEL 4. SAMENWERKING INZAKE ONTWIKKELINGSFINANCIERING
TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK I. DOELSSTELLINGEN, BEGINSELEN, RICHTSNOEREN EN BEGUNSTIGDEN
HOOFDSTUK II. Toepassingsgebied en aard van de financiering
TITEL II. FINANCIËLE SAMENWERKING
HOOFDSTUK II. STEUN VOOR SCHULDVERLICHTING EN STRUCTURELE AANPASSING
HOOFDSTUK 3. STEUN BIJ EXOGENE SCHOKKEN
HOOFDSTUK 6. HUMANITAIRE BIJSTAND, NOODHULP EN BIJSTAND NA DE NOODFASE
Artikel 72 bis. Doel
Het doel van humanitaire bijstand en noodhulp is:
- a). mensenlevens te redden tijdens en onmiddellijk na crisissituaties;
- b). bij te dragen tot de financiering en verstrekking van humanitaire hulp en de directe toegang daartoe van degenen voor wie deze bestemd is, met gebruikmaking van alle beschikbare logistieke middelen;
- c). maatregelen voor herstel op korte termijn en wederopbouw uit te voeren, teneinde de slachtoffers opnieuw een minimum aan sociaaleconomische integratie te kunnen bieden en zo snel mogelijk de voorwaarden te scheppen voor hervatting van de ontwikkeling overeenkomstig de doelstellingen voor de lange termijn die door de betrokken ACS-staten en -regio's zijn bepaald;
- d). een oplossing te vinden voor de behoeften die zijn ontstaan door de verplaatsing van personen (vluchtelingen, ontheemden en repatrianten) als gevolg van rampen van natuurlijke of menselijke oorsprong, teneinde zo lang als noodzakelijk is te kunnen voorzien in alle behoeften van vluchtelingen en ontheemden (ongeacht hun verblijfplaats) en hun vrijwillige repatriëring en herintegratie in hun land van herkomst te bevorderen; en
- e). de ACS-staten of -regio’s te helpen bij het opzetten of verbeteren van mechanismen voor rampenpreventie en rampenparaatheid, met inbegrip van systemen voor voorspelling en vroegtijdige waarschuwing, teneinde de gevolgen van dergelijke rampen te reduceren.
Steun kan worden verleend aan ACS-staten of -regio’s die vluchtelingen of repatrianten opvangen, teneinde te voorzien in dringende behoeften waarin niet is voorzien door de noodhulp.
Maatregelen die na de noodfase worden ondernomen, zijn gericht op materiële en sociale rehabilitatie na de crisis en kunnen worden uitgevoerd als overgangsfase van kortetermijnherstel naar de relevante programma's voor langeretermijnontwikkeling die in het kader van de nationale of regionale indicatieve programma’s of het intra-ACS-programma worden gefinancierd. Deze activiteiten dienen noodzakelijk te zijn voor de overgang van de noodfase naar de ontwikkelingsfase, de sociaaleconomische herintegratie van de getroffen bevolkingsgroepen te bevorderen, de oorzaken van de crisis zoveel mogelijk weg te nemen, de instellingen te versterken en de eigen inbreng van plaatselijke en nationale actoren in de formulering van een duurzaam ontwikkelingsbeleid voor het betrokken ACS-land te stimuleren.
Waar nodig worden de in lid 1, onder e), bedoelde mechanismen voor rampenpreventie en rampenparaatheid gecoördineerd met andere aanwezige mechanismen voor rampenpreventie en rampenparaatheid.
De ontwikkeling en versterking van de nationale, regionale en voor de gehele ACS bestemde mechanismen voor risicovermindering en risicobeheersing bieden de ACS-staten bijstand bij de opbouw van hun vermogen om de gevolgen van rampen te boven te komen. Alle activiteiten in dit verband kunnen worden uitgevoerd in samenwerking met regionale en internationale organisaties en programma's die hebben bewezen goede prestaties te leveren op het gebied van risicobeperkende maatregelen bij rampen.
HOOFDSTUK VII. STEUN VOOR INVESTERINGEN EN ONTWIKKELING VAN DE PARTICULIERE SECTOR
TITEL III. TECHNISCHE SAMENWERKING
TITEL IV. PROCEDURES EN BEHEERSSYSTEMEN
DEEL 5. ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE MINST ONTWIKKELDE, NIET AAN ZEE GRENZENDE EN INSULAIRE ACS-STATEN
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK II. MINST ONTWIKKELDE ACS-STATEN
HOOFDSTUK III. NIET AAN ZEER GRENZENDE ACS-STATEN
HOOFDSTUK IV. INSULAIRE ACS-STATEN
DEEL VI. SLOTBEPALINGEN
HOOFDSTUK 1. FINANCIERING VAN INVESTERINGEN
Artikel 1
De financieringsvoorwaarden voor maatregelen in het kader van de Investeringsfaciliteit, leningen uit de eigen middelen van de Europese Investeringsbank en speciale maatregelen worden in dit hoofdstuk vastgesteld. Deze middelen worden verstrekt aan daarvoor in aanmerking komende ondernemingen, direct dan wel indirect, via daarvoor in aanmerking komende investeringsfondsen en/of financiële tussenpersonen.
Middelen voor rentesubsidies, als bedoeld in deze bijlage, worden beschikbaar gesteld uit de toewijzing voor rentesubsidies als bepaald in bijlage I ter, lid 2, onder c), bij deze Overeenkomst.
Rentesubsidies kunnen worden gekapitaliseerd of gebruikt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp. Het bedrag van de rentesubsidie wordt, na berekening van de waarde op het tijdstip van de overboeking van de lening, afgeboekt op het bedrag van de toewijzing voor rentesubsidies als bepaald in bijlage I ter, punt 2, onder c), en rechtstreeks overgemaakt aan de Bank. Maximaal 15% van deze toewijzing voor rente-subsidies mag ook worden gebruikt voor de ondersteuning van projectgerelateerde technische bijstand in ACS-landen.
Deze voorwaarden gelden onverminderd de voorwaarden die kunnen worden opgelegd aan ACS-landen waarvoor beperkende leningsvoorwaarden gelden in het kader van het initiatief voor arme landen met een zware schuldenlast („HIPC”) of een andere internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast. Wanneer dergelijke regelingen een reductie vereisen van het rentetarief voor leningen met meer dan 3%, zoals is toegestaan krachtens de artikelen 2 en 4 van dit hoofdstuk, tracht de Bank de gemiddelde kosten van de middelen door passende medefinanciering met andere donors te verminderen. Indien dit niet mogelijk wordt geacht, kan de rentevoet van de banklening zodanig worden verlaagd dat deze overeenstemt met het niveau in het kader van het HIPC-initiatief of een internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast.
Artikel 2. Middelen van de Investeringsfaciliteit
De middelen van de Investeringsfaciliteit worden, onder andere, gebruikt voor:
- a. de verstrekking van risicokapitaal in de vorm van:
- i. aandelenparticipaties in ondernemingen uit de ACS-staten, inclusief financiële instellingen;
- ii. semikapitaalbijstand aan ondernemingen uit de ACS-staten, inclusief financiële instellingen; en
- iii. garanties en andere kredietaanvullingen die kunnen worden gebruikt voor het dekken van politieke en andere investeringsgerelateerde risico's, ten behoeve van buitenlandse en plaatselijke investeerders of kredietverleners.
- b. de verstrekking van gewone leningen.
Aandelenparticipaties hebben gewoonlijk betrekking op niet-controlerende minderheidsbelangen en worden vergoed op basis van de resultaten van het betrokken project.
Semikapitaalbijstand kan bestaan uit voorschotten van aandeelhouders, converteerbare obligaties, voorwaardelijke, achtergestelde of participatieleningen of een soortgelijke vorm van bijstand. Deze bijstand kan met name bestaan uit:
- a. voorwaardelijke leningen, waarvan de aflossing en/of looptijd afhankelijk is van de vervulling van bepaalde voorwaarden met betrekking tot het resultaat van het project; in het specifieke geval van voorwaardelijke leningen voor pre-investeringsonderzoeken of andere projectgerelateerde technische bijstand, kan de aflossing worden geannuleerd indien de investering niet plaatsvindt;
- b. participatieleningen, waarvan de aflossing en/of looptijd afhankelijk is van de financiële rentabiliteit van het project; en
- c. achtergestelde leningen, waarvan de terugbetaling pas plaatsvindt nadat de overige verstrekte kredieten zijn terugbetaald.
De vergoeding van elke maatregel wordt gespecificeerd bij het verstrekken van de lening. Echter:
- a. in het geval van voorwaardelijke en participatieleningen omvat de vergoeding gewoonlijk een vaste rentevoet van maximaal 3% en een variabele component die gerelateerd is aan het resultaat van het project; en
- b. in het geval van achtergestelde leningen is de rentevoet marktconform.
De garanties zijn in overeenstemming met de verzekerde risico's en de bijzondere kenmerken van de maatregel.
De rentevoet van gewone leningen omvat een referentietarief dat door de Bank wordt toegepast voor vergelijkbare leningen waarvoor dezelfde voorwaarden gelden inzake aflossingsvrije periode en periode van aflossing, alsmede een door de Bank vastgestelde opwaardering.
Voor gewone leningen in landen waarvoor geen beperkende leningsvoorwaarden gelden in het kader van het HIPC-initiatief of een andere internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast, gelden in de volgende gevallen concessionele voorwaarden:
- a). in het geval van infrastructuurprojecten die een voorwaarde zijn voor de ontwikkeling van de particuliere sector in de minst ontwikkelde landen, in landen die zich in een postconflictsituatie bevinden en in landen die door een natuurramp zijn getroffen. In deze gevallen wordt de rentevoet van de lening verlaagd met maximaal 3%;
- b). in het geval van projecten die betrekking hebben op herstructureringsmaatregelen in het kader van privatisering of projecten met aanmerkelijke en duidelijk aantoonbare sociale of milieuvoordelen. In deze gevallen worden de leningen verstrekt met een rentesubsidie waarvan de omvang en vorm afhankelijk zijn van de bijzondere kenmerken van het project. De rentesubsidie bedraagt echter niet meer dan 3%.
De uiteindelijke rentevoet van leningen die onder a) of b) vallen, bedraagt in geen geval minder dan 50% van het referentietarief.
De voor deze concessionele doeleinden ter beschikking gestelde middelen zijn afkomstig uit de toewijzing voor rentesubsidies als bepaald in bijlage I ter, lid 2, onder c), bij deze Overeenkomst.
Rentesubsidies kunnen worden gekapitaliseerd of gebruikt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp. Maximaal 15% van de begroting voor rentesubsidies mag worden gebruikt voor de ondersteuning van projectgerelateerde technische bijstand in ACS-landen.
Artikel 3. Maatregelen van de Investeringsfaciliteit
In het kader van de Investeringsfaciliteit wordt in alle sectoren van de economie steun verleend voor investeringen van particuliere en commercieel geleide publieke entiteiten, onder andere voor economische en technologische infrastructuur die opbrengsten genereert en voor de particuliere sector cruciaal is. De Investeringsfaciliteit dient:
- a. te worden beheerd als een revolverend fonds en gericht te worden op financiële duurzaamheid. Voor de maatregelen in het kader van de Investeringsfaciliteit gelden marktconforme voorwaarden; de maatregelen mogen niet leiden tot verstoringen op de lokale markten of het verplaatsen van particuliere financieringsbronnen.
- b. de financiële sector van de ACS te steunen en gericht te zijn op katalysering, door het aantrekken van plaatselijke langetermijnmiddelen te bevorderen en buitenlandse particuliere investeerders en kredietverleners te interesseren voor projecten in de ACS-staten.
- c. een gedeelte van het risico te dragen voor de projecten die ermee worden gefinancierd. De financiële duurzaamheid wordt verzekerd door de portefeuille als geheel en niet door afzonderlijke maatregelen, en
- d. ernaar te streven middelen te verstrekken via nationale en regionale instellingen en programma’s van de ACS die de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf stimuleren.
1 bis. De Bank ontvangt een vergoeding voor de kosten die zij maakt voor het beheer van de Investeringsfaciliteit. Gedurende de eerste twee jaar na de inwerkingtreding van het tweede Financieel Protocol bedraagt deze vergoeding ten hoogste 2% per jaar van het totale aanvangskapitaal van de Investeringsfaciliteit. Daarna omvat de vergoeding die de Bank ontvangt een vast onderdeel van 0,5% per jaar van het aanvangskapitaal en een variabel onderdeel van ten hoogste 1,5% per jaar van de portefeuille van de Investeringsfaciliteit die geïnvesteerd is in projecten in ACS-landen. De vergoeding wordt gefinancierd uit de Investeringsfaciliteit.
Bij het verstrijken van de geldigheidsduur van dit Financieel Protocol en bij gebreke van een specifiek besluit van de Raad van Ministers worden de cumulatieve nettoterugbetalingen aan de Investeringsfaciliteit overgedragen naar het volgende Protocol.
Artikel 4. EIB-leningen uit de eigen middelen
De Bank:
- a. draagt met de door haar beheerde middelen bij tot de economische en industriële ontwikkeling van de ACS-staten op nationale en regionale basis; daartoe financiert zij, bij wijze van prioriteit, productieve projecten en programma's of andere investeringen gericht op de bevordering van de particuliere sector in alle sectoren van de economie;
- b. werkt nauw samen met de nationale en regionale ontwikkelingsbanken en met bancaire en financiële instellingen uit de ACS-staten en de EU; en
- c. wijzigt, in overleg met de betrokken ACS-staat, de in de Overeenkomst omschreven regelingen en procedures voor de tenuitvoerlegging van de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, teneinde zo nodig rekening te houden met de aard van de projecten en programma's en in het kader van haar statutaire procedures conform de doelstellingen van de Overeenkomst te handelen.
Voor leningen uit de eigen middelen van de Bank gelden de volgende voorwaarden:
- a). het referentierentetarief is het tarief dat door de Bank wordt toegepast voor leningen tegen dezelfde voorwaarden wat munteenheid en aflossingsperiode betreft op de dag van ondertekening van de overeenkomst of op de datum van overboeking;
- b). voor landen waarvoor geen beperkende leningsvoorwaarden gelden in het kader van het HIPC-initiatief of een andere internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast, geldt echter het volgende: De uiteindelijke rentevoet bedraagt in geen geval minder dan 50% van het referentietarief;
- i). projecten in de overheidssector komen in principe in aanmerking voor een rentesubsidie van maximaal 3%;
- ii). projecten in de particuliere sector, vallende onder de categorieën gespecificeerd in artikel 2, lid 7, onder b), komen in aanmerking voor rentesubsidies onder dezelfde voorwaarden als gespecificeerd in genoemde bepaling.
- c). de aflossingsperiode van door de Bank uit eigen middelen verstrekte leningen wordt vastgesteld op basis van de economische en financiële kenmerken van het project. Voor deze leningen geldt gewoonlijk een aflossingsvrije periode, die wordt vastgesteld onder verwijzing naar de periode die voor de uitvoering van het project nodig is.
Voor door de Bank uit eigen middelen gefinancierde investeringen in overheidsbedrijven kunnen van de betrokken ACS-staat specifieke projectgerelateerde garanties of verbintenissen worden verlangd.
Artikel 5. Regels inzake wisselkoersrisico
Teneinde de gevolgen van wisselkoersschommelingen zo veel mogelijk te beperken, worden de problemen in verband met het wisselkoersrisico als volgt aangepakt:
- a. in het geval van aandelenparticipaties die gericht zijn op de versterking van de eigen middelen van een onderneming, komt het wisselkoersrisico in het algemeen voor rekening van de Investeringsfaciliteit;
- b. in het geval van gewone leningen en financiering met risicodragend kapitaal ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf, wordt het wisselkoersrisico in het algemeen gedeeld door enerzijds de Gemeenschap en anderzijds de overige betrokken partijen. Gemiddeld zou het wisselkoersrisico gelijkelijk moeten worden gedeeld, en
- c. voorzover haalbaar en passend, met name in landen die de kenmerken vertonen van macro-economische en financiële stabiliteit, worden in het kader van de Investeringsfaciliteit leningen verstrekt in de lokale munteenheden van de ACS-staten, teneinde aldus het wisselkoersrisico de facto weg te nemen.
Artikel 6. Regels inzake overmaking van deviezen
De betrokken ACS-staten verbinden zich ertoe om ten aanzien van maatregelen uit hoofde van de Overeenkomst waarvoor zij schriftelijk toestemming hebben verleend in het kader van deze Overeenkomst:
- a. de rente, provisies en aflossing van leningen vrij te stellen van nationale of lokale belastingen of fiscale heffingen die krachtens de wetgeving van de betrokken ACS-staat of ACS-staten verschuldigd zijn;
- b. de begunstigden de beschikking te geven over de nodige deviezen voor de betaling van rente, provisies en aflossing van leningen, welke bedragen verschuldigd zijn uit hoofde van de financieringsovereenkomsten die gesloten zijn voor de uitvoering van projecten en programma's op hun grondgebied; en
- c. de Bank de beschikking te geven over de nodige deviezen voor de overmaking van alle bedragen die zij in nationale valuta heeft ontvangen, tegen de wisselkoers die op het ogenblik van de overmaking van toepassing is op transacties tussen de euro of andere deviezen voor overmaking en de nationale valuta. Dit omvat alle soorten vergoedingen, zoals, onder andere, rente, dividend en provisies, alsmede de aflossing van leningen en de opbrengsten uit de verkoop van aandelen, welke bedragen verschuldigd zijn uit hoofde van de financieringsovereenkomsten die gesloten zijn voor de uitvoering van projecten en programma's op hun grondgebied.
Artikel 7
In het kader van de samenwerking wordt uit de toewijzing voor niet-terugvorderbare hulp steun verleend voor:
- a. sociale woningbouw, ter bevordering van de langetermijnontwikkeling van de woningbouw, inclusief secundaire hypotheekfaciliteiten;
- b. microfinanciering ter stimulering van MKB en micro-ondernemingen; en
- c. capaciteitsopbouw ter versterking en vergemakkelijking van de effectieve deelnamen van de particuliere sector aan de sociale en economische ontwikkeling.
De ACS-EG-Raad van Ministers neemt, na de ondertekening van deze Overeenkomst en op voorstel van het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, een besluit over de bepalingen en het bedrag van de middelen die worden toegewezen uit hoofde van de bijdrage voor langetermijnontwikkeling, teneinde deze doelstellingen te verwezenlijken.
HOOFDSTUK 3. FINANCIERING VOOR KORTETERMIJNFLUCTUATIES VAN DE EXPORTOPBRENGSTEN
Artikel 8
De partijen erkennen dat dalingen van de exportopbrengsten als gevolg van kortetermijnfluctuaties de ontwikkelingsfinanciering en de tenuitvoerlegging van het macro-economisch en sectoraal beleid in gevaar kunnen brengen. De mate van afhankelijkheid van de economie van een ACS-staat van de export van goederen, in het bijzonder van landbouw- en mijnbouwproducten, is derhalve een belangrijk criterium bij de vaststelling van de toewijzing voor langetermijnontwikkeling.
Om de negatieve effecten van de instabiliteit van de exportopbrengsten te reduceren en de uitvoering van een door een inkomstendaling in gevaar gebracht ontwikkelingsprogramma te garanderen, kan uit de programmeerbare middelen voor de langetermijnontwikkeling van een land aanvullende financiële steun worden vrijgemaakt op basis van artikel 9 en artikel 10.
Artikel 9. Criteria
Aanvullende financiële middelen worden vrijgemaakt indien sprake is van:
- –. een daling van 10% (2% in het geval van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende of insulaire staten en van landen die zich in een situatie na een conflict of een natuurramp bevinden) van de exportopbrengsten van goederen, vergeleken met het rekenkundig gemiddelde van de opbrengsten in de vier aan het toepassingsjaar voorafgaande jaren, waarbij geen rekening wordt gehouden met de meest extreme waarde, of
- –. een daling van 10% (2% in het geval van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende of insulaire staten en van landen die zich in een situatie na een conflict of een natuurramp bevinden) van de exportopbrengsten van alle landbouw- en mijnbouwproducten, vergeleken met het rekenkundig gemiddelde van de opbrengsten in de vier aan het toepassingsjaar voorafgaande jaren, waarbij geen rekening wordt gehouden met de meest extreme waarde voor landen waarvan de exportopbrengsten uit landbouw- of mijnbouwproducten meer dan 40% van de totale exportopbrengsten uit goederen vertegenwoordigen, of
- –. een daling van 10% (2% in het geval van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende of insulaire staten en van landen die zich in een situatie na een conflict of een natuurramp bevinden) van de exportopbrengsten van alle landbouw- en mijnbouwproducten, vergeleken met het rekenkundig gemiddelde van de opbrengsten in de vier aan het toepassingsjaar voorafgaande jaren, waarbij geen rekening wordt gehouden met de meest extreme waarde voor landen waarvan de exportopbrengsten uit landbouw- of mijnbouwproducten tussen 20 en 40% van de totale exportopbrengsten uit goederen vertegenwoordigen, mits de totale opbrengsten niet bovenproportioneel stijgen doordat het aandeel van de exportopbrengsten uit land- of mijnbouwproducten in de totale uitvoer afneemt.
Het recht op aanvullende financiële middelen is van toepassing wanneer de in lid 1 omschreven daling van de exportopbrengsten ten minste 0,5% van het bbp bedraagt. Het recht op aanvullende financiële middelen is beperkt tot drie opeenvolgende jaren.
De aanvullende financiële middelen worden opgenomen in de openbare rekeningen van het betrokken land. Zij worden gebruikt overeenkomstig de programmeringsregels en -methoden, inclusief de specifieke bepalingen van bijlage IV „Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer”, op basis van vooraf opgestelde overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken ACS-staat in het jaar volgend op het toepassingsjaar. Bij overeenstemming tussen de partijen kunnen de middelen worden gebruikt voor financiering van in de nationale begroting opgenomen programma’s. Een deel van de aanvullende financiële middelen kan evenwel worden bestemd voor specifieke sectoren, met name voor de ontwikkeling van commerciële verzekeringsregelingen die bescherming bieden tegen fluctuaties van exportopbrengsten.
Artikel 10. Voorschotten
Het systeem voor de verdeling van aanvullende financiële middelen voorziet in voorschotten om de nadelige gevolgen op te vangen van eventuele vertragingen bij het verkrijgen van de geconsolideerde handelsstatistieken en om ervoor te zorgen dat de betrokken middelen uiterlijk in de begroting van het tweede jaar volgend op het toepassingsjaar kunnen worden opgenomen. Voorschotten zijn voorbehouden voor landen waar de financiële middelen uit hoofde van FLEX via algemene begrotingssteun kunnen worden verstrekt. Zij worden vrijgemaakt op basis van door de regering opgestelde en bij de Commissie ingediende voorlopige exportstatistieken. Voorschotten bedragen ten hoogste 100% van het geschatte bedrag van de aanvullende financiële middelen voor het toepassingsjaar. De aldus vrijgemaakte bedragen worden aangepast aan de hand van de definitieve geconsolideerde exportstatistieken. Deze statistieken worden uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het toepassingsjaar ingediend.
Artikel 11
De bepalingen in dit hoofdstuk worden uiterlijk na twee jaar herzien; daarna kunnen zij op verzoek van een der partijen worden herzien.
HOOFDSTUK 4. OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 12. Lopende betalingen en kapitaalverkeer
Onverminderd lid 3 hieronder, verbinden de partijen zich ertoe geen beperkingen op te leggen voor betalingen in vrij convertibele munt op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen onderdanen van de Gemeenschap en de ACS-staten.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)