Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2017-04-01
State In force
Source BWB
artikelen 911
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Product van oorsprong die gemaakt zijn van materialen die geheel en al zijn verkregen in twee of meer ACS-staten of die daar een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan, worden geacht van oorsprong te zijn uit de ACS-staat waar de laatste be- of verwerking heeft plaatsgevonden, mits deze be- of verwerking ingrijpender was dan de in artikel 5 van dit Protocol genoemde be- of verwerkingen.

Artikel 3. Geheel en al verkregen producten

1.

Als geheel en al verkregen in de ACS-staten, de Gemeenschap of de in bijlage III genoemde landen en gebieden, hierna „de LGO's” genoemd, worden beschouwd:

  • a. aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen producten;
  • b. aldaar geoogste producten van het plantenrijk;
  • c. aldaar geboren en opgefokte levende dieren;
  • d. producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren;
  • e. voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;
  • f. producten van de zeevisserij en andere door hun schepen buiten de territoriale wateren uit de zee gewonnen producten;
  • g. producten uitsluitend uit de onder f bedoelde producten aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigd;
  • h. aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen, met inbegrip van gebruikte banden die uitsluitend geschikt zijn om van een nieuw loopvlak te worden voorzien of slechts als afval kunnen worden gebruikt;
  • i. afval en schroot afkomstig van aldaar verrichte fabrieksbewerkingen;
  • j. producten, gewonnen uit de zeebodem of -ondergrond buiten de territoriale wateren, mits zij alleen het recht hebben op ontginning van deze bodem of ondergrond;
  • k. goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a tot en met j bedoelde producten zijn vervaardigd.
2.

De termen „hun schepen” en „hun fabrieksschepen” in lid 1, onder f en g, zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

  • a. die in een lidstaat van de Gemeenschap, een ACS-staat of een LGO zijn ingeschreven of geregistreerd;
  • b. die de vlag van een lidstaat van de Gemeenschap, van een ACS-staat of van een LGO voeren;
  • c. die voor ten minste 50 procent toebehoren aan onderdanen van staten die partij zijn bij de Overeenkomst, of van een LGO, of aan een onderneming die haar hoofdkantoor in een van deze staten of een LGO heeft en waarvan de voorzitter van de raad van bestuur of van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raad onderdanen zijn van staten die partij zijn bij de overeenkomst, of van een LGO, en waarvan bovendien, in het geval van personenvennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ten minste de helft van het kapitaal toebehoort aan staten die partij zijn bij de overeenkomst of aan openbare lichamen of onderdanen van deze staten of van een LGO;
  • d. waarvan de bemanning, kapitein en officieren inbegrepen, voor ten minste 50% bestaat uit onderdanen van staten die partij zijn bij de overeenkomst of van een LGO.
3.

Onverminderd lid 2 erkent de Gemeenschap, op verzoek van een ACS-staat, op de volgende voorwaarden dat door die ACS-staat gehuurde of geleasde vaartuigen als „zijn vaartuigen” worden beschouwd waarmee in de exclusieve economische zone visserijactiviteiten worden beoefend:

  • –. de ACS-staat heeft de Gemeenschap aangeboden over een visserijovereenkomst te onderhandelen en de Gemeenschap heeft dit aanbod niet aanvaard;
  • –. ten minste 50% van de bemanning, kapitein en officieren inbegrepen, bestaan uit onderdanen van staten die partij zijn bij de overeenkomst of van een LGO;
  • –. het huur- of leasecontract is door het ACS-EG-Comité Douanesamenwerking aanvaard als een geschikte wijze om het vermogen van de betrokken ACS-staat te ontwikkelen om voor eigen rekening te vissen, met name indien de betrokken ACS-staat op grond van dit contract gedurende een beduidende periode verantwoordelijk is voor het nautische en commerciële beheer van het te zijner beschikking geplaatste vaartuig.

Artikel 4. Toereikende bewerking of verwerking

1.

Voor de toepassing van dit Protocol worden niet geheel en al verkregen producten geacht in de ACS-staten, de Gemeenschap of de LGO's een toereikende bewerking of verwerking te hebben ondergaan, wanneer aan de voorwaarden van de lijst in bijlage II is voldaan.

Deze voorwaarden geven voor alle onder de Overeenkomst vallende producten aan welke be- of verwerkingen niet van oorsprong zijnde materialen bij de vervaardiging van deze producten moeten ondergaan en zijn slechts op deze materialen van toepassing. Hieruit volgt dat wanneer een product de oorsprong heeft verkregen doordat het aan de voorwaarden in die lijst heeft voldaan, als materiaal gebruikt wordt bij de vervaardiging van een ander product, de voorwaarden die van toepassing zijn op het product waarin het wordt verwerkt daarvoor niet gelden. Er wordt dan geen rekening gehouden met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan kunnen zijn gebruikt.

2.

In afwijking van lid 1 kunnen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de voorwaarden in de lijst bij de vervaardiging van een bepaald product niet mogen worden gebruikt, in de volgende gevallen toch worden gebruikt:

  • a. wanneer de totale waarde ervan niet meer dan 15% bedraagt van de prijs af fabriek van het product;
  • b. wanneer een in de lijst vermelde maximumwaarde voor niet van oorsprong zijnde materialen door de toepassing van dit lid niet wordt overschreden.
3.

De leden 1 en 2 zijn van toepassing behoudens het bepaalde in artikel 5.

Artikel 5. Ontoereikende bewerking of verwerking

1.

Onverminderd lid 2, worden de volgende be- of verwerkingen als ontoereikend beschouwd om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 4 is voldaan:

  • a. behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren (luchten, uitspreiden, drogen, koelen, in water zetten waaraan zout, zwaveldioxide of andere producten zijn toegevoegd, verwijderen van beschadigde gedeelten en soortgelijke behandelingen);
  • b. eenvoudige behandelingen zoals stofvrij maken, zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen), wassen, verven en snijden;
  • c.
  • i. veranderen van verpakkingen, splitsen en samenvoegen van colli;
  • ii. eenvoudig verpakken in flessen, zakken, etuis, dozen of blikken, bevestigen op kaartjes of plankjes, enz., en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;
  • d. het aanbrengen van merken, etiketten en soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op hun verpakkingen;
  • e. eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten, indien een of meer bestanddelen van het mengsel niet voldoen aan de voorwaarden van dit Protocol om als producten van oorsprong uit een ACS-staat, de Gemeenschap of de LGO's te worden beschouwd;
  • f. eenvoudig samenvoegen van delen tot een volledig product;
  • g. twee of meer van de onder a tot en met f vermelde behandelingen tezamen;
  • h. het slachten van dieren.
2.

Alle be- en verwerkingen die een product in hetzij de ACS-staten, de Gemeenschap of LGO's heeft ondergaan worden tezamen genomen om te bepalen of deze ontoereikend zijn in de zin van lid 1.

Artikel 6. Cumulatie van de oorsprong

1.

Materialen van oorsprong uit de Gemeenschap of de LGO's worden beschouwd van oorsprong te zijn uit de ACS-staten indien zij in een aldaar verkregen product zijn opgenomen. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan, mits zij evenwel een be- of verwerking hebben ondergaan die ingrijpender is dan de in artikel 5 genoemde be- of verwerkingen.

2.

Be- en verwerkingen die in de Gemeenschap of de LGO's zijn verricht worden geacht in de ACS-staten te zijn verricht wanneer de materialen in de ACS-staten een verdere be- of verwerking ondergaan.

3.

Onder voorbehoud van de leden 4, 5, 6, 7 en 8 worden materialen van oorsprong uit Zuid-Afrika als van oorsprong uit de ACS-staten beschouwd wanneer zij zijn opgenomen in een aldaar verkregen product. Zij behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan.

4.

Producten die op grond van lid 3 de oorsprong hebben verkregen worden uitsluitend als producten van oorsprong uit de ACS-staten beschouwd wanneer de aldaar toegevoegde waarde hoger is dan de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong uit Zuid-Afrika. Indien dit niet het geval is, worden de betrokken producten als producten van oorsprong uit Zuid-Afrika beschouwd. Bij het bepalen van de oorsprong wordt geen rekening gehouden met materialen van oorsprong uit Zuid-Afrika die in de ACS-staten een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan.

5.

De in lid 3 bedoelde cumulatie kan eerst na drie jaar worden toegepast voor de in bijlage XI genoemde producten en eerst na zes jaar voor de in bijlage XII genoemde producten vanaf de voorlopige toepassing van de Overeenkomst inzake Handel, Ontwikkeling en Samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en Zuid-Afrika. De in lid 3 bedoelde cumulatie is niet van toepassing op de in bijlage XIII bedoelde producten.

6.

Onverminderd lid 5 kan de in lid 3 bedoelde cumulatie op verzoek van de ACS-staten worden toegepast voor de in de bijlagen XI en XII genoemde producten. Het ACS-EG-Comité van Ambassadeurs neemt hierover, op verzoek van ACS-staten, per product een besluit, op grond van een door het ACS-EG-Comité Douanesamenwerking overeenkomstig artikel 37 opgesteld verslag. Bij het onderzoek van de verzoeken wordt rekening gehouden met het risico van een ontwijking van de handelsbepalingen van de Overeenkomst inzake Handel, Ontwikkeling en Samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en Zuid-Afrika.

7.

De in lid 3 bedoelde cumulatie is uitsluitend van toepassing op de in bijlage XIV genoemde producten wanneer de rechten op deze producten in het kader van de Overeenkomst inzake Handel, Ontwikkeling en Samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en Zuid-Afrika zijn afgeschaft. De Europese Commissie maakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend op welke datum aan de voorwaarden van dit lid is voldaan.

8.

De in lid 3 bedoelde cumulatie kan uitsluitend worden toegepast wanneer de gebruikte Zuid-Afrikaanse materialen door toepassing van oorsprongsregels die gelijk zijn aan die van dit Protocol de oorsprong hebben verkregen. De ACS-staten verstrekken de Gemeenschap de gegevens over de overeenkomsten en de desbetreffende oorsprongsregels die met Zuid-Afrika zijn gesloten. De Europese Commissie maakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend op welke datum de ACS-staten aan de verplichtingen van dit lid hebben voldaan.

9.

Onverminderd de leden 5, 6 en 7 worden be- en verwerkingen in Zuid-Afrika beschouwd in een andere lidstaat van de Zuid-Afrikaanse Douane-unie te zijn verricht wanneer de materialen in die andere lidstaat van de Zuid-Afrikaanse Douane-unie een verdere be- of verwerking hebben ondergaan.

10.

Onverminderd de leden 5, 6 en 7 worden be- en verwerkingen in Zuid-Afrika, op verzoek van de ACS-staten, beschouwd in de ACS-staten te zijn verricht, wanneer de materialen in een ACS-staat een verdere be- of verwerking hebben ondergaan in het kader van een overeenkomst ter bevordering van de regionale economische integratie.

Tenzij een van de partijen vraagt dat de kwestie voor een besluit aan de ACS-EG-Raad van Ministers wordt voorgelegd, neemt het ACS-EG-Comité Douanesamenwerking, overeenkomstig artikel 37, besluiten over verzoeken van de ACS-staten.

11.

Op verzoek van de ACS-staten worden materialen van oorsprong uit een naburig ontwikkelingsland dat geen ACS-staat is, maar tot een samenhangend geografisch gebied behoort, als materialen van oorsprong uit de ACS-staten beschouwd wanneer zij in een aldaar verkregen product zijn opgenomen. Deze materialen behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan, mits:

  • –. de be- of verwerking in de ACS-staat ingrijpender is dan de in artikel 5 vermelde be- en verwerkingen. Producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld moeten echter in de ACS-staat ten minste een be- of verwerking hebben ondergaan waardoor het verkregen product onder een andere post wordt ingedeeld dan de post waaronder de materialen zijn ingedeeld die bij de vervaardiging ervan zijn gebruikt en die van oorsprong zijn uit het ontwikkelingsland dat geen ACS-staat is. Voor de in bijlage XI bij dit Protocol opgesomde producten zijn uitsluitend de in kolom 3 vermelde be- en verwerkingen van toepassing, ongeacht het feit of het verkregen product onder een andere post wordt ingedeeld;
  • –. de ACS-staten, de Gemeenschap en de andere betrokken landen een overeenkomst hebben gesloten die in adequate administratieve procedures voorziet, om de correcte toepassing van dit lid zeker te stellen.

Dit lid is niet van toepassing op tonijnproducten die zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 3 of 16 van het geharmoniseerd systeem, rijstproducten van de GS-code 1006 en de textielproducten die in bijlage X bij dit Protocol zijn opgesomd.

Dit Protocol is van toepassing om te bepalen of producten van oorsprong zijn uit een ontwikkelingsland dat geen ACS-staat is.

Tenzij een van de partijen vraagt dat de kwestie voor een besluit aan de ACS-EG-Raad van Ministers wordt voorgelegd, neemt het ACS-EG-Comité Douanesamenwerking, overeenkomstig artikel 37, besluiten over verzoeken van de ACS-staten.

Artikel 7. Determinerende eenheid

1.

De determinerende eenheid voor de toepassing van de bepalingen van dit Protocol is het product dat bij het vaststellen van de indeling in de nomenclatuur volgens het geharmoniseerde systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

Hieruit volgt dat:

  • –. wanneer een product, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, volgens het geharmoniseerde systeem onder één enkele post wordt ingedeeld, het geheel de in aanmerking te nemen eenheid vormt;
  • –. wanneer een zending uit een aantal eendere producten bestaat die onder dezelfde post van het geharmoniseerde systeem worden ingedeeld, elk product voor de toepassing van de bepalingen van dit Protocol afzonderlijk moet worden genomen.
2.

Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 8. Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs daarvan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht één geheel te vormen met het materieel en de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 9. Stellen of assortimenten

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt evenwel als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15 procent van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 10. Neutrale elementen

Om de oorsprong van een product te bepalen behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van de bij de vervaardiging van dat product gebruikte

  • a. energie en brandstof,
  • b. fabrieksuitrusting,
  • c. machines en werktuigen, en
  • d. goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen.

TITEL II. OMSCHRIJVING VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG”

Artikel 11. Territorialiteitsbeginsel

1.

Aan de in titel II genoemde voorwaarden met betrekking tot het verkrijgen van de oorsprong moet zonder onderbreking in de ACS-staten zijn voldaan, behoudens het bepaalde in artikel 6.

2.

Indien uit de ACS-staten, de Gemeenschap of de LGO's naar een ander land uitgevoerde producten van oorsprong terugkeren, worden zij geacht, behoudens het bepaalde in artikel 6, geen product van oorsprong meer te zijn, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:

  • a. de terugkerende goederen dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen; en
  • b. deze goederen, in de periode dat zij in dat andere land waren of waren uitgevoerd, geen andere be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die welke nodig waren om ze in goede staat te bewaren.

Artikel 12. Rechtstreeks vervoer

1.

De preferentiële regeling waarin de bepalingen inzake handelssamenwerking van bijlage V voorzien is uitsluitend van toepassing op producten die aan de voorwaarden van dit Protocol voldoen en die rechtstreeks, zonder enig ander gebied binnen te komen, tussen het grondgebied van de ACS-staten, de Gemeenschap, de LGO's of Zuid-Afrika, bij toepassing van artikel 6, zijn vervoerd. Producten die één enkele zending vormen, kunnen evenwel via een ander grondgebied worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dit grondgebied, mits zij in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane blijven en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.

Het is evenwel toegestaan producten van oorsprong per pijpleiding door een ander grondgebied dan dat van een ACS-staat, de Gemeenschap of een LGO te vervoeren.

2.

Het bewijs dat aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van het land van invoer:

  • a. hetzij, een enkel vervoerdocument ter dekking van het vervoer vanuit het land van uitvoer door het land van doorvoer;
  • b. hetzij een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat, waarin:
  • i. de producten nauwkeurig zijn omschreven,
  • ii. de data zijn vermeld waarop de producten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder vermelding van de gebruikte schepen of andere vervoermiddelen; en
  • iii. wordt verklaard op welke voorwaarden de producten in het land van doorvoer verbleven;
  • c. hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

Artikel 13. Tentoonstellingen

1.

Op producten van oorsprong die vanuit een ACS-staat naar een tentoonstelling in een ander dan de in artikel 6 bedoelde landen zijn verzonden en die na de tentoonstelling voor invoer in de Gemeenschap zijn verkocht, zijn de bepalingen van bijlage V bij invoer in de Gemeenschap van toepassing voorzover ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

  • a. een exporteur deze producten vanuit een ACS-staat naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze daar heeft tentoongesteld;
  • b. die exporteur de producten aan een persoon in de Gemeenschap heeft verkocht of op andere wijze afgestaan;
  • c. de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan zijn verzonden; en
  • d. de producten, vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.
2.

Een bewijs van de oorsprong wordt overeenkomstig de bepalingen van titel IV afgegeven of opgesteld en op de gebruikelijke wijze bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend. Op dit bewijs zijn de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden opgevraagd ten aanzien van de voorwaarden waarop de producten werden tentoongesteld.

3.

Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht zijn gebleven.

TITEL IV. BEWIJS VAN DE OORSPRONG

Artikel 14. Algemene eisen

1.

Producten van oorsprong uit de ACS-staten komen bij invoer in de Gemeenschap voor de voordelen van bijlage V in aanmerking op vertoon van:

  • a. een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage IV is opgenomen; of,
  • b. in de in artikel 19, lid 1, bedoelde gevallen, een verklaring van de exporteur, waarvan de tekst in bijlage V bij dit Protocol is opgenomen, op een factuur, pakbon of een ander handelsdocument waarin de producten voldoende duidelijk zijn omschreven om ze te kunnen identificeren (hierna „factuurverklaring” genoemd).
2.

In afwijking van lid 1 komen producten van oorsprong in de zin van dit Protocol in de in artikel 25 bedoelde gevallen voor de voordelen van bijlage V in aanmerking zonder dat een van de hierboven genoemde documenten behoeft te worden overgelegd.

Artikel 15. Procedure voor de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1

1.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde vertegenwoordiger.

2.

Te dien einde vult de exporteur of diens gemachtigde vertegenwoordiger zowel het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 als het aanvraagformulier in. Modellen van beide formulieren zijn in bijlage IV opgenomen. Deze formulieren worden overeenkomstig de bepalingen van dit Protocol ingevuld. Indien zij met de hand worden ingevuld, dient dit met inkt en in blokletters te gebeuren. De producten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak en er mogen geen regels worden opengelaten. Indien dit vak niet volledig is ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en wordt het niet-ingevulde gedeelte doorgekruist.

3.

De exporteur die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoekt, moet, op verzoek van de douaneautoriteiten van de ACS-staat van uitvoer waar dit certificaat is afgegeven, steeds bereid zijn de nodige documenten te overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan alle andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.

4.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van de ACS-staat van uitvoer indien de betrokken goederen kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit de ACS-staten of uit een van de andere in artikel 6 bedoelde landen en aan de andere voorwaarden van dit Protocol wordt voldaan.

5.

De met de afgifte van EUR.1-certificaten belaste douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om te controleren of de producten van oorsprong zijn en of aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten. De met de afgifte van EUR.1-certificaten belaste douaneautoriteiten zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. Zij gaan met name na of het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak zo is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.

6.

De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in vak 11 van het certificaat.

7.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten afgegeven en ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen daadwerkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat ze zullen worden uitgevoerd.

Artikel 16. Afgifte achteraf van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

1.

In afwijking van artikel 15, lid 7, kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 bij wijze van uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft, indien

  • a. dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd; of indien
  • b. ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wel was afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is aanvaard.
2.

Bij toepassing van lid 1 dient de exporteur in zijn aanvraag de plaats en de datum van uitvoer te vermelden van de producten waarop het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking heeft, alsmede de reden van zijn aanvraag.

3.

De douaneautoriteiten kunnen eerst tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan na te hebben vastgesteld dat de in de aanvraag van de exporteur voorkomende gegevens overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

4.

Op achteraf afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 moet een van de volgende vermeldingen worden aangebracht:

„NACHTRÄGLICH AUSGESTELLT”, „DELIVRE A POSTERIORI”,

„RILASCIATO A POSTERIORI”, „AFGEGEVEN A POSTERIORI”,

„ISSUED RETROSPECTIVELY”, „UDSTEDT EFTERFØLGENDE”,

„ΕKΔOΘΕN ΕK TΟN YΣTΕΡΟN” „EXPEDIDO A POSTERIORI”,

„EMITIDO A POSTERIORI”, „ANNETTU JÄLKIKÄTEEN”,

„UTFÄRDAT I EFTERHAND”.

5.

De in lid 4 bedoelde vermelding wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

Artikel 17. Afgifte van een duplicaat van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

1.

In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, kan de exporteur de douaneautoriteiten die dit certificaat hadden afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.

2.

Op het aldus afgegeven certificaat wordt een van de volgende vermeldingen aangebracht:

„DUPLIKAT”, „DUPLICATA”, „DUPLICATO”, „DUPLICAAT”, „DUPLICATE”, „ANTIΓΡAΦO”, „DUPLICADO”, „SEGUNDA VIA”, „KAKSOISKAPPALE”.

3.

De in lid 2 bedoelde vermelding wordt aangebracht in het vak 'Opmerkingen' van het duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

4.

Het duplicaat, dat dezelfde datum van afgifte draagt als het oorspronkelijke EUR.1-certificaat, geldt vanaf die datum.

Artikel 18. Afgifte van een EUR.1-certificaat aan de hand van een eerder opgesteld of afgegeven bewijs van oorsprong

Voor producten van oorsprong die in een ACS-staat of in de Gemeenschap onder toezicht van een douanekantoor zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van oorsprong door een of meer EUR.1-certificaten worden vervangen bij verzending van deze producten of een gedeelte daarvan naar een andere plaats binnen de ACS-staten of de Gemeenschap. Dit certificaat of deze certificaten word(t)(en) afgegeven door het douanekantoor dat toezicht houdt op de producten.

Artikel 19. Voorwaarden voor het opstellen van een factuurverklaring

1.

De in artikel 14, lid 1, onder b, genoemde factuurverklaring kan worden opgesteld door:

  • a. een toegelaten exporteur in de zin van artikel 20, of door
  • b. een willekeurige exporteur voor zendingen bestaande uit een of meer colli die producten van oorsprong bevatten waarvan de totale waarde niet meer dan EUR 6000 bedraagt.
2.

Een factuurverklaring kan worden opgesteld indien de betrokken producten als van oorsprong in de ACS-staten of in een van de andere in artikel 6 bedoelde landen kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van dit Protocol voldoen.

3.

De exporteur die de factuurverklaring opstelt moet op verzoek van de douaneautoriteiten van het land of gebied van uitvoer steeds bereid zijn de nodige documenten te overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.

4.

Deze factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage V bij dit Protocol is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt in een van de in die bijlage opgenomen talenversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de factuurverklaring met de hand wordt opgesteld, moet dit met inkt en in blokletters geschieden.

5.

De factuurverklaring wordt door de exporteur eigenhandig ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 20 behoeft deze verklaring echter niet te ondertekenen, mits hij de douaneautoriteiten een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle factuurverklaringen waaruit zijn identiteit blijkt alsof hij deze eigenhandig had ondertekend.

6.

Een factuurverklaring kan door de exporteur worden opgesteld bij of na de uitvoer van de producten waarop zij betrekking heeft, doch dient binnen twee jaar na de invoer van deze producten in het land van invoer te worden aangeboden.

Artikel 20. Toegelaten exporteur

1.

De douaneautoriteiten van het land van uitvoer kunnen een exporteur die veelvuldig producten verzendt waarop de bepalingen inzake handelssamenwerking van bijlage V van toepassing zijn, vergunning verlenen factuurverklaringen op te stellen, ongeacht de waarde van de betrokken producten. Een exporteur die deze vergunning aanvraagt moet naar het oordeel van de douaneautoriteiten de nodige waarborgen bieden in verband met de controle op de oorsprong van de producten en de naleving van de andere voorwaarden van dit Protocol.

2.

De douaneautoriteiten kunnen aan het verlenen van de status van toegelaten exporteur de door hen nodig geachte voorwaarden verbinden.

3.

De douaneautoriteiten kennen de toegelaten exporteur een nummer toe dat in de factuurverklaringen wordt vermeld.

4.

De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning door de toegelaten exporteur.

5.

De douaneautoriteiten kunnen de vergunning steeds intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet meer de in lid 1 bedoelde garanties biedt, niet meer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet of de vergunning niet op de juiste wijze gebruikt.

Artikel 21. Geldigheid van het bewijs van oorsprong

1.

Een bewijs van de oorsprong is tien maanden geldig vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer. Het moet binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van het land van invoer.

2.

Bewijzen van de oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van overmacht of buitengewone omstandigheden.

3.

In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van de oorsprong aanvaarden wanneer de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

Artikel 22. Doorvoerprocedure

Wanneer de goederen een andere ACS-staat of een andere LGO dan het land van oorsprong binnenkomen, gaat een nieuwe geldigheidsduur van vier maanden in op de datum waarop de douaneautoriteiten van het land van doorvoer in vak 7 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1:

  • –. het woord „transit”,
  • –. de naam van het land van doorvoer,
  • –. het officiële stempel, waarvan een voorbeeld overeenkomstig artikel 31 aan de Commissie is toegezonden,
  • –. de datum van deze verklaringen,

hebben aangebracht.

Artikel 23. Overlegging van het bewijs van oorsprong

Bewijzen van de oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Deze autoriteiten kunnen eisen dat het bewijs van de oorsprong wordt vertaald. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van bijlage V voldoen.

Artikel 24. Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2 a voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XVI en XVII of de posten 7308 en 9406 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend bij de invoer van de eerste deelzending.

Artikel 25. Vrijstelling van bewijs van de oorsprong

1.

Producten die in kleine zendingen door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers worden als producten van oorsprong toegelaten zonder dat een bewijs van oorsprong behoeft te worden overgelegd, voorzover aan zulke producten ieder handelskarakter vreemd is en verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden voor de toepassing van dit Protocol voldoen en er over de juistheid van deze verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier CN22/CN23 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.

2.

Als invoer waaraan ieder handelskarakter vreemd is wordt beschouwd de invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor het persoonlijke gebruik van de geadresseerde, de reiziger of de leden van hun gezin, voorzover noch de aard noch de hoeveelheid van de producten op commerciële doeleinden wijzen.

3.

Voorts mag de totale waarde van deze producten niet meer bedragen dan 500 euro voor kleine zendingen of 1200 euro voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Artikel 26. Inlichtingen ten behoeve van de cumulatie

1.

Wanneer artikel 2, lid 2, of artikel 6, lid 1, wordt toegepast, wordt het bewijs dat de materialen uit andere ACS-staten, de Gemeenschap of de LGO's van oorsprong zijn in de zin van dit Protocol geleverd door een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of door een leveranciersverklaring, waarvan het model in bijlage VI A bij dit Protocol is opgenomen, afgegeven door de exporteur in de staat of het LGO waaruit de goederen afkomstig zijn.

2.

Wanneer artikel 2, lid 2, artikel 6, lid 2, en artikel 6, lid 9, worden toegepast, wordt het bewijs van de be- of verwerking in de andere ACS-staten, de Gemeenschap, de LGO's of Zuid-Afrika geleverd door de leveranciersverklaring, waarvan het model in bijlage VI B bij dit Protocol is opgenomen, afgegeven door de exporteur in de staat of het LGO waaruit de materialen afkomstig zijn.

3.

Voor elke zending materialen moet de leverancier een afzonderlijke leveranciersverklaring opstellen, hetzij op de handelsfactuur betreffende deze zending of op een bijlage bij deze factuur, hetzij op een pakbon of op een ander handelsdocument inzake deze zending waarin de betrokken goederen voldoende nauwkeurig zijn omschreven om ze te kunnen identificeren.

4.

De leveranciersverklaring kan op een voorgedrukt formulier worden gesteld.

5.

De leveranciersverklaring wordt van een handtekening voorzien. Wanneer de factuur en de leveranciersverklaring per computer worden opgemaakt, behoeft de leveranciersverklaring niet van een handtekening te worden voorzien indien de douaneautoriteiten in het land of gebied waar de leveranciersverklaring wordt opgesteld weten wie de verantwoordelijke is binnen de onderneming van de leverancier. Deze douaneautoriteiten kunnen de toepassingsvoorwaarden van dit lid vaststellen.

6.

De leveranciersverklaring wordt ingediend bij het bevoegde douanekantoor in de ACS-staat van uitvoer waarbij het verzoek om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is ingediend.

7.

Leveranciersverklaringen en inlichtingenbladen die vóór de inwerkingtreding van dit Protocol overeenkomstig artikelen 23 van Protocol 1 bij de Vierde ACS-EEG-Overeenkomst zijn afgegeven, blijven geldig.

Artikel 27. Bewijsstukken

De in artikel 15, lid 3, en artikel 19, lid 3, bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten die door een EUR.1-certificaat of een factuurverklaring worden gedekt producten van oorsprong zijn uit een ACS-staat of uit een van de andere in artikel 6 bedoelde landen en aan de andere voorwaarden van dit Protocol voldoen, kunnen onder meer de volgende zijn:

  • a. een rechtstreeks bewijs, bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding of de interne administratie van de exporteur of leverancier, van de door deze uitgevoerde be- of verwerkingen om de producten te verkrijgen;
  • b. in een ACS-staat of in een van de andere in artikel 6 bedoelde landen afgegeven of opgestelde, en volgens het nationale recht gebruikte documenten waaruit de oorsprong van de gebruikte materialen blijkt;
  • c. in een ACS-staat, in de Gemeenschap of in een LGO afgegeven of opgestelde, en volgens het nationale recht gebruikte documenten waaruit de be- of verwerking van de materialen in de ACS-staten, in de Gemeenschap of in de LGO's blijkt;
  • d. EUR.1-certificaten of factuurverklaringen waaruit blijkt dat de gebruikte materialen van oorsprong zijn, die overeenkomstig dit Protocol in een ACS-staat of in een van de andere in artikel 6 bedoelde landen zijn afgegeven of opgesteld.

Artikel 28. Bewaring van het bewijs van de oorsprong en de bewijsstukken

1.

De exporteur die om de afgifte van een EUR.1-certificaat verzoekt, bewaart de in artikel 15, lid 3, bedoelde documenten gedurende een periode van ten minste drie jaar.

2.

De exporteur die een factuurverklaring opstelt, bewaart een kopie van deze factuurverklaring en van de in artikel 19, lid 3, bedoelde documenten gedurende een periode van ten minste drie jaar.

3.

De douaneautoriteiten van het land van uitvoer die een EUR.1-certificaat afgeven bewaren het in artikel 15, lid 2, bedoelde aanvraagformulier gedurende een periode van ten minste drie jaar.

4.

De douaneautoriteiten van het land van invoer bewaren de EUR.1-certificaten en factuurverklaringen die bij hen werden ingediend gedurende een periode van ten minste drie jaar.

Artikel 29. Verschillen en vormfouten

1.

Worden geringe verschillen vastgesteld tussen de gegevens op het bewijs van de oorsprong en de gegevens op de documenten die, met het oog op het vervullen van de formaliteiten bij invoer, bij het douanekantoor worden ingediend, dan is het bewijs van de oorsprong hierdoor niet automatisch ongeldig, indien blijkt dat het wel degelijk met de aangebrachte producten overeenstemt.

2.

Kennelijke vormfouten zoals typefouten op het bewijs van de oorsprong maken dit document niet ongeldig indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de in daarin vermelde gegevens.

Artikel 30. In euro uitgedrukte bedragen

1.

De in een bepaalde nationale valuta van een lidstaat te gebruiken bedragen zijn de tegenwaarde in die nationale valuta van de in euro uitgedrukte bedragen op de eerste werkdag van oktober 1999.

2.

De in euro uitgedrukte bedragen en de tegenwaarde in de nationale valuta van sommige lidstaten van de EG kunnen zo nodig door de Gemeenschap worden herzien en worden door de Gemeenschap, uiterlijk een maand voordat de herziening van kracht wordt, aan het Comité Douanesamenwerking medegedeeld. De Gemeenschap draagt er bij deze herziening zorg voor dat de te gebruiken bedragen in nationale valuta's niet worden verminderd en onderzoekt tevens of het wenselijk is de gevolgen van de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Het kan in dit verband besluiten de in euro uitgedrukte bedragen te wijzigen.

3.

Wanneer de producten gefactureerd zijn in de valuta van een andere lidstaat van de EG, aanvaardt het land van invoer het bedrag dat door de betrokken lidstaat is medegedeeld.

TITEL V. REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 31. Wederzijdse bijstand

1.

De ACS-staten doen de Commissie de afdrukken toekomen van de door hen gebruikte stempels alsmede de adressen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de controle van deze certificaten en de factuurverklaringen.

Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en factuurverklaringen worden met het oog op de toepassing van de preferentiële regeling aanvaard vanaf de ontvangst van deze informatie door de Commissie.

De Commissie geeft deze informatie aan de douaneautoriteiten van de lidstaten door.

2.

Ten behoeve van de correcte toepassing van dit Protocol verlenen de Gemeenschap, de ACS-staten en de LGO's elkaar, via de bevoegde douane-instanties, bijstand bij de controle op de echtheid van de EUR.1-certificaten, de factuurverklaringen of de leveranciersverklaringen en de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

De geraadpleegde autoriteiten verstrekken de relevante gegevens over de voorwaarden waarop het product is vervaardigd, met name over de voorwaarden waarop de oorsprongsregels in de verschillende betrokken ACS-staten, lidstaten of LGO's in acht zijn genomen.

Artikel 32. Controle van de bewijzen van de oorsprong

1.

De bewijzen van de oorsprong worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit Protocol.

2.

Voor de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het EUR.1-certificaat, de factuur, indien deze werd voorgelegd, de factuurverklaring of een kopie van deze documenten, terug aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, in voorkomend geval onder vermelding van de redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze aanvraag om een controle achteraf alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van de oorsprong onjuist zijn.

3.

De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Zij kunnen in dit verband bewijsmateriaal opvragen, de administratie van de exporteur inzien en elke andere controle verrichten die zij dienstig achten.

4.

Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de betrokken producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

5.

De douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd worden zo spoedig mogelijk van de resultaten van de controle in kennis gesteld. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de documenten al dan niet echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit de ACS-staten of uit een van de andere in artikel 6 bedoelde landen kunnen worden beschouwd en of aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.

6.

Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na de datum van het verzoek om controle geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de aanvragende douaneautoriteiten de preferenties niet toe, behoudens buitengewone omstandigheden.

7.

Indien de resultaten van de controle of andere beschikbare gegevens erop lijken te wijzen dat de bepalingen van dit Protocol worden geschonden, stelt de ACS-staat op eigen initiatief of op verzoek van de Gemeenschap met de nodige spoed een onderzoek in of laat hij een onderzoek instellen om eventuele schendingen vast te stellen en te voorkomen. De betrokken ACS-staat kan de Commissie verzoeken aan dit onderzoek deel te nemen.

Artikel 33. Controle van de leveranciersverklaring

1.

De leveranciersverklaring kan door middel van steekproeven worden gecontroleerd en wanneer de douaneautoriteiten van de staat van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid of volledigheid van de gegevens over de oorsprong van de betrokken materialen.

2.

De douaneautoriteiten aan wie een leveranciersverklaring wordt overgelegd, kunnen de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring werd opgesteld, verzoeken om afgifte van een inlichtingenblad volgens het model in bijlage VII bij dit Protocol. De douaneautoriteiten aan wie een leveranciersverklaring wordt overgelegd, kunnen ook de exporteur verzoeken een inlichtingenblad over te leggen, afgegeven door de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring werd opgesteld.

Een kopie van het inlichtingenblad wordt ten minste drie jaar bewaard door het kantoor dat het heeft afgegeven.

3.

De verzoekende douaneautoriteiten worden zo spoedig mogelijk van de resultaten van de controle in kennis gesteld. Uit het antwoord moet duidelijk blijken of de verklaring betreffende de status van de materialen juist is.

4.

Met het oog op een eventuele controle bewaren de leveranciers een kopie van het document dat de verklaring bevat alsmede elk document waaruit de werkelijke status van de goederen blijkt gedurende ten minste twee jaar.

5.

De douaneautoriteiten van de staat waar de leveranciersverklaring is opgesteld, kunnen elk bewijs verlangen en alle controles uitvoeren die zij dienstig achten om de juistheid van de leveranciersverklaring te verifiëren.

6.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 dat is afgegeven of opgesteld op grond van een onjuiste leveranciersverklaring, wordt geacht ongeldig te zijn.

Artikel 34. Regeling van geschillen

Geschillen ten aanzien van de in de artikelen 32 en 33 bedoelde controles die de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd en de douaneautoriteiten die de controle moesten uitvoeren niet onderling kunnen regelen, en problemen in verband met de interpretatie van dit Protocol worden voorgelegd aan het bij artikel 37 bedoelde Comité Douanesamenwerking.

In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van dat land.

Artikel 35. Sancties

Tegen eenieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel producten onder de preferentiële regeling te doen vallen, worden sancties getroffen.

Artikel 36. Vrije zones

1.

De ACS-staten nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat producten die onder geleide van een oorsprongsbewijs of een leveranciersverklaring worden verhandeld en die tijdens het vervoer in een op hun grondgebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere behandelingen ondergaan dan die welke gebruikelijk zijn om ze in goede staat te bewaren.

2.

In afwijking van het bepaalde in lid 1 geven de bevoegde autoriteiten, wanneer producten van oorsprong onder dekking van een oorsprongsbewijs in een vrije zone zijn ingevoerd een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw EUR.1-certificaat af, mits deze be- of verwerking in overeenstemming is met de bepalingen van dit Protocol.

Artikel 37. Comité voor douanesamenwerking

1.

Er wordt een Comité voor douanesamenwerking ingesteld, hierna het „Comité” genoemd, dat ermee belast is de administratieve samenwerking met het oog op de juiste en uniforme toepassing van dit Protocol te waarborgen en elke andere opdracht op douanegebied die het kan worden toevertrouwd, uit te voeren.

2.

Het Comité onderzoekt op gezette tijden welke de gevolgen zijn van de toepassing van de oorsprongsregels voor de ACS-staten, in het bijzonder voor de minst ontwikkelde ACS-staten, en doet de Raad van Ministers aanbevelingen voor passende maatregelen toekomen.

3.

Het Comité neemt overeenkomstig artikel 6 besluiten over cumulatie.

4.

Het Comité neemt overeenkomstig artikel 38 besluiten in verband met afwijkingen van dit Protocol.

5.

Het Comité komt op gezette tijden bijeen, met name ter voorbereiding van de besluiten die krachtens artikel 40 door de Raad van Ministers worden genomen.

6.

Het Comité is samengesteld uit deskundigen van de lidstaten en ambtenaren van de Commissie onder wier bevoegdheid douaneaangelegenheden vallen, enerzijds, en uit deskundigen die de ACS-staten vertegenwoordigen en ambtenaren van regionale groeperingen van de ACS-staten die verantwoordelijk zijn voor douaneaangelegenheden, anderzijds. Het Comité kan zo nodig een beroep doen op deskundigen.

Artikel 38. Afwijkingen

1.

Wanneer zulks op grond van de ontwikkeling van bestaande industrieën of de vestiging van nieuwe industrieën gerechtvaardigd is, kan het Comité toestaan dat van dit Protocol wordt afgeweken.

De betrokken ACS-staat of ACS-staten stellen, voordat of wanneer de ACS-staten de kwestie aan het Comité voorleggen, de Gemeenschap in kennis van zijn (hun) verzoek om een afwijking en vermelden de redenen van het verzoek overeenkomstig lid 2.

De Gemeenschap willigt alle verzoeken van ACS-staten in die overeenkomstig dit artikel gerechtvaardigd zijn, tenzij hierdoor ernstige schade kan ontstaan voor een gevestigde industrie van de Gemeenschap.

2.

Om het Comité in staat te stellen de verzoeken om afwijking te kunnen beoordelen, verstrekt de aanvragende ACS-staat, met behulp van het formulier waarvan het model in bijlage VIII is opgenomen, ter staving van zijn verzoek zo volledig mogelijke gegevens die met name op de volgende punten betrekking hebben:

  • –. omschrijving van het eindproduct,
  • –. aard en hoeveelheid van de materialen van oorsprong uit derde landen,
  • –. aard en hoeveelheid van de materialen van oorsprong uit de ACS-staten, de Gemeenschap of de LGO of die aldaar een be- of verwerking hebben ondergaan,
  • –. fabricageprocédés,
  • –. toegevoegde waarde,
  • –. aantal werknemers van het betrokken bedrijf,
  • –. verwachte omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap,
  • –. andere mogelijke bronnen waaruit grondstoffen betrokken kunnen worden,
  • –. verantwoording van de duur van de gevraagde afwijking, rekening houdend met de andere bronnen waaruit de materialen eventueel betrokken kunnen worden,
  • –. andere opmerkingen.

Hetzelfde geldt voor eventuele verlengingen.

Het formulier kan door het Comité worden gewijzigd.

3.

Bij het onderzoek van de aanvragen wordt in het bijzonder rekening gehouden met:

  • a. het ontwikkelingsniveau of de geografische ligging van de betrokken ACS-staat of ACS-staten;
  • b. de gevallen waarin de toepassing van de bestaande oorsprongsregels de mogelijkheden van een bestaande industrie in een ACS-staat om haar uitvoer naar de Gemeenschap voort te zetten duidelijk zou verminderen, met name indien dit tot stopzetting van haar activiteiten zou leiden;
  • c. bijzondere gevallen waarin duidelijk kan worden aangetoond dat belangrijke investeringen in een industrie door de toepassing van de oorsprongsregels ontmoedigd worden en waarin, door het toestaan van een afwijking, een investeringsprogramma kan worden uitgevoerd dat er op den duur toe leidt dat deze regels kunnen worden nageleefd.
4.

In alle gevallen dient te worden onderzocht of de regels inzake de cumulatie van de oorsprong geen oplossing bieden voor het probleem.

5.

Wanneer het verzoek om een afwijking een minstontwikkelde of insulaire ACS-staat betreft, wordt het in een geest van welwillendheid onderzocht, waarbij met name rekening wordt gehouden met:

  • a. de economische en sociale weerslag van het te nemen besluit op de werkgelegenheid;
  • b. de periode gedurende welke de afwijking moet worden toegepast, bij de vaststelling waarvan de bijzondere situatie van de betrokken ACS-staat en de moeilijkheden waarmede hij te kampen heeft, in aanmerking worden genomen.
6.

Elk verzoek wordt afzonderlijk onderzocht, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de mogelijkheid om de oorsprong te verlenen aan producten waarin materialen zijn verwerkt die van oorsprong zijn uit naburige ontwikkelingslanden, minstontwikkelde landen of ontwikkelingslanden waarmee een of meer ACS-staten bijzondere banden hebben, mits met deze landen een bevredigende administratieve samenwerking tot stand kan worden gebracht.

7.

Onverminderd de leden 1 tot en met 6 wordt de afwijking toegestaan wanneer de waarde die is toegevoegd aan de niet van oorsprong zijnde producten die in de betrokken ACS-staat of de ACS-staten zijn bewerkt of verwerkt, ten minste 45% van de waarde van het eindproduct bedraagt, mits door deze afwijking geen ernstige schade kan ontstaan voor een economische sector van de Gemeenschap of van een of meer lidstaten.

8.

Onverminderd de leden 1 tot en met 7 worden afwijkingen voor tonijnconserven slechts toegestaan binnen een contingent van 8000 ton per jaar en voor tonijnzijden („loins”) binnen een contingent van 2000 ton per jaar.

De verzoeken om afwijkingen worden door de ACS-staten, met inachtneming van bovengenoemd contingenten, ingediend bij het Comité, dat deze afwijkingen automatisch verleent en deze door middel van een besluit in werking doet treden.

9.

Het Comité draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen 75 werkdagen na ontvangst van het verzoek door de EEG-co-voorzitter van het Comité, een besluit wordt genomen. Indien de Gemeenschap de ACS-staten binnen deze termijn niet van zijn standpunt inzake het verzoek in kennis stelt, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd. Indien het Comité geen besluit neemt, wordt het Comité van Ambassadeurs verzocht in de maand volgende op die waarin de kwestie hem werd voorgelegd, een uitspraak te doen.

  • a. De afwijkingen gelden voor een door het Comité vast te stellen periode die in het algemeen vijf jaar bedraagt.
  • b. Het besluit tot afwijking kan voorzien in verlengingen zonder dat het Comité hiervoor een nieuw besluit behoeft te nemen, op voorwaarde dat door de betrokken ACS-staat of ACS-staten drie maanden vóór het einde van iedere periode wordt aangetoond dat nog niet kan worden voldaan aan de bepalingen van dit Protocol waarop de afwijking betrekking heeft. Indien tegen de verlenging bezwaar wordt gemaakt, wordt dit door het Comité ten spoedigste onderzocht en besluit het of de afwijking kan worden verlengd. Het Comité volgt hierbij de in lid 9 omschreven procedure. Alle dienstige maatregelen worden genomen om te voorkomen dat zich onderbrekingen in de toepassing van de afwijking voordoen.
  • c. Tijdens de onder a en b genoemde periodes kan het Comité de voorwaarden voor toepassing van de afwijking opnieuw onderzoeken indien blijkt dat zich belangrijke wijzigingen hebben voorgedaan in de essentiële feiten die aanleiding hebben gegeven tot het goedkeuren van de afwijking. Naar aanleiding van dit onderzoek kan het Comité zijn besluit wijzigen wat het toepassingsgebied van de afwijking of een andere vroeger vastgestelde voorwaarde betreft.

TITEL VI. CEUTA EN MELILLA

Artikel 39. Bijzondere voorwaarden

1.

De in dit Protocol gebruikte term „Gemeenschap” heeft geen betrekking op Ceuta en Melilla. Onder „producten van oorsprong uit de Gemeenschap” worden geen producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla verstaan.

2.

Dit Protocol is van overeenkomstige toepassing om vast te stellen of producten die in Ceuta en Melilla worden ingevoerd, beschouwd kunnen worden van oorsprong te zijn uit de ACS-staten.

3.

Wanneer geheel en al in Ceuta, Melilla, de LGO's of de Gemeenschap verkregen producten in de ACS-staten een be- of verwerking ondergaan, worden zij beschouwd geheel en al in de ACS-staten te zijn verkregen.

4.

Be- en verwerkingen in Ceuta en Melilla, de LGO's of de Gemeenschap worden geacht in de ACS-staten te zijn verricht wanneer de materialen in de ACS-staten een verdere be- of verwerking ondergaan.

5.

Voor de toepassing van de leden 3 en 4 worden de in artikel 5 genoemde ontoereikende be- en verwerkingen niet als een be- of verwerking beschouwd.

6.

Ceuta en Melilla worden als één enkel grondgebied beschouwd.

TITEL V. REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 40. Herziening van de oorsprongsregels

Overeenkomstig artikel 7 van bijlage V worden de toepassing en de economische consequenties van dit Protocol jaarlijks of telkens wanneer de ACS-staten of de Gemeenschap daartoe een verzoek indienen, door de Raad van Ministers aan een onderzoek onderworpen met het doel daarin de noodzakelijk geachte wijzigingen of aanpassingen aan te brengen.

De Raad van Ministers houdt onder meer rekening met de mogelijke gevolgen van de technologische ontwikkelingen voor de regels van oorsprong.

De genomen besluiten worden zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd.

Artikel 41. Bijlagen

De bijlagen bij dit Protocol maken deel uit van dit Protocol.

Artikel 42. Tenuitvoerlegging

De Gemeenschap en de ACS-staten nemen, ieder voor zich, de maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit Protocol.

PROTOCOL 3 betreffende ACS-suiker

Artikel 1

Binnen de in artikel 2 vastgestelde grenzen worden de douanerechten, andere dan de ad-valoremrechten, op rund- en kalfsvlees van oorsprong uit de ACS-Staten met 92 % verlaagd.

Artikel 4

Indien een van de in artikel 2 genoemde ACS-Staten in een bepaald jaar niet in staat is de totale toegestane hoeveelheid te leveren en niet in aanmerking wenst te komen voor de in artikel 3 bedoelde maatregelen, kan de Commissie het ontbrekende quantum over de andere betrokken ACS-Staten verdelen. In dat geval stellen de betrokken ACS-Staten de Commissie, uiterlijk op 1 september van het betrokken jaar, de ACS-Staat of ACS-Staten voor die een extra hoeveelheid kunnen leveren, terwijl zij ook vermelden welke ACS-Staat niet in staat is het totale hem toegewezen quantum te leveren, met dien verstande dat deze nieuwe tijdelijke toewijzing de aanvankelijke hoeveelheden niet mag wijzigen.

De Commissie ziet erop toe dat uiterlijk op 15 november een besluit zal zijn genomen.

Artikel 5

De uitvoering van dit Protocol geschiedt in het kader van het beheer van de gemeenschappelijke marktordening in de sector rund- en kalfsvlees, hetgeen echter geen invloed mag hebben op de verbintenissen van de Gemeenschap uit hoofde van dit Protocol.

Artikel 6

Bij toepassing van de in artikel 8, lid 1, van de bijlage betreffende de handelsregeling die tijdens de voorbereidingsperiode van toepassing is opgenomen vrijwaringsclausule op de sector rund- en kalfsvlees, neemt de Gemeenschap de nodige maatregelen om de uitvoer van de ACS-Staten naar de Gemeenschap te handhaven op een niveau dat verenigbaar is met de verbintenissen uit hoofde van dit Protocol.

Artikel 1

De ACS en de EU erkennen het zeer grote economische belang dat de bananenleveranciers in de ACS-Staten hebben bij de uitvoer van hun product naar de EU-markt. De EU stemt ermee in te onderzoeken welke maatregelen zo nodig genomen moeten worden om ervoor te zorgen dat deze leveranciers hun bananen kunnen blijven uitvoeren en op de markt van de Gemeenschap kunnen blijven afzetten.

Artikel 2

Elke betrokken ACS-Staat en de Gemeenschap zullen onderling overleg plegen om na te gaan welke maatregelen moeten worden genomen om de voorwaarden voor de productie en de afzet van bananen te verbeteren. Dit doel zal worden nagestreefd met alle middelen waarin de Overeenkomst voorziet uit hoofde van de financiële, technische, industriële en regionale samenwerking en samenwerking op het gebied van de landbouw. Deze maatregelen zullen zodanig zijn dat de ACS-Staten, en met name Somalië, hun concurrentievermogen kunnen verbeteren, gelet op de situatie van ieder van die staten. Er zullen maatregelen worden genomen voor alle stadia tussen productie en verbruik en met name de volgende:

  • –. verbetering van de productievoorwaarden en de kwaliteit door acties op het gebied van onderzoek, oogst, verpakking, laden en lossen;
  • –. vervoer en opslag;
  • –. marketing en handelsbevordering.

Artikel 3

Om deze doeleinden te bereiken komen beide partijen overeen overleg te plegen in een permanente gemengde groep, bijgestaan door een groep deskundigen, die tot taak heeft de specifieke problemen die onder hun aandacht worden gebracht doorlopend te bestuderen.

Artikel 4

Indien de bananenproducerende ACS-Staten besluiten een gemeenschappelijke organisatie op te richten om deze doelstellingen na te streven, zal de Gemeenschap deze organisatie steunen en de verzoeken in overweging nemen die eventueel tot haar worden gericht ter ondersteuning van de werkzaamheden van die organisatie die passen in het kader van de regionale programma's uit hoofde van de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering.

Volgende lijsten bevatten de namen van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-Staten.

MINST ONTWIKKELDE ACS-STATEN

Artikel 1

In het kader van deze Overeenkomst worden als minst ontwikkelde ACS-Staten beschouwd:

Angola Mozambique
Benin Niger
Burkina Faso Rwanda
Burundi Samoa
Kaapverdië SaoTomé en Principe
Centraal-Afrikaanse Republiek Sierra Leone
Tsjaad Salomonseilanden
Comoren Somalië
Democratische Republiek Congo Sudan
Djibouti Tanzania
Ethiopië Tuvalu
Eritrea Togo
Gambia Uganda
Guinee Vanuatu
Guinee-Bissau Zambia
Equatoriaal-Guinea
Haïti
Kiribati
Lesotho
Liberia
Malawi
Mali
Mauritanië
Madagaskar

NIET AAN ZEE GRENZENDE ACS-STATEN

Artikel 2

Er zijn specifieke bepalingen en maatregelen vastgesteld om de niet aan zee grenzende ACS-Staten te steunen in hun streven de geografische moeilijkheden en belemmeringen die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen.

Artikel 3

De niet aan zee grenzende ACS-staten zijn:

Botswana Mali
Burkina Faso Niger
Burundi Rwanda
Centraal-Afrikaanse Republiek Swaziland
Tsjaad Uganda
Ethiopië Zambia
Lesotho Zimbabwe
Malawi

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

De insulaire ACS-Staten zijn:

Antigua en Barbuda Micronesië
Bahama’s Nauru
Barbados Niue
Kaapverdië Palau
Comoren Papoea-Nieuw-Guinea
Cookeilanden Saint Kitts en Nevis
Dominica Saint Lucia
Dominicaanse Republiek Saint Vincent en de Grenadines
Fiji Samoa
Grenada Sao Tomé en Principe
Haïti Seychellen
Jamaica Salomonseilanden
Kiribati Tonga
Madagaskar Trinidad en Tobago
Marshalleilanden Tuvalu
Mauritius Vanuatu

Volgende lijsten bevatten de namen van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-Staten.

Artikel 1

In het kader van deze Overeenkomst worden als minst ontwikkelde ACS-Staten beschouwd:

Angola Mozambique
Benin Niger
Burkina Faso Rwanda
Burundi Samoa
Kaapverdië SaoTomé en Principe
Centraal-Afrikaanse Republiek Sierra Leone
Tsjaad Salomonseilanden
Comoren Somalië
Democratische Republiek Congo Sudan
Djibouti Tanzania
Ethiopië Tuvalu
Eritrea Togo
Gambia Uganda
Guinee Vanuatu
Guinee-Bissau Zambia
Equatoriaal-Guinea
Haïti
Kiribati
Lesotho
Liberia
Malawi
Mali
Mauritanië
Madagaskar

Artikel 2

Er zijn specifieke bepalingen en maatregelen vastgesteld om de niet aan zee grenzende ACS-Staten te steunen in hun streven de geografische moeilijkheden en belemmeringen die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen.

Artikel 3

De niet aan zee grenzende ACS-staten zijn:

Botswana Mali
Burkina Faso Niger
Burundi Rwanda
Centraal-Afrikaanse Republiek Swaziland
Tsjaad Uganda
Ethiopië Zambia
Lesotho Zimbabwe
Malawi

Artikel 4

Er zijn specifieke bepalingen en maatregelen vastgesteld om de insulaire ACS-Staten te steunen in hun streven de natuurlijke en geografische moeilijkheden en andere belemmeringen die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen.

Artikel 5

De insulaire ACS-Staten zijn:

Antigua en Barbuda Micronesië
Bahama’s Nauru
Barbados Niue
Kaapverdië Palau
Comoren Papoea-Nieuw-Guinea
Cookeilanden Saint Kitts en Nevis
Dominica Saint Lucia
Dominicaanse Republiek Saint Vincent en de Grenadines
Fiji Samoa
Grenada Sao Tomé en Principe
Haïti Seychellen
Jamaica Salomonseilanden
Kiribati Tonga
Madagaskar Trinidad en Tobago
Marshalleilanden Tuvalu
Mauritius Vanuatu

HOOFDSTUK 3. OFFICIËLE MEDEDELINGEN

Artikel 6

Voor hun officiële mededelingen en het overbrengen van al hun documenten genieten de Europese Gemeenschap, de gezamenlijke instellingen van de Overeenkomst en de coördinatieorganen op het grondgebied van de Staten die partij zijn bij de Overeenkomst, dezelfde behandeling als de internationale organisaties.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van de Europese Gemeenschap, van de gezamenlijke instellingen van de Overeenkomst en van de coördinatieorganen mogen niet aan censuur worden onderworpen.

HOOFDSTUK 1. PERSONEN DIE DEELNEMEN AAN DE WERKZAAMHEDEN MET BETREKKING TOT DE OVEREENKOMST

Artikel 7

1.

In de Staat waar de Raad van ACS-Ministers is gevestigd, genieten de secretaris of secretarissen, de adjunct-secretaris of adjunct-secretarissen alsmede de andere door de ACS-Staten aan te wijzen permanente hooggeplaatste personeelsleden van de Raad van ACS-Ministers, onder verantwoordelijkheid van de fungerend voorzitter van het Comité van Ambassadeurs, de voordelen die worden toegekend aan de leden van het diplomatieke personeel van de diplomatieke missies. Hun echtgenoten en minderjarige kinderen met wie zij in gezinsverband leven, genieten onder dezelfde voorwaarden de voordelen die aan de echtgenoten en minderjarige kinderen van diplomatiek personeel worden toegekend.

2.

De niet in lid 1 genoemde statutaire ACS-personeelsleden worden door het gastland vrijgesteld van elke belasting op de salarissen, emolumenten en vergoedingen die hun door de ACS-Staten worden uitbetaald en dit vanaf de dag waarop deze inkomsten aan een belasting ten bate van de ACS-Staten worden onderworpen.

Deze bepaling is niet van toepassing op de door het ACS-secretariaat aan zijn gewezen personeelsleden of hun rechtverkrijgenden uitbetaalde pensioenen en renten, noch op de aan zijn plaatselijke functionarissen uitgekeerde salarissen, emolumenten en vergoedingen.

Artikel 8

De Staat waar de Raad van ACS-Ministers is gevestigd, verleent aan de andere dan de in artikel 7, lid 1, bedoelde permanente personeelsleden van het secretariaat van de ACS-Staten slechts vrijstelling van rechtsvervolging voor daden die zij in hun officiële hoedanigheid en binnen de grenzen van hun ambtsbevoegdheden stellen. Deze vrijstelling geldt evenwel niet in geval van verkeersovertredingen door een permanent personeelslid van het secretariaat van de ACS-Staten of van schade veroorzaakt door een hem toebehorend of door hem bestuurd motorvoertuig.

Artikel 9

Naam, hoedanigheid en adres van de fungerend voorzitter van het Comité van Ambassadeurs, van de secretaris of secretarissen, de adjunct-secretaris of adjunct-secretarissen van de Raad van ACS-Ministers alsmede van de permanente personeelsleden van het secretariaat van de ACS-Staten worden op gezette tijden door de Voorzitter van de Raad van ACS-Ministers aan de Regering van de Staat waar deze Raad is gevestigd, medegedeeld.

HOOFDSTUK 5. DELEGATIES VAN DE COMMISSIE

Artikel 10

1.

Het hoofd van de delegatie van de Commissie en het gemandateerde personeel van de delegatie, met uitzondering van het plaatselijk aangeworven personeel, zijn vrijgesteld van elke belastingheffing in de ACS-Staat waar zij zijn gevestigd.

2.

De in lid 1 bedoelde personeelsleden komen eveneens in aanmerking voor het bepaalde in artikel 31, lid 2, onder g), en in bijlage IV, hoofdstuk 4.

HOOFDSTUK 3. OFFICIËLE MEDEDELINGEN

Artikel 11

De in dit Protocol bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de begunstigden uitsluitend in het belang van hun officiële ambt verleend.

De in dit Protocol bedoelde instellingen en organen moeten van de immuniteit afzien in alle gevallen waarin opheffing van de immuniteit naar hun mening niet strijdig is met hun belangen.

Artikel 12

Artikel 98 van de Overeenkomst is van toepassing op de geschillen betreffende dit Protocol. De Raad van ACS-Ministers en de Europese Investeringsbank kunnen tijdens een arbitrageprocedure partij zijn in een zaak.

Artikel 1. Gekwalificeerde status

1.

Zuid-Afrika neemt aan deze Overeenkomst deel onder de in dit protocol omschreven voorwaarden.

2.

De bepalingen van de te Pretoria op 11 oktober 1999 ondertekende bilaterale overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap, haar lidstaten en Zuid-Afrika, hierna de „TDCA” (Trade and Development Co-operation Agreement between the European Community, its Member States and South Africa) genoemd, prevaleren boven de bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 2. Algemene bepalingen, politieke dialoog en gezamenlijke instellingen

1.

De algemene en institutionele bepalingen evenals de slotbepalingen van deze Overeenkomst zijn op Zuid-Afrika van toepassing.

2.

Zuid-Afrika wordt volledig betrokken bij de algemene politieke dialoog en in de werking van de in het kader van deze Overeenkomst opgezette gezamenlijke instellingen en organen. Zuid-Afrika neemt evenwel niet deel aan het besluitvormingsproces ten aanzien van besluiten die moeten worden genomen met betrekking tot bepalingen welke op grond van dit protocol niet op Zuid-Afrika van toepassing zijn.

Artikel 3. Samenwerkingsstrategieën

De bepalingen inzake samenwerkingsstategieën van deze Overeenkomst zijn van toepassing op de samenwerking tussen de EG en Zuid-Afrika.

Artikel 4. Financiële middelen

1.

De bepalingen van deze Overeenkomst betreffende de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering zijn niet van toepassing op Zuid-Afrika.

2.

In afwijking van dit beginsel heeft Zuid-Afrika evenwel het recht aan de ACS-EG-samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering deel te nemen op de gebieden vermeld in artikel 8, met dien verstande dat de deelname van Zuid-Afrika volledig wordt gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien onder Titel VII van de TDCA. Voor zover TDCA-middelen worden aangewend voor het deelnemen aan maatregelen in het kader van de ACS-EG-samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering heeft Zuid-Afrika het recht volwaardig deel te nemen aan de besluitvormingsprocedures betreffende de tenuitvoerlegging van bedoelde steunmaatregelen.

3.

Zuid-Afrikaanse natuurlijke personen en rechtspersonen komen in aanmerking voor het toegewezen krijgen van contracten welke worden gefinancierd uit de middelen waarin deze Overeenkomst voorziet. Met betrekking daartoe worden aan Zuid-Afrikaanse natuurlijke personen en rechtspersonen echter niet dezelfde preferenties verleend als aan natuurlijke personen en rechtspersonen van de ACS-Staten.

Artikel 5. Commerciële samenwerking

1.

De bepalingen van deze Overeenkomst betreffende economische en commerciële samenwerking zijn niet van toepassing op Zuid-Afrika.

2.

Zuid-Afrika wordt niettemin als waarnemer betrokken bij de dialoog tussen de overeenkomstsluitende partijen zoals bedoeld in artikelen 34 tot en met 40 van deze Overeenkomst.

3.

Dit protocol vormt voor Zuid-Afrika geen beletsel voor onderhandelingen over en ondertekening van een economische partnerschapsovereenkomst (EPO) als bedoeld in deel 3, titel II, van deze Overeenkomst, als de andere partijen bij die EPO daarmee akkoord gaan.

Artikel 6. Toepasselijkheid van protocollen en verklaringen

De aan deze overeenkomst gehechte protocollen en verklaringen betreffende niet op Zuid-Afrika toepasselijke gedeelten van de Overeenkomst, zijn niet op Zuid-Afrika van toepassing. Alle andere verklaringen en protocollen zijn op Zuid-Afrika van toepassing.

Artikel 7. Herzieningsclausule

Dit protocol kan bij besluit van de Raad van Ministers worden herzien.

Artikel 8. Toepasselijkheid

Onverminderd het bepaalde in voorgaande artikelen worden in volgende tabel de op Zuid-Afrika toepasselijke en niet toepasselijke artikelen van de Overeenkomst en haar bijlagen aangegeven.

Toepasselijk Opmerkingen Niet toepasselijk
Preambule
Deel 1, Titel I, Hoofdstuk 1: „Doeleinden, beginselen en actoren” (artikelen 1–7)
Deel 1, Titel II, „De politieke dimensie” artikelen 8–13
Deel 2, „Institutionele bepalingen”; artikelen 14–17 Overeenkomstig artikel 2 van dit protocol heeft Z-A in de gezamenlijke instellingen en organen geen stemrecht ten aanzien van besluiten die moeten worden genomen met betrekking tot bepalingen van de Overeenkomst welke niet op Z-A van toepassing zijn.
Deel 3, Titel I, „Ontwikkelingsstrategiën”.
Overeenkomstig artikel 5 wordt Zuid-Afrika als waarnemer betrokken bij de dialoog tussen de overeenkomstsluitende partijen zoals bedoeld in artikelen 34 tot en met 40. Deel 3, Titel II, Economische en commerciële samenwerking.
Artikel 75.i (Bevordering van investeringen, steun voor de dialoog in het particuliere bedrijfsleven op regionaal niveau en tussen ACS en EU), Artikel 78 (Bescherming van investeringen) Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika het recht op bepaalde gebieden aan de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering deel te nemen, met dien verstande dat de deelname volledig wordt gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien onder Titel VII van de TDCA. Overeenkomstig artikel 2 wordt Zuid-Afrika volledig betrokken bij de werkzaamheden van het bij artikel 83 opgerichte ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering zonder evenwel stemrecht te hebben met betrekking tot de bepalingen welke op Zuid-Afrika niet van toepassing zijn. Deel 4, Samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering
Deel 5, Algemene bepalingen betreffende de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-Staten, artikelen 84–90
Deel 6, Slotbepalingen, artikelen 91–100
Bijlage I (Financieel protocol)
Bijlage II, Financieringsvoorwaarden, Hoofdstuk 5 (link met artikel 78 / bescherming van investeringen) Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika het recht op bepaalde gebieden aan de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering deel te nemen, met dien verstande dat de deelname volledig wordt gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien onder Titel VII van de TDCA. Bijlage II,Financieringsvoorwaarden, Hoofdstukken 1, 2, 3 en 4
Bijlage III Institutionele ondersteuning (COD en TCLP) Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika het recht op bepaalde gebieden aan de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering deel te nemen, met dien verstande dat de deelname volledig wordt gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien onder Titel VII van de TDCA.
Bijlage IV, Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer: artikelen 6–14, (Regionale samenwerking) artikelen20–32 (Concurrentie en preferenties) Overeenkomstig artikel 4 heeft Zuid-Afrika, voor zover TDCA-middelen worden aangewend voor het deelnemen aan maatregelen in het kader van de ACS-EG-samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, het recht volwaardig deel te nemen aan de besluitvormingsprocedures betreffende de tenuitvoerlegging van bedoelde steunmaatregelen. Zuid-Afrikaanse natuurlijke personen en rechtspersonen komen bovendien in aanmerking voor het toegewezen krijgen van contracten welke worden gefinancierd uit de middelen waarin de Overeenkomst voorziet. Met betrekking daartoe worden aan Zuid-Afrikaanse inschrijvers echter niet dezelfde preferenties verleend als aan die uit de ACS-Staten. Bijlage IV, artikelen 1–5 (nationale programmering); 15–19 (bepalingen betreffende projectcyclus), 27 (preferenties voor ACS-contractanten)en 34–38 (Uitvoerende instanties)
Bijlage V / Handelsregeling tijdens de voorbereidingsperiode
Bijlage VI; Lijsten van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-Staten

De gevolmachtigden van:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

De President van de Bondsrepubliek Duitsland,

De President van de Helleense Republiek,

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

De President van de Franse Republiek,

De President van Ierland,

De President van de Italiaanse Republiek,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

De Federale President van de Republiek Oostenrijk,

De President van de Portugese Republiek,

De President van de Republiek Finland,

De Regering van het Koninkrijk Zweden,

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal en bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap” genoemd, wier staten hierna „de lidstaten” worden genoemd,

en van de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en

de gevolmachtigden van:

De President van de Republiek Angola,

Hare Majesteit de Koningin van Antigua en Barbuda,

Het Staatshoofd van het Gemenebest van de Bahama's,

Het Staatshoofd van Barbados,

Hare Majesteit de Koningin van Belize,

De President van de Republiek Benin,

De President van de Republiek Botswana,

De President van Burkina Faso,

De President van de Republiek Boeroendi,

De President van de Republiek Kameroen,

De President van de Republiek Kaapverdië,

De President van de Centraal-Afrikaanse Republiek,

De President van de Republiek Tsjaad,

De President van de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren,

De President van de Democratische Republiek Congo,

De President van de Republiek Congo,

De Regering van de Cookeilanden,

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)