Maritiem arbeidsverdrag, 2006

Type Verdrag
Publication 2024-12-23
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
    1. Wanneer een schip van vlag wisselt, als bedoeld in het veertiende lid, onderdeel c, van norm A5.1.3, en beide betrokken Staten dit Verdrag hebben bekrachtigd, zou het Lid waarvan het schip voorheen de vlag voerde, zo spoedig mogelijk aan de bevoegde autoriteit van het andere Lid afschriften van het certificaat maritieme arbeid en de verklaring naleving maritieme arbeid die vóór de verandering van vlag aan boord van het schip aanwezig waren en, indien van toepassing, afschriften van de relevante inspectierapporten moeten toezenden aan de bevoegde autoriteit van het andere Lid, indien de bevoegde autoriteit daarom binnen drie maanden nadat de verandering van vlag heeft plaatsgevonden, verzoekt.

Voorschrift 5.1.4. – Inspectie en handhaving

1.

Elk Lid moet, door middel van een doeltreffend en gecoördineerd systeem van regelmatige inspecties, monitoring en andere controlemaatregelen verifiëren of schepen die zijn vlag voeren de vereisten van dit Verdrag als geïmplementeerd in de nationale wet- en regelgeving, naleven.

2.

Gedetailleerde vereisten met betrekking tot de in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde inspectie- en handhavingssysteem zijn uitgewerkt in Deel A van de Code.

Norm A5.1.4 – Inspectie en handhaving

    1. Elk Lid hanteert een systeem voor inspectie van de omstandigheden voor zeevarenden op schepen die zijn vlag voeren; in dit systeem moet toezicht zijn opgenomen of de in de verklaring naleving maritieme arbeid opgenomen maatregelen met betrekking tot de werk- en leefomstandigheden, waar van toepassing, worden nageleefd, en of aan de vereisten van dit Verdrag wordt voldaan.
    1. De bevoegde autoriteit moet een voldoende aantal gekwalificeerde inspecteurs aanwijzen ter nakoming van zijn verantwoordelijkheden uit hoofde van het eerste lid van deze norm. Wanneer erkende organisaties toestemming hebben verkregen voor het verrichten van inspecties, verlangt het Lid dat personeel dat de inspectie uitvoert gekwalificeerd is om deze taken te verrichten en moet het Lid hen de nodige wettelijke bevoegdheid voor de uitoefening van hun taken verschaffen.
    1. De nodige maatregelen moeten worden getroffen om te waarborgen dat de inspecteurs de benodigde of wenselijke opleiding, competentie, opdracht, bevoegdheden, status en onafhankelijkheid hebben zodat zij in staat zijn de verificatie uit te voeren en de in het eerste lid van deze norm bedoelde naleving te waarborgen.
    1. Deze inspecties moeten plaatsvinden overeenkomstig de in norm A5.1.3 vereiste tussenpozen. Het tijdvak tussen de inspecties mag in geen geval meer dan drie jaar bedragen.
    1. Indien een Lid een klacht ontvangt en deze niet kennelijk ongegrond acht of bewijs verkrijgt dat een schip dat zijn vlag voert niet aan de vereisten van dit Verdrag voldoet of dat er ernstige tekortkomingen zijn in de uitvoering van de maatregelen als omschreven in de verklaring naleving maritieme arbeid, neemt het Lid de nodige stappen om de zaak te onderzoeken en ervoor zorgdragen dat maatregelen worden genomen om de geconstateerde tekortkomingen weg te nemen.
    1. Elk Lid moet passende maatregelen treffen en deze op doeltreffende wijze handhaven teneinde te waarborgen dat de inspecteurs een zodanige status en een zodanig mandaat hebben dat zij onafhankelijk zijn van regeringswisselingen en van onbehoorlijke invloeden van buitenaf.
    1. Inspecteurs die duidelijke aanwijzingen hebben ontvangen met betrekking tot de uit te voeren taken en zijn voorzien van het juiste legitimatiebewijs moeten de volgende bevoegdheden hebben:
  • a. aan boord van een schip te gaan dat de vlag van het Lid voert;
  • b. elke ondervraging, elke proef of elk onderzoek te verrichten, die of dat zij noodzakelijk achten om zich ervan te kunnen vergewissen of de normen strikt worden nageleefd; en
  • c. te verlangen dat tekortkomingen worden verholpen en, wanneer zij redenen hebben om aan te nemen dat de tekortkomingen een ernstige schending van de vereisten van dit Verdrag vormen (met inbegrip van de rechten van zeevarenden), of een zwaarwegend gevaar vormen voor de veiligheid, de gezondheid of de beveiliging van zeevarenden, een schip te verbieden de haven te verlaten totdat de noodzakelijke maatregelen zijn genomen.
    1. Ten aanzien van elke handeling genomen uit hoofde van het zevende lid, onderdeel c, van deze norm moet er de mogelijkheid zijn van beroep en bezwaar hiertegen aan te tekenen bij een rechterlijke of bestuursrechtelijke autoriteit.
    1. Inspecteurs hebben de nodige discretionaire bevoegdheid om advies te geven in plaats van een procedure in te stellen of aan te bevelen wanneer er geen duidelijke schending van de vereisten van dit Verdrag is waardoor de veiligheid, gezondheid of beveiliging van de betrokken zeevarenden in gevaar komt en wanneer er geen precedenten van soortgelijke schendingen bestaan.
    1. Inspecteurs moeten de bron van alle grieven of klachten over een gevaar of gebrek met betrekking tot de werk- en leefomstandigheden van zeevarenden of over een inbreuk op de wet- en regelgeving vertrouwelijk behandelen en mogen aan de reder, diens vertegenwoordiger of de exploitant van het schip niet laten blijken dat een inspectie heeft plaatsgevonden naar aanleiding van dergelijke grieven of klachten.
    1. Aan de inspecteurs mogen geen taken worden opgedragen die, vanwege hun aantal of aard, een doeltreffende inspectie in de weg zouden kunnen staan of op enige wijze hun gezag of onpartijdigheid in hun contacten met reders, zeevarenden of andere betrokken partijen zouden kunnen aantasten. In het bijzonder mogen inspecteurs:
  • a. geen direct of indirect belang hebben bij de activiteiten die zij moeten inspecteren; en
  • b. mogen inspecteurs op straffe van passende sancties of disciplinaire maatregelen, zelfs na het verlaten van de dienst, geen handelsgeheimen of vertrouwelijke arbeidsprocessen of informatie van persoonlijke aard bekendmaken, waarvan zij kennis hebben gekregen bij de uitoefening van hun taken.
    1. Van elke uitgevoerde inspectie leggen de inspecteurs een inspectierapport voor aan de bevoegde autoriteit. Van het inspectierapport wordt een afschrift in het Engels of in de voertaal van het schip aan de kapitein overhandigd en wordt een afschrift ter informatie van de zeevarenden opgehangen op het mededelingenbord van het schip en, op verzoek, aan hun vertegenwoordigers gezonden.
    1. De bevoegde autoriteit van elk Lid houdt een register bij van de inspecties van de omstandigheden voor zeevarenden op schepen die zijn vlag voeren. Zij publiceert binnen een redelijke termijn na het einde van het jaar, doch uiterlijk zes maanden daarna, een jaarverslag met betrekking tot de inspectiewerkzaamheden.
    1. In geval van een onderzoek naar aanleiding van een ernstig ongeval wordt het rapport zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk één maand na afsluiting van het onderzoek, bij de bevoegde autoriteit ingediend.
    1. Wanneer een inspectie wordt verricht of maatregelen worden genomen op grond van deze norm, wordt al het redelijke gedaan om te voorkomen dat een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd.
    1. In overeenstemming met de nationale wet- en regelgeving is vergoeding verschuldigd voor eventuele verliezen of schade geleden als gevolg van de onrechtmatige uitoefening van de bevoegdheden door de inspecteur. De bewijslast ligt in alle gevallen bij de klager.
    1. Elk Lid draagt er zorg voor dat passende sancties en andere corrigerende maatregelen worden ingesteld en gehandhaafd bij schendingen van de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden) en bij het hinderen van inspecteurs bij de uitoefening van hun taken.

Leidraad B5.1.4 – Inspectie en handhaving

    1. De bevoegde autoriteit en elke andere dienst of autoriteit die geheel of ten dele betrokken is bij de inspectie van de werk- en leefomstandigheden van zeevarenden, zou over de nodige middelen moeten beschikken om hun functie te vervullen. In het bijzonder:
  • a. zou elk Lid de nodige maatregelen moeten treffen opdat, wanneer zulks nodig is, naar behoren gekwalificeerde technisch deskundigen en specialisten kunnen worden ingeschakeld om de inspecteurs bij te staan bij de uitoefening van hun werkzaamheden; en
  • b. zouden inspecteurs de beschikking moeten hebben over een gunstig gelegen werkruimte, uitrusting en transportmiddelen voor de doelmatige uitvoering van hun taken.
    1. De bevoegde autoriteit zou beleidsregels inzake naleving en handhaving moeten ontwikkelen om de consistentie te waarborgen en om te voorzien in een leidraad voor de inspectie- en handhavingsactiviteiten die met dit Verdrag verband houden. Afschriften van deze beleidsregels moeten aan alle inspecteurs en desbetreffende rechtshandhavers worden verstrekt en aan het publiek, reders en zeevarenden ter beschikking worden gesteld.
    1. De bevoegde autoriteit zou eenvoudige procedures moeten instellen teneinde informatie in vertrouwelijkheid te kunnen ontvangen met betrekking tot mogelijke inbreuken op de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden), die rechtstreeks door zeevarenden of door vertegenwoordigers van zeevarenden wordt verstrekt, en inspecteurs toestaan deze zaken onverwijld te onderzoeken, met inbegrip van:
  • a. het in staat stellen van kapiteins, zeevarenden of vertegenwoordigers van zeevarenden om een inspectie te verzoeken wanneer zij dit nodig achten; en
  • b. het verstrekken van technische informatie en adviezen aan de betrokken reders, zeevarenden en organisaties wat betreft de meest doeltreffende middelen voor de naleving van de vereisten van dit Verdrag en voor het realiseren van voortdurende verbetering van de omstandigheden van zeevarenden aan boord.
    1. Er zouden volledig opgeleide en voldoende inspecteurs moeten zijn om op doeltreffende wijze hun taken te kunnen uitoefenen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met:
  • a. het belang van de taken die de inspecteurs moeten verrichten, met name het aantal, het soorten de grootte van de te inspecteren schepen, alsmede het aantal en de complexiteit van de wettelijke bepalingen die gehandhaafd moeten worden;
  • b. de middelen die de inspecteurs ter beschikking staan; en
  • c. de praktische omstandigheden waaronder de inspecties moeten worden uitgevoerd teneinde doeltreffend te kunnen zijn.
    1. Onverminderd de voorwaarden die de nationale wet- en regelgeving kan stellen aan de werving voor de overheidsdienst, zouden inspecteurs gekwalificeerd moeten zijn en een adequate opleiding hebben genoten om hun taken uit te oefenen zo mogelijk een maritieme opleiding hebben genoten of ervaring als zeevarende hebben. Zij zouden voldoende kennis moeten bezitten van de werk- en leefomstandigheden van zeevarenden en van de Engelse taal.
    1. Er zouden maatregelen moeten worden getroffen voor passende verdere trainingen van de inspecteurs gedurende hun aanstelling.
    1. Alle inspecteurs zouden een goed inzicht moeten hebben van de omstandigheden waaronder een inspectie zou moeten worden uitgevoerd, van de reikwijdte van de uit te voeren inspectie onder uiteenlopende omstandigheden en van de algemene werkwijze bij inspecties.
    1. Inspecteurs voorzien van het juiste legitimatiebewijs volgens het nationale recht zouden ten minste de bevoegdheid moeten hebben om:
  • a. zich ongehinderd en zonder voorafgaande kennisgeving aan boord van schepen te begeven; bij de aanvang van de inspectie van het schip moeten inspecteurs de kapitein of de verantwoordelijke persoon en, indien van toepassing, de zeevarenden of hun vertegenwoordigers evenwel van hun aanwezigheid in kennis stellen.
  • b. de kapitein, zeevarenden of elk andere persoon, waaronder begrepen de reder of diens vertegenwoordiger te ondervragen over elke aangelegenheid met betrekking tot de toepassing van de vereisten uit hoofde van de wet- en regelgeving, in tegenwoordigheid van een getuige waarom de desbetreffende persoon heeft verzocht;
  • c. de overlegging te vorderen van alle boeken, logboeken, registers, certificaten of andere documenten of informatie die rechtstreeks betrekking hebben op te inspecteren zaken, teneinde de naleving van de wet- en regelgeving ter uitvoering van dit Verdrag te verifiëren;
  • d. erop toe te zien dat de ter uitvoering van dit Verdrag ingevolge de nationale wet- en regelgeving vereiste kennisgevingen worden opgehangen;
  • e. monsters van producten, lading, drinkwater, proviand, materialen en stoffen die worden gebruikt of bewerkt, te nemen of mee te nemen voor analyse;
  • f. na een inspectie tekortkomingen die gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid en veiligheid van de opvarenden onmiddellijk onder de aandacht te brengen van de reder, de beheerder van het schip of de kapitein;
  • g. de bevoegde autoriteit en, indien van toepassing, de erkende organisatie op de hoogte te brengen van de tekortkomingen of het misbruik waarin de bestaande wet- en regelgeving niet specifiek voorzien en hen voorstellen te doen voor de verbetering van de wet- en regelgeving; en
  • h. de bevoegde autoriteit op de hoogte te brengen van alle arbeidsongevallen of beroepsziekten bij zeevarenden in de gevallen en op de wijzen bepaald in de nationale wet- en regelgeving.
    1. Wanneer een in het achtste lid, onderdeel e, van deze leidraad bedoeld monster wordt genomen of meegenomen, zou de reder of de vertegenwoordiger van de reder en, in voorkomend geval, een zeevarende, hiervan in kennis moeten worden gesteld of zou aanwezig moeten zijn op het tijdstip waarop het monster wordt genomen of meegenomen. De inspecteur zou de hoeveelheid van het monster naar behoren moeten registreren.
    1. Het door de bevoegde autoriteit van elk Lid gepubliceerde jaarverslag ten aanzien van schepen die zijn vlag voeren, zou het volgende moeten omvatten:
  • a. een lijst met van kracht zijnde wet- en regelgeving betreffende de werk- en leefomstandigheden van zeevarenden en alle wijzigingen die in het lopende jaar van kracht zijn geworden;
  • b. gegevens met betrekking tot de structuur van het inspectiesysteem;
  • c. statistieken van schepen of andere objecten die voor inspectie in aanmerking komen en van schepen en andere ruimten die daadwerkelijk zijn geïnspecteerd;
  • d. statistieken over alle zeevarenden, met inachtneming van de nationale wet- en regelgeving;
  • e. statistieken en informatie betreffende inbreuken op de wetgeving, opgelegde sancties en gevallen van aanhouding van schepen; en
  • f. statistieken van gerapporteerde arbeidsongevallen en beroepsziekten bij zeevarenden.

Voorschrift 5.1.5. – Klachtenprocedures aan boord

1.

Elk Lid verlangt dat aan boord van schepen die zijn vlag voeren procedures gelden voor de eerlijke, doeltreffende en snelle behandeling van klachten van zeevarenden ter zake van inbreuken op de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden).

2.

Elk Lid verbiedt en bestraft elke vorm van represailles tegen een zeevarende vanwege het indienen van een klacht.

3.

De bepalingen van dit voorschrift en de hieraan gerelateerde onderdelen van de Code doen geen afbreuk aan het recht van een zeevarende verhaal te zoeken via elk door de zeevarende geschikt geacht rechtsmiddel.

Norm A5.1.5 – Klachtenprocedures aan boord

    1. Onverminderd de eventueel ruimere reikwijdte die in de nationale wet- en regelgeving of in collectieve overeenkomsten kan worden toegekend, kunnen de klachtenprocedures aan boord door een zeevarende worden gebruikt om klachten in te dienen met betrekking tot elke aangelegenheid die vermoedelijk een inbreuk op de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden) inhoudt.
    1. Elk Lid draagt zorg dat in zijn nationale wet- en regelgeving passende klachtenprocedures voor klachten aan boord zijn opgenomen om te voldoen aan de vereisten van voorschrift 5.1.5. Deze procedures moeten gericht zijn op het oplossen van klachten op het laagst mogelijke niveau. Zeevarenden hebben evenwel het recht in alle gevallen rechtstreeks bij de kapitein een klacht in te dienen en, wanneer zij zulks nodig achten, bij toepasselijke buitenlandse autoriteiten.
    1. In de klachtenprocedures aan boord zijn opgenomen het recht voor de zeevarende zich tijdens de klachtenprocedure door iemand te laten vergezellen of vertegenwoordigen, en beveiligingen tegen eventuele represailles tegen zeevarenden vanwege het indienen van klachten. De term „represailles” omvat elke nadelige handeling die door enig persoon ten aanzien van een zeevarende wordt genomen vanwege het feit dat deze een klacht heeft ingediend zonder dat zulks kennelijk uit irritatie of of te kwader trouw is geschied.
    1. Naast een afschrift van een arbeidsovereenkomst voor zeevarenden, moet aan alle zeevarenden een afschrift worden overhandigd van de op het schip geldende klachtenprocedures aan boord. Dit omvat contactinformatie voor de bevoegde autoriteit in de vlaggenstaat en, indien deze afwijkt, in het land waar de zeevarende woonachtig is, alsmede de naam van een of meerdere personen aan boord die de zeevarende, in vertrouwen, onpartijdig kunnen adviseren met betrekking tot een klacht en op andere wijze kunnen bijstaan bij de klachtenprocedures die aan boord van het schip ter beschikking staan.

Leidraad B5.1.5 – Klachtenprocedures aan boord

    1. Onverminderd eventuele ter zake dienende bepalingen van een toepassing zijnde collectieve overeenkomst zou de bevoegde autoriteit, in nauw overleg met de organisaties van reders en zeevarenden, een model moeten ontwikkelen voor eerlijke, snelle en goed gedocumenteerde klachtenafhandelingsprocedures aan boord voor alle schepen die de vlag van het Lid voeren. Bij de ontwikkeling van deze procedures zou op de volgende punten moeten worden gelet:
  • a. veel klachten kunnen specifiek betrekking hebben op de personen bij wie de klacht moet worden gedeponeerd of zelfs op de kapitein van het schip. In alle gevallen zouden zeevarenden tevens een klacht rechtstreeks bij de kapitein of extern moeten kunnen indienen; en
  • b. teneinde represailles te helpen voorkomen tegen zeevarenden die klachten indienen over aangelegenheden waarop dit Verdrag van toepassing is, zouden de procedures de benoeming van een persoon aan boord moeten bevorderen die zeevarenden kan adviseren over de hen ter beschikking staande procedures en, op verzoek van een klagende zeevarende, eveneens aanwezig kan zijn bij bijeenkomsten of zittingen die op de klacht betrekking hebben.
    1. De procedures die worden besproken in het in het eerste lid van deze leidraad bedoelde overlegproces zouden ten minste het volgende moeten omvatten:
  • a. klachten zouden moeten worden gericht aan het hoofd van dienst van de zeevarende die de klacht indient of aan de hogere officier van de zeevarende;
  • b. het hoofd van dienst of de hogere officier zou vervolgens moeten trachten de kwestie op te lossen binnen een voorgeschreven termijn die in verhouding staat met de ernst van de desbetreffende kwestie;
  • c. indien het hoofd van dienst of de hogere officier de klacht niet naar de tevredenheid van de zeevarende kan oplossen, kan deze laatste de klacht aan de kapitein voorleggen, die de zaak persoonlijk moet behandelen;
  • d. zeevarenden zouden te allen tijde het recht moeten hebben zich te laten vergezellen en te doen vertegenwoordigen door een andere zeevarende van hun keuze aan boord van het betrokken schip;
  • e. alle klachten en de beslissingen hierover zouden moeten worden geregistreerd en een afschrift hiervan zou aan de desbetreffende zeevarende moeten worden overhandigd;
  • f. indien een klacht niet aan boord kan worden opgelost, zou de zaak naar de reder aan wal moeten worden verwezen, die een passende termijn zou moeten krijgen om de zaak op te lossen, in voorkomend geval in overleg met de betrokken zeevarenden of een persoon die zij kunnen aanwijzen als hun vertegenwoordiger; en
  • g. in alle gevallen zouden zeevarenden het recht moeten hebben hun klachten rechtstreeks bij de kapitein, de reder en de bevoegde autoriteiten in te dienen.

Voorschrift 5.1.6. – Scheepvaartongevallen

1.

Elk Lid stelt een officieel onderzoek in naar elk ernstig scheepvaartongeval dat letsel of overlijden tot gevolg heeft, waarbij een schip dat zijn vlag voert betrokken is. Het eindrapport van een onderzoek wordt als regel openbaar gemaakt.

2.

De Leden werken met elkaar samen ter bevordering van het onderzoek naar de in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde ernstige scheepvaartongevallen.

(Geen bepalingen)

(Geen bepalingen)

Voorschrift 5.2. – Verantwoordelijkheden van de havenstaat

Doel: Elk Lid in staat stellen zijn verantwoordelijkheden ingevolge dit Verdrag met betrekking tot internationale samenwerking bij de uitvoering en handhaving van de verdragsnormen op buitenlandse schepen na te komen

Voorschrift 5.2.1. – Inspecties in de haven

1.

Elk buitenlands schip dat in de normale gang van zaken of ten behoeve van de exploitatie de haven van een Lid aandoet, kan worden geïnspecteerd in overeenstemming met artikel V, vierde lid, ten behoeve van toetsing van de naleving van de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden) met betrekking tot de werk- en leefomstandigheden van zeevarenden aan boord van het schip.

2.

Elk Lid aanvaardt het certificaat maritieme arbeid en de verklaring naleving maritieme arbeid vereist ingevolge voorschrift 5.1.3 als prima facie bewijs van de naleving van de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden). Dienovereenkomstig beperkt de inspectie in zijn havens zich, behoudens onder de in de Code vermelde omstandigheden, tot een beoordeling van het certificaat en de verklaring.

3.

Inspecties in een haven worden verricht door bevoegde functionarissen in overeenstemming met de bepalingen van de Code en andere toepasselijke internationale regelingen die van toepassing zijn op havenstaatcontrole. Dergelijke inspecties worden beperkt tot de verificatie of hetgeen geïnspecteerd is in overeenstemming is met de desbetreffende vereisten vervat in de artikelen en voorschriften van dit Verdrag en uitsluitend in Deel A van de Code.

4.

De inspecties die in overeenstemming met dit voorschrift worden verricht, moeten gebaseerd zijn op een doeltreffend havenstaat inspectie- en monitoringsysteem om te helpen waarborgen dat de werk- en leefomstandigheden van zeevarenden op schepen die een haven van het desbetreffende lid binnenlopen, voldoen aan de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden).

5.

Informatie met betrekking tot het in het vierde lid van dit voorschrift bedoelde systeem, met inbegrip van de gehanteerde methode voor de beoordeling van de doeltreffendheid ervan, moet worden opgenomen in de verslagen van het Lid ingevolge artikel 22 van het Statuut.

Norm A5.2.1 – Inspecties in de haven

    1. Wanneer een bevoegde functionaris, na aan boord te zijn gekomen voor het verrichten van een inspectie en, in voorkomend geval, om het certificaat maritieme arbeid en de verklaring naleving maritieme arbeid te hebben verzocht, constateert dat: kan een uitgebreide inspectie worden verricht om duidelijkheid te verkrijgen over de werk- en leefomstandigheden aan boord van het schip. Een dergelijke inspectie wordt in elk geval uitgevoerd wanneer de werk- en leefomstandigheden waarvan vermoed of beweerd wordt dat deze ontoereikend zijn, een duidelijk gevaar zouden kunnen vormen voor de veiligheid, de gezondheid of beveiliging van zeevarenden of wanneer de bevoegde functionaris redenen heeft om aan te nemen dat bepaalde tekortkomingen een zwaarwegende inbreuk vormen op de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden).
  • a. de vereiste documenten niet worden overgelegd of bijgehouden of onjuist frauduleus worden bijgehouden of dat de overgelegde documenten niet de door dit Verdrag vereiste informatie bevatten of anderszins ongeldig zijn; of
  • b. er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de werk- en leefomstandigheden aan boord niet in overeenstemming zijn met de vereisten van dit Verdrag; of
  • c. er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het schip van vlag is gewisseld met het oogmerk de naleving van dit Verdrag te ontlopen; of
  • d. er een klacht is waarin wordt aangevoerd dat de werk- en leefomstandigheden aan boord niet in overeenstemming zijn met de vereisten van dit Verdrag;
    1. Wanneer door bevoegde functionarissen in de haven van een Lid een grondiger inspectie op een buitenlands schip wordt verricht onder de in het eerste lid, onderdelen a, b of c, van deze norm genoemde omstandigheden, moet deze inspectie in beginsel op de in Appendix A5-III vermelde punten betrekking hebben.
    1. In het geval van een klacht krachtens het eerste lid, onderdeel d, van deze norm is de inspectie in het algemeen beperkt tot aangelegenheden binnen de reikwijdte van de klacht, hoewel een klacht, of het onderzoek hiernaar, duidelijke gronden kan opleveren voor een uitgebreide inspectie in overeenstemming met het eerste lid, onderdeel b, van deze norm. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, van deze norm wordt onder „klacht” verstaan informatie, verstrekt door een zeevarende, een vereniging van beroepsbeoefenaren, een vereniging, een vakbond of, in het algemeen, eenieder die belang heeft bij de veiligheid van het schip, mede waar het gevaren voor de veiligheid of gezondheid van de zeevarenden aan boord betreft.
    1. Wanneer, na een uitgebreide inspectie, de werk- en leefomstandigheden op het schip niet in overeenstemming met de vereisten van dit Verdrag worden bevonden, brengt de bevoegde functionaris de tekortkomingen onverwijld onder de aandacht van de kapitein van het schip, met vermelding van de uiterlijke termijn voor het corrigeren van de tekortkomingen. Ingeval deze tekortkomingen door de bevoegde functionaris als zwaarwegend worden beschouwd, of indien zij betrekking hebben op een klacht ingediend in overeenstemming met het derde lid van deze norm, brengt de bevoegde functionaris de tekortkomingen onder de aandacht van de desbetreffende organisaties van zeevarenden en reders in het Lid waar de inspectie wordt verricht, en kan de bevoegde functionaris:
  • a. een vertegenwoordiger van de vlaggenstaat in kennis stellen;
  • b. de bevoegde autoriteiten van de volgende aanloophaven de relevante informatie verstrekken.
    1. Het Lid waarin de inspectie wordt verricht, heeft het recht een afschrift van het rapport van de functionaris, dat vergezeld moet gaan van een eventueel binnen de voorgeschreven uiterste termijn ontvangen antwoord van de bevoegde autoriteiten van de vlaggenstaat, aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau te zenden met het oog op de nodig en passend geachte maatregelen teneinde te waarborgen dat van deze informatie een register wordt bijgehouden en dat deze onder de aandacht wordt gebracht van partijen die belang zouden kunnen hebben bij de instelling van de desbetreffende beroepsprocedures.
    1. Wanneer, na een grondiger inspectie door een bevoegde functionaris, het schip niet conform de vereisten van dit Verdrag wordt bevonden en: neemt de bevoegde functionaris de nodige stappen om ervoor te zorgen dat het schip geen zee kiest voordat tekortkomingen die binnen de reikwijdte van de onderdelen a of b van dit lid vallen, zijn gecorrigeerd, of totdat de bevoegde functionaris een actieplan ter correctie van deze tekortkomingen heeft aanvaard en ervan overtuigd is dat het plan voortvarend wordt uitgevoerd. Indien het schip niet mag uitvaren, brengt de bevoegde functionaris de vlaggenstaat hiervan onverwijld op de hoogte en verzoekt hij een vertegenwoordiger van de vlaggenstaat, indien mogelijk, aanwezig te zijn die de vlaggenstaat verzoekt binnen een voorgeschreven uiterste termijn te antwoorden. De bevoegde functionaris brengt eveneens onverwijld de desbetreffende organisaties van reders en zeevarenden in de havenstaat waarin de inspectie werd verricht, op de hoogte.
  • a. de omstandigheden aan boord duidelijk gevaarlijk zijn voor de veiligheid , gezondheid of beveiliging van zeevarenden; of
  • b. de tekortkoming een ernstige of herhaalde inbreuk vormt op de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden);
    1. Elk Lid ziet erop toe dat zijn bevoegde functionarissen de nodige aanwijzingen, van het in Deel B van de Code genoemde soort, ontvangen met betrekking tot de omstandigheden die aanhouding van een schip ingevolge het zesde lid van deze norm rechtvaardigen.
    1. Bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden ingevolge deze norm moet elk Lid al het mogelijke in het werk stellen om te voorkomen dat een schip onnodig wordt aangehouden of opgehouden. Indien een schip daarbij onnodig wordt aangehouden of opgehouden, moet schadevergoeding worden betaald voor geleden verliezen of schade. De bewijslast ligt in alle gevallen bij de klager.

Leidraad B5.2.1 – Inspecties in de haven

    1. De bevoegde autoriteit zou een inspectierichtlijn moeten ontwikkelen ten behoeve van de bevoegde functionarissen die inspecties verrichten ingevolge voorschrift 5.2.1. Het doel van deze richtlijn zou moeten zijn het zorgen voor consistentie en anderszins te voorzien in een leidraad voor de inspectie- en handhavingsactiviteiten die verband houden met de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden). Afschriften van deze richtlijn zouden aan alle bevoegde functionarissen moeten worden verstrekt en voor het publiek, reders en zeevarenden beschikbaar zijn.
    1. Bij de ontwikkeling van een richtlijn met betrekking tot de omstandigheden die aanhouding van het schip ingevolge het zesde lid van norm A5.2.1 rechtvaardigen, zou de bevoegde autoriteit in overweging moeten nemen dat, ten aanzien van de inbreuken bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, van norm A5.2.1, de ernst gelegen kan zijn in de aard van de desbetreffende tekortkoming. Dit zou in het bijzonder relevant zijn in het geval van schending van fundamentele rechten en beginselen op het gebied van arbeids- en sociale rechten van zeevarenden ingevolge de artikelen III en IV. De tewerkstelling van te jonge personen zou bijvoorbeeld moeten worden aangemerkt als een zwaarwichtige schending, zelfs als zich maar één dergelijke persoon aan boord bevindt. In andere gevallen zou moeten worden gelet op het aantal verschillende tekortkomingen dat gedurende een bepaalde inspectie wordt aangetroffen; zo zouden er bijvoorbeeld meerdere gevallen van tekortkomingen met betrekking tot accommodatie of voeding en catering die de veiligheid of gezondheid niet bedreigen, kunnen zijn voordat deze zouden kunnen worden aangemerkt als een zwaarwegende inbreuk.
    1. Leden zouden zo veel als mogelijk met elkaar moeten samenwerken bij het aannemen van internationaal overeengekomen leidraden inzake inspectiebeleid, in het bijzonder met betrekking tot de omstandigheden die het aanhouden van een schip rechtvaardigen.

Voorschrift 5.2.2. – Klachtenafhandelingsprocedures aan wal voor zeevarenden

1.

Elk Lid garandeert dat zeevarenden aan boord van schepen die een haven aandoen binnen het grondgebied van dat Lid die aanvoeren dat de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden) geschonden worden, het recht hebben een dergelijke klacht te melden met het oogmerk een snelle en praktische oplossing ervan te bevorderen.

Norm A5.2.2 – Klachtenafhandelingsprocedures aan wal voor zeevarenden

    1. Een klacht van een zeevarende betreffende een vermoedelijke schending van de vereisten van dit Verdrag (met inbegrip van de rechten van zeevarenden) kan worden gemeld bij een bevoegde functionaris in de haven waarin het schip van de zeevarende is aangelopen. In dergelijke gevallen stelt de bevoegde functionaris een eerste onderzoek in.
    1. In voorkomend geval moet bij het eerste onderzoek, afhankelijk van de aard van de klacht, worden gekeken of de in voorschrift 5.1.5 voorziene klachtenprocedures aan boord zijn gevolgd. De bevoegde functionaris mag ook een uitgebreide inspectie verrichten overeenkomstig norm A5.2.1.
    1. De bevoegde functionaris streeft er naar, om indien mogelijk, dat een oplossing van de klacht aan boord van het schip zelf gevonden wordt.
    1. In het geval dat het onderzoek of de inspectie waarin deze norm voorziet een tekortkoming aan het licht brengt die valt binnen de reikwijdte van het zesde lid van norm A5.2.1, worden de bepalingen van dat lid toegepast.
    1. Wanneer de bepalingen van het vierde lid van deze norm niet van toepassing zijn, en de klacht niet aan boord van het schip zelf is opgelost, stelt de bevoegde functionaris de vlaggenstaat hiervan onverwijld in kennis, met een verzoek om zowel advies als een actieplan voor corrigerende maatregelen binnen een vastgestelde termijn.
    1. Wanneer de klacht niet is opgelost nadat de in het vijfde lid van deze norm genoemde maatregelen zijn getroffen, zendt de havenstaat een afschrift van het rapport van de bevoegde functionaris naar de Directeur-Generaal. Het rapport moet zijn voorzien van eventueel van de bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat binnen de voorgeschreven termijn ontvangen antwoorden. De desbetreffende organisaties van reders en zeevarenden in de havenstaat moeten dienovereenkomstig op de hoogte worden gebracht. Daarnaast moet de havenstaat regelmatig statistieken en informatie met betrekking tot klachten die zijn opgelost aan de Directeur-Generaal voorleggen. In beide gevallen wordt deze informatie verstrekt zodat, op basis van de nodig en passend geachte maatregelen, een register van deze informatie wordt bijgehouden en onder de aandacht van de partijen wordt gebracht, met inbegrip van organisaties van reders en zeevarenden, die mogelijk gebruik willen maken van de desbetreffende beroepsprocedures.
    1. De nodige stappen moeten worden genomen om de vertrouwelijkheid van de door zeevarenden ingediende klachten te waarborgen.

Leidraad B5.2.2 – Klachtenafhandelingsprocedures aan wal voor zeevarenden

    1. Wanneer een in norm A5.2.2 bedoelde klacht door een bevoegde functionaris in behandeling wordt genomen, zou de functionaris eerst moeten controleren of de klacht van algemene aard is en alle zeevarenden op het schip aangaat dan wel een groep van hen of dat de klacht uitsluitend betrekking heeft op het individuele geval van de betreffende zeevarende.
    1. Indien de klacht van algemene aard is, zou moeten worden overwogen een uitgebreide inspectie in overeenstemming met norm A5.2.1 uit te voeren.
    1. Indien de klacht betrekking heeft op een individueel geval, zouden de resultaten van eventuele klachtenprocedures aan boord voor de oplossing van de desbetreffende klacht moeten worden bestudeerd. Indien dergelijke procedures niet zijn toegepast, zou de bevoegde functionaris moeten voorstellen dat de indiener van de klacht van dergelijke beschikbare procedures gebruik maakt. Er zouden goede redenen moeten zijn om een klacht in behandeling te nemen voordat klachtenprocedures aan boord zijn toegepast. Redenen zouden kunnen zijn de slechte of onnodig trage werking van de interne procedures of angst bij de klager voor represailles naar aanleiding van indiening van een klacht.
    1. Bij elk onderzoek naar een klacht zou de bevoegde functionaris de kapitein, de reder en eventuele andere bij de klacht betrokken personen naar behoren in de gelegenheid moeten stellen hun standpunt bekend te maken.
    1. In het geval dat de vlaggenstaat, in antwoord op de kennisgeving door de havenstaat in overeenstemming met het vijfde lid van norm A5.2.2, aangeeft dat zij de zaak ter hand neemt, en zij hiertoe over doeltreffende procedures beschikt en een aanvaardbaar actieplan heeft ingediend, kan de bevoegde functionaris afzien van verdere bemoeienis met de klacht.

Voorschrift 5.3. – Verantwoordelijkheden betreffende arbeidsaanbod

Doel: Verzekeren dat elk Lid zijn verantwoordelijkheden ingevolge dit Verdrag met betrekking tot de werving, plaatsing en sociale bescherming van zijn zeevarenden nakomt

    1. Onverminderd het beginsel van verantwoordelijkheid van elk Lid voor de werk- en leefomstandigheden van zeevarenden op schepen die zijn vlag voeren, garandeert het Lid tevens dat de vereisten van dit Verdrag betreffende de werving en plaatsing van zeevarenden alsmede de sociale zekerheid van zeevarenden die zijn onderdaan of ingezetene zijn of anderszins op zijn grondgebied woonachtig zijn, voor zover dit Verdrag in een dergelijke verantwoordelijkheid voorziet, worden uitgevoerd.
    1. In de Code staan de gedetailleerde vereisten voor de uitvoering van het eerste lid van dit voorschrift.
    1. Elk Lid moet een doeltreffend inspectie- en monitoringsysteem instellen voor de nakoming van zijn verantwoordelijkheden op het gebied van arbeidsaanbod ingevolge dit Verdrag.
    1. Informatie met betrekking tot het in het derde lid van dit voorschrift bedoelde systeem, met inbegrip van de gehanteerde methode voor de beoordeling van de doeltreffendheid ervan, moet worden opgenomen in de verslagen van het Lid ingevolge artikel 22 van het Statuut.
    1. Elk Lid handhaaft de vereisten van dit Verdrag die van toepassing zijn op de exploitatie en praktijk van de op zijn grondgebied gevestigde wervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden via een systeem van inspectie en monitoring en gerechtelijke procedures voor inbreuken op vergunningen en andere in norm A1.4 bedoelde exploitatievereisten.
    1. Op het grondgebied van het Lid gevestigde private wervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden die bemiddelen bij de plaatsing van zeevarenden bij reders, ongeacht waar deze zijn gevestigd, zouden moeten worden verplicht te garanderen dat reders de voorwaarden van de met de zeevarenden gesloten arbeidsovereenkomst naar behoren nakomen.

IN FAITH WHEREOF we have appended our signatures this twenty-third day of February 2006.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)