Economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2016-06-10
State In force
Source BWB
artikelen 203
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

Partijen bij de overeenkomst

het Koninkrijk België,

de Republiek Bulgarije,

de Tsjechische Republiek,

het Koninkrijk Denemarken,

de Bondsrepubliek Duitsland,

de Republiek Estland,

Ierland,

de Helleense Republiek,

het Koninkrijk Spanje,

de Franse Republiek,

de Republiek Kroatië,

de Italiaanse Republiek,

de Republiek Cyprus,

de Republiek Letland,

de Republiek Litouwen,

het Groothertogdom Luxemburg,

Hongarije,

de Republiek Malta,

het Koninkrijk der Nederlanden,

de Republiek Oostenrijk,

de Republiek Polen,

de Portugese Republiek,

Roemenië,

de Republiek Slovenië,

de Slowaakse Republiek,

de Republiek Finland,

het Koninkrijk Zweden,

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten van de Europese Unie” genoemd,

en

de Europese Unie, enerzijds, en

de Republiek Botswana,

het Koninkrijk Lesotho,

de Republiek Mozambique,

de Republiek Namibië,

de Republiek Zuid-Afrika, en

het Koninkrijk Swaziland,

hierna de „staten van de ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika die partij zijn bij de economische partnerschapsovereenkomst” , anderzijds („de SADC-EPO-staten”),

gezien de wens van de partijen hun handelsbetrekkingen te versterken en nauwe en duurzame banden tot stand te brengen op basis van partnerschap en samenwerking,

ervan overtuigd dat deze overeenkomst de economische en handelsbetrekkingen tussen de partijen verder zal verdiepen en stimuleren,

met de wens op het grondgebied van de partijen nieuwe werkgelegenheid te creëren, investeringen aan te trekken en de levensstandaard te verbeteren, en daarbij duurzame ontwikkeling te bevorderen,

zich bewust van het belang van samenwerking bij de ontwikkelingsfinanciering voor de uitvoering van deze overeenkomst,

erkennende de inspanningen van de SADC-EPO-staten om zorg te dragen voor de economische en sociale ontwikkeling van hun bevolking tegen de achtergrond van verdieping van de regionale integratie in de ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika („SADC-regio”),

uitdrukking gevende aan de vastberadenheid van de partijen om de regionale samenwerking en de economische integratie te bevorderen alsmede de liberalisering van de handel in de SADC-regio te stimuleren,

erkennende dat de SADC-EPO-staten bijzondere behoeften en belangen hebben en dat het noodzakelijk is rekening te houden met hun verschillende niveaus van economische ontwikkeling en uiteenlopende geografische en sociaal-economische problemen,

zich bewust van de bijzondere omstandigheden waarin Botswana, Lesotho, Namibië en Swaziland („BLNS-staten”) zich ten aanzien van deze overeenkomst bevinden en van de noodzaak rekening te houden met de gevolgen van de handelsliberalisering in het kader van de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen Zuid-Afrika en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend op 11 oktober 1999 („TDC-overeenkomst”), voor hen,

erkennende dat door een speciale en gedifferentieerde behandeling en asymmetrie rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden en behoeften van de minst ontwikkelde landen („MOL’s”) van de SADC-EPO-staten,

zich bewust van de bijzondere omstandigheden waarin Lesotho zich als het enige MOL in de Zuidelijk-Afrikaanse Douane-unie („SACU”) bevindt en van de noodzaak wegens de gevolgen van de verlaging van de tariefinkomsten ingevolge de TDC-overeenkomst en deze overeenkomst prioriteit aan steun voor de handel toe te kennen,

zich bewust van de bijzondere omstandigheden van die SADC-EPO-staten die herstellen van langdurige gewapende conflicten, en waarvoor een speciale en gedifferentieerde behandeling en asymmetrie nodig is,

rekening houdende met de rechten en verplichtingen van de partijen als lid van de Wereldhandelsorganisatie („WTO”), en het belang van het multilaterale handelssysteem bevestigend,

herinnerend aan het belang dat de partijen hechten aan de beginselen en regels van het multilaterale handelssysteem en aan de noodzaak deze op transparante en niet-discriminerende wijze toe te passen,

indachtig de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan („ACS”), enerzijds, en de Europese Gemeenschap („EG”) en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend op 23 juni 2000 en herzien op 25 juni 2005 („Overeenkomst van Cotonou”),

uitdrukking gevende aan de inzet en steun van de partijen voor de economische ontwikkeling in de SADC-EPO-staten, zodat deze de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling („MDG’s”) kunnen halen,

indachtig de TDC-overeenkomst,

gelet op de vastberadenheid van de partijen ervoor te zorgen dat hun wederzijdse afspraken het proces van regionale integratie in het kader van het Verdrag inzake de ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika, ondertekend op 17 augustus 1992, zoals gewijzigd („SADC-verdrag”), ondersteunen,

erkennende het bijzondere geval van de Zuidelijk-Afrikaanse Douane-unie, in 2002 bij de Overeenkomst inzake de Zuidelijk-Afrikaanse Douane-unie opgericht tussen de regeringen van de Republiek Botswana, het Koninkrijk Lesotho, de Republiek Namibië, de Republiek Zuid-Afrika en het Koninkrijk Swaziland, ondertekend op 21 oktober 2002 („SACU-overeenkomst”),

uitdrukking gevende aan de ondersteuning en stimulering van het proces van handelsliberalisering door de partijen,

de nadruk leggende op het belang van landbouw en duurzame ontwikkeling voor het verlichten van de armoede in de SADC-EPO-staten,

hebben besloten deze overeenkomst te sluiten2[Red: De oorspronkelijke Bijlagen bij de Overeenkomst en bij de Protocollen liggen ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.]:

DEEL I. DUURZAME ONTWIKKELING EN ANDERE SAMENWERKINGSGEBIEDEN

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Doelstellingen

De doelstellingen van deze overeenkomst zijn:

  • a. bijdragen tot het terugdringen en uitroeien van armoede door de instelling van een handelspartnerschap dat in overeenstemming is met het doel van duurzame ontwikkeling, de MDG’s en de Overeenkomst van Cotonou;
  • b. bevorderen van regionale integratie, economische samenwerking en goed bestuur met het oog op de totstandbrenging en uitvoering van een doeltreffend, voorspelbaar en transparant regionaal regelgevingskader voor handel en investeringen tussen de partijen en tussen de SADC-EPO-staten onderling;
  • c. bevorderen van de geleidelijke integratie van de SADC-EPO-staten in de wereldeconomie, in overeenstemming met hun politieke keuzes en ontwikkelingsprioriteiten;
  • d. verbeteren van de capaciteit van de SADC-EPO-staten op het gebied van handelsbeleid en handelsgerelateerde vraagstukken;
  • e. ondersteunen van de voorwaarden voor meer investeringen en initiatieven van de particuliere sector en verbeteren van de leveringscapaciteit, het concurrentievermogen en de economische groei in de SADC-EPO-staten, en
  • f. versterken van de bestaande relaties tussen de partijen op basis van solidariteit en wederzijdse belangen. Hiertoe worden met deze overeenkomst de economische en handelsbetrekkingen verbeterd, wordt de uitvoering van het Protocol over handel in de regio van de ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika, ondertekend op 24 augustus 1996 (SADC-handelsprotocol), en van de SACU-overeenkomst geconsolideerd, wordt een nieuwe handelsdynamiek tussen de partijen door middel van de geleidelijke, asymmetrische liberalisering van de onderlinge handel ondersteund, en wordt de samenwerking op alle gebieden die van belang zijn voor de handel versterkt, verruimd en verdiept, een en ander met inachtneming van de WTO-verplichtingen.

Artikel 2. Beginselen

1.

Deze overeenkomst is gebaseerd op de grondbeginselen alsmede op de essentiële en fundamentele elementen, zoals neergelegd in artikel 2 respectievelijk artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou. Deze overeenkomst bouwt voort op de verworvenheden van de Overeenkomst van Cotonou, de TDC-overeenkomst en de eerdere ACS-EG-overeenkomsten op het gebied van regionale samenwerking en integratie en van samenwerking op economisch en handelsgebied.

2.

Deze overeenkomst wordt op zodanige wijze uitgevoerd dat zij, de Overeenkomst van Cotonou en de TDC-overeenkomst elkaar aanvullen en wederzijds versterken, met inachtneming van de artikelen 110 en 111.

3.

De partijen komen overeen bij de uitvoering van deze overeenkomst samen te werken op een wijze die in overeenstemming is met het ontwikkelingsbeleid en de regionale integratieprogramma’s waarbij de SADC-EPO-staten betrokken zijn of betrokken kunnen worden.

4.

De partijen komen overeen samen te werken om aan hun verbintenissen en verplichtingen te voldoen en de SADC-EPO-staten beter in staat te stellen deze overeenkomst uit te voeren.

Artikel 3. Regionale integratie

1.

De partijen erkennen dat regionale integratie een integraal bestanddeel van hun partnerschap en een krachtig instrument voor het bereiken van de doelstellingen van deze overeenkomst is.

2.

De partijen bekrachtigen het belang van regionale en subregionale integratie tussen de SADC-EPO-staten voor het verbeteren van economische kansen, het vergroten van politieke stabiliteit en het bevorderen van de daadwerkelijke integratie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie.

3.

De partijen steunen in het bijzonder de integratieprocessen die zijn gebaseerd op de SACU-overeenkomst, het SADC-verdrag en de op 11 juli 2000 goedgekeurde Oprichtingsakte van de Afrikaanse Unie, alsmede het ontwikkelingsbeleid en de politieke doelstellingen die met die processen verband houden. De partijen beogen elkaar met behulp van die instrumenten bij de uitvoering van deze overeenkomst te ondersteunen, daarbij rekening houdend met hun respectieve ontwikkelingsniveau, behoeften, geografische realiteit en strategieën voor duurzame ontwikkeling.

Artikel 4. Toezicht

1.

De partijen verbinden zich ertoe voortdurend toezicht te houden op het functioneren en het effect van deze overeenkomst door middel van passende mechanismen en tijdschema’s in het kader van hun respectieve participatieprocessen en participerende instellingen alsmede die welke in het kader van deze overeenkomst zijn ingevoerd, teneinde te waarborgen dat de doelstellingen van deze overeenkomst worden verwezenlijkt en dat deze overeenkomst correct wordt uitgevoerd en hun bevolking, en in het bijzonder de kwetsbaarste groepen, zoveel mogelijk voordelen biedt.

2.

De partijen verbinden zich ertoe elkaar onverwijld te raadplegen over elke aangelegenheid betreffende de uitvoering van deze overeenkomst.

Artikel 5. Samenwerking in internationale fora

De partijen streven naar samenwerking in alle internationale fora waar aangelegenheden in verband met deze overeenkomst worden besproken.

HOOFDSTUK II. HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel 6. Context en doelstellingen

1.

De partijen herinneren aan Agenda 21 over milieu en ontwikkeling van 1992, de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie („IAO”) over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk van 1998, het Uitvoeringsplan van Johannesburg over duurzame ontwikkeling van 2002, de Ministeriële Verklaring van de Economische en Sociale Raad van de VN over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk van 2006, de Verklaring van de IAO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008 en het slotdocument van de Conferentie van de VN over duurzame ontwikkeling van 2012 getiteld „The Future We Want”.

2.

De partijen herbevestigen dat zij vastbesloten zijn de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze bijdraagt tot de doelstelling van duurzame ontwikkeling in de drie pijlers ervan (economische ontwikkeling, sociale ontwikkeling en milieubescherming), voor het welzijn van huidige en toekomstige generaties, en zullen ernaar streven dat deze doelstelling wordt geïntegreerd in en tot uitdrukking komt op elk niveau van hun handelsbetrekkingen.

3.

De bepalingen van DEEL III zijn niet van toepassing op dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 7.

Artikel 7. Duurzame ontwikkeling

1.

De partijen herbevestigen dat de doelstelling van duurzame ontwikkeling op elk niveau van hun economische partnerschap moet worden toegepast en geïntegreerd, ter uitvoering van de prioritaire verplichtingen neergelegd in de artikelen 1, 2 en 9 van de Overeenkomst van Cotonou, en met name van de algemene verbintenis armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te roeien op een wijze die in overeenstemming is met de doelstellingen van duurzame ontwikkeling.

2.

Voor de toepassing van deze overeenkomst vatten de partijen deze doelstelling op als een verbintenis om:

  • a. bij de toepassing van deze overeenkomst ten volle rekening te houden met de belangen van hun respectieve bevolking en van toekomstige generaties op menselijk, cultureel, economisch, sociaal, gezondheids- en milieugebied, en
  • b. bij de besluitvorming methoden toe te passen die aansluiten bij de grondbeginselen van eigen inbreng, deelname en dialoog.
3.

De partijen komen daarom overeen samen te werken aan de verwezenlijking van een duurzame ontwikkeling waarbij de mens centraal staat.

Artikel 8. Multilaterale milieu- en arbeidsnormen en -overeenkomsten

1.

De partijen erkennen de waarde van internationale governance en overeenkomsten op milieugebied als antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale of regionale milieuproblemen, en beschouwen fatsoenlijk werk voor iedereen als hoofdelement van duurzame ontwikkeling voor alle landen en als prioritaire doelstelling van internationale samenwerking.

2.

Rekening houdend met de Overeenkomst van Cotonou, met name de artikelen 49 en 50, herbevestigen de partijen in het kader van dit artikel hun rechten en hun verbintenis tot uitvoering van hun verplichtingen met betrekking tot de multilaterale milieuovereenkomsten („MEA’s”) en de IAO-verdragen die zij hebben geratificeerd.

Artikel 9. Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus

1.

De partijen erkennen het recht van elke partij haar eigen niveaus van interne arbeids- en milieubescherming te bepalen, en dienovereenkomstig haar wetgeving en beleid ter zake vast te stellen of te wijzigen, overeenkomstig internationaal erkende normen en overeenkomsten waarbij zij partij zijn.

2.

De partijen herbevestigen het belang van de bescherming waarin hun arbeids- en milieuwetgeving voorziet.

3.

De partijen erkennen dat het niet gepast is handel of investeringen aan te moedigen door de interne niveaus van arbeids- en milieubescherming af te zwakken of te verminderen, en zij wijken met het oog daarop niet af van hun respectieve arbeids- en milieuwetgeving noch verzuimen aanhoudend die daadwerkelijk te handhaven.

Artikel 10. Handel en investeringen ten behoeve van duurzame ontwikkeling

1.

De partijen herbevestigen hun verbintenis om de bijdrage van handel en investeringen aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht te versterken.

2.

Een partij kan via het Handels- en ontwikkelingscomité verzoeken om overleg met de andere partij over elke aangelegenheid die zich in verband met dit hoofdstuk voordoet.

3.

Aan de dialoog en de samenwerking tussen de partijen in het kader van dit hoofdstuk via het Handels- en ontwikkelingscomité kan door andere betrokken autoriteiten en belanghebbenden worden deelgenomen.

Artikel 11. Samenwerking bij handel en duurzame ontwikkeling

1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van handelsgerelateerde aspecten van het arbeids- en milieubeleid teneinde de doelstellingen van deze overeenkomst te verwezenlijken.

2.

De partijen kunnen informatie uitwisselen en ervaring delen over hun werkzaamheden ter bevordering van de samenhang en de wederzijdse versterking van handels-, milieu- en sociale doelstellingen, en zij versterken de dialoog en de samenwerking op het gebied van duurzameontwikkelingsvraagstukken die zich in het kader van hun handelsbetrekkingen kunnen voordoen.

3.

Ten aanzien van de leden 1 en 2 kunnen de partijen onder meer op de volgende gebieden samenwerken:

  • a. de handelsaspecten van het arbeids- of milieubeleid in internationale fora, zoals de IAO-agenda voor fatsoenlijk werk en de MEA’s;
  • b. de gevolgen van deze overeenkomst voor duurzame ontwikkeling;
  • c. maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoordingsplicht;
  • d. de handelsaspecten van het wederzijds belang bij de bevordering van het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit;
  • e. de handelsaspecten van duurzaam bosbeheer, en
  • f. de handelsaspecten van duurzamevisserijmethoden.

HOOFDSTUK III. SAMENWERKINGSGEBIEDEN

Artikel 12. Ontwikkelingssamenwerking

1.

De partijen verbinden zich ertoe samen te werken met het oog op de uitvoering van deze overeenkomst en de ondersteuning van de handels- en ontwikkelingsstrategieën van de SADC-EPO-staten in het kader van het algemene regionale integratieproces van de SADC. De samenwerking kan zowel financiële als niet-financiële vormen aannemen.

2.

De partijen erkennen dat ontwikkelingssamenwerking een cruciaal bestanddeel van hun partnerschap en een essentiële factor voor de verwezenlijking van de in artikel 1 genoemde doelstellingen van deze overeenkomst is. De samenwerking op het gebied van de ontwikkelingsfinanciering ter bevordering van de regionale economische samenwerking en integratie, zoals voorzien in de Overeenkomst van Cotonou, wordt zodanig uitgevoerd dat de inspanningen van de SADC-EPO-staten om deze doelstellingen te bereiken, worden ondersteund en bevorderd en de verwachte voordelen van deze overeenkomst zo groot mogelijk zijn. De gebieden van samenwerking en technische bijstand worden in voorkomend geval in deze overeenkomst vastgesteld. De samenwerking vindt plaats overeenkomstig de in dit artikel bepaalde modaliteiten. Die modaliteiten worden permanent getoetst en zo nodig herzien in overeenstemming met de bepalingen van artikel 116.

3.

De financiering door de EU1)Het begrip „EU” dat in deze overeenkomst wordt gebruikt wordt gedefinieerd in artikel 104. van de ontwikkelingssamenwerking tussen de SADC-EPO-staten en de EU ter ondersteuning van de uitvoering van deze overeenkomst vindt plaats in het kader van de voorschriften en de desbetreffende procedures die zijn neergelegd in de Overeenkomst van Cotonou, met name de programmeringsprocedures van het Europees Ontwikkelingsfonds, en in het kader van de desbetreffende instrumenten die uit de algemene begroting van de Unie worden gefinancierd. Steun bij de uitvoering van deze overeenkomst is een van de prioriteiten in dit verband.

4.

De lidstaten van de Europese Unie verbinden zich er gezamenlijk toe door middel van hun respectieve ontwikkelingsbeleid en -instrumenten activiteiten op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking te ondersteunen die gericht zijn op de regionale economische samenwerking en integratie en op de uitvoering van deze overeenkomst in de SADC-EPO-staten en op regionaal niveau, in overeenstemming met de beginselen van complementariteit en de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp zoals vervat in de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp van 2005 en de Actieagenda van Accra van 2008.

5.

De partijen erkennen dat voldoende middelen nodig zijn om deze overeenkomst uit te voeren en de voordelen ervan ten volle te verwezenlijken. In dit verband zullen de partijen samenwerken om de SADC-EPO-staten in staat te stellen toegang te krijgen tot andere financiële instrumenten en faciliteiten verlenen aan andere donoren die bereid zijn de inspanningen van de SADC-EPO-staten tot verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst te ondersteunen.

6.

De partijen zijn het erover eens dat een regionaal mechanisme voor ontwikkelingsfinanciering, zoals een EPO-fonds, een nuttig instrument zou zijn om ontwikkelingsgelden doeltreffend te kanaliseren en de begeleidende maatregelen bij de EPO uit te voeren. De EU stemt ermee in de inspanningen van de regio om een dergelijk mechanisme op te zetten, te ondersteunen. Wanneer een audit bevredigende resultaten oplevert, zal de EU bijdragen in het fonds.

Artikel 13. Samenwerkingsprioriteiten

1.

Voor de uitvoering van deze overeenkomst en met inachtneming van het ontwikkelingsbeleid van de SADC-EPO-staten komen de partijen overeen dat de in dit artikel en in artikel 14 genoemde onderwerpen prioritaire gebieden voor handels- en economische samenwerking zijn.

2.

De samenwerking inzake de handel in goederen heeft ten doel de handel in goederen uit te breiden en het vermogen van de SADC-EPO-staten handel te drijven te versterken, onder meer door de geleidelijke afschaffing van tarieven en douanerechten in overeenstemming met de in deze overeenkomst neergelegde verbintenissen ten aanzien van liberalisering, door correcte toepassing van de oorsprongsregels, handelsbeschermingsinstrumenten, niet-tarifaire maatregelen, sanitaire en fytosanitaire normen („SPS-normen”) en technische handelsbelemmeringen („TBT”), door aandacht voor niet-tarifaire maatregelen en door de stimulering van douanesamenwerking en handelsbevordering.

3.

De samenwerking op het gebied van het concurrentievermogen aan de aanbodzijde heeft ten doel het concurrentievermogen van de SADC-EPO-staten te vergroten en obstakels aan de aanbodzijde op nationaal en institutioneel niveau en in het bijzonder bij de ondernemingen te verwijderen. Deze samenwerking omvat onder meer gebieden als productie, technologische ontwikkeling en innovatie, marketing, financiering, distributie, vervoer, diversificatie van de economische basis, ontwikkeling van de particuliere sector, verbetering van het handels- en ondernemingsklimaat en steun voor kleine en middelgrote ondernemingen op het gebied van de landbouw, visserij, industrie en diensten.

4.

De samenwerking op het gebied van de infrastructuur ten behoeve van het bedrijfsleven heeft ten doel een concurrentiegericht ondernemingsklimaat op gebieden als informatie- en communicatietechnologie, vervoer en energie te ontwikkelen.

5.

De partijen komen overeen samen te werken bij de ontwikkeling en de uitbreiding van de handel in diensten als bedoeld in artikel 73.

6.

De partijen komen overeen samen te werken bij de ontwikkeling en de uitbreiding van handelsgerelateerde aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 11, 16 tot en met 19, en 73 en 74.

7.

De samenwerking op het gebied van handelsgegevens heeft ten doel ervoor te zorgen dat de SADC-EPO-staten beter in staat zijn handelsgegevens te verzamelen, te analyseren en te verspreiden.

8.

De samenwerking bij de institutionele capaciteitsopbouw in verband met de EPO heeft ten doel steun te verlenen aan institutionele structuren ten behoeve van het beheer van de uitvoering van de EPO en de capaciteitsopbouw in verband met handelsbesprekingen en het handelsbeleid, in samenwerking met de desbetreffende institutionele mechanismen die zijn opgericht in het kader van het SADC-verdrag en de SACU-overeenkomst of in de respectieve SADC-EPO-staten.

Artikel 14. Samenwerking op het gebied van begrotingsaanpassing

1.

De partijen zijn zich ervan bewust dat de geleidelijke afschaffing dan wel de verlaging van douanerechten ingevolge deze overeenkomst van invloed kan zijn op de belastingontvangsten van de SADC-EPO-staten, en komen overeen op dit gebied samen te werken.

2.

De partijen komen overeen in overeenstemming met artikel 12 met name op de volgende punten samen te werken:

  • a. steun bij budgettaire hervormingen, en
  • b. ondersteuning van maatregelen ter aanvulling van budgettaire hervormingen, die de netto-impact van deze overeenkomst op de begroting moeten beperken en die zullen worden vastgesteld overeenkomstig een gezamenlijk overeengekomen mechanisme.
3.

De partijen zijn zich ervan bewust dat de verlaging van douanerechten in het bijzonder gevolgen zal hebben voor de belastingontvangsten van Lesotho en komen overeen bij de toepassing van artikel 12 bijzondere aandacht te schenken aan de situatie van Lesotho.

Artikel 15. Soorten maatregelen

Ontwikkelingssamenwerking in het kader van deze overeenkomst omvat onder meer, maar niet uitsluitend, de volgende maatregelen in verband met deze overeenkomst:

  • a. beleidsontwikkeling;
  • b. ontwikkeling van wetgeving en van regelgevingskaders;
  • c. institutionele en organisatorische ontwikkeling;
  • d. capaciteitsopbouw en opleiding2)Voor de toepassing van dit artikel kan „capaciteitsopbouw” in het bijzonder opleiding, institutionele ontwikkeling, organisatorische ontwikkeling (structuren en procedures), operationele steun alsmede interinstitutionele communicatie- en samenwerkingsprocedures omvatten.;
  • e. technische adviezen;
  • f. administratieve diensten;
  • g. ondersteuning op het gebied van SPS-maatregelen en TBT, en
  • h. operationele steun, met inbegrip van uitrusting, materiaal en werkzaamheden in verband daarmee.

Artikel 16. Samenwerking op het gebied van bescherming van intellectuele-eigendomsrechten

1.

De partijen herbevestigen hun verbintenissen op grond van artikel 46 van de Overeenkomst van Cotonou en hun rechten, verplichtingen en flexibiliteiten als vastgelegd in de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die is opgenomen in bijlage 1C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie („TRIPs-overeenkomst”).

2.

De partijen komen overeen passende, doeltreffende en niet-discriminerende bescherming van intellectuele-eigendomsrechten („IER’s”) te verlenen en te verzekeren, en voorzien in maatregelen voor de handhaving van die rechten in geval van schending daarvan, in overeenstemming met de bepalingen van de internationale overeenkomsten waarbij zij partij zijn.

3.

De partijen kunnen samenwerken in aangelegenheden die verband houden met geografische aanduidingen („GA’s”), in overeenstemming met de bepalingen van afdeling 3 (artikelen 22–24) van de TRIPs-overeenkomst. De partijen erkennen het belang van GA’s en oorspronggebonden producten voor duurzame landbouw en plattelandsontwikkeling.

4.

De partijen zijn het erover eens dat het van belang is te antwoorden op redelijke verzoeken om elkaar informatie en opheldering over aangelegenheden in verband met GA’s en andere IER’s te verschaffen. Onverminderd de algemene strekking van deze samenwerking kunnen de partijen, met wederzijdse instemming, internationale en regionale organisaties met deskundigheid op het gebied van GA’s inschakelen.

5.

De partijen beschouwen traditionele kennis als een belangrijk gebied waarop in de toekomst samenwerking mogelijk is.

6.

De partijen kunnen overwegen in de toekomst onderhandelingen over de bescherming van IER’s te openen, en de SADC-EPO-staten hebben de ambitie en zullen ernaar streven bij onderhandelingen als collectief op te treden. Als onderhandelingen worden begonnen, zal de EU de opneming van bepalingen inzake samenwerking en speciale en gedifferentieerde behandeling in overweging nemen.

7.

Indien een partij bij deze overeenkomst geen partij is bij een toekomstige overeenkomst inzake de bescherming van IER’s waarover overeenkomstig lid 6 is onderhandeld en tot die overeenkomst wenst toe te treden, kan zij onderhandelen over de voorwaarden voor toetreding daartoe.

8.

Indien een overeenkomst die voortvloeit uit de in de leden 6 en 7 bedoelde onderhandelingen, leidt tot resultaten die onverenigbaar blijken met de toekomstige ontwikkeling van een regionaal kader van de SADC voor IER’s, zullen de partijen bij de onderhavige overeenkomst gezamenlijk inspanningen doen om deze overeenkomst aan te passen en in overeenstemming te brengen met het regionale kader en tegelijkertijd zorgen voor een evenwichtige verdeling van de voordelen.

Artikel 17. Samenwerking op het gebied van overheidsopdrachten

1.

De partijen erkennen het belang van transparante overheidsopdrachten voor het bevorderen van de economische ontwikkeling en de industrialisering. De partijen zijn het eens over het belang van samenwerking voor het verbeteren van het wederzijdse begrip van hun respectieve regelingen voor overheidsopdrachten. De partijen verklaren opnieuw te hechten aan transparante en voorspelbare regelingen voor overheidsopdrachten in overeenstemming met de nationale wettelijke voorschriften.

2.

De partijen erkennen dat het van belang is hun wet- en regelgeving en algemene administratieve beschikkingen alsmede alle wijzigingen daarvan te blijven bekendmaken of op een andere manier voor het publiek beschikbaar te blijven stellen, in een officieel daartoe aangewezen elektronische of gedrukte vorm die op ruime schaal wordt verspreid en gemakkelijk toegankelijk blijft voor het publiek. De partijen zijn het erover eens dat het van belang is te antwoorden op redelijke verzoeken om elkaar informatie en opheldering over bovengenoemde aangelegenheden te verschaffen.

3.

De partijen kunnen overwegen in de toekomst onderhandelingen over overheidsopdrachten te openen, en de SADC-EPO-staten hebben de ambitie en zullen ernaar streven bij onderhandelingen als collectief op te treden. Als onderhandelingen worden begonnen, stemt de EU in met de opneming van bepalingen inzake samenwerking en speciale en gedifferentieerde behandeling.

4.

Indien een partij bij deze overeenkomst geen partij is bij een toekomstige overeenkomst inzake overheidsopdrachten en tot die overeenkomst wenst toe te treden, kan zij onderhandelen over de voorwaarden voor toetreding daartoe.

5.

Indien een overeenkomst die voortvloeit uit de in de leden 3 en 4 bedoelde onderhandelingen, leidt tot resultaten die onverenigbaar blijken met de toekomstige ontwikkeling van een regionaal kader van de SADC voor overheidsopdrachten, zullen de partijen bij de onderhavige overeenkomst gezamenlijk inspanningen doen om deze overeenkomst aan te passen en in overeenstemming te brengen met het regionale kader en tegelijkertijd zorgen voor een evenwichtige verdeling van de voordelen.

Artikel 18. Samenwerking op het gebied van concurrentie

1.

De partijen erkennen dat bepaalde zakelijke praktijken, zoals concurrentiebeperkende overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen en misbruik van machtsposities, de handel tussen de partijen kunnen beperken en daardoor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst in gevaar kunnen brengen.

2.

De partijen komen overeen in overeenstemming met artikel 13, lid 6, samen te werken op het gebied van concurrentie.

3.

De partijen kunnen overwegen in de toekomst onderhandelingen over concurrentie te openen, en de SADC-EPO-staten hebben de ambitie en zullen ernaar streven bij onderhandelingen als collectief op te treden. Als onderhandelingen worden begonnen, stemt de EU in met de opneming van bepalingen inzake samenwerking en speciale en gedifferentieerde behandeling.

4.

Indien een partij bij deze overeenkomst geen partij is bij een toekomstige overeenkomst inzake concurrentie en tot die overeenkomst wenst toe te treden, kan zij onderhandelen over de voorwaarden voor toetreding daartoe.

5.

Indien een overeenkomst die voortvloeit uit de in de leden 3 en 4 bedoelde onderhandelingen, leidt tot resultaten die onverenigbaar blijken met de toekomstige ontwikkeling van een regionaal kader van de SADC voor concurrentie, zullen de partijen bij de onderhavige overeenkomst gezamenlijk inspanningen doen om deze overeenkomst aan te passen en in overeenstemming te brengen met het regionale kader en tegelijkertijd zorgen voor een evenwichtige verdeling van de voordelen.

Artikel 19. Samenwerking op het gebied van fiscaal bestuur

De partijen erkennen het belang van samenwerking met betrekking tot de beginselen van behoorlijk bestuur in belastingzaken via de bevoegde autoriteiten.

DEEL II. HANDEL EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE AANGELEGENHEDEN

HOOFDSTUK I. HANDEL IN GOEDEREN

Artikel 20. Vrijhandelsgebied

1.

Bij deze overeenkomst wordt tussen de partijen een vrijhandelsgebied opgericht, in overeenstemming met de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel („GATT 1994”), en met name met artikel XXIV van die overeenkomst.

2.

Voor deze overeenkomst wordt het beginsel van asymmetrie, wat het niveau van en het tijdschema voor verbintenissen uit hoofde van deze overeenkomst betreft, in acht genomen, in overeenstemming met de specifieke behoeften en de capaciteitsbeperkingen van de SADC-EPO-staten.

Artikel 21. Toepassingsgebied

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de handel in goederen tussen de partijen3)Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, hebben de termen „goederen” en „producten” dezelfde betekenis..

Artikel 22. Oorsprongsregels

De in deze overeenkomst vastgestelde tariefpreferenties worden toegepast op goederen die aan de oorsprongsregels in Protocol I voldoen.

Artikel 23. Douanerechten

1.

Onder douanerechten worden verstaan alle soorten rechten en heffingen, met inbegrip van alle aanvullende belastingen en aanvullende heffingen, die worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer van goederen, met uitzondering van:

  • a. interne belastingen en andere interne heffingen die in overeenstemming met artikel 40 worden opgelegd;
  • c. vergoedingen en andere heffingen die in overeenstemming met artikel 27 worden opgelegd.
2.

Voor geen enkel geliberaliseerd product worden vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst in de handel tussen de partijen nieuwe douanerechten ingevoerd of al bestaande douanerechten verhoogd, met uitzondering van het bepaalde in:

  • a. lid 7;
  • b. lid 9;
  • c. BIJLAGE I, DEEL 1, afdeling A, punt 7, en
  • d. BIJLAGE II, DEEL 1, afdeling A, punt 8.
3.

Tenzij in deze overeenkomst anders bepaald, is voor elk product het basisrecht waarvoor de in deze overeenkomst neergelegde verbintenissen tot tariefverlaging gelden, het meestbegunstigingsrecht dat wordt toegepast op de dag waarop deze overeenkomst in werking treedt.

4.

Wanneer de verlaging van de tarieven niet bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst begint, is het basisrecht waarvoor de in deze overeenkomst neergelegde verbintenissen tot tariefverlaging gelden, het in lid 3 bedoelde recht of, indien dit lager is, het meestbegunstigingsrecht dat wordt toegepast op de dag waarop de tariefverlaging volgens het desbetreffende tijdschema ingaat.

5.

Op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst stelt de EU het secretariaat van de SACU en het Ministerie van Industrie en Handel van Mozambique in kennis van haar lijst van basisrechten waarvoor de in deze overeenkomst neergelegde verbintenissen tot tariefverlaging gelden. Op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst stellen de SACU en Mozambique de Europese Commissie in kennis van hun respectieve lijsten van basisrechten waarvoor de in deze overeenkomst neergelegde verbintenissen tot tariefverlaging gelden. Na de kennisgeving als bedoeld in dit lid publiceert elke partij elk van deze lijsten, overeenkomstig haar eigen interne procedures, binnen één maand na de uitwisseling van de kennisgevingen. Het Handels- en ontwikkelingscomité stelt op zijn eerste bijeenkomst na de kennisgeving en publicatie de lijsten van de door de partijen respectievelijk de SACU meegedeelde basisrechten vast. De rechten die zijn opgenomen in de lijst van de EU in BIJLAGE I, DEEL II, en in de lijst van Mozambique in BIJLAGE III, DEEL II, zijn indicatief en vormen geen basisrechten in de zin van lid 3.

6.

De verlaagde rechten die in overeenstemming met de in deze overeenkomst vervatte tariefverlagingsschema’s zijn berekend, worden voor de toepassing afgerond op één decimaal of, in het geval van specifieke rechten, op twee decimalen.

7.

Voor die tariefpreferenties die worden uitgedrukt als een percentage van het toegepaste meestbegunstigingsrecht geldt dat, indien op enig moment na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst een partij het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verhoogt of verlaagt, het ten aanzien van de andere partij toegepaste recht tegelijkertijd wordt verhoogd of verlaagd zolang de preferentiële marge overeenkomstig de lijst van de partij wordt gehandhaafd.

8.

Voor die tariefpreferenties die in deze overeenkomst volledig worden uitgedrukt als een vast recht geldt dat, indien op enig moment na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst een partij het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verlaagt, dat verlaagde recht wordt toegepast ten aanzien van de andere partij indien en zolang het lager is dan het overeenkomstig de lijst van die partij berekende vaste douanerecht.

9.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op die producten die zijn uitgesloten van de verbintenissen tot tariefverlaging die worden aangeduid door de afbouwcategorie „X” in de lijst van elke partij in respectievelijk BIJLAGE I, II en III.

Artikel 24. Douanerechten van de EU op producten van oorsprong uit de SADC-EPO-staten

1.

Producten van oorsprong uit Botswana, Lesotho, Mozambique, Namibië en Swaziland krijgen bij invoer in de EU de in BIJLAGE I voor die landen vastgestelde rechten- en contingentvrije behandeling.

2.

Producten van oorsprong uit Zuid-Afrika krijgen bij invoer in de EU de in BIJLAGE I voor dat land vastgestelde behandeling.

Artikel 25. Douanerechten van de SADC-EPO-staten op producten van oorsprong uit de EU

1.

Producten van oorsprong uit de EU krijgen bij invoer in de SACU de in BIJLAGE II vastgestelde behandeling.

2.

Producten van oorsprong uit de EU krijgen bij invoer in Mozambique de in BIJLAGE III vastgestelde behandeling.

Artikel 26. Rechten en belastingen bij uitvoer

1.

Tenzij in dit artikel anders bepaald, worden vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst in de handel tussen de partijen geen nieuwe douanerechten of belastingen ter zake van of in verband met de uitvoer van goederen ingevoerd, noch al bestaande rechten of belastingen verhoogd.

2.

In uitzonderlijke omstandigheden, wanneer dit gerechtvaardigd is wegens specifieke behoeften inzake ontvangsten, wanneer dit noodzakelijk is voor de bescherming van opkomende industrieën of van het milieu, of wanneer dit van wezenlijk belang is om een acute, algemene of plaatselijke schaarste van voedingsmiddelen of andere producten die noodzakelijk zijn voor de voedselzekerheid te voorkomen of te lenigen, kunnen Botswana, Lesotho, Namibië, Mozambique en Swaziland, na overleg met de EU, op een beperkt aantal extra producten tijdelijke douanerechten of belastingen invoeren ter zake van of in verband met de uitvoer van goederen.

3.

In uitzonderlijke omstandigheden, wanneer zij industriële-ontwikkelingsbehoeften kunnen aantonen, kunnen de SADC-EPO-staten tijdelijke douanerechten of belastingen invoeren ter zake van of in verband met de uitvoer van een beperkt aantal producten naar de EU. De SADC-EPO-staat die dergelijke tijdelijke douanerechten of belastingen wil invoeren, stelt de EU daarvan in kennis, onder mededeling van alle relevante informatie en de redenen daarvoor, en voert hierover desgevraagd overleg met de EU. Dergelijke tijdelijke rechten of belastingen worden door de afzonderlijke SADC-EPO-staten te allen tijde uitsluitend toegepast op een totaal van acht (8) producten, gedefinieerd als een tariefpost op GS6-niveau of, in het geval van „erts en concentraten daarvan”, als een tariefpost op GS4-niveau, gedurende een periode van in totaal hoogstens twaalf (12) jaar. Die periode kan voor hetzelfde product met instemming van de EU worden verlengd of opnieuw worden ingevoerd.

4.

De volgende voorwaarden gelden voor lid 3, maar niet voor lid 2:

  • a. de SADC-EPO-staat stelt gedurende de eerste zes (6) jaar, te rekenen vanaf de datum van invoering van een recht of belasting bij uitvoer, de uitvoer naar de EU vrij van de toepassing van dat recht of die belasting voor een jaarlijks bedrag gelijk aan de gemiddelde omvang van de uitvoer van dat product naar de EU gedurende de periode van drie (3) jaar die aan de invoering van het recht of de belasting voorafgaat. De SADC-EPO-staat stelt met ingang van het zevende jaar na de invoering van dat recht of die belasting en tot het tijdstip van het vervallen daarvan ingevolge lid 3, de uitvoer naar de EU vrij van de toepassing van dat recht of die belasting voor een jaarlijks bedrag gelijk aan 50 % van de gemiddelde omvang van de uitvoer van dat product naar de EU gedurende de periode van drie (3) jaar die aan de invoering van het recht of de belasting voorafgaat, en
  • b. de rechten of belastingen bij uitvoer bedragen niet meer dan 10 % van de uitvoerwaarde van het product.
5.

Wanneer de SADC-EPO-staten aan de uitvoer van een voor een belangrijke handelsmacht bestemd product een gunstigere behandeling toekennen in de vorm van of in verband met douanerechten of belastingen, geldt deze gunstigere behandeling vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst ook voor het voor het grondgebied van de EU bestemde soortgelijke product. Voor de toepassing van dit artikel geldt de definitie van „belangrijke handelsmacht” in artikel 28, lid 6.

6.

Wanneer een SADC-EPO-staat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een zending producten die ingevolge de leden 1, 3 en 4 niet aan rechten bij uitvoer zijn onderworpen, uit de EU is wederuitgevoerd naar een of meer derde landen dan wel naar die derde landen is omgeleid zonder in de EU te zijn binnengebracht, kan hij die kwestie aan de orde stellen in het Handels- en ontwikkelingscomité.

7.

Het Handels- en ontwikkelingscomité onderzoekt de kwestie binnen een termijn van negentig (90) dagen. Indien het Handels- en ontwikkelingscomité na afloop van het onderzoek geen besluit neemt, kunnen de douaneautoriteiten van de betrokken SADC-EPO-staat het Handels- en ontwikkelingscomité verzoeken de importeur van het betrokken product in de EU om een verklaring te vragen dat het ingevoerde product in de EU zal worden verwerkt en niet zal worden wederuitgevoerd naar derde landen.

8.

Indien een SADC-EPO-staat, nadat gedurende ten minste negentig (90) dagen van die verklaringen gebruik wordt gemaakt, nog steeds gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een zending producten die ingevolge de leden 1, 3 en 4 niet aan rechten bij uitvoer zijn onderworpen, uit de EU is wederuitgevoerd naar een of meer derde landen dan wel naar die derde landen is omgeleid zonder in de EU te zijn binnengebracht, kan hij het Handels- en ontwikkelingscomité in kennis stellen van de gronden voor zijn ongerustheid.

9.

Wordt, nadat deze stappen zijn gevolgd, binnen dertig (30) dagen geen oplossing gevonden, dan kan de betrokken SADC-EPO-staat doeltreffende maatregelen opleggen om te voorkomen dat die rechten worden ontweken, op voorwaarde dat deze maatregelen het minst restrictief voor het handelsverkeer zijn en niet gelden voor de marktdeelnemers die hebben aangetoond niet bij de ontwijkingspraktijk betrokken te zijn. Bij wijze van alternatief kunnen met terugwerkende kracht opnieuw uitvoerrechten worden ingesteld op de uit de EU naar een of meer derde landen wederuitgevoerde zending.

10.

De partijen komen overeen uiterlijk drie (3) jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst dit artikel in het kader van de Gezamenlijke Raad SADC-EPO-staten – EU („Gezamenlijke Raad”) te herzien, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de gevolgen ervan voor de ontwikkeling en diversificatie van de economieën van de SADC-EPO-staten.

Artikel 27. Vergoedingen en heffingen

1.

Alle vergoedingen en heffingen van welke aard ook, invoer- en uitvoerrechten en de belastingen vallende onder artikel 40 uitgezonderd, die ter zake van of in verband met in- of uitvoer worden opgelegd, mogen niet hoger zijn dan de kosten van de verleende diensten en mogen geen indirecte bescherming van interne producten noch een belasting op de in- of uitvoer voor fiscale doeleinden inhouden.

2.

Onverminderd artikel 30 mag een partij geen strenge boeten opleggen wegens geringe overtredingen van douaneregelingen of -voorschriften. Met name mag een boete wegens een verzuim of abuis in de douanebescheiden, indien gemakkelijk te herstellen en kennelijk zonder bedrieglijke opzet of schromelijke nalatigheid begaan, niet hoger zijn dan nodig is om louter als waarschuwing te dienen.

3.

De bepalingen van dit artikel hebben eveneens betrekking op door de overheid opgelegde vergoedingen en heffingen in verband met in- en uitvoer, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:

  • a. consulaire formaliteiten, zoals consulaire facturen en certificaten;
  • b. kwantitatieve beperkingen;
  • c. vergunningen;
  • d. deviezencontrole;
  • e. diensten ten behoeve van de statistiek;
  • f. documenten, documentatie en certificering;
  • g. analyse en onderzoek, en
  • h. quarantaine, sanitair onderzoek en ontsmetting.
4.

Voor consulaire diensten worden geen vergoedingen en heffingen opgelegd.

Artikel 28. Gunstigere behandeling als gevolg van vrijhandelsovereenkomsten

1.

Wat de in artikel 23, lid 1, en artikel 26, lid 1, omschreven douanerechten en de in artikel 27 omschreven vergoedingen en andere heffingen betreft, past de EU elke gunstigere behandeling die toepasselijk wordt doordat zij na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een preferentiële handelsovereenkomst met derde partijen, ook toe ten aanzien van de SADC-EPO-staten.

2.

Wat de in artikel 23, lid 1, en artikel 26, lid 1, omschreven douanerechten en de in artikel 27 omschreven vergoedingen en andere heffingen betreft, passen de SADC-EPO-staten, op verzoek van de EU, elke gunstigere behandeling die toepasselijk wordt doordat zij, individueel respectievelijk tezamen, na de ondertekening van deze overeenkomst partij worden bij een preferentiële handelsovereenkomst met een belangrijke handelsmacht, ook toe ten aanzien van de EU.

3.

In afwijking van lid 2 geldt dat de SADC-EPO-staten de behandeling die toepasselijk wordt doordat zij, individueel respectievelijk tezamen, partij worden bij een preferentiële handelsovereenkomst met landen van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan of andere landen of regio’s in Afrika, niet ook ten aanzien van de EU toepassen.

4.

In afwijking van lid 2 geldt dat wanneer een SADC-EPO-staat aantoont dat hij, doordat hij een preferentiële handelsovereenkomst met een belangrijke handelsmacht heeft gesloten, een in zijn geheel aanzienlijk gunstigere behandeling krijgt dan die welke door de EU wordt verleend, de partijen hierover overleg plegen en gezamenlijk besluiten hoe de bepalingen van lid 2 het best kunnen worden uitgevoerd.

5.

Dit artikel wordt niet zo uitgelegd dat de EU respectievelijk een SADC-EPO-staat verplicht is een SADC-EPO-staat respectievelijk de EU een preferentiële behandeling toe te kennen die toepasselijk wordt doordat de EU of een SADC-EPO-staat op de datum van ondertekening van deze overeenkomst partij is bij een preferentiële handelsovereenkomst met derde partijen.

6.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „belangrijke handelsmacht” verstaan elk ontwikkeld land of elk land dat in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde overeenkomst een aandeel van meer dan 1 % in de mondiale uitvoer van goederen had, of elke groep landen die individueel, tezamen of via een overeenkomst inzake economische integratie in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde overeenkomst een aandeel van meer dan 1,5 % in de mondiale uitvoer van goederen had.

7.

In afwijking van lid 1 geldt dat wanneer de EU na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een preferentiële handelsovereenkomst met een derde partij en die preferentiële handelsovereenkomst voorziet in een gunstigere behandeling van de derde partij dan die welke de EU Zuid-Afrika uit hoofde van deze overeenkomst verleent, de EU en Zuid-Afrika hierover in overleg treden teneinde te besluiten of en hoe de gunstigere behandeling uit de preferentiële handelsovereenkomst ook ten aanzien van Zuid-Afrika kan worden toegepast. De Gezamenlijke Raad kan voorstellen tot wijziging van de bepalingen van deze overeenkomst aannemen overeenkomstig artikel 117.

8.

In afwijking van lid 2 geldt dat wanneer de SACU of een MOL dat tot de SADC-EPO-staten behoort partij wordt bij een preferentiële handelsovereenkomst met een belangrijke handelsmacht en die preferentiële handelsovereenkomst voorziet in een gunstigere behandeling van de belangrijke handelsmacht door de SACU of het betrokken MOL dat tot de SADC-EPO-staten behoort dan die welke de EU uit hoofde van deze overeenkomst wordt verleend, de SACU of het respectieve MOL dat tot de SADC-EPO-staten behoort en de EU hierover in overleg treden teneinde te besluiten of en hoe de gunstigere behandeling uit de preferentiële handelsovereenkomst ook ten aanzien van de EU kan worden toegepast. De Gezamenlijke Raad kan voorstellen tot wijziging van de bepalingen van deze overeenkomst aannemen overeenkomstig artikel 117.

Artikel 29. Vrij verkeer

1.

Op goederen van oorsprong uit de EU respectievelijk de SADC-EPO-staten worden bij invoer op het grondgebied van de SADC-EPO-staten respectievelijk de EU slechts éénmaal douanerechten geheven.

2.

Rechten die worden betaald bij invoer van goederen in een SADC-EPO-staat die tevens een SACU-lidstaat is, worden volledig terugbetaald wanneer de goederen weer uit het douanegebied van die SADC-EPO-staat van eerste invoer worden uitgevoerd naar een SADC-EPO-staat die niet tevens een SACU-lidstaat is. Op die goederen worden dan rechten geheven in het land waar de goederen worden verbruikt. In afwachting van overeenstemming tussen de SADC-EPO-staten over de ter zake van dit lid toe te passen procedures, wordt dit lid toegepast overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving en -procedures.

3.

De partijen komen overeen samen te werken met het oog op bevordering van het goederenverkeer en vereenvoudiging van de douaneprocedures in de SADC-EPO-staten, in het bijzonder als voorzien in artikel 13, lid 2.

Artikel 30. Speciale bepalingen over administratieve samenwerking

1.

De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking van essentieel belang is voor de toepassing van en de controle op de preferentiële behandeling die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, en benadrukken hun vastberadenheid om onregelmatigheden en fraude op het gebied van douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.

2.

De partijen komen tevens overeen samen te werken teneinde ervoor te zorgen dat de nodige institutionele structuren de bevoegde autoriteiten in staat stellen tijdig en doeltreffend op verzoeken om bijstand te reageren.

3.

Onverminderd artikel 9 van protocol 2 wordt voor de toepassing van dit artikel onder het niet verlenen van administratieve samenwerking onder meer verstaan:

  • a. het herhaaldelijk niet nakomen van de in artikel 38 van protocol 1 neergelegde verplichting om de oorsprongsstatus van het betrokken product of de betrokken producten te controleren;
  • b. het herhaaldelijk weigeren de in artikel 38 van protocol 1 bedoelde controle achteraf van het bewijs van oorsprong te verrichten en/of de resultaten daarvan mede te delen, of onnodige vertraging daarbij;
  • c. het herhaaldelijk weigeren van toestemming voor de in artikel 7 van protocol 2 bedoelde missies in het kader van de administratieve samenwerking ter controle van de echtheid van documenten of de juistheid van gegevens die van belang zijn voor het verlenen van de betrokken preferentiële behandeling, of onnodige vertraging daarbij.
4.

Voor de toepassing van dit artikel kunnen onregelmatigheden of fraude onder meer worden vastgesteld wanneer de invoer van goederen snel stijgt, zonder dat daarvoor een gegronde verklaring is, die invoer de gebruikelijke productie- en uitvoercapaciteit van de andere partij te boven gaat, en de stijging in verband kan worden gebracht met objectieve informatie betreffende onregelmatigheden of fraude.

5.

Wanneer een partij op basis van objectieve informatie heeft vastgesteld dat geen administratieve samenwerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, kan de betrokken partij de desbetreffende preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten en de specifieke oorsprong ervan in uitzonderlijke gevallen in overeenstemming met dit artikel tijdelijk schorsen.

6.

Voor de toepassing van dit artikel worden onder uitzonderlijke omstandigheden verstaan omstandigheden die een aanzienlijk negatief effect op een partij hebben of kunnen hebben indien een bepaalde preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten wordt voortgezet.

7.

Voor een tijdelijke schorsing ingevolge lid 5 moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • a. de partij die op basis van objectieve informatie heeft vastgesteld dat geen administratieve samenwerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, stelt het Handels- en ontwikkelingscomité onverwijld in kennis van haar bevindingen en van de objectieve informatie, en treedt in het kader van het Handels- en ontwikkelingscomité op basis van alle relevante informatie en objectief vastgestelde bevindingen, informatie die verband houdt met capaciteits- en/of structurele beperkingen daaronder begrepen, in overleg om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden;
  • b. wanneer het Handels- en ontwikkelingscomité de kwestie heeft onderzocht en niet binnen vier (4) maanden na ontvangst van de kennisgeving overeenstemming over een aanvaardbare oplossing heeft bereikt, kan de betrokken partij de desbetreffende preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten en de specifieke oorsprong ervan tijdelijk schorsen. Het Handels- en ontwikkelingscomité wordt van de tijdelijke schorsing onverwijld in kennis gesteld. Op verzoek van een van de partijen kan de periode voor het bereiken van overeenstemming over een aanvaardbare oplossing om naar behoren gemotiveerde redenen worden verlengd tot vijf (5) maanden;
  • c. tijdelijke schorsingen op grond van dit artikel blijven beperkt tot wat nodig is om de financiële belangen van de betrokken partij te beschermen. De schorsingen duren niet langer dan zes (6) maanden, waarna verlenging mogelijk is nadat het Handels- en ontwikkelingscomité in de gelegenheid is geweest de kwestie opnieuw te onderzoeken. Tijdelijke schorsingen worden onmiddellijk na goedkeuring ervan ter kennis van het Handels- en ontwikkelingscomité gebracht. Binnen het Handels- en ontwikkelingscomité vindt hierover periodiek overleg plaats, met name met het oog op opheffing van de schorsingen zodra niet langer aan de voorwaarden voor de schorsing wordt voldaan.

Artikel 31. Handelwijze bij administratieve fouten

De partijen erkennen elkaars recht om administratieve fouten bij de uitvoering van deze overeenkomst te corrigeren. Wanneer fouten worden vastgesteld, kan elk van de partijen het Handels- en ontwikkelingscomité verzoeken de mogelijkheden te onderzoeken om passende maatregelen te nemen om de situatie te herstellen.

HOOFDSTUK II. HANDELSBESCHERMINGSINSTRUMENTEN

Artikel 32. Antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen

Ten aanzien van de rechten en verplichtingen van elk van de partijen in verband met de toepassing van antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen gelden de desbetreffende WTO-overeenkomsten. De bepalingen van DEEL IIIzijn niet van toepassing op dit artikel.

Artikel 33. Multilaterale vrijwaringsmaatregelen

1.

Onder voorbehoud van het bepaalde in dit artikel belet niets in deze overeenkomst een partij maatregelen te treffen overeenkomstig artikel XIX van de GATT 1994, de WTO-overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, artikel 5 van de WTO-overeenkomst inzake de landbouw, die een bijlage vormt bij de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie („WTO-overeenkomst”), en andere WTO-overeenkomsten ter zake.

2.

Niettegenstaande lid 1 en gezien de algemene ontwikkelingsdoelstellingen van deze overeenkomst en de geringe omvang van de economieën van de SADC-EPO-staten, sluit de EU de invoer uit een SADC-EPO-staat uit van maatregelen die zij neemt uit hoofde van artikel XIX van de GATT 1994, de WTO-overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de WTO-overeenkomst inzake de landbouw.

3.

Lid 2 geldt voor een periode van vijf (5) jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. Uiterlijk honderdtwintig (120) dagen voor afloop van deze periode onderzoekt de Gezamenlijke Raad de toepassing van lid 2 in het licht van de ontwikkelingsbehoeften van de SADC-EPO-staten, teneinde vast te stellen of de toepassing ervan kan worden verlengd.

4.

De bepalingen van Deel III zijn niet van toepassing op lid 1.

Artikel 34. Algemene bilaterale vrijwaringsmaatregelen

1.

Niettegenstaande artikel 33 kan een partij respectievelijk de SACU, na alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, vrijwaringsmaatregelen van beperkte duur toepassen die afwijken van de artikelen 24 en 25, onder de voorwaarden van en in overeenstemming met de procedures in dit artikel.

2.

De in lid 1 bedoelde vrijwaringsmaatregelen kunnen worden getroffen wanneer, ten gevolge van de door een partij krachtens deze overeenkomst aangegane verplichtingen, met inbegrip van tariefconcessies, een product van oorsprong uit een van de partijen in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden op het grondgebied van de andere partij respectievelijk de SACU wordt ingevoerd dat deze invoer:

  • a. op het grondgebied van de partij van invoer respectievelijk de SACU ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de interne bedrijfstak die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt;
  • b. leidt tot of dreigt te leiden tot verstoring van een economische sector die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt, met name wanneer hierdoor grote sociale problemen of moeilijkheden ontstaan die een ernstige verslechtering van de economische situatie van de partij van invoer respectievelijk de SACU tot gevolg kunnen hebben, of
  • c. leidt tot of dreigt te leiden tot verstoring van de markten voor soortgelijke of rechtstreeks concurrerende landbouwproducten op het grondgebied van de partij van invoer respectievelijk de SACU.

Deze vrijwaringsmaatregelen mogen niet verder gaan dan wat nodig is om de ernstige schade of de verstoringen te verhelpen of te voorkomen.

3.

De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen bestaan uit een of meer van de volgende maatregelen:

  • a. schorsing van de verdere verlaging van het invoerrecht op het betrokken product, zoals bepaald in deze overeenkomst;
  • b. verhoging van het douanerecht op het betrokken product tot een niveau dat het meestbegunstigingsrecht dat geldt op het tijdstip waarop de maatregel wordt genomen, niet overschrijdt, of
  • c. invoering van tariefcontingenten voor het betrokken product.
4.

Onverminderd de leden 1, 2 en 3 kan de EU, wanneer een product van oorsprong uit een SADC-EPO-staat in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat hierdoor voor een soortgelijke of rechtstreeks concurrerende productiesector in een of meer ultraperifere gebieden van de EU een van de in lid 2, onder a), b) of c), genoemde situaties ontstaat of dreigt te ontstaan, overeenkomstig de in de leden 6, 7 en 8 neergelegde procedures toezicht- of vrijwaringsmaatregelen nemen die beperkt zijn tot dat gebied of die gebieden.

5.

Onverminderd de leden 1, 2 en 3 kan een SADC-EPO-staat respectievelijk de SACU, wanneer een product van oorsprong uit de EU in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat hierdoor voor die SADC-EPO-staat respectievelijk de SACU een van de in lid 2, onder a), b) of c), genoemde situaties ontstaat of dreigt te ontstaan, overeenkomstig de in de leden 6, 7 en 8 neergelegde procedures toezicht- of vrijwaringsmaatregelen nemen die beperkt zijn tot zijn respectievelijk haar grondgebied.

6.

De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen:

  • a. worden slechts gehandhaafd zolang als nodig is om de ernstige schade of de verstoringen als omschreven in de leden 2, 4 en 5 te voorkomen of te verhelpen;
  • b. worden voor een periode van niet meer dan twee (2) jaar toegepast. Wanneer de omstandigheden die de instelling van vrijwaringsmaatregelen rechtvaardigden, blijven bestaan, kunnen deze maatregelen worden verlengd met nog eens maximaal twee (2) jaar. Wanneer een SADC-EPO-staat respectievelijk de SACU een vrijwaringsmaatregel toepast, of wanneer de EU een maatregel toepast die beperkt is tot een of meer van haar ultraperifere gebieden, kan die maatregel evenwel voor een periode van niet meer dan vier (4) jaar worden toegepast, met een mogelijke verlenging met nog eens vier (4) jaar wanneer de omstandigheden die de instelling van vrijwaringsmaatregelen rechtvaardigden, blijven bestaan;
  • c. die langer dan één (1) jaar gelden, bevatten duidelijke bepalingen die uiterlijk aan het einde van de vastgestelde periode geleidelijk leiden tot de intrekking ervan, en
  • d. mogen gedurende een periode van ten minste één (1) jaar na het verstrijken ervan niet opnieuw worden genomen ten aanzien van de invoer van een product waarop al eerder vrijwaringsmaatregelen van toepassing waren.
7.

Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 6 gelden de volgende bepalingen:

  • a. wanneer een partij respectievelijk de SACU van oordeel is dat een van de in lid 2, onder a), b) of c), lid 4 en/of lid 5 genoemde situaties zich voordoet, legt zij de aangelegenheid onmiddellijk voor onderzoek voor aan het Handels- en ontwikkelingscomité;
  • b. het Handels- en ontwikkelingscomité kan elke aanbeveling doen die nodig is om de situatie te verhelpen. Indien het Handels- en ontwikkelingscomité daartoe geen aanbevelingen heeft gedaan of indien er binnen dertig (30) dagen nadat de aangelegenheid aan het Handels- en ontwikkelingscomité werd voorgelegd geen andere bevredigende oplossing is bereikt, kan de partij van invoer overeenkomstig dit artikel passende maatregelen vaststellen om de situatie te verhelpen;
  • c. alvorens een in dit artikel bedoelde maatregel te nemen of in de gevallen waarin lid 8 van toepassing is, verstrekt de partij respectievelijk de SACU het Handels- en ontwikkelingscomité zo spoedig mogelijk alle informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde een voor de betrokken partijen aanvaardbare oplossing te vinden;
  • d. bij de keuze van vrijwaringsmaatregelen krachtens dit artikel moet voorrang worden gegeven aan maatregelen die de werking van deze overeenkomst zo min mogelijk verstoren. Indien het meestbegunstigingsrecht dat geldt op de dag onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop deze overeenkomst in werking treedt, lager is dan het meestbegunstigingsrecht dat geldt op het tijdstip waarop de maatregel wordt genomen, mogen de overeenkomstig lid 3, onder b), toegepaste maatregelen het meestbegunstigingsrecht dat geldt op de dag onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop deze overeenkomst in werking treedt, overschrijden. In een dergelijk geval verstrekt de partij respectievelijk de SACU, overeenkomstig de bepalingen onder c), het Handels- en ontwikkelingscomité de nodige informatie waaruit blijkt dat een verhoging van het recht tot het niveau van het meestbegunstigingsrecht dat geldt op het tijdstip van inwerkingtreding niet volstaat en dat een maatregel die dit recht overschrijdt noodzakelijk is om de ernstige schade of de verstoringen overeenkomstig lid 2 te verhelpen of te voorkomen;
  • e. alle krachtens dit artikel genomen vrijwaringsmaatregelen worden onmiddellijk ter kennis van het Handels- en ontwikkelingscomité gebracht en zijn het voorwerp van periodiek overleg binnen dat comité, in het bijzonder om een tijdschema vast te stellen voor de intrekking van de maatregelen zodra de omstandigheden dat toelaten.
8.

Wanneer uitstel tot moeilijk te herstellen schade zou leiden, kan de partij van invoer respectievelijk de SACU voorlopig de in de leden 3, 4 en/of 5 bedoelde maatregelen nemen zonder aan de eisen van lid 7 te voldoen.

  • a. Deze maatregelen hebben een maximale duur van honderdtachtig (180) dagen wanneer zij door de EU worden genomen, en van tweehonderd (200) dagen wanneer zij door een SADC-EPO-staat respectievelijk de SACU worden genomen of wanneer zij door de EU worden genomen en beperkt zijn tot een of meer van haar ultraperifere gebieden.
  • b. De duur van een dergelijke voorlopige maatregel wordt meegerekend als deel van de initiële periode en van eventuele verlengingen als bedoeld in lid 6.
  • c. Bij de vaststelling van dergelijke voorlopige maatregelen wordt rekening gehouden met de belangen van alle betrokken partijen.
  • d. De partij van invoer respectievelijk de SACU stelt de andere betrokken partij in kennis en legt de aangelegenheid onmiddellijk voor onderzoek voor aan het Handels- en ontwikkelingscomité.
9.

Indien de partij van invoer respectievelijk de SACU de invoer van een product onderwerpt aan een administratieve procedure die ten doel heeft snel informatie te verschaffen over de ontwikkeling van handelsstromen die tot de in dit artikel bedoelde problemen kunnen leiden, stelt zij het Handels- en ontwikkelingscomité daarvan onverwijld in kennis.

10.

De WTO-bepalingen over geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op de krachtens dit artikel vastgestelde vrijwaringsmaatregelen.

Artikel 35. Landbouwvrijwaringsmaatregelen

1.

Niettegenstaande artikel 34 kan een vrijwaringsmaatregel in de vorm van een invoerrecht worden toegepast indien, gedurende een periode van twaalf maanden, het invoervolume naar de SACU van een in bijlage IV vermeld landbouwproduct van oorsprong uit de EU de daarin vermelde referentiehoeveelheid voor het product overschrijdt.

2.

Op de in lid 1 bedoelde landbouwproducten kan een recht worden geheven dat niet meer bedraagt dan 25 % van het geldende geconsolideerde tarief in het kader van de WTO of, als dit hoger is, 25 procentpunten. Dit recht is niet hoger dan het gebruikelijke meestbegunstigingstarief.

3.

De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen worden gehandhaafd gedurende het resterende deel van het kalenderjaar of, als dit langer is, gedurende vijf (5) maanden.

4.

De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen worden niet tegelijkertijd met een van de volgende maatregelen gehandhaafd of toegepast met betrekking tot hetzelfde product:

  • a. een algemene bilaterale vrijwaringsmaatregel overeenkomstig artikel 34;
5.

De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen worden op transparante wijze uitgevoerd. Binnen tien (10) dagen, te rekenen vanaf de toepassingsdatum van een dergelijke maatregel, stelt de SACU de EU hiervan schriftelijk in kennis en verstrekt zij haar relevante gegevens met betrekking tot de maatregel. Op verzoek raadpleegt de SACU de EU over de toepassing van de maatregel. De SACU stelt tevens binnen dertig (30) dagen na de instelling van een dergelijke maatregel het Handels- en ontwikkelingscomité hiervan in kennis.

6.

De toepassing en werking van dit artikel kan voorwerp van bespreking en onderzoek in het Handels- en ontwikkelingscomité zijn. Op verzoek van een van de partijen kan het Handels- en ontwikkelingscomité de referentiehoeveelheden en de landbouwproducten als bedoeld in dit artikel onderzoeken.

7.

Dit artikel geldt slechts voor een periode van twaalf (12) jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

Artikel 36. Vrijwaringsmaatregelen inzake voedselzekerheid

1.

De partijen erkennen dat de verwijdering van handelsbelemmeringen tussen hen, zoals die in deze overeenkomst is voorzien, aanzienlijke problemen voor de producenten van landbouwproducten en voedingsmiddelen van de SADC-EPO-staten kan opleveren, en zij komen overeen hierover overleg met elkaar te voeren.

2.

Niettegenstaande artikel 34 geldt dat wanneer dit van wezenlijk belang is om een acute, algemene of plaatselijke schaarste van voedingsmiddelen of andere producten te voorkomen of te lenigen teneinde de voedselzekerheid van een SADC-EPO-staat te waarborgen en wanneer deze situatie tot grote moeilijkheden voor die staat leidt of dreigt te leiden, de betrokken SADC-EPO-staat overeenkomstig de procedure van artikel 34, lid 7, onder b), c) en d), lid 8 en lid 9, vrijwaringsmaatregelen kan vaststellen. De maatregel zal ten minste éénmaal per jaar aan een onderzoek worden onderworpen en wordt ingetrokken zodra de omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid, niet meer bestaan.

Artikel 37. Transitoire vrijwaringsmaatregelen van BLNS-staten

1.

De partijen erkennen de gevoeligheid van de in bijlage V vermelde geliberaliseerde producten voor de BLNS-staten.

2.

Niettegenstaande artikel 34 geldt dat wanneer een van de in bijlage V vermelde producten van oorsprong uit de EU in dermate toegenomen hoeveelheden op het grondgebied van een BLNS-staat wordt ingevoerd dat hierdoor in een BLNS-staat ernstige schade ontstaat of dreigt te ontstaan, de betrokken BLNS-staat een transitoire vrijwaringsmaatregel kan toepassen.

3.

In lid 2 bedoelde vrijwaringsmaatregelen hebben de vorm van een recht op het in bijlage V vermelde betrokken product tot een niveau dat het meestbegunstigingsrecht dat geldt op het tijdstip waarop de maatregel wordt genomen, niet overschrijdt, of bestaat in de invoering van een tariefcontingent tegen nulrecht, op voorwaarde dat het recht buiten het contingent niet hoger is dan het meestbegunstigingsrecht dat geldt op het tijdstip waarop de maatregel wordt genomen.

4.

Dertig (30) dagen vóór de toepassing van de vrijwaringsmaatregel geeft de betrokken BLNS-staat de EU schriftelijk kennis van de maatregel. Na de kennisgeving heeft de betrokken BLNS-staat zestig (60) dagen de tijd om alle relevante informatie met betrekking tot de maatregel te verstrekken.

5.

Onverminderd lid 2 treden de betrokken BLNS-staat en de EU op verzoek van een van beide partijen in overleg over de vrijwaringsmaatregel.

6.

De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen worden voor een periode van niet meer dan vier (4) jaar toegepast. Wanneer de omstandigheden die de instelling van de maatregel rechtvaardigden, blijven bestaan, kan deze maatregel worden verlengd met nog eens maximaal vier (4) jaar.

7.

Na afloop van een periode van twaalf (12) jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, mag geen in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregel meer worden vastgesteld.

Artikel 38. Vrijwaringsmaatregelen ter bescherming van opkomende industrieën

1.

Niettegenstaande artikel 34 kunnen Botswana, Lesotho, Namibië, Mozambique en Swaziland verdere verlagingen van het douanerecht tijdelijk schorsen of het douanerecht verhogen tot een niveau dat het meestbegunstigingsrecht niet overschrijdt, wanneer een product van oorsprong uit de EU als gevolg van de verlaging van de douanerechten in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden op hun grondgebied wordt ingevoerd dat dit een bedreiging vormt voor de vestiging van een opkomende industrie of dat hierdoor voor een opkomende industrie die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt, verstoringen ontstaan of dreigen te ontstaan.

2.

Vrijwaringsmaatregelen die overeenkomstig de voorwaarden van lid 1 worden vastgesteld door een SADC-EPO-staat die tevens een SACU-lidstaat is, hebben de vorm van aanvullende rechten die uitsluitend worden geheven door de SADC-EPO-staat die zich op deze bepaling beroept.

3.

De in lid 1 bedoelde vrijwaringsmaatregelen kunnen voor een periode van niet meer dan acht (8) jaar worden toegepast en kunnen bij besluit van de Gezamenlijke Raad worden verlengd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)