Economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2016-06-10
State In force
Source BWB
artikelen 203
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De Gezamenlijke Raad bestaat uit de betrokken leden van de Raad van de EU en de betrokken leden van de Europese Commissie of hun vertegenwoordigers, enerzijds, en de betrokken ministers van de SADC-EPO-staten of hun vertegenwoordigers, anderzijds. De eerste vergadering van de Gezamenlijke Raad wordt gezamenlijk voorgezeten door de partijen.

2.

Met betrekking tot aangelegenheden ten aanzien waarvan de SACU voor de toepassing van deze overeenkomst als collectief optreedt, treedt zij in het kader van deze bepaling als collectief op en wordt zij door de EU als zodanig behandeld. Met betrekking tot aangelegenheden ten aanzien waarvan de lidstaten van de SACU in het kader van deze bepaling individueel optreden, treedt de betrokken SACU-lidstaat individueel op en wordt hij door de EU als zodanig behandeld.

3.

Onverminderd de in artikel 15 van de Overeenkomst van Cotonou genoemde taken van de Raad van Ministers, heeft de Gezamenlijke Raad de volgende taken:

  • a. hij is verantwoordelijk voor de werking en de uitvoering van deze overeenkomst en ziet toe op de verwezenlijking van de doelstellingen ervan;
  • b. hij behandelt alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van deze overeenkomst voordoen en die van gemeenschappelijk belang zijn en gevolgen hebben voor de handel tussen de partijen;
  • c. hij behandelt voorstellen en aanbevelingen van de partijen met het oog op de herziening van deze overeenkomst;
  • d. hij doet passende aanbevelingen;
  • e. hij houdt toezicht op de ontwikkeling van de economische en handelsbetrekkingen tussen de partijen;
  • f. hij houdt toezicht op en evalueert de gevolgen van de bepalingen van deze overeenkomst inzake samenwerking voor de duurzame ontwikkeling;
  • g. hij houdt toezicht op en beoordeelt de vooruitgang op alle door deze overeenkomst bestreken gebieden;
  • h. hij stelt zijn eigen reglement van orde vast;
  • i. hij stelt het reglement van orde van het Handels- en ontwikkelingscomité vast;
  • j. hij houdt toezicht op de werkzaamheden van het Handels- en ontwikkelingscomité, en
  • k. hij voert andere taken uit hoofde van deze overeenkomst uit.
4.

De Gezamenlijke Raad kan periodiek verslagen over de werking van deze overeenkomst indienen bij de Raad van Ministers die is opgericht overeenkomstig artikel 15 van de Overeenkomst van Cotonou.

Artikel 102. Beslissingsbevoegdheden en procedures

1.

Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst heeft de Gezamenlijke Raad beslissingsbevoegdheid ten aanzien van alle onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden.

2.

De besluiten van de Gezamenlijke Raad worden bij consensus genomen en zijn bindend voor de partijen. De partijen nemen de nodige maatregelen om deze besluiten in overeenstemming met hun interne voorschriften uit te voeren.

3.

Voor procedurekwesties en procedures voor geschillenbeslechting stelt de Gezamenlijke Raad besluiten en aanbevelingen in onderling overleg tussen de partijen vast.

4.

De Gezamenlijke Raad komt met regelmatige tussenpozen van niet meer dan twee (2) jaar bijeen, en wanneer de omstandigheden zulks vereisen in buitengewone vergadering, indien de partijen daartoe gezamenlijk besluiten.

Artikel 103. Handels- en ontwikkelingscomité

1.

De Gezamenlijke Raad wordt bij de vervulling van zijn taken bijgestaan door een Handels- en ontwikkelingscomité, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen, gewoonlijk hoge ambtenaren.

2.

Het Handels- en ontwikkelingscomité wordt beurtelings voor één jaar voorgezeten door een vertegenwoordiger van elk van de partijen. De eerste vergadering van het Handels- en ontwikkelingscomité wordt gezamenlijk voorgezeten door de partijen.

3.

Dat comité kan speciale technische werkgroepen oprichten, die zich bezighouden met specifieke aangelegenheden waarvoor zij deskundigheid bezitten.

4.

Dat comité stelt het reglement van orde van de krachtens lid 3 opgerichte speciale technische werkgroepen vast.

5.

Dat comité brengt verslag uit en legt verantwoording af aan de Gezamenlijke Raad.

6.

Dat comité neemt besluiten of doet aanbevelingen in de gevallen waarin deze overeenkomst hierin voorziet of wanneer de Gezamenlijke Raad het daartoe bevoegdheid heeft verleend. In dat geval neemt het comité zijn besluiten bij consensus.

7.

Dat comité heeft in het bijzonder de volgende taken:

  • a. op het gebied van handel:
  • i. toezicht houden op en evalueren van de uitvoering van de besluiten van de Gezamenlijke Raad;
  • ii. vergemakkelijken van en toezicht houden op de uitvoering van de bepalingen van deze overeenkomst;
  • iii. bespreken van samenwerkingsprioriteiten en doen van aanbevelingen hierover aan de Gezamenlijke Raad;
  • iv. doen van aanbevelingen aan de Gezamenlijke Raad om potentiële conflicten op door deze overeenkomst bestreken gebieden te voorkomen;
  • v. uitvoeren van andere hieraan door de Gezamenlijke Raad toevertrouwde taken;
  • vi. toezicht houden op de werkzaamheden van de in lid 3 bedoelde speciale technische werkgroepen;
  • vii. toezicht houden op de ontwikkeling van de regionale integratie en van de economische en handelsbetrekkingen tussen de partijen;
  • viii. bespreken van maatregelen ter bevordering van de handel, van investeringen en van zakelijke mogelijkheden tussen de partijen, en uitvoeren van deze maatregelen, en
  • ix. bespreken van alle aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen en alle kwesties die gevolgen kunnen hebben voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan;
  • b. op het gebied van ontwikkelingssamenwerking:
  • i. toezicht houden op de uitvoering van de bepalingen van deze overeenkomst inzake samenwerking en coördineren van maatregelen ter zake met andere donoren;
  • ii. doen van aanbevelingen over handelsgerelateerde samenwerking tussen de partijen;
  • iii. periodiek evalueren van de in deze overeenkomst neergelegde samenwerkingsprioriteiten en in voorkomend geval doen van aanbevelingen over het opnemen van nieuwe prioriteiten;
  • iv. evalueren en bespreken van samenwerkingsaangelegenheden die vallen onder de regionale integratie en de uitvoering van deze overeenkomst, en
  • v. toezicht houden op de gevolgen van de uitvoering van deze overeenkomst voor de duurzame ontwikkeling van de partijen en evalueren van deze gevolgen.

DEEL VI. ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 104. Definitie van de partijen en naleving van de verplichtingen

1.

De partijen bij deze overeenkomst zijn Botswana, Lesotho, Namibië, Zuid-Afrika, Swaziland en Mozambique, enerzijds („de SADC-EPO-staten”), en de Europese Unie of haar lidstaten dan wel de Europese Unie en haar lidstaten, in het kader van hun respectieve bevoegdheidsgebieden overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), anderzijds („de EU”).

2.

De term „partij” heeft naargelang het geval betrekking op de afzonderlijke SADC-EPO-staten enerzijds of op de EU anderzijds.

3.

Wanneer in deze overeenkomst naar de SACU wordt verwezen, zoals in artikel 25, lid 1, de artikelen 34, 35 en 101, en in DEEL III, treden Botswana, Lesotho, Namibië, Zuid-Afrika en Swaziland als collectief op in de zin van de SACU-overeenkomst.

4.

De Gezamenlijke Raad kan besluiten de wijze waarop lid 3 wordt toegepast, te wijzigen.

5.

De partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen en zien erop toe dat zij de in deze overeenkomst neergelegde doelstellingen in acht nemen.

Artikel 105. Uitwisseling van informatie

1.

Om de communicatie met betrekking tot de doeltreffende uitvoering van deze overeenkomst te vergemakkelijken, wijzen de partijen vanaf de inwerkingtreding van de overeenkomst elk een coördinator voor de uitwisseling van informatie aan. De aanwijzing van een coördinator voor de uitwisseling van informatie laat de specifieke aanwijzing van bevoegde instanties in het kader van specifieke bepalingen van deze overeenkomst onverlet.

2.

Op verzoek van een partij geeft de coördinator van de andere partij aan welk bureau of welke ambtenaar verantwoordelijk is voor enige aangelegenheid die betrekking heeft op de uitvoering van deze overeenkomst en verleent hij de nodige hulp om de communicatie met de verzoekende partij te vergemakkelijken.

3.

Op verzoek van een partij verstrekt de andere partij, voor zover juridisch mogelijk, informatie en beantwoordt zij onverwijld elke vraag over een bestaande of voorgestelde maatregel die gevolgen kan hebben voor de handel tussen de partijen.

Artikel 106. Transparantie

1.

Een partij publiceert haar wet- en regelgeving, procedures en algemene administratieve beschikkingen alsmede alle andere verbintenissen krachtens een internationale overeenkomst met betrekking tot enige handelsaangelegenheid die onder deze overeenkomst valt, of maakt deze openbaar. Wanneer dergelijke maatregelen na de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden vastgesteld, worden zij ter kennis van de andere partij gebracht.

2.

Onverminderd de specifieke transparantiebepalingen van deze overeenkomst wordt de in dit artikel bedoelde informatie geacht ter kennis van de andere partij te zijn gebracht wanneer de informatie beschikbaar is gemaakt:

  • a. door middel van een passende kennisgeving aan de WTO; of
  • b. op de officiële, voor iedereen kosteloos toegankelijke website; of
  • c. aan de coördinator van de andere partij.

Wanneer evenwel de EU dergelijke informatie via een officiële, voor iedereen kosteloos toegankelijke website heeft verspreid, maar niet ter kennis van de WTO heeft gebracht, kunnen de SADC-EPO-staten die wegens capaciteitsbeperkingen problemen hebben met de toegang tot een dergelijke website, de EU verzoeken die informatie aan de desbetreffende coördinator te verstrekken.

3.

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst verplicht een partij ertoe vertrouwelijke informatie te verstrekken wanneer bekendmaking ervan de rechtshandhaving zou belemmeren, anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen, tenzij bekendmaking nodig mocht zijn in het kader van een procedure voor geschillenbeslechting ingevolge deze overeenkomst. Wanneer een krachtens DEEL III ingesteld panel bekendmaking nodig acht, ziet het erop toe dat de vertrouwelijkheid volledig in acht wordt genomen.

Artikel 107. Tijdelijke moeilijkheden bij de uitvoering

Een partij die wegens factoren waarop zij geen invloed heeft, moeilijkheden ondervindt om aan haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst te voldoen, brengt de aangelegenheid onmiddellijk ter kennis van de Gezamenlijke Raad.

Artikel 108. Regionale preferenties

1.

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst verplicht een partij ertoe een gunstiger behandeling die zij als onderdeel van haar regionale integratieproces toepast, naar de andere partij uit te breiden.

2.

Wanneer een SADC-EPO-staat de EU in het kader van deze overeenkomst een gunstiger behandeling of een voordeel toekent, geldt deze gunstiger behandeling of dit voordeel ook voor de andere SADC-EPO-staten.

Artikel 109. Ultraperifere gebieden van de EU

1.

Gezien de geografische nabijheid van de ultraperifere gebieden van de EU en de SADC-EPO-staten en ter versterking van de economische en sociale banden tussen die gebieden en de SADC-EPO-staten, streven de partijen ernaar de samenwerking tussen de ultraperifere gebieden van de EU en de SADC-EPO-staten op alle door deze overeenkomst bestreken gebieden te bevorderen.

2.

De in lid 1 genoemde doelstellingen worden waar mogelijk ook nagestreefd door de gezamenlijke deelname van de SADC-EPO-staten en de ultraperifere gebieden van de EU aan de kaderprogramma’s en specifieke programma’s van de EU op door deze overeenkomst bestreken gebieden te stimuleren.

3.

De EU streeft naar coördinatie van de verschillende financiële instrumenten van het cohesie- en ontwikkelingsbeleid van de EU, teneinde de samenwerking tussen de SADC-EPO-staten en de ultraperifere gebieden van de EU op door deze overeenkomst bestreken gebieden te stimuleren.

4.

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst belet de toepassing door de EU van bestaande maatregelen uit hoofde van artikel 349 VWEU die zijn gericht op verbetering van de structurele economische en sociale situatie van haar ultraperifere gebieden. Het is op grond van deze bepaling verboden andere handelstarieven tussen de partijen te handhaven dan die welke ingevolge BIJLAGE I, DEEL III, punt 2, zijn toegestaan.

Artikel 110. Verhouding tot de Overeenkomst van Cotonou

1.

Met uitzondering van de bepalingen inzake ontwikkelingssamenwerking in deel 3, titel II, van de Overeenkomst van Cotonou hebben in geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze overeenkomst en die van deel 3, titel II, van de Overeenkomst van Cotonou de bepalingen van deze overeenkomst voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft.

2.

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst mag worden uitgelegd als beletsel voor een van de partijen om passende maatregelen uit hoofde van de Overeenkomst van Cotonou vast te stellen.

Artikel 111. Verhouding tot de TDC-overeenkomst

Voor de verhouding tussen deze overeenkomst en de TDC-overeenkomst gelden de bepalingen van protocol 4.

Artikel 112. Verhouding tot de WTO-overeenkomst

De partijen komen overeen dat zij op grond van geen enkele bepaling van deze overeenkomst verplicht zijn te handelen op een wijze die in strijd is met hun WTO-verplichtingen.

Artikel 113. Inwerkingtreding6)De partijen bij het aangehechte protocol betreffende geografische aanduidingen en handel in wijn en gedistilleerde dranken geven uitvoering aan de daarin opgenomen verbintenissen.

1.

Deze overeenkomst wordt ondertekend, geratificeerd of goedgekeurd volgens de toepasselijke grondwettelijke of interne voorschriften en procedures van elke partij.

2.

Deze overeenkomst treedt in werking op de dertigste (30e) dag na de datum van nederlegging van de laatste akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring.

3.

In afwachting van de inwerkingtreding van deze overeenkomst komen de EU en de SADC-EPO-staten overeen de bepalingen van de overeenkomst die binnen hun respectieve bevoegdheidsgebied vallen, alvast toe te passen („voorlopige toepassing”). Dit kan gebeuren door middel van voorlopige toepassing, wanneer dat mogelijk is, of door ratificatie van deze overeenkomst.

4.

Deze overeenkomst wordt tien (10) dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving van de voorlopige toepassing door de EU of, indien dit later is, van de ratificatie of voorlopige toepassing door een SADC-EPO-staat, voorlopig toegepast tussen de EU en die SADC-EPO-staat.

5.

De in artikel 24, lid 2, en artikel 25, lid 1, bedoelde concessies inzake toegang tot de markt voor landbouwproducten en inzake toegang tot de markt voor visserijproducten, die in de tarieflijsten in de bijlagen I en II worden aangeduid met een asterisk (*), zijn uitgesloten van de voorlopige toepassing van deze overeenkomst tussen de EU en een SACU-lidstaat zolang niet alle SACU-lidstaten deze overeenkomst hebben geratificeerd of voorlopig hebben toegepast.

6.

De in artikel 24, lid 2, en artikel 25, lid 1, bedoelde concessies inzake toegang tot de markt voor landbouwproducten, die in de tarieflijsten in de bijlagen I en II worden aangeduid met een asterisk (*), zijn uitgesloten van de voorlopige toepassing of de inwerkingtreding van deze overeenkomst tussen de EU en een SACU-lidstaat zolang niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 16 van protocol 3.

7.

De kennisgevingen van voorlopige toepassing of ratificatie worden gericht aan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie, die depositaris van deze overeenkomst is. Voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van de kennisgevingen worden neergelegd bij de uitvoerend secretaris van het secretariaat van de SADC.

8.

Indien de partijen, in afwachting van de inwerkingtreding ervan, besluiten deze overeenkomst voorlopig toe te passen, worden alle verwijzingen in deze overeenkomst naar de datum van inwerkingtreding geacht betrekking te hebben op de datum waarop deze voorlopige toepassing van kracht wordt.

Artikel 114. Duur

1.

Deze overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd.

2.

Elke partij kan schriftelijk kennisgeven van haar voornemen deze overeenkomst op te zeggen.

3.

De opzegging wordt zes (6) maanden na de datum van de in lid 2 bedoelde kennisgeving van kracht.

Artikel 115. Territoriale toepassing

1.

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op elk grondgebied waarop het VEU en het VWEU van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van elk van de SADC-EPO-staten.

2.

Verwijzingen naar „grondgebied” in deze overeenkomst worden in deze zin begrepen.

Artikel 116. Herzieningsclausule

1.

De partijen komen overeen deze overeenkomst uiterlijk vijf (5) jaar na de inwerkingtreding ervan in haar geheel te herzien. Die herziening laat aanpassingen, onderzoeken of herzieningen elders in deze overeenkomst voorzien, zoals in artikel 12, lid 2, artikel 16, lid 8, artikel 17, lid 5, artikel 18, lid 5, artikel 26, lid 10, artikel 33, lid 3, artikel 35, lid 6, en artikel 65, onder e), onverlet.

2.

Wat de uitvoering van deze overeenkomst betreft, kan elke partij voorstellen de samenwerking op handelsgebied, gezien de bij de uitvoering opgedane ervaring, aan te passen.

3.

De partijen zijn het erover eens dat deze overeenkomst kan moeten worden herzien in het licht van latere ontwikkelingen in de internationale economische betrekkingen en van het verstrijken van de Overeenkomst van Cotonou.

Artikel 117. Wijzigingen

1.

Elke partij kan voorstellen voor wijzigingen van deze overeenkomst voor onderzoek en aanneming aan de Gezamenlijke Raad voorleggen.

2.

Na aanneming door de Gezamenlijke Raad worden wijzigingen van deze overeenkomst aan de partijen voorgelegd voor ratificatie, aanvaarding of goedkeuring overeenkomstig hun respectieve grondwettelijke bepalingen of interne wettelijke voorschriften.

Artikel 118. Toetreding van nieuwe EU-lidstaten

1.

De Gezamenlijke Raad wordt in kennis gesteld van elk verzoek van een derde staat om toe te treden tot de EU. Tijdens de onderhandelingen tussen de EU en de staat die het verzoek heeft ingediend, verstrekt de EU de SADC-EPO-staten alle ter zake dienende inlichtingen. De SADC-EPO-staten stellen de EU in kennis van hun bezorgdheden en kunnen de EU om overleg verzoeken, zodat zij daar ten volle rekening mee kan houden. De EU stelt de SADC-EPO-staten in kennis van elke toetreding tot de EU.

2.

Elke nieuwe lidstaat van de EU wordt vanaf de datum van zijn toetreding partij bij deze overeenkomst door middel van een daartoe strekkende clausule in de akte van toetreding. Indien de akte van toetreding tot de EU niet voorziet in een automatische toetreding van de nieuwe EU-lidstaat tot deze overeenkomst, treedt de betrokken EU-lidstaat toe door nederlegging van een akte van toetreding bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, dat hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doet toekomen aan de SADC-EPO-staten.

3.

De partijen onderzoeken de gevolgen van de toetreding van nieuwe EU-lidstaten voor deze overeenkomst. De Gezamenlijke Raad kan zo nodig overgangs- of wijzigingsmaatregelen vaststellen.

Artikel 119. Toetreding

1.

Een derde staat of een organisatie met bevoegdheden met betrekking tot de aangelegenheden waarop deze overeenkomst betrekking heeft, kan om toetreding tot deze overeenkomst verzoeken. Indien de Gezamenlijke Raad ermee instemt dit verzoek in overweging te nemen, voeren de partijen en de staat of de organisatie die het verzoek om toetreding heeft gedaan, onderhandelingen over de toetredingsvoorwaarden. Na aanneming van het toetredingsprotocol door de Gezamenlijke Raad wordt dit protocol aan de partijen voorgelegd voor ratificatie, aanvaarding of goedkeuring overeenkomstig hun respectieve grondwettelijke bepalingen of interne wettelijke voorschriften.

2.

De partijen onderzoeken de gevolgen van een dergelijke toetreding voor deze overeenkomst. De Gezamenlijke Raad kan zo nodig overgangs- of wijzigingsmaatregelen vaststellen.

3.

Niettegenstaande lid 1 komen de partijen overeen dat in het geval van een verzoek van Angola aan de Gezamenlijke Raad om tot deze overeenkomst toe te treden, onderhandelingen over de toetredingsvoorwaarden op de grondslag van deze overeenkomst dienen te worden gevoerd, rekening houdend met de specifieke situatie van Angola.

Artikel 120. Talen en authentieke teksten

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. Wanneer de teksten elkaar tegenspreken, geldt de taal waarin de onderhandelingen over de overeenkomst plaatsvonden.

Artikel 121. Bijlagen

De bijlagen, protocollen en voetnoten bij deze overeenkomst vormen een integrerend onderdeel van deze overeenkomst.

Artikel 122. Rechten en verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst mag aldus worden uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend door of daarmee verplichtingen worden opgelegd aan personen, anders dan die welke de partijen krachtens internationaal publiekrecht hebben vastgesteld.

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. elke verwijzing naar het mannelijke geslacht: terzelfder tijd een verwijzing naar het vrouwelijke geslacht, en omgekeerd;
  • b. „vervaardiging”: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale behandelingen;
  • c. „materiaal”: alle ingrediënten, grondstoffen, componenten of delen die bij de vervaardiging van het product worden gebruikt;
  • d. „product”: het product dat wordt vervaardigd, ook indien dit bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt;
  • e. „goederen”: zowel materialen als producten;
  • g. „prijs af fabriek”: de prijs van het product af fabriek, betaald aan de fabrikant in de EU of in een SADC-EPO-staat in wiens onderneming de laatste be- of verwerking is verricht, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd;
  • h. „waarde van de materialen”: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is of niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de EU of in de SADC-EPO-staten is betaald;
  • i. „waarde van de materialen van oorsprong”: de waarde van deze materialen volgens de definitie onder h), die van dienovereenkomstige toepassing is;
  • j. „toegevoegde waarde” voor de toepassing van artikel 4 van dit protocol: de prijs af fabriek verminderd met de douanewaarde van elk van de verwerkte materialen die van oorsprong zijn uit de andere in de artikelen 4, 5 en 6 van dit protocol bedoelde landen of gebieden waarmee cumulatie mogelijk is, of, indien de douanewaarde niet bekend is of niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de EU of in een SADC-EPO-staat is betaald;
  • k. „toegevoegde waarde” voor de toepassing van artikel 43 van dit protocol: de prijs af fabriek verminderd met de douanewaarde van elk van de verwerkte materialen die worden ingevoerd in de SADC-EPO-staat die de afwijking aanvraagt, of, indien de douanewaarde niet bekend is of niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen is betaald in de SADC-EPO-staat die de afwijking aanvraagt;
  • l. „hoofdstukken”, „posten” en „postonderverdelingen”: de hoofdstukken, posten (viercijfercodes) en postonderverdelingen (zescijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen vormt, in dit protocol „het geharmoniseerd systeem” of „GS” genoemd;
  • m. „ingedeeld”: de indeling van een product of materiaal onder een bepaald hoofdstuk, een bepaalde post of een bepaalde postonderverdeling;
  • n. „zending”: producten die gelijktijdig van één exporteur naar één geadresseerde worden verzonden of die vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument voor de verzending van de exporteur naar de geadresseerde, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur;
  • o. „grondgebied”: mede de territoriale wateren;
  • p. „LGO’s”: de landen en gebieden overzee zoals gedefinieerd in bijlage VIII;
  • q. „andere ACS-EPO-staten”: alle staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan met uitzondering van de SADC-EPO-staten, waarin ten minste voorlopig een EPO met de EU wordt toegepast;
  • r. „leveranciersverklaring”: een verklaring van een leverancier betreffende de oorsprongsstatus van producten. Exporteurs kunnen deze gebruiken als bewijsmateriaal, met name bij de aanvraag voor afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of voor het opstellen van een oorsprongsverklaring;
  • s. „deze overeenkomst”: de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds.

TITEL II. DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG”

Artikel 2. Algemene voorwaarden

1.

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit de EU:

  • a. volledig in de EU verkregen producten in de zin van artikel 7 van dit protocol;
  • b. in de EU verkregen producten waarin materialen zijn verwerkt die daar niet volledig zijn verkregen, op voorwaarde dat die materialen in de EU een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 8 van dit protocol.
2.

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit een SADC-EPO-staat:

  • a. volledig in een SADC-EPO-staat verkregen producten in de zin van artikel 7 van dit protocol;
  • b. in een SADC-EPO-staat verkregen producten waarin materialen zijn verwerkt die daar niet volledig zijn verkregen, op voorwaarde dat die materialen in die SADC-EPO-staat een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 8 van dit protocol.

Artikel 3. Bilaterale cumulatie

1.

Dit artikel is uitsluitend van toepassing in geval van cumulatie tussen een SADC-EPO-staat en de EU.

2.

Onverminderd artikel 2, lid 2, van dit protocol worden materialen van oorsprong uit de EU in de zin van dit protocol als van oorsprong uit een SADC-EPO-staat beschouwd, wanneer zij zijn verwerkt in een product dat in die SADC-EPO-staat is verkregen, op voorwaarde dat de daar verrichte be- of verwerkingen meer inhouden dan die welke in artikel 9, lid 1, van dit protocol zijn genoemd.

3.

Onverminderd artikel 2, lid 1, van dit protocol worden materialen van oorsprong uit een SADC-EPO-staat in de zin van dit protocol als van oorsprong uit de EU beschouwd, wanneer zij zijn verwerkt in een product dat in de EU is verkregen, op voorwaarde dat de daar verrichte be- of verwerkingen meer inhouden dan die welke in artikel 9, lid 1, van dit protocol zijn genoemd en het product naar dezelfde SADC-EPO-staat wordt uitgevoerd.

4.

Onverminderd artikel 2, lid 2, van dit protocol worden in de EU verrichte be- of verwerkingen geacht in een SADC-EPO-staat te hebben plaatsgevonden wanneer de materialen later in die SADC-EPO-staat be- of verwerkingen ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 9, lid 1, van dit protocol worden genoemd.

5.

Onverminderd artikel 2, lid 1, van dit protocol worden in een SADC-EPO-staat verrichte be- of verwerkingen geacht in de EU te hebben plaatsgevonden wanneer de materialen later aldaar be- of verwerkingen ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 9, lid 1, van dit protocol worden genoemd en het product naar die SADC-EPO-staat wordt uitgevoerd.

Artikel 4. Diagonale cumulatie

1.

Dit artikel is niet van toepassing op de in artikel 3 van dit protocol bedoelde cumulatie.

2.

Onverminderd artikel 2, lid 2, van dit protocol worden materialen van oorsprong uit een SADC-EPO-staat, de EU, andere ACS-EPO-staten of LGO’s beschouwd als van oorsprong uit de SADC-EPO-staat wanneer zij zijn verwerkt in een aldaar verkregen product, op voorwaarde dat de daar verrichte be- of verwerkingen meer inhouden dan die welke in artikel 9, lid 1, van dit protocol zijn genoemd.

3.

Onverminderd artikel 2, lid 1, van dit protocol worden materialen van oorsprong uit een SADC-EPO-staat, andere ACS-EPO-staten of LGO’s beschouwd als van oorsprong uit de EU wanneer zij zijn verwerkt in een product dat in de EU is verkregen, op voorwaarde dat de in de EU verrichte be- of verwerkingen meer inhouden dan die welke in artikel 9, lid 1, van dit protocol zijn genoemd.

4.

Voor de toepassing van de leden 2 en 3 wordt de oorsprong van de materialen van oorsprong uit de EU of uit een SADC-EPO-staat bepaald volgens de oorsprongsregels van dit protocol en overeenkomstig artikel 30 van dit protocol. De oorsprong van materialen van oorsprong uit andere ACS-EPO-staten of LGO’s wordt bepaald volgens de oorsprongsregels die van toepassing zijn in het kader van de preferentiële regelingen van de EU met die landen en gebieden en overeenkomstig artikel 30 van dit protocol.

5.

Voor de in de leden 2 en 3 bedoelde cumulatie wordt het verkregen product, wanneer de be- of verwerking in een SADC-EPO-staat of in de EU niet ingrijpender is dan de in artikel 9, lid 1, van dit protocol genoemde be- of verwerkingen, alleen als van oorsprong uit een SADC-EPO-staat of uit de EU beschouwd wanneer de aldaar toegevoegde waarde groter is dan de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de andere landen of gebieden.

6.

Onverminderd artikel 2, lid 2, van dit protocol worden in een SADC-EPO-staat, de EU, andere ACS-EPO-staten of LGO’s verrichte be- of verwerkingen geacht te hebben plaatsgevonden in de SADC-EPO-staat waar de materialen later be- of verwerkingen ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 9, lid 1, van dit protocol worden genoemd.

7.

Onverminderd artikel 2, lid 1, van dit protocol worden in een SADC-EPO-staat, andere ACS-EPO-staten of LGO’s verrichte be- of verwerkingen geacht in de EU te hebben plaatsgevonden wanneer de materialen later in de EU be- of verwerkingen ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 9, lid 1, van dit protocol worden genoemd.

8.

Voor de in de leden 6 en 7 bedoelde cumulatie wordt het verkregen product, wanneer de be- of verwerking in een SADC-EPO-staat of in de EU niet ingrijpender is dan de in artikel 9, lid 1, van dit protocol genoemde be- of verwerkingen, alleen als van oorsprong uit een SADC-EPO-staat of uit de EU beschouwd wanneer de aldaar toegevoegde waarde groter is dan de in een van de andere landen of gebieden toegevoegde waarde. De oorsprong van het eindproduct wordt bepaald volgens de oorsprongsregels van dit protocol en overeenkomstig artikel 30 van dit protocol.

9.

De in de leden 2 en 6 bedoelde cumulatie kan slechts worden toegepast indien:

  • a. de SADC-EPO-staten, de andere ACS-EPO-staten en de LGO’s met elkaar een regeling of overeenkomst inzake administratieve samenwerking zijn aangegaan, die de naleving en correcte toepassing van dit artikel garandeert en waarin wordt verwezen naar het gebruik van passende bewijzen van oorsprong;
  • b. het secretariaat van de Zuidelijk-Afrikaanse Douane-unie (SACU) en het Ministerie van Industrie en Handel van Mozambique de Europese Commissie bijzonderheden hebben verstrekt over de met de andere in dit artikel bedoelde landen of gebieden aangegane regelingen of overeenkomsten inzake administratieve samenwerking.
10.

De in de leden 3 en 7 bedoelde cumulatie kan slechts worden toegepast indien:

  • a. de EU1)De verbintenissen tot administratieve samenwerking tussen de EU en de ACS-EPO-staten zijn neergelegd in de respectieve protocollen inzake de oorsprongsregels en administratieve samenwerking., de andere ACS-EPO-staten en de LGO’s met elkaar een regeling of overeenkomst inzake administratieve samenwerking zijn aangegaan, die de naleving en correcte toepassing van dit artikel garandeert en waarin wordt verwezen naar het gebruik van passende bewijzen van oorsprong;
  • b. de Europese Commissie de SADC-EPO-staten via het secretariaat van de SACU en het Ministerie van Industrie en Handel van Mozambique bijzonderheden heeft verstrekt over de overeenkomsten inzake administratieve samenwerking met de andere in dit artikel bedoelde landen of gebieden.
11.

Zodra aan de vereisten van de leden 9 en 10 is voldaan en de EU en de SADC-EPO-staten overeenstemming hebben bereikt over de datum voor de gelijktijdige invoering van de in dit lid bedoelde cumulatie, voldoet elke partij aan haar eigen vereisten inzake bekendmaking en informatie zoals bedoeld in lid 14.

12.

Niettegenstaande lid 11 valt de invoeringsdatum van de in dit artikel bedoelde cumulatie met materialen uit een specifiek land of gebied uiterlijk vijf (5) jaar na de datum waarop een SADC-EPO-staat of de EU een in de leden 9 en 10 bedoelde overeenkomst/regeling inzake administratieve samenwerking met dat specifieke land of gebied heeft ondertekend.

13.

Na de in lid 12 vastgestelde periode mogen de SADC-EPO-staten beginnen met de toepassing van de in de leden 2 en 6 bedoelde cumulatie, op voorwaarde dat aan de vereisten van lid 9 is voldaan, terwijl de EU mag beginnen met de toepassing van de in de leden 3 en 7 bedoelde cumulatie, op voorwaarde dat aan de vereisten van lid 10 is voldaan.

14.

Elke partij maakt volgens haar eigen interne procedures de datum van invoering van de cumulatie met een specifiek land of gebied bekend.

15.

De in lid 2 bedoelde cumulatie wordt niet toegepast op materialen:

  • a. van de GS-posten 1604 en 1605 van oorsprong uit de EPO-Stille-Oceaanstaten, overeenkomstig artikel 6, lid 6, van protocol II bij de tussentijdse partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de staten in de Stille Oceaan, anderzijds2)Besluit 2009/729/EG van de Raad van 13 juli 2009.;
  • b. van de GS-posten 1604 en 1605 van oorsprong uit de Stille-Oceaanstaten, overeenkomstig de toekomstige bepalingen van een alomvattende economische partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de ACS-staten in de Stille Oceaan;
  • c. van oorsprong uit Zuid-Afrika die niet rechtstreeks rechten- en contingentvrij in de EU kunnen worden ingevoerd.
16.

De in lid 3 bedoelde cumulatie:

  • a. wordt, indien het eindproduct naar de SACU wordt uitgevoerd, niet toegepast op materialen:
  • i. van oorsprong uit SADC-staten die geen deel uitmaken van de SACU, welke geen rechten- en contingentvrije toegang tot de SACU krijgen overeenkomstig het SADC-handelsprotocol, en
  • ii. van oorsprong uit LGO’s of andere ACS-EPO-staten dan de SADC-staten die geen deel uitmaken van de SACU, welke niet rechtstreeks rechten- en contingentvrij in de SACU kunnen worden ingevoerd;
  • b. wordt, indien het eindproduct naar Mozambique wordt uitgevoerd, niet toegepast op materialen van oorsprong uit LGO’s of andere ACS-EPO-staten, welke niet rechtstreeks rechten- en contingentvrij in Mozambique kunnen worden ingevoerd.
17.

De EU, de SACU en Mozambique stellen de lijst vast van de materialen waarop lid 15, onder c), lid 16, onder a), en lid 16, onder b), betrekking hebben en zien erop toe dat de lijst in voorkomend geval wordt bijgewerkt om de naleving van die leden te garanderen. De SACU en Mozambique stellen de Europese Commissie in kennis van hun lijst en, met “track changes”, van de eventuele latere versies daarvan. De EU stelt het secretariaat van de SACU en het Ministerie van Industrie en Handel van Mozambique in kennis van haar lijst en, met “track changes”, van de eventuele latere versies daarvan. Na de in dit lid bedoelde kennisgeving maakt elke partij volgens haar eigen interne procedures elk van deze lijsten bekend. De partijen maken de lijsten en de eventuele latere wijzigingen daarvan bekend binnen een (1) maand na ontvangst van de kennisgeving. Ingeval pas na de invoeringsdatum van de cumulatie kennis wordt gegeven van de lijsten of de latere versies daarvan, is de uitsluiting van cumulatie met de materialen van toepassing vanaf zes (6) maanden na ontvangst van de kennisgeving.

18.

In afwijking van lid 15, onder c), lid 16, onder a), en lid 16, onder b), mogen de EU, de SACU en Mozambique eender welk materiaal uit hun respectieve lijsten verwijderen. De cumulatie met de materialen die uit de respectieve lijst werden verwijderd, is van toepassing na kennisgeving en bekendmaking van de bijgewerkte lijst. De partijen maken de lijsten en de eventuele latere wijzigingen daarvan bekend binnen een (1) maand na ontvangst van de kennisgeving.

19.

De in dit artikel bedoelde cumulatie is op de in bijlage IX genoemde producten slechts van toepassing na 1 oktober 2015.

Artikel 5. Cumulatie met betrekking tot materialen die bij invoer in de EU een rechtenvrije behandeling krijgen op grond van het meestbegunstigingstarief

1.

Onverminderd artikel 2, lid 2, van dit protocol worden niet van oorsprong zijnde materialen die bij invoer in de EU vrij zijn van douanerechten ingevolge de toepassing van de conventionele rechten van het meestbegunstigingstarief overeenkomstig het gemeenschappelijk douanetarief3)Overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, en latere wijzigings- en overeenkomstige rechtshandelingen. beschouwd als van oorsprong uit een SADC-EPO-staat wanneer zij zijn verwerkt in een product dat aldaar is verkregen. De materialen behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan, op voorwaarde dat de be- of verwerking ingrijpender is dan de in artikel 9, lid 1, van dit protocol genoemde be- of verwerkingen.

2.

Op certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 (in vak 7) of oorsprongsverklaringen die uit hoofde van lid 1 zijn afgegeven, wordt vermeld:

„Uit hoofde van artikel 5, lid 1, van protocol 1 bij de EPO EU-SADC”.

3.

De EU stelt het in artikel 50 van deze overeenkomst bedoelde speciaal comité voor douane en handelsbevordering („het comité”) jaarlijks in kennis van de lijst van materialen waarop dit artikel van toepassing is.

4.

De in dit artikel bedoelde cumulatie wordt niet toegepast op materialen:

  • a. die bij invoer in de EU onderworpen worden aan antidumpingrechten of compenserende rechten wanneer zij van oorsprong zijn uit een land dat onderworpen is aan deze antidumpingrechten of compenserende rechten4)Voor de toepassing van deze specifieke uitsluiting zijn de niet-preferentiële oorsprongsregels van de EU van toepassing.;
  • b. die zijn ingedeeld in GS-onderverdelingen welke overeenkomstig het gemeenschappelijk douanetarief van de EU achtcijfercodes omvatten die niet vrij zijn van douanerechten ingevolge de toepassing van de conventionele rechten van het meestbegunstigingstarief van de EU.

Artikel 6. Cumulatie met betrekking tot materialen van oorsprong uit andere landen die in aanmerking komen voor preferentiële rechten- en contingentvrije toegang tot de EU

1.

Onverminderd artikel 2, lid 2, van dit protocol worden materialen van oorsprong uit landen en gebieden:

  • a. die in aanmerking komen voor de „bijzondere regeling voor de minst ontwikkelde landen” van het stelsel van algemene preferenties5)Overeenkomstig de artikelen 17 en 18 van Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties.;
  • b. die in aanmerking komen voor rechten- en contingentvrije toegang tot de markt van de EU uit hoofde van de algemene bepalingen van het stelsel van algemene preferenties6)Overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties; materialen die in aanmerking komen voor een rechtenvrije behandeling uit hoofde van de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur van de artikelen 9 tot en met 16 van die verordening, maar niet uit hoofde van de algemene regeling van artikel 6 van die verordening, vallen niet onder deze bepaling., als van oorsprong uit een SADC-EPO-staat beschouwd wanneer zij zijn verwerkt in een product dat aldaar is verkregen, op voorwaarde dat de be- of verwerking ingrijpender is dan de in artikel 9, lid 1, van dit protocol genoemde be- of verwerkingen.
  • 1.1. De oorsprong van de materialen van de betrokken landen of gebieden wordt bepaald volgens de oorsprongsregels die van toepassing zijn in het kader van de preferentiële regelingen van de EU met deze landen en gebieden en overeenkomstig artikel 30 van dit protocol.
  • 1.2. De in dit lid bedoelde cumulatie wordt niet toegepast op:
  • a. materialen die bij invoer in de EU onderworpen worden aan antidumpingrechten of compenserende rechten wanneer zij van oorsprong zijn uit een land dat onderworpen is aan deze antidumpingrechten of compenserende rechten7)Voor de toepassing van deze specifieke uitsluiting zijn de niet-preferentiële oorsprongsregels van de EU van toepassing.;
  • b. materialen die zijn ingedeeld in GS-onderverdelingen welke overeenkomstig het gemeenschappelijk douanetarief van de EU achtcijfercodes omvatten die niet vrij zijn van douanerechten ingevolge de toepassing van de regelingen van lid 1;
  • c. tonijnproducten van de hoofdstukken 3 en 16 van het geharmoniseerd systeem, die vallen onder de artikelen 7 en 12 van Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties, en latere wijzigings- en overeenkomstige rechtshandelingen;
  • d. materialen die vallen onder de artikelen 8, 22 en 29 van Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties, en latere wijzigings- en overeenkomstige rechtshandelingen.
2.

Op verzoek van een SADC-EPO-staat kunnen materialen van oorsprong uit landen of gebieden die in aanmerking komen voor overeenkomsten of regelingen die voorzien in rechten- en contingentvrije toegang tot de markt van de EU als van oorsprong uit een SADC-EPO-staat worden beschouwd. De SADC-EPO-staat dient dit verzoek in bij de EU via de Europese Commissie, die volgens haar interne procedures over dit verzoek een besluit neemt.

De materialen behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan, op voorwaarde dat de be- of verwerking ingrijpender is dan de in artikel 9, lid 1, van dit protocol genoemde be- of verwerkingen.

  • 2.1. De oorsprong van de materialen van de betrokken landen of gebieden wordt bepaald volgens de oorsprongsregels die van toepassing zijn in het kader van de preferentiële overeenkomsten of regelingen van de EU met deze landen en gebieden en overeenkomstig artikel 30 van dit protocol.
  • 2.2. De in dit lid bedoelde cumulatie wordt niet toegepast op materialen:
  • a. die vallen onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het geharmoniseerd systeem en de producten in de lijst in punt 1, onder ii), in bijlage 1 bij de Overeenkomst inzake de landbouw van de GATT 1994, tenzij deze materialen in aanmerking komen voor rechten- en contingentvrije toegang tot de markt van de EU in het kader van een andere overeenkomst tussen een ACS-staat en de EU dan een EPO;
  • b. die bij invoer in de EU onderworpen worden aan antidumpingrechten of compenserende rechten wanneer zij van oorsprong zijn uit een land dat onderworpen is aan deze antidumpingrechten of compenserende rechten8)Voor de toepassing van deze specifieke uitsluiting zijn de niet-preferentiële oorsprongsregels van de EU van toepassing.;
  • c. die zijn ingedeeld in GS-onderverdelingen welke overeenkomstig het gemeenschappelijk douanetarief van de EU achtcijfercodes omvatten die niet vrij zijn van douanerechten ingevolge de toepassing van de in dit lid bedoelde overeenkomsten of regelingen.
3.

Niettegenstaande lid 2.2, onder a), zullen de partijen ter ondersteuning van de Afrikaanse integratie overwegen of het mogelijk is de in lid 2 bedoelde cumulatie toe te passen op een in lid 2.2, onder a), bedoeld materiaal van oorsprong uit een niet-ACS-partij van het Afrikaanse continent.

4.

Lid 3 kan uitsluitend worden toegepast met instemming van de partijen, ook wat de toepasselijke voorwaarden betreft. Het is van toepassing op materialen die in aanmerking komen voor rechten- en contingentvrije toegang tot de markt van de EU, op voorwaarde dat elke partij met de niet-ACS-partij een vrijhandelsovereenkomst heeft die strookt met de GATT 1994.

5.

De EU stelt het secretariaat van de SACU en het Ministerie van Industrie en Handel van Mozambique jaarlijks in kennis van de lijst van materialen en landen waarop lid 1 van toepassing is. De SADC-EPO-staten stellen de Europese Commissie jaarlijks in kennis van de landen waarmee de in lid 1 bedoelde cumulatie werd toegepast.

6.

Op certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 (in vak 7) of oorsprongsverklaringen die zijn afgegeven uit hoofde van:

  • a. lid 1, wordt vermeld: „Uit hoofde van artikel 6, lid 1, van protocol 1 bij de EPO EU-SADC”;
  • b. lid 2, wordt vermeld: „Uit hoofde van artikel 6, lid 2, van protocol 1 bij de EPO EU-SADC”.
7.

De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde cumulatie kan slechts worden toegepast indien:

  • a. alle landen die betrokken zijn bij het verwerven van de oorsprongsstatus met elkaar een regeling of overeenkomst inzake administratieve samenwerking zijn aangegaan, die de correcte toepassing van dit artikel garandeert en waarin wordt verwezen naar het gebruik van passende bewijzen van oorsprong;
  • b. de SADC-EPO-staat of -staten de EU via de Europese Commissie bijzonderheden verstrekt/verstrekken over overeenkomsten inzake administratieve samenwerking met de andere in dit artikel bedoelde landen of gebieden. De Commissie maakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie de datum bekend met ingang waarvan de in dit artikel bedoelde cumulatie met de in dit artikel genoemde landen of gebieden die aan de gestelde voorwaarden voldoen, mag worden toegepast.

Artikel 7. Volledig verkregen producten

1.

Als volledig op het grondgebied van een SADC-EPO-staat of van de EU verkregen worden beschouwd:

  • a. aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen minerale producten;
  • b. aldaar geoogste groenten en fruit;
  • c. aldaar geboren en opgekweekte levende dieren;
  • d. producten afkomstig van aldaar opgekweekte levende dieren;
  • e. producten afkomstig van aldaar geboren en opgekweekte geslachte dieren;
  • f.
  • i. producten van de aldaar bedreven jacht of visserij;
  • ii. producten van de aquacultuur wanneer de vis, schaaldieren, weekdieren en andere ongewervelde waterdieren aldaar zijn geboren of uit eieren, larven of jonge vis zijn opgekweekt;
  • g. producten van de zeevisserij en andere producten van de zee die buiten de territoriale wateren van de EU of de SADC-EPO-staten door hun schepen uit zee werden gewonnen;
  • h. producten die, uitsluitend uit de onder g) bedoelde producten, aan boord van hun fabrieksschepen werden vervaardigd;
  • i. aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen, met inbegrip van gebruikte banden die uitsluitend geschikt zijn om van een nieuw loopvlak te worden voorzien of slechts als afval kunnen worden gebruikt;
  • j. afval en schroot afkomstig van aldaar verrichte industriële bewerkingen;
  • k. producten, buiten de territoriale wateren gewonnen uit de zeebodem of -ondergrond, op voorwaarde dat zij het alleenrecht hebben op ontginning van deze bodem of ondergrond;
  • l. goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met k) bedoelde producten zijn vervaardigd.
2.

De termen „hun schepen” en „hun fabrieksschepen” in lid 1, onder g) en h), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

  • a. die in een lidstaat van de EU of in een SADC-EPO-staat zijn geregistreerd;
  • b. die de vlag van een lidstaat van de EU of van een SADC-EPO-staat voeren;
  • c. die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
  • i. zij behoren voor ten minste 50% toe aan onderdanen van een lidstaat van de EU of van een SADC-EPO-staat, of
  • ii. zij behoren toe aan een onderneming die haar hoofdkantoor en haar belangrijkste handelsactiviteit in een lidstaat van de EU of in een SADC-EPO-staat heeft; en die voor ten minste 50% toebehoort aan een lidstaat van de EU of een SADC-EPO-staat of aan overheidsorganen of onderdanen van die staat.
  • a. Niettegenstaande de bepalingen van lid 2 erkent de EU, na kennisgeving door Namibië, dat door onderdanen van Namibië, andere SADC-EPO-staten of de EU in rompbevrachting gegeven of geleasede schepen worden beschouwd als „hun schepen” om in de exclusieve economische zone van Namibië visserijactiviteiten uit te oefenen en dat de vis uit die zone wordt geacht van oorsprong te zijn, op voorwaarde dat, voor de toepassing van dit lid:
  • i. het in rompbevrachting gegeven of geleasede schip voor de duur van het rompbevrachtings- of leasecontract de vlag voert van Namibië, een lidstaat van de EU of een SADC-EPO-staat;
  • ii. de totaal toegestane vangsten vastgesteld worden op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke bewijs en advies van de Adviesraad voor de rijkdommen van de zee (Marine Resources Advisory Council);
  • iii. de houders van visserijrechten onderdanen van Namibië zijn, of in Namibië ingeschreven entiteiten waarvan het economisch eigendom in Namibië ligt, of in Namibië ingeschreven joint ventures waarvan het economisch eigendom in Namibië ligt;
  • iv. er een werkend systeem bestaat om de Europese Commissie in kennis te stellen van alle vissersvaartuigen en alle vangsten in het kader van lid 3, onder a);
  • v. de rapportageverplichtingen bij de relevante regionale organisaties voor visserijbeheer nagekomen worden, voor zover de relevante instrumenten van deze organisaties dat vereisen;
  • vi. alle commerciële visserij gecontroleerd wordt door waarnemers aan boord;
  • vii. de vangsten aangeland worden in Namibische havens of voor telling en certificering onder toezicht van de douaneautoriteiten geplaatst worden;
  • viii. de vangsten verwerkt worden in bedrijfsruimten aan land in Namibië of aan boord van Namibische fabrieksschepen, zoals bepaald in lid 2, of aan boord van een in lid 3, onder a), bedoeld fabrieksschip, voor zover het betrokken in rompbevrachting gegeven of geleasede fabrieksschip de desbetreffende visserijactiviteiten uitvoert en de bemanning daarvan voor ten minste 50% uit onderdanen van Namibië bestaat;
  • ix. de Namibische wateren onder permanent toezicht ter bestrijding van ongeoorloofde visserijactiviteiten blijven;
  • x. de verplaatsingen van alle vissersvaartuigen via satelliettechnologie (satellietvolgsysteem voor vaartuigen) gecontroleerd worden en de geografische locatie van alle vangsten bekend is;
  • xi. de uitvoer uit Namibië naar de EU aan de EU-wetgeving inzake illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij voldoet.
  • b. Om in aanmerking te komen voor de voordelen van lid 3, onder a), dient Namibië twee (2) maanden voor het begin van het visseizoen een verslag in over de toepassing van lid 3, onder a), en stelt het de Europese Commissie in kennis van de schepen waarvoor lid 3 in dat specifieke visseizoen geldt. Indien Namibië twee (2) maanden voor het begin van het visseizoen het volledige verslag over de toepassing van lid 3, onder a), indient en kennisgeeft van bovengenoemde schepen, maakt de Europese Commissie voor het begin van het visseizoen informatie over deze schepen publiek beschikbaar, evenals de datum met ingang waarvan lid 3, onder a), voor deze schepen geldt.
  • c. Namibië stelt het comité in kennis van elke wijziging in zijn wetgeving inzake visserijactiviteiten en laat daarbij weten of na de wetgevingswijziging aan de voorwaarden voor de toepassing van lid 3, onder a), is voldaan.
  • d. Lid 3, onder a), is niet van toepassing indien de Europese Commissie niet overeenkomstig lid 3, onder b), in kennis wordt gesteld, noch indien het comité niet overeenkomstig lid 3, onder c), in kennis wordt gesteld.
  • e. Ingeval het aantal schepen waarvoor lid 3, onder a), geldt, in vergelijking met voorgaande jaren als ongewoon hoog wordt beschouwd, kan de Europese Commissie deze kwestie bij het comité aankaarten met het oog op vaststelling van passende maatregelen om de situatie te verhelpen.
  • f. Alle partijen kunnen kwesties betreffende de toepassing van lid 3, onder a) tot en met e), bij de Gezamenlijke Raad aankaarten indien geen bevredigend besluit over de toepassing van die bepalingen wordt vastgesteld door het comité. Nadat een kwestie over de toepassing van lid 3, onder a) tot en met e), bij de Gezamenlijke Raad is aangekaart, neemt de Gezamenlijke Raad binnen honderdtachtig (180) dagen daarover een besluit. Indien de Gezamenlijke Raad binnen honderdtachtig (180) dagen geen besluit kan nemen, wordt de in lid 3 voorziene afwijking geschorst totdat overeenstemming is bereikt. Een partij kan ook besluiten de kwestie voor te leggen om te worden behandeld volgens het in deel III van deze overeenkomst bedoelde mechanisme voor geschillenbeslechting van deze overeenkomst, indien in de Gezamenlijke Raad geen bevredigende oplossing wordt gevonden.

Artikel 8. Toereikende be- of verwerking

1.

Voor de toepassing van artikel 2 van dit protocol worden niet volledig verkregen producten geacht een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan wanneer is voldaan aan de in bijlage II genoemde voorwaarden.

2.

Niettegenstaande lid 1 kunnen de in bijlage II(a) opgenomen producten worden geacht voor de toepassing van artikel 2 van dit protocol een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan wanneer is voldaan aan de in die bijlage genoemde voorwaarden.

3.

De in de leden 1 en 2 bedoelde voorwaarden geven voor alle onder deze overeenkomst vallende producten aan welke be- of verwerkingen bij de vervaardiging gebruikte, niet van oorsprong zijnde materialen moeten hebben ondergaan, en gelden slechts voor die materialen. Dit betekent dat indien een product dat de oorsprongsstatus heeft verkregen doordat het aan de in de bijlagen II of II(a) genoemde voorwaarden heeft voldaan, bij de vervaardiging van een ander product wordt gebruikt, de voorwaarden die van toepassing zijn op het product waarin het is verwerkt daarvoor niet gelden, en dat geen rekening wordt gehouden met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan kunnen zijn gebruikt.

4.

In afwijking van de leden 1 en 2 kunnen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de voorwaarden in de bijlagen II en II(a) niet bij de vervaardiging van een bepaald product mogen worden gebruikt, toch worden gebruikt, op voorwaarde dat:

  • a. de totale waarde ervan niet meer bedraagt dan 15% van de prijs af fabriek van het product;
  • b. de in de bijlagen II en II(a) vermelde maximumwaarden voor niet van oorsprong zijnde materialen door de toepassing van dit lid niet worden overschreden.
5.

Lid 4 is niet van toepassing op producten bedoeld in de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem.

6.

De leden 1 tot en met 5 zijn van toepassing behoudens het bepaalde in artikel 9 van dit protocol.

Artikel 9. Ontoereikende be- of verwerking

1.

Onverminderd lid 2 worden de volgende be- of verwerkingen beschouwd als ontoereikend om de oorsprongsstatus te verkrijgen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 8 van dit protocol is voldaan:

  • a. behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;
  • b. het splitsen en samenvoegen van colli;
  • c. het wassen of schoonmaken; het stofvrij maken of het verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;
  • d. het strijken of persen van textiel;
  • e. het eenvoudig schilderen of polijsten;
  • f. het ontvliezen of doppen, het geheel of gedeeltelijk bleken, het polijsten en het glaceren van granen of rijst;
  • g. het kleuren van suiker of het vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van kristalsuiker;
  • h. het pellen, ontpitten of schillen van vruchten of groenten;
  • i. het aanscherpen of het eenvoudig vermalen of versnijden;
  • j. het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen);
  • k. het eenvoudig verpakken in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de verpakking;
  • l. het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;
  • m. het eenvoudig mengen van producten, ook indien van verschillende soorten, met inbegrip van het eenvoudig toevoegen van water of het verdunnen;
  • n. het mengen van suiker met andere stoffen;
  • o. het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel en het uit elkaar nemen van producten;
  • p. het drogen of denatureren van producten;
  • q. twee of meer van de onder a) tot en met p) vermelde behandelingen tezamen;
  • r. het slachten van dieren.
2.

Alle be- en verwerkingen die een product in de EU of in de SADC-EPO-staten heeft ondergaan, worden tezamen genomen om te bepalen of deze als ontoereikend in de zin van lid 1 moeten worden beschouwd.

Artikel 10. In aanmerking te nemen eenheid

1.

De voor de toepassing van dit protocol in aanmerking te nemen eenheid is het product dat bij het vaststellen van de indeling in de nomenclatuur van het geharmoniseerd systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

Hieruit volgt dat:

  • a. wanneer een product, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, onder een enkele post van het geharmoniseerd systeem wordt ingedeeld, het geheel de in aanmerking te nemen eenheid vormt;
  • b. wanneer een zending uit een aantal identieke producten bestaat die onder dezelfde post van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld, elk product voor de toepassing van dit protocol afzonderlijk moet worden genomen.
2.

Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 11. Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden verzonden en die deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs ervan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht een geheel te vormen met het materieel of de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 12. Stellen en assortimenten

Stellen en assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem worden als van oorsprong beschouwd wanneer alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt als van oorsprong beschouwd wanneer de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15% van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 13. Neutrale elementen

Om de oorsprong van een product te bepalen, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van de bij de vervaardiging van dat product gebruikte:

  • a. energie en brandstof;
  • b. fabrieksuitrusting;
  • c. machines en werktuigen;
  • d. goederen die niet voorkomen in de uiteindelijke samenstelling van het product en ook niet bedoeld waren om daarin voor te komen.

TITEL III. TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel 14. Territorialiteitsbeginsel

1.

Behoudens het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5 en 6 van dit protocol en in lid 3 moet in een SADC-EPO-staat of in de EU zonder onderbreking zijn voldaan aan de in titel II genoemde voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus.

2.

Behoudens het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5 en 6 van dit protocol worden goederen van oorsprong die uit een SADC-EPO-staat of de EU naar een ander land zijn uitgevoerd en dan terugkeren, geacht geen product van oorsprong meer te zijn, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:

  • a. de goederen die terugkeren dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen, en
  • b. de goederen, terwijl zij in het andere land waren of toen zij werden uitgevoerd, geen andere be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die welke nodig waren om ze in goede staat te bewaren.
3.

De be- of verwerking buiten de EU of een SADC-EPO-staat van materialen die uit de EU of een SADC-EPO-staat zijn uitgevoerd en er vervolgens weer zijn ingevoerd, is niet van invloed op het verkrijgen van de oorsprongsstatus in overeenstemming met de in titel II genoemde voorwaarden op voorwaarde dat:

  • a. die materialen volledig in de EU of in een SADC-EPO-staat zijn verkregen of voor de uitvoer een be- of verwerking hebben ondergaan die ingrijpender was dan de in artikel 9 van dit protocol genoemde be- of verwerkingen; en
  • b. ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:
  • i. de wederingevoerde goederen verkregen zijn door be- of verwerking van de uitgevoerde materialen, en
  • ii. de totale toegevoegde waarde die door toepassing van dit artikel buiten de EU of een SADC-EPO-staat is verkregen, niet meer bedraagt dan 10% van de prijs af fabriek van het eindproduct waarvoor de oorsprongsstatus wordt aangevraagd.
4.

Voor de toepassing van lid 3 zijn de in titel II genoemde voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus niet van toepassing op be- en verwerkingen die buiten de EU of een SADC-EPO-staat zijn verricht. Wanneer evenwel in de lijst in de bijlagen II of II(a) voor de vaststelling van de oorsprongsstatus van het eindproduct een regel wordt toegepast die een maximumwaarde voor alle in het product verwerkte niet van oorsprong zijnde materialen vaststelt, mag de totale waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen die op het grondgebied van de betrokken partij in het product zijn verwerkt samen met de totale toegevoegde waarde die door toepassing van dit artikel buiten de EU of een SADC-EPO-staat is verkregen, niet meer bedragen dan het vermelde percentage.

5.

Voor de toepassing van de leden 3 en 4 betekent „totale toegevoegde waarde” alle kosten die buiten de EU of een SADC-EPO-staat ontstaan, met inbegrip van de waarde van de aldaar in het product verwerkte materialen.

6.

De leden 3 en 4 zijn niet van toepassing op producten die niet voldoen aan de voorwaarden in de bijlagen II of II(a) of die alleen als in toereikende mate be- of verwerkt kunnen worden beschouwd als de in artikel 8, lid 4, van dit protocol vastgestelde algemene tolerantie wordt toegepast.

7.

De leden 3 en 4 zijn niet van toepassing op producten van de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem.

8.

Alle be- en verwerkingen waarop dit artikel van toepassing is en die buiten de EU of een SADC-EPO-staat plaatsvinden, geschieden onder een regeling voor passieve veredeling of onder een soortgelijke regeling.

Artikel 15. Niet-wijziging

1.

De voor binnenlands gebruik in een partij aangegeven producten zijn dezelfde producten als die welke zijn uitgevoerd uit de andere partij waaruit zij geacht worden van oorsprong te zijn. Zij zijn op geen enkele manier gewijzigd en hebben ook geen andere behandelingen ondergaan dan die welke noodzakelijk waren voor hun bewaring in goede staat of de toevoeging of het aanbrengen van merken, etiketten, verzegelingen of andere documentatie om te garanderen dat is voldaan aan de specifieke interne vereisten van de partij van invoer, voordat zij voor binnenlands gebruik werden aangegeven.

2.

De producten of zendingen kunnen worden opgeslagen op voorwaarde dat zij in het land of de landen van doorvoer onder douanetoezicht blijven.

3.

Onverminderd titel V kunnen zendingen door de exporteur of onder zijn verantwoordelijkheid worden gesplitst, op voorwaarde dat zij onder douanetoezicht blijven in het land of de landen waarin de splitsing plaatsvindt.

4.

Aan de voorwaarden in de leden 1 tot en met 3 wordt geacht te zijn voldaan, tenzij de douaneautoriteiten redenen hebben om het tegendeel aan te nemen: in dergelijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten de aangever verzoeken te bewijzen dat hij aan de voorwaarden voldoet, welk bewijs met alle middelen kan worden geleverd, onder meer vervoersovereenkomsten zoals cognossementen of feitelijk of concreet bewijsmateriaal zoals merktekens of nummering van de colli of ander bewijsmateriaal betreffende de goederen zelf.

Artikel 16. Gescheiden boekhouding

1.

Wanneer het aanhouden van afzonderlijke voorraden van vervangbare materialen die van oorsprong en die niet van oorsprong zijn met aanzienlijke kosten of moeilijkheden gepaard gaat, kunnen de douaneautoriteiten, op schriftelijk verzoek van de betrokkenen, toestaan dat voor het beheer van deze voorraden de methode van de gescheiden boekhouding (hierna „methode” genoemd) wordt gebruikt.

2.

Met behulp van de methode moet het mogelijk zijn dat steeds eenzelfde aantal als van oorsprong uit een SADC-EPO-staat of uit de EU te beschouwen producten wordt verkregen als verkregen zou zijn indien de voorraden fysiek waren gescheiden.

3.

De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de in lid 1 bedoelde vergunning afhankelijk stellen van passend geachte voorwaarden.

4.

De methode wordt toegepast en de toepassing daarvan wordt geregistreerd op basis van de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen die van toepassing zijn in het land waar het product is vervaardigd.

5.

De vergunninghouder die de methode toepast, kan bewijzen van de oorsprong afgeven of aanvragen, al naargelang van het geval, voor de hoeveelheid producten die als van oorsprong kunnen worden beschouwd. Hij verstrekt op verzoek van de douaneautoriteiten een verklaring over de wijze waarop de hoeveelheden zijn beheerd.

6.

De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning en kunnen deze steeds intrekken wanneer de vergunninghouder deze niet correct gebruikt of niet aan een van de andere in dit protocol omschreven voorwaarden voldoet.

7.

Voor de toepassing van lid 1 wordt onder „vervangbare materialen” verstaan: materialen van dezelfde soort en handelskwaliteit, met dezelfde technische en fysische kenmerken, die niet van elkaar te onderscheiden zijn voor het bepalen van de oorsprong.

Artikel 17. Verzending van suiker

Het is toegestaan ruwe suiker, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen en bestemd voor verdere raffinage, van de onderverdelingen 1701 12, 1701 13 en 1701 14 van het geharmoniseerd systeem, van verschillende oorsprong, over zee te verzenden tussen de grondgebieden van de partijen zonder dat de suiker in afzonderlijke opslagplaatsen wordt bewaard. Daarbij wordt ervoor gezorgd dat even veel suiker als van oorsprong kan worden beschouwd als zou zijn aangegeven voor invoer indien de suiker in afzonderlijke opslagplaatsen werd bewaard. De laatste laadhaven moet tot het grondgebied van een ACS-EPO-staat behoren.

Artikel 18. Tentoonstellingen

1.

Op producten van oorsprong die zijn verzonden naar een tentoonstelling in een ander land of gebied dan die bedoeld in de artikelen 4 en 6 van dit protocol waarmee cumulatie mogelijk is, en die na de tentoonstelling worden verkocht voor invoer in de EU of een SADC-EPO-staat, is bij die invoer deze overeenkomst van toepassing, op voorwaarde dat ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)