Economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds
- a. een exporteur deze producten vanuit een SADC-EPO-staat of de EU naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze daar heeft tentoongesteld;
- b. die exporteur de producten heeft verkocht of op andere wijze heeft afgestaan aan een persoon in een SADC-EPO-staat of in de EU;
- c. de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat zijn verzonden als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan; en
- d. de producten vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.
Overeenkomstig titel IV wordt een bewijs van oorsprong afgegeven of opgesteld, dat op de gebruikelijke wijze bij de douaneautoriteiten van het land van invoer wordt ingediend. Op dit bewijs moeten de naam en het adres van de tentoonstelling zijn vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd ten aanzien van de omstandigheden waaronder de producten werden tentoongesteld.
Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht blijven.
TITEL IV. BEWIJS VAN OORSPRONG
Artikel 19. Algemene voorwaarden
Producten van oorsprong uit een SADC-EPO-staat komen bij invoer in de EU en producten van oorsprong uit de EU komen bij invoer in een SADC-EPO-staat voor de voordelen van deze overeenkomst in aanmerking op vertoon van:
- a. in de in artikel 24, lid 1, van dit protocol bedoelde gevallen, een verklaring van de exporteur op een factuur, pakbon of ander handelsdocument waarin de producten voldoende duidelijk zijn omschreven om ze te kunnen identificeren, hierna „oorsprongsverklaring” genoemd. De tekst van de oorsprongsverklaring is opgenomen in bijlage IV, of
- b. een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model is opgenomen in bijlage III.
Niettegenstaande lid 1 komen producten van oorsprong in de zin van dit protocol in de in artikel 29 van dit protocol bedoelde gevallen voor de voordelen van deze overeenkomst in aanmerking zonder dat een van de hierboven genoemde documenten behoeft te worden overgelegd.
Voor de toepassing van deze titel streven de exporteurs ernaar een taal te gebruiken die zowel door de SADC-EPO-staten als door de EU wordt gebruikt.
Artikel 20. Procedure voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer afgegeven op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde.
Te dien einde vult de exporteur of diens gemachtigde zowel het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 als het aanvraagformulier in; modellen van beide formulieren zijn opgenomen in bijlage III. Die formulieren worden overeenkomstig de bepalingen van dit protocol ingevuld. Indien zij met de hand worden ingevuld, moet dit met inkt en in blokletters geschieden. De producten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak zonder dat regels worden opengelaten. Indien het vak niet volledig wordt ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en wordt het niet-ingevulde gedeelte doorgekruist.
Exporteurs die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoeken, moeten op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer waar dat certificaat wordt afgegeven, steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan alle andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.
Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van een lidstaat van de EU of van een SADC-EPO-staat afgegeven indien de betrokken producten kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit de EU, uit de SADC-EPO-staten of uit een van de andere in artikel 4 van dit protocol bedoelde landen en gebieden, en aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.
De met de afgifte van het certificaat belaste douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om te controleren of de producten van oorsprong zijn en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan. Met het oog hierop mogen zij bewijsstukken opvragen, de administratie van de exporteur inzien en alle andere controles verrichten die zij dienstig achten. Zij zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. Zij gaan met name na of het voor de omschrijving van de producten bestemde vak zodanig is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.
De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in vak 11 van het certificaat.
Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten afgegeven en ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd.
Artikel 21. Afgifte achteraf van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
In afwijking van artikel 20, lid 7, van dit protocol kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 bij wijze van uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de producten waarop het betrekking heeft, indien:
- a. dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd; of
- b. ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat er wel een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 was afgegeven, maar dat dit bij de invoer om technische redenen niet is aanvaard.
Voor de toepassing van lid 1 moet de exporteur in zijn aanvraag de plaats en de datum van uitvoer vermelden van de producten waarop het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking heeft, onder opgave van de redenen voor zijn aanvraag.
De douaneautoriteiten kunnen eerst tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan na te hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.
Op een achteraf afgegeven certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt in het Engels de volgende vermelding aangebracht:
„ISSUED RETROSPECTIVELY”,
of in het Portugees:
„EMITIDO A POSTERIORI”.
De in lid 4 bedoelde vermelding wordt aangebracht in vak 7 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.
Artikel 22. Afgifte van een duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 kan de exporteur de douaneautoriteiten die het certificaat hebben afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.
Op het aldus afgegeven duplicaat wordt in het Engels de volgende vermelding aangebracht:
„DUPLICATE”,
of in het Portugees:
„SEGUNDA VIA”.
De in lid 2 bedoelde vermelding wordt aangebracht in vak 7 van het duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.
Het duplicaat draagt dezelfde datum van afgifte als het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 en is vanaf die datum geldig.
Artikel 23. Afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 aan de hand van een eerder opgesteld of afgegeven bewijs van oorsprong
Voor producten van oorsprong die in een SADC-EPO-staat of in de EU onder toezicht van een douanekantoor zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van oorsprong bij verzending van deze producten of van een gedeelte daarvan naar een andere plaats in de SADC-EPO-staten of de EU worden vervangen door een of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1. Die certificaten worden afgegeven door het douanekantoor dat toezicht houdt op de producten en geviseerd door de douaneautoriteit die toezicht houdt op de producten.
Artikel 24. Voorwaarden voor het opstellen van een oorsprongsverklaring
De in artikel 19, lid 1, onder a), van dit protocol genoemde oorsprongsverklaring kan worden opgesteld:
- a. door een toegelaten exporteur in de zin van artikel 25 van dit protocol, of
- b. voor zendingen bestaande uit een of meer colli met producten van oorsprong waarvan de totale waarde niet meer dan 6 000 EUR bedraagt, door elke exporteur.
Een oorsprongsverklaring kan worden opgesteld indien de betrokken producten als van oorsprong uit de SADC-EPO-staten, uit de EU of uit een van de andere in artikel 4 van dit protocol bedoelde landen of gebieden kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen.
De exporteur die een oorsprongsverklaring opstelt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.
De oorsprongsverklaring, waarvan de tekst in bijlage IV bij dit protocol is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt in een van de in die bijlage opgenomen taalversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de oorsprongsverklaring met de hand wordt geschreven, moet dit met inkt en in blokletters geschieden.
Oorsprongsverklaringen worden door de exporteur eigenhandig ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 25 van dit protocol behoeft deze verklaring echter niet te ondertekenen, indien hij de douaneautoriteiten van het land van uitvoer een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle oorsprongsverklaringen waaruit zijn identiteit blijkt alsof hij deze met de hand had ondertekend.
Een oorsprongsverklaring kan door de exporteur worden opgesteld bij of na de uitvoer van de producten waarop zij betrekking heeft, maar moet uiterlijk twee (2) jaar na de invoer van de producten waarop zij betrekking heeft in het land van invoer worden aangeboden.
Artikel 25. Toegelaten exporteur
De douaneautoriteiten van het land van uitvoer kunnen een exporteur die veelvuldig producten verzendt waarop de bepalingen inzake handelssamenwerking van deze overeenkomst van toepassing zijn, vergunning verlenen om oorsprongsverklaringen op te stellen ongeacht de waarde van de betrokken producten. Een exporteur die een dergelijke vergunning aanvraagt, moet ten genoegen van de douaneautoriteiten alle waarborgen bieden die nodig zijn voor de controle op de oorsprong van de producten en de naleving van de overige voorwaarden van dit protocol.
De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van alle voorwaarden die zij dienstig achten.
De douaneautoriteiten kennen de toegelaten exporteur een vergunningsnummer toe, dat op de oorsprongsverklaringen moet worden vermeld.
De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning door de toegelaten exporteur.
De douaneautoriteiten kunnen de vergunning te allen tijde intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet langer de in lid 1 bedoelde garanties biedt, niet meer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet of de vergunning niet op de juiste wijze gebruikt.
Artikel 26. Geldigheid van het bewijs van oorsprong
Een bewijs van oorsprong is vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer tien (10) maanden geldig en moet binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van het land van invoer.
Bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard indien de verlate indiening het gevolg is van buitengewone omstandigheden.
In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.
Artikel 27. Overlegging van het bewijs van oorsprong
Bewijzen van oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Deze douaneautoriteiten kunnen eisen dat het bewijs van oorsprong wordt vertaald en dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van deze overeenkomst voldoen.
Artikel 28. Invoer in deelzendingen
Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2, onder a), voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XVI of XVII of de posten 7308 of 9406 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt bij de invoer van de eerste deelzending een enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend.
Artikel 29. Vrijstelling van het bewijs van oorsprong
Producten die in kleine colli door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, worden als producten van oorsprong toegelaten zonder dat een bewijs van oorsprong behoeft te worden overgelegd, voor zover deze producten niet als handelsgoederen worden ingevoerd en bij hun aangifte verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en er over de juistheid van deze verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier CN22/CN23 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.
Invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de ontvanger of de reiziger of de leden van diens gezin, wordt niet als invoer van handelsgoederen aangemerkt indien noch de aard, noch de hoeveelheid van de producten op commerciële doeleinden wijst.
Voorts mag de totale waarde van deze producten niet meer bedragen dan 500 EUR voor kleine colli of 1 200 EUR voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.
Artikel 30. Informatieprocedure in verband met cumulatie
Wanneer artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4, leden 2 en 3, van dit protocol worden toegepast, wordt het bewijs dat de materialen in de zin van dit protocol van oorsprong zijn uit een SADC-EPO-staat, de EU, een andere ACS-EPO-staat of een LGO geleverd door een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, door een oorsprongsverklaring of door de leveranciersverklaring waarvan het model in bijlage V A is opgenomen, afgegeven door de exporteur in het land of gebied waaruit de materialen afkomstig zijn, dan wel in de EU indien de materialen uit de EU afkomstig zijn. Wanneer artikel 6, lid 1, van dit protocol wordt toegepast, wordt het bewijs dat de materialen van oorsprong zijn, geleverd door formulier A of een verklaring van oorsprong.
Wanneer artikel 3, leden 4 en 5, en artikel 4, leden 6 en 7, van dit protocol worden toegepast, wordt het bewijs van de be- of verwerking in een SADC-EPO-staat, de EU, een andere ACS-EPO-staat of een LGO geleverd door de leveranciersverklaring waarvan het model in bijlage V B is opgenomen, afgegeven door de exporteur in het land of gebied waaruit de materialen afkomstig zijn, dan wel in de EU indien de materialen uit de EU afkomstig zijn. Voor elke goederenzending stelt de leverancier een afzonderlijke leveranciersverklaring op, hetzij op de handelsfactuur betreffende die zending of op een bijlage bij die factuur, hetzij op een pakbon of op een ander handelsdocument betreffende die zending, waarin de betrokken materialen voldoende nauwkeurig zijn omschreven om ze te kunnen identificeren.
Wanneer een leverancier aan een bepaalde afnemer geregeld goederen levert waarvan het karakter met betrekking tot de preferentiële oorsprongsregels vermoedelijk geruime tijd ongewijzigd zal blijven, mag hij één enkele verklaring opstellen die voor alle latere zendingen van de betrokken goederen geldig is, hierna „leveranciersverklaring voor herhaald gebruik” genoemd, voor zover de hieraan ten grondslag liggende feiten of omstandigheden ongewijzigd blijven. Een leveranciersverklaring voor herhaald gebruik wordt verstrekt voor een periode van ten hoogste één jaar vanaf de datum waarop de verklaring werd afgegeven.
Een leveranciersverklaring voor herhaald gebruik kan met terugwerkende kracht worden verstrekt. In dat geval mag de geldigheidsduur ervan niet langer zijn dan één jaar vanaf de datum waarop de verklaring van kracht werd. Evenwel wordt erkend dat de douaneautoriteit het recht heeft een leveranciersverklaring voor herhaald gebruik in te trekken indien de omstandigheden veranderen of er onjuiste of valse informatie is verstrekt.
Wanneer de leveranciersverklaring voor herhaald gebruik niet meer geldt voor de geleverde goederen, deelt de leverancier dit de afnemer onmiddellijk mede.
De leveranciersverklaring kan op een voorgedrukt formulier worden gesteld.
De leveranciersverklaring wordt door de leverancier met de hand ondertekend. Wanneer de oorsprongsverklaring en de leveranciersverklaring met de computer worden opgesteld, behoeft de leveranciersverklaring evenwel niet met de hand te worden ondertekend indien ten genoegen van de douaneautoriteiten in de staat waar de leveranciersverklaring wordt opgesteld, is verklaard wie binnen de onderneming van de leverancier verantwoordelijk is. De douaneautoriteiten kunnen de toepassingsvoorwaarden van dit lid vaststellen.
De leveranciersverklaring wordt ingediend bij de douaneautoriteiten in het land van uitvoer waar het verzoek om afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is gedaan.
De leverancier die een verklaring opstelt, moet te allen tijde op verzoek van de douaneautoriteiten van het land waar de verklaring is opgesteld alle documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de gegevens in zijn verklaring juist zijn.
Leveranciersverklaringen en inlichtingenbladen die vóór de inwerkingtreding van dit protocol overeenkomstig artikel 26 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1528/2007 van de Raad zijn afgegeven, behouden hun geldigheid gedurende een overgangsperiode van twaalf (12) maanden.
Artikel 31. Bewijsstukken
De in artikel 20, lid 3, en artikel 24, lid 3, van dit protocol bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten waarvoor een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een oorsprongsverklaring is opgesteld, als producten van oorsprong uit een SADC-EPO-staat, de EU of een van de andere in de artikelen 4 en 6 van dit protocol bedoelde landen en gebieden kunnen worden aangemerkt en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen, kunnen onder meer de volgende zijn:
- a. een rechtstreeks bewijs, bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding of de interne administratie van de exporteur of leverancier, van de door deze verrichte be- of verwerkingen om de betrokken goederen te verkrijgen;
- b. in een SADC-EPO-staat, in de EU of in een van de andere in de artikelen 4 en 6 van dit protocol bedoelde landen en gebieden afgegeven of opgestelde en volgens het nationale recht gebruikte documenten waaruit de oorsprongsstatus van de gebruikte materialen blijkt;
- c. in een SADC-EPO-staat, in de EU of in een van de andere in de artikelen 4 en 6 van dit protocol bedoelde landen of gebieden afgegeven of opgestelde en volgens het nationale recht gebruikte documenten waaruit de be- of verwerking van de materialen in een SADC-EPO-staat, in de EU of in een van de andere in de artikelen 4 en 6 van dit protocol bedoelde landen of gebieden blijkt;
- d. certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of oorsprongsverklaringen waaruit de oorsprongsstatus van de gebruikte materialen blijkt, die overeenkomstig dit protocol in een SADC-EPO-staat, in de EU of in een van de andere in artikel 4 bedoelde landen en gebieden zijn afgegeven of opgesteld.
Artikel 32. Bewaring van het bewijs van oorsprong en de bewijsstukken
Exporteurs die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoeken, bewaren de in artikel 20, lid 3, van dit protocol bedoelde documenten gedurende ten minste drie (3) jaar.
Exporteurs die een oorsprongsverklaring opstellen, bewaren een kopie van deze oorsprongsverklaring alsmede de in artikel 24, lid 3, van dit protocol bedoelde documenten gedurende ten minste drie (3) jaar.
Leveranciers die een leveranciersverklaring opstellen, bewaren een kopie van deze verklaring en van de factuur, de pakbon of het andere handelsdocument waaraan hun verklaring werd gehecht alsmede de in artikel 30, lid 9, van dit protocol bedoelde documenten gedurende ten minste drie (3) jaar.
De douaneautoriteiten van het land van uitvoer die een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 afgeven, bewaren het in artikel 20, lid 2, van dit protocol bedoelde aanvraagformulier gedurende ten minste drie (3) jaar.
De douaneautoriteiten van het land van invoer bewaren de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de bij hen ingediende oorsprongsverklaringen gedurende ten minste drie (3) jaar.
Artikel 33. Verschillen en vormfouten
Geringe verschillen tussen de gegevens op het bewijs van oorsprong en die op de documenten die voor het vervullen van de invoerformaliteiten bij het douanekantoor worden ingediend, maken het bewijs van oorsprong niet automatisch ongeldig indien blijkt dat dit document wel degelijk met de aangebrachte producten overeenstemt.
Kennelijke vormfouten, zoals typefouten op het bewijs van oorsprong, mogen niet tot weigering van dit document leiden indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de daarin vermelde gegevens.
Artikel 34. In euro’s uitgedrukte bedragen
Voor de toepassing van artikel 24, lid 1, onder b), en artikel 29, lid 3, van dit protocol wordt, wanneer de producten gefactureerd zijn in een andere valuta dan de euro, de tegenwaarde van de in euro’s uitgedrukte bedragen in de nationale valuta van de SADC-EPO-staten of van de lidstaten van de EU jaarlijks door elk van de betrokken landen vastgesteld.
Artikel 24, lid 1, onder b), en artikel 29, lid 3, van dit protocol zijn van toepassing op zendingen op basis van de valuta waarin de factuur is opgesteld, overeenkomstig het bedrag dat door het betrokken land is vastgesteld.
De in een bepaalde nationale valuta te gebruiken bedragen zijn de tegenwaarde in die valuta van de in euro’s uitgedrukte bedragen op de eerste werkdag van oktober. De bedragen worden de Europese Commissie uiterlijk op 15 oktober medegedeeld en zijn van toepassing vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar. De Europese Commissie stelt alle betrokken landen in kennis van de desbetreffende bedragen.
Een land mag het bedrag dat het resultaat is van de omrekening in zijn nationale valuta van een in euro’s uitgedrukt bedrag naar boven of beneden afronden. Het afgeronde bedrag mag niet meer dan 5 procent afwijken van het door omrekening verkregen bedrag. Een land mag de tegenwaarde in zijn nationale valuta van een in euro’s uitgedrukt bedrag ongewijzigd handhaven indien bij de omrekening van dat bedrag, ten tijde van de in lid 3 bedoelde jaarlijkse aanpassing, vóór afronding, een stijging van minder dan 15 procent van die tegenwaarde wordt verkregen. De tegenwaarde in nationale valuta kan ongewijzigd blijven indien de omrekening tot een daling van de tegenwaarde leidt.
De in euro’s uitgedrukte bedragen worden op verzoek van de EU of van de SADC-EPO-staten door het comité herzien. Bij deze herziening onderzoekt het comité of het wenselijk is de effecten van de desbetreffende limieten in reële termen te handhaven. Het kan in dit verband besluiten de in euro’s uitgedrukte bedragen te wijzigen.
TITEL V. REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING
Artikel 35. Administratieve voorwaarden waaronder producten in aanmerking komen voor de voordelen van deze overeenkomst
Producten die in de zin van dit protocol van oorsprong zijn uit een SADC-EPO-staat of uit de EU, komen op het moment van de douaneaangifte ten invoer alleen in aanmerking voor de uit deze overeenkomst voortvloeiende preferenties indien zij werden uitgevoerd op of na de datum waarop het land van uitvoer aan de bepalingen in lid 2 voldeed.
De SADC-EPO-staten en de EU zullen:
- a. de nationale en regionale regelingen invoeren die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de regels en procedures in dit protocol, in voorkomend geval met inbegrip van de regelingen die nodig zijn voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 van dit protocol;
- b. de administratieve structuren en systemen opzetten die nodig zijn voor een passend beheer van en een passend toezicht op de oorsprong van producten en de naleving van de andere in dit protocol neergelegde voorwaarden.
Zij doen de in artikel 36 van dit protocol bedoelde kennisgevingen.
Artikel 36. Kennisgeving betreffende douaneautoriteiten
De SADC-EPO-staten en de EU doen elkaar via de Europese Commissie de adressen toekomen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de afgifte en controle van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en van oorsprongs- en leveranciersverklaringen, alsmede afdrukken van de stempels die in hun douanekantoren voor de afgifte van die certificaten worden gebruikt. Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en oorsprongs- en leveranciersverklaringen worden met het oog op de preferentiële behandeling aanvaard vanaf de datum van ontvangst van die informatie door de Europese Commissie, het secretariaat van de SACU en het Ministerie van Industrie en Handel van Mozambique.
De SADC-EPO-staten en de EU stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen in de in lid 1 bedoelde informatie.
De in lid 1 bedoelde autoriteiten handelen onder gezag van de regering van het betrokken land. De met de controle belaste autoriteiten maken deel uit van de overheid van het betrokken land.
Artikel 37. Wederzijdse bijstand
Ten behoeve van de correcte toepassing van dit protocol verlenen de EU en de SADC-EPO-staten elkaar, via de bevoegde douaneautoriteiten, bijstand bij de controle op de echtheid van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, de oorsprongsverklaringen of de leveranciersverklaringen en de juistheid van de daarin vermelde gegevens.
De geraadpleegde autoriteiten verstrekken de relevante gegevens over de omstandigheden waaronder het product is vervaardigd, met name over de omstandigheden waaronder de oorsprongsregels in de verschillende SADC-EPO-staten, de EU en de betrokken andere in de artikelen 4 en 6 van dit protocol bedoelde landen in acht zijn genomen.
Artikel 38. Controle van het bewijs van oorsprong
Bewijzen van oorsprong worden achteraf gecontroleerd op grond van een risicoanalyse en door middel van steekproeven of wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprongsstatus van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.
Voor de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, de factuur, indien deze werd voorgelegd, en de oorsprongsverklaring of een kopie van deze documenten, terug aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, eventueel onder vermelding van de redenen waarom om een controle wordt verzocht. Zij verstrekken bij deze controleaanvraag alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.
De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Met het oog hierop zijn deze gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.
Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.
De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. Hierbij moet duidelijk worden aangegeven of de documenten echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit een SADC-EPO-staat, de EU of een van de andere in de artikelen 4 en 6 van dit protocol bedoelde landen kunnen worden beschouwd en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.
Indien bij gegronde twijfel binnen tien (10) maanden na de controleaanvraag geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord onvoldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd, de preferentiële behandeling niet toe, behoudens in buitengewone omstandigheden.
Wanneer de resultaten van de controle of andere beschikbare gegevens erop lijken te wijzen dat de bepalingen van dit protocol worden geschonden, stelt het land van uitvoer op eigen initiatief of op verzoek van het land van invoer met de nodige spoed een onderzoek in of laat het een onderzoek instellen om eventuele schendingen vast te stellen en te voorkomen; het betrokken land van uitvoer kan het land van invoer verzoeken aan deze controles deel te nemen.
Artikel 39. Controle van leveranciersverklaringen
Leveranciersverklaringen worden gecontroleerd op grond van een risicoanalyse en door middel van steekproeven of wanneer de douaneautoriteiten van het land waar die verklaringen in aanmerking zijn genomen voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of de opstelling van een oorsprongsverklaring, gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid van de daarin vermelde gegevens.
De douaneautoriteiten waaraan een leveranciersverklaring wordt overgelegd, kunnen de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring werd opgesteld, verzoeken om afgifte van een inlichtingenblad overeenkomstig het model in bijlage VI. Zij kunnen ook de exporteur verzoeken een inlichtingenblad over te leggen, afgegeven door de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring is opgesteld. Het kantoor dat het inlichtingenblad heeft afgegeven, bewaart gedurende ten minste drie (3) jaar een kopie hiervan.
De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. Hierbij moet duidelijk worden aangegeven of de gegevens in de leveranciersverklaring juist zijn, en de resultaten moeten hen in staat stellen te bepalen of en in hoeverre de leveranciersverklaring in aanmerking kan worden genomen voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of de opstelling van een oorsprongsverklaring.
De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land waar de leveranciersverklaring werd opgesteld. Met het oog hierop zijn deze gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen, de administratie van de leverancier in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten om de juistheid van de leveranciersverklaring te controleren.
Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 dat is afgegeven, of een oorsprongsverklaring die is opgesteld op grond van een onjuiste leveranciersverklaring wordt geacht ongeldig te zijn.
Artikel 40. Geschillenbeslechting
Geschillen ten aanzien van de in de artikelen 38 en 39 van dit protocol bedoelde controles tussen de douaneautoriteiten die de controle aanvragen en de douaneautoriteiten die de controle moeten uitvoeren die niet onderling kunnen worden geregeld, alsmede problemen in verband met de interpretatie van dit protocol worden voorgelegd aan het comité.
Op de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer is in alle gevallen de wetgeving van het land van invoer van toepassing.
Artikel 41. Sancties
Tegen eenieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel een preferentiële behandeling voor producten te verkrijgen, worden sancties getroffen.
Artikel 42. Vrije zones
De SADC-EPO-staten en de EU nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat producten die onder geleide van een bewijs van oorsprong of een leveranciersverklaring worden verhandeld en die tijdens het vervoer in een op hun grondgebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere be- of verwerkingen ondergaan dan die welke bedoeld zijn om ze in goede staat te bewaren.
In afwijking van lid 1 geven de bevoegde autoriteiten, wanneer producten van oorsprong uit een SADC-EPO-staat of uit de EU onder geleide van een bewijs van oorsprong in een vrije zone worden ingevoerd en er een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 af, mits de be- of verwerking in overeenstemming is met de bepalingen van dit protocol.
Artikel 43. Afwijkingen
Het comité kan besluiten dat van dit protocol mag worden afgeweken wanneer de ontwikkeling van bestaande industrieën of de oprichting van nieuwe industrieën in de SADC-EPO-staten dit rechtvaardigt.
- 1.1. Voordat of wanneer de betrokken SADC-EPO-staat of -staten de aangelegenheid aan het comité voorlegt (voorleggen), stelt hij (stellen zij) de EU overeenkomstig lid 2 van het verzoek om een afwijking in kennis, onder vermelding van de redenen voor dit verzoek.
- 1.2. De EU willigt alle verzoeken van SADC-EPO-staten in die overeenkomstig dit artikel naar behoren gemotiveerd zijn, tenzij hierdoor ernstige schade kan ontstaan voor een gevestigde industrie in de EU.
Om het onderzoek van verzoeken om een afwijking door het comité te vergemakkelijken, verstrekken SADC-EPO-staten die een verzoek doen, ter staving van hun verzoek op het in bijlage VII opgenomen formulier zo volledig mogelijke gegevens over met name de volgende punten:
- a. omschrijving van het eindproduct;
- b. aard en hoeveelheid van de materialen die van oorsprong zijn uit een derde land;
- c. aard en hoeveelheid van de materialen die van oorsprong zijn uit de SADC-EPO-staten of uit de in de artikelen 4 en 6 van dit protocol bedoelde landen en gebieden, dan wel van de materialen die daar een verwerking hebben ondergaan;
- d. fabricageprocedés;
- e. toegevoegde waarde;
- f. aantal werknemers in de betrokken onderneming;
- g. verwachte omvang van de uitvoer naar de EU;
- h. andere bronnen waaruit grondstoffen kunnen worden betrokken;
- i. verantwoording van de duur van de gevraagde afwijking, in het licht van de inspanningen om andere bronnen voor de grondstoffen te vinden;
- j. andere opmerkingen.
Dezelfde regels zijn van toepassing op verzoeken om een verlenging. Het formulier kan door het comité worden gewijzigd.
Bij het onderzoek van verzoeken wordt in het bijzonder rekening gehouden met:
- a. het ontwikkelingsniveau of de geografische ligging van de betrokken SADC-EPO-staat of -staten;
- b. gevallen waarin de toepassing van de bestaande oorsprongsregels van aanzienlijke invloed zou zijn op het vermogen van een bestaande industrie in een SADC-EPO-staat om haar uitvoer naar de EU voort te zetten, met name wanneer dit kan leiden tot stopzetting van haar activiteiten;
- c. bijzondere gevallen waarin duidelijk kan worden aangetoond dat toepassing van de oorsprongsregels kan leiden tot ontmoediging van belangrijke investeringen in een industrie en waarin, door het toestaan van een afwijking, een investeringsprogramma kan worden uitgevoerd dat het mogelijk zou maken op den duur aan deze regels te voldoen.
In alle gevallen wordt onderzocht of de regels inzake cumulatie van oorsprong een oplossing voor het probleem bieden.
Wanneer het verzoek om een afwijking een van de minst ontwikkelde SADC-EPO-staten betreft, wordt het in een geest van welwillendheid onderzocht, waarbij met name rekening wordt gehouden met:
- a. de economische en sociale gevolgen van het te nemen besluit, met name voor de werkgelegenheid;
- b. de noodzaak de afwijking gedurende een bepaalde periode toe te passen, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie van de betrokken SADC-EPO-staat en de moeilijkheden waarmede deze te kampen heeft.
Elk verzoek wordt afzonderlijk onderzocht, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de mogelijkheid de oorsprongsstatus te verlenen aan producten waarin materialen zijn verwerkt die van oorsprong zijn uit de minst ontwikkelde landen of uit ontwikkelingslanden waarmee een of meer SADC-EPO-staten bijzondere banden hebben, op voorwaarde dat met deze landen een bevredigende administratieve samenwerking tot stand kan worden gebracht.
Onverminderd de leden 1 tot en met 6 wordt de afwijking toegestaan wanneer de waarde die aan de in de betrokken SADC-EPO-staat gebruikte, niet van oorsprong zijnde producten wordt toegevoegd, ten minste 45% van de waarde van het eindproduct bedraagt, op voorwaarde dat door deze afwijking geen ernstige schade ontstaat voor een economische sector van de EU of van een of meer lidstaten.
Het comité ziet erop toe dat zo spoedig mogelijk, en in elk geval binnen vijfenzeventig (75) werkdagen na ontvangst van het verzoek door de EU-medevoorzitter van het comité, een besluit wordt genomen. Indien de EU de SADC-EPO-staten niet binnen deze termijn van haar standpunt inzake het verzoek in kennis stelt, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd.
- a. Afwijkingen gelden voor een door het comité vast te stellen periode, die in het algemeen vijf (5) jaar bedraagt.
- b. Het besluit tot afwijking kan voorzien in verlengingen zonder dat het comité hiervoor een nieuw besluit behoeft te nemen, op voorwaarde dat door de betrokken SADC-EPO-staat of -staten drie (3) maanden vóór het einde van iedere periode wordt aangetoond dat nog niet kan worden voldaan aan de voorwaarden van dit protocol waarop de afwijking betrekking heeft. Indien tegen de verlenging bezwaar wordt gemaakt, stelt het comité zo spoedig mogelijk een onderzoek hiernaar in en besluit het of de afwijking kan worden verlengd. Het comité volgt hierbij de procedure van lid 8. Alles wordt in het werk gesteld om onderbrekingen in de toepassing van de afwijking te voorkomen.
- c. Tijdens de onder a) en b) bedoelde periodes kan het comité de voorwaarden voor de toepassing van de afwijking opnieuw onderzoeken indien zich een belangrijke wijziging blijkt te hebben voorgedaan in de essentiële feiten die ertoe hebben geleid de afwijking goed te keuren. Naar aanleiding van dit nieuwe onderzoek kan het comité zijn besluit wijzigen wat het toepassingsgebied van de afwijking of een andere eerder vastgestelde voorwaarde betreft.
Niettegenstaande de leden 1 tot en met 9 wordt vanaf de datum waarop de overeenkomst uit hoofde van artikel 113 van deze overeenkomst in werking treedt tussen Namibië en de EU aan Namibië automatisch een afwijking betreffende bereidingen en conserven van witte tonijn (Thunnus alalunga) van GS-post 1604, vervaardigd uit niet van oorsprong zijnde witte tonijn van de GS-posten 0302 of 0303, toegestaan binnen een contingent van 800 ton per jaar.
Niettegenstaande de leden 1 tot en met 9 wordt aan Mozambique automatisch een afwijking van artikel 7, lid 2, onder c), van dit protocol toegestaan. Deze afwijking is voor een periode van vijf (5) jaar vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst van toepassing op garnalen en zeekreeften van de GS-posten 0306 en 1605, gevangen in de exclusieve economische zone van Mozambique en aangeland en verwerkt in Mozambique.
TITEL VI. CEUTA EN MELILLA
Artikel 44. Bijzondere voorwaarden
De in dit protocol gebruikte term „EU” omvat niet Ceuta en Melilla. Onder „producten van oorsprong uit de EU” worden geen producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla verstaan.
Dit protocol is van overeenkomstige toepassing om vast te stellen of producten die in Ceuta en Melilla worden ingevoerd, als van oorsprong uit een SADC-EPO-staat kunnen worden aangemerkt.
Wanneer volledig in Ceuta, Melilla of de EU verkregen producten in een SADC-EPO-staat een be- of verwerking ondergaan, worden zij geacht volledig in de SADC-EPO-staten te zijn verkregen.
Be- en verwerkingen in Ceuta, Melilla of de EU worden geacht in een SADC-EPO-staat te zijn verricht wanneer de materialen in een SADC-EPO-staat een verdere be- of verwerking ondergaan.
Voor de toepassing van de leden 3 en 4 worden de in artikel 9 van dit protocol genoemde ontoereikende be- en verwerkingen niet als be- of verwerking beschouwd.
Ceuta en Melilla worden als één enkel grondgebied beschouwd.
TITEL VII. SLOTBEPALINGEN
Artikel 45. Herziening en toepassing van oorsprongsregels
Krachtens artikel 101 van deze overeenkomst onderwerpt de Gezamenlijke Raad de toepassing en de economische gevolgen van dit protocol jaarlijks, of telkens wanneer de SADC-EPO-staten of de EU daarom verzoeken, aan een onderzoek met het doel de noodzakelijk geachte wijzigingen of aanpassingen aan te brengen.
De Gezamenlijke Raad houdt daarbij onder meer rekening met de gevolgen van technologische ontwikkelingen op de oorsprongsregels.
De besluiten worden zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd.
Het comité neemt overeenkomstig artikel 50 van deze overeenkomst onder meer besluiten over afwijkingen van dit protocol, onder de in artikel 43 van dit protocol neergelegde voorwaarden.
Artikel 46. Bijlagen
De bijlagen bij dit protocol maken daarvan een integrerend deel uit.
Artikel 47. Tenuitvoerlegging van het protocol
De EU en de SADC-EPO-staten nemen elk de nodige maatregelen om dit protocol ten uitvoer te leggen.
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:
- a. „goederen”: alle goederen die binnen het toepassingsgebied van het geharmoniseerd systeem vallen, ongeacht het toepassingsgebied van deze overeenkomst;
- b. „douanewetgeving”: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het grondgebied van een partij van toepassing zijn op de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder andere douaneregelingen of procedures, met inbegrip van verbods-, beperkings- en controlemaatregelen;
- c. „verzoekende autoriteit”: een bevoegde overheidsinstantie die door een partij is aangewezen voor de uitvoering van dit protocol en die een verzoek om bijstand op grond van dit protocol indient;
- d. „aangezochte autoriteit”: een bevoegde overheidsinstantie die door een partij is aangewezen voor de uitvoering van dit protocol en die een verzoek om bijstand op grond van dit protocol ontvangt;
- e. „persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
- f. „met de douanewetgeving strijdige handeling”: elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving.
Artikel 2. Toepassingsgebied
De partijen verlenen elkaar bijstand om op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden en op de wijze en voorwaarden die bij dit protocol zijn vastgesteld, een correcte toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, in het bijzonder door met die wetgeving strijdige handelingen te voorkomen, op te sporen en te bestrijden.
De in dit protocol bedoelde bijstand in douaneaangelegenheden geldt voor alle overheidsinstanties van de partijen die voor de toepassing van dit protocol bevoegd zijn. Deze bijstand laat de regels inzake wederzijdse bijstand in strafzaken onverlet. Hij geldt evenmin voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke instantie worden uitgeoefend, tenzij deze er vooraf mee instemt dat die informatie wordt verstrekt.
Bijstand bij de invordering van rechten, belastingen en boeten valt niet onder dit protocol.
Artikel 3. Bijstand op verzoek
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde activiteiten die met deze wetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn.
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:
- a. of goederen die uit het grondgebied van de ene partij zijn uitgevoerd, op legale wijze in het grondgebied van de andere partij zijn ingevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder die goederen zijn geplaatst;
- b. of goederen die in het grondgebied van de ene partij zijn ingevoerd, op legale wijze uit het grondgebied van de andere partij zijn uitgevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder die goederen zijn geplaatst.
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in het kader van haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om te zorgen voor speciaal toezicht op:
- a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bij met de douanewetgeving strijdige handelingen betrokken zijn of waren;
- b. plaatsen waar op zodanige wijze voorraden goederen zijn of kunnen worden aangelegd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat die goederen bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
- c. goederen die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat die goederen bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen, en
- d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat die vervoermiddelen bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.
Artikel 4. Ongevraagde bijstand
De partijen verlenen elkaar, in overeenstemming met hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, op eigen initiatief bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder door gegevens te verstrekken omtrent:
- a. handelingen die met de douanewetgeving in strijd zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor de andere partij;
- b. nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt om met de douanewetgeving strijdige handelingen te verrichten;
- c. goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van met de douanewetgeving strijdige handelingen;
- d. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij betrokken zijn of waren bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
- e. vervoermiddelen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij zijn, worden of kunnen worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.
Artikel 5. Overhandiging van documenten en kennisgeving van besluiten
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in overeenstemming met de haar toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, alle maatregelen die nodig zijn voor:
- a. de overhandiging van documenten van de verzoekende autoriteit in verband met de toepassing van dit protocol aan adressaten die op het grondgebied van de aangezochte autoriteit verblijven of gevestigd zijn, en, indien van toepassing,
- b. de kennisgeving van besluiten van de verzoekende autoriteit in verband met de toepassing van dit protocol aan adressaten die op het grondgebied van de aangezochte autoriteit verblijven of gevestigd zijn.
Verzoeken om de overhandiging van documenten of de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal.
Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand
Verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan. Zij gaan vergezeld van de documenten die voor de behandeling van het verzoek noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken ook mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd. Verzoeken kunnen ook in elektronische vorm worden gedaan.
De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de volgende gegevens:
- a. de naam van de verzoekende autoriteit;
- b. de maatregel waarom wordt verzocht;
- c. het voorwerp en de reden van het verzoek;
- d. de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en andere juridische aspecten;
- e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie over de natuurlijke personen of rechtspersonen op wie het verzoek betrekking heeft, en
- f. een overzicht van de relevante feiten en van het onderzoek dat reeds is uitgevoerd.
Verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis geldt niet voor de in lid 1 bedoelde documenten waarvan het verzoek vergezeld gaat.
Indien een verzoek niet aan de hierboven vermelde vormvereisten voldoet, kan om correctie of aanvulling ervan worden verzocht. In de tussentijd kan opdracht worden gegeven tot conservatoire maatregelen.
Artikel 7. Uitvoering van verzoeken
Binnen de grenzen van haar bevoegdheden en de beschikbare middelen behandelt de aangezochte autoriteit een verzoek om bijstand alsof zij voor eigen rekening of op verzoek van een andere autoriteit van dezelfde partij handelt, en verstrekt zij de al beschikbare informatie, verricht zij het nodige onderzoek of laat zij dit verrichten. Deze bepaling is eveneens van toepassing op autoriteiten waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorstuurt wanneer zij dit niet zelf kan afhandelen.
Aan verzoeken om bijstand wordt voldaan overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de aangezochte partij.
Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij kunnen met instemming van de andere partij en op de door deze gestelde voorwaarden:
- a. ten kantore van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken autoriteit als bedoeld in lid 1, informatie verzamelen over activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn, die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol nodig heeft;
- b. aanwezig zijn bij onderzoek dat op het grondgebied van laatstgenoemde wordt verricht.
Artikel 8. Vorm waarin de informatie moet worden verstrekt
De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het onderzoek schriftelijk aan de verzoekende autoriteit mede en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte afschriften of andere stukken.
Op verzoek kan de in lid 1 bedoelde informatie in elektronische vorm worden verstrekt.
Originelen van documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt wanneer gewaarmerkte afschriften niet toereikend zijn. Deze originelen worden ten spoedigste geretourneerd.
Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend
Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een betrokken partij van oordeel is dat bijstand op grond van dit protocol:
- a. de soevereiniteit van een SADC-EPO-staat of van een lidstaat van de Europese Unie waaraan om bijstand op grond van dit protocol is gevraagd, zou kunnen aantasten; of
- b. de openbare orde en veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar zou kunnen brengen, in het bijzonder in de in artikel 10, lid 2, bedoelde gevallen, of
- c. tot schending van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim zou leiden.
De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek of een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.
Wanneer de verzoekende autoriteit verzoekt om een vorm van bijstand die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.
In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen moeten het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen ervoor onverwijld aan de verzoekende autoriteit worden medegedeeld.
Artikel 10. Doorgifte van informatie en geheimhoudingsplicht
Alle informatie die ter uitvoering van dit protocol in welke vorm dan ook wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter of is slechts voor beperkte verspreiding bestemd, afhankelijk van de regelgeving van elke partij. De verstrekte gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en worden beschermd overeenkomstig de wetgeving van de partij die ze heeft ontvangen en overeenkomstig de regelgeving die op de instanties van de EU van toepassing is.
Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven wanneer de ontvangende partij zich ertoe verbindt te zorgen voor een passend niveau van bescherming voor dergelijke gegevens. Te dien einde stellen de partijen elkaar in kennis van hun ter zake geldende regelgeving, in voorkomend geval met inbegrip van de rechtsvoorschriften van de lidstaten van de Europese Unie.
Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende met de douanewetgeving strijdige handelingen wordt beschouwd als gebruik voor de doeleinden van dit protocol. De partijen kunnen derhalve bij de bewijsvoering, in verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruikmaken van de informatie die zij op grond van dit protocol hebben verkregen en van de documenten waarin zij op grond van dit protocol inzage hebben gekregen. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of die inzage in de documenten heeft gegeven, wordt van dergelijk gebruik in kennis gesteld.
De verkregen informatie wordt uitsluitend voor de toepassing van dit protocol gebruikt. Wanneer een van de partijen dergelijke informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, moet zij de autoriteit die de informatie heeft verstrekt vooraf om schriftelijke toestemming vragen. Voor dit gebruik gelden dan de eventueel door deze autoriteit vastgestelde beperkingen.
Artikel 11. Deskundigen en getuigen
Een ambtenaar van een aangezochte autoriteit kan worden gemachtigd om, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als deskundige of getuige te verschijnen in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende onder dit protocol vallende aangelegenheden en daarbij de voor de procedure noodzakelijke voorwerpen, documenten of gewaarmerkte afschriften over te leggen. In de oproeping dient uitdrukkelijk te worden vermeld voor welke rechterlijke instantie of overheidsinstantie de ambtenaar moet verschijnen en over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden ondervraagd.
Artikel 12. Kosten van de bijstand
De partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die op grond van dit protocol worden gedaan, met uitzondering van eventuele uitgaven voor deskundigen en getuigen en voor tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.
Artikel 13. Uitvoering
Met de uitvoering van dit protocol zijn enerzijds de douaneautoriteiten van de SADC-EPO-staten en anderzijds naargelang van het geval de bevoegde diensten van de Europese Commissie of de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie belast. Zij stellen alle praktische maatregelen en bepalingen voor de toepassing van dit protocol vast, rekening houdend met de geldende regelgeving, met name op het gebied van de gegevensbescherming.
De partijen plegen onderling overleg en lichten elkaar in over alle uitvoeringsbepalingen die zij op grond van dit protocol vaststellen.
Artikel 14. Wijzigingen
De partijen kunnen het Handels- en ontwikkelingscomité aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.
Artikel 15. Slotbepalingen
Dit protocol is een aanvulling op en geen beletsel voor de toepassing van overeenkomsten inzake wederzijdse administratieve bijstand die tussen de partijen zijn gesloten of kunnen worden gesloten en staat niet in de weg aan uitgebreidere wederzijdse bijstand uit hoofde van dergelijke overeenkomsten.
Dit protocol laat de verplichtingen van de partijen krachtens andere internationale overeenkomsten of verdragen onverlet.
Dit protocol doet geen afbreuk aan de bepalingen van de EU betreffende de doorgifte, tussen de bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, van gegevens die op grond van dit protocol zijn verkregen en die van belang kunnen zijn voor de EU.
Onverminderd het bepaalde in lid 1 prevaleert dit protocol boven bilaterale overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Unie en een SADC-EPO-staat zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van die overeenkomsten strijdig zijn met die van dit protocol.
Ten aanzien van kwesties in verband met de toepassing van dit protocol plegen de partijen onderling overleg om deze op te lossen in het kader van het bij artikel 50 van deze overeenkomst ingestelde speciaal comité voor douane en handelsbevordering.
HERINNEREND aan de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika betreffende de handel in wijn, ondertekend te Paarl op 28 januari 2002, en de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika betreffende de handel in gedistilleerde dranken, ondertekend te Paarl op 28 januari 2002;
PARTIJ ZIJNDE BIJ de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, ondertekend te Pretoria op 11 oktober 1999, de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling inzake de voorlopige toepassing van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika betreffende de handel in wijn vanaf 28 januari 2002, en de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling inzake de voorlopige toepassing van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika betreffende de handel in gedistilleerde dranken vanaf 28 januari 2002;
GELEID DOOR DE WENS de ontwikkeling van geografische aanduidingen te bevorderen, waaronder aanduidingen worden verstaan die aangeven dat waren hun oorsprong hebben op het grondgebied van een partij, dan wel een regio of plaats op dat grondgebied, waarbij een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van de waren wezenlijk valt toe te schrijven aan de geografische oorsprong ervan, in de zin van artikel 22, lid 1, van de TRIPs-overeenkomst;
ZICH BEWUST VAN het belang van de drankensector voor hun economieën en de noodzaak de onderlinge handel in wijnbouwproducten en gedistilleerde dranken te bevorderen,
Artikel 1. Toepassing van het protocol
De bepalingen van dit protocol zijn van toepassing op Zuid-Afrika en op de EU („de partijen”).
Elke andere SADC-EPO-staat kan uitsluitend met betrekking tot geografische aanduidingen tot dit protocol toetreden door hiertoe een verzoek in te dienen bij het in artikel 13 van dit protocol bedoelde Speciaal Comité voor geografische aanduidingen en handel in wijn en gedistilleerde dranken („het Speciaal Comité”).
Uit hoofde van artikel 117 van deze overeenkomst kan dit Comité voorstellen voor wijzigingen voor onderzoek en goedkeuring van de toetreding van de betrokken SADC-EPO-staat tot dit protocol aan de Gezamenlijke Raad voorleggen.
DEEL 1. GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN
Artikel 2. Toepassingsgebied
Dit deel is van toepassing op de erkenning en bescherming van geografische aanduidingen van producten die behoren tot de categorieën in de rubrieken van bijlage I bij dit protocol en die van oorsprong zijn uit het grondgebied van de partijen.
De bepalingen van dit deel vormen een aanvulling op en specificatie van de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van de TRIPs-overeenkomst en andere bestaande multilaterale overeenkomsten waarbij de partijen partij zijn; dientengevolge zijn de bepalingen van dit deel niet in strijd met of doen zij geen afbreuk aan de bepalingen van die multilaterale overeenkomsten.
Voor de toepassing van dit deel is de definitie van „geografische aanduidingen” verenigbaar met die van artikel 22, lid 1, van de TRIPs-overeenkomst.
Artikel 3. Bescherming van gevestigde geografische aanduidingen
De EU beschermt de in bijlage I bij dit protocol opgenomen geografische aanduidingen van Zuid-Afrika overeenkomstig het in dit protocol neergelegde beschermingsniveau.
Zuid-Afrika beschermt de in bijlage I bij dit protocol opgenomen geografische aanduidingen van de EU overeenkomstig het in dit protocol neergelegde beschermingsniveau.
Wanneer al de in bijlage I bij dit protocol opgenomen geografische aanduidingen van de EU dan wel van Zuid-Afrika waarvoor als voorrangsdatum de „datum van inwerkingtreding” is aangegeven, overeenkomstig lid 1 of lid 2 zijn beschermd, stellen de partijen elkaar ervan in kennis dat de bescherming van kracht is.
Artikel 4. Gebruiksrecht van geografische aanduidingen
Een krachtens dit deel beschermde geografische aanduiding mag worden gebruikt door iedere marktdeelnemer die het betrokken product overeenkomstig de desbetreffende productspecificatie in de handel brengt.
Zodra een geografische aanduiding krachtens dit deel is beschermd, mag het gebruik van deze beschermde benaming niet afhankelijk worden gesteld van registratie van de gebruikers of andere verplichtingen.
Artikel 5. Omvang van de bescherming
- a. elk direct of indirect commercieel gebruik van een beschermde benaming:
- –. voor vergelijkbare producten die niet voldoen aan de productspecificatie van de beschermde benaming, of
- –. wanneer hierbij van de reputatie van een geografische aanduiding wordt geprofiteerd;
- b. elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, met inbegrip van:
- –. gebruik waarbij ook de werkelijke oorsprong van het betrokken product is aangegeven;
- –. gebruik door middel van vertaling, transcriptie of transliteratie;
- –. gebruik dat vergezeld gaat van woorden als „genre”, „type”, „soort”, „imitatie”, „methode” en dergelijke woorden of uitdrukkingen;
- c. elke andere onjuiste of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van een soortgelijk product op de binnen- of buitenverpakking of in reclamemateriaal of documenten betreffende dat product, alsmede het verpakken in een recipiënt die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product;
- d. elke andere praktijk die de consument ten aanzien van de werkelijke oorsprong van een soortgelijk product kan misleiden.
Beschermde geografische aanduidingen worden niet geacht soortnamen te worden op het grondgebied van de partijen.
Dit protocol doet op generlei wijze afbreuk aan het recht van een persoon om in het handelsverkeer zijn naam of de naam van zijn voorganger in zaken te gebruiken, behalve wanneer deze naam op zodanige wijze wordt gebruikt dat de consument daardoor wordt misleid.
Wanneer Zuid-Afrika of de EU in het kader van onderhandelingen met een derde partij voorstelt om een geografische aanduiding van de derde partij te beschermen, en die benaming geheel of gedeeltelijk gelijkluidend is met een geografische aanduiding van de andere partij, stelt zij deze partij van dit voornemen in kennis en biedt zij haar de gelegenheid opmerkingen te maken voordat de bescherming van de benaming van kracht wordt.
Geen enkele bepaling van dit deel verplicht Zuid-Afrika of de EU ertoe een geografische aanduiding te beschermen, indien deze aanduiding in het land van oorsprong niet of niet langer is beschermd. Zuid-Afrika en de EU stellen elkaar ervan in kennis wanneer een geografische aanduiding in het land van oorsprong niet langer wordt beschermd.
Artikel 6. Verband tussen geografische aanduidingen en merken
De partijen weigeren de registratie of zorgen voor nietigverklaring van een merk dat in een van de in artikel 5, lid 1, van dit protocol bedoelde situaties betrekking heeft op eenzelfde soort product, indien een aanvraag om het merk te registreren wordt ingediend na de datum van het verzoek om bescherming van de geografische aanduiding in het desbetreffende grondgebied. Een bevoegde autoriteit van een partij kan bepalen dat uitsluitend tot nietigverklaring wordt overgegaan indien een belanghebbende hiertoe naar behoren en overeenkomstig de toepasselijke wetgeving een aanvraag indient.
Voor de geografische aanduidingen die op de datum van inwerkingtreding van dit protocol in bijlage I bij dit protocol zijn opgenomen, is de in lid 1 bedoelde datum van het verzoek om bescherming de in bijlage I bij dit protocol vermelde voorrangsdatum, onverminderd de blijvende geldigheid van de aan een merk van vóór de vermelde datum ontleende rechten van voorrang die onmiddellijk voor de datum van inwerkingtreding van dit protocol op het grondgebied van een partij golden.
Voor de in artikel 7 van dit protocol bedoelde geografische aanduidingen is de in lid 1 bedoelde datum van het verzoek om bescherming de datum waarop de ene partij een verzoek van de andere partij om bescherming van een geografische aanduiding ontvangt, mits de ontvangende partij deze geografische aanduiding vervolgens beschermt.
De bescherming van een geografische aanduiding uit hoofde van artikel 5 van dit protocol doet geen afbreuk aan het voortgezette gebruik van een merk dat op het grondgebied van een partij is aangevraagd, geregistreerd of door gebruik te goeder trouw is verworven vóór de datum van het verzoek om bescherming van de geografische aanduiding, mits er in de wetgeving van de betrokken partij geen gronden voor de ongeldigheid of de herroeping van het merk zijn. De datum van het verzoek om bescherming van de geografische aanduiding wordt vastgesteld overeenkomstig de leden 2 en 3.
Indien voor in bijlage I bij dit protocol opgenomen geografische aanduidingen waarvoor als voorrangsdatum de „datum van inwerkingtreding” is aangegeven, een merk wordt aangevraagd tussen de datum van bekendmaking met het oog op commentaar of oppositie in verband met deze geografische aanduidingen en de datum van inwerkingtreding van dit protocol, wordt in een van de in artikel 5, lid 1, van dit protocol bedoelde situaties vermoed dat het merk te kwader trouw is aangevraagd.
Artikel 7. Toevoeging van beschermde geografische aanduidingen
Zuid-Afrika en de EU kunnen overeenkomstig de procedures van artikel 13 van dit protocol geografische aanduidingen toevoegen aan bijlage I bij dit protocol.
Een benaming kan niet aan bijlage I bij dit protocol worden toegevoegd indien deze op het grondgebied van een partij samenvalt met de naam van een plantenras, een druivenras daaronder begrepen, of een dierenras en de consument daardoor kan worden misleid met betrekking tot de werkelijke oorsprong van het product, of indien een soortnaam voor een soortgelijk product volledig in de benaming is opgenomen.
Indien een in artikel 3 of artikel 7, lid 1, van dit protocol bedoelde geografische aanduiding geheel of gedeeltelijk gelijkluidend is met een geografische aanduiding die wordt beschermd of waarvoor om bescherming is verzocht op het grondgebied van de betrokken partij:
- a. wordt elke aanduiding beschermd mits deze te goeder trouw is gebruikt en daarbij naar behoren rekening is gehouden met lokale en traditionele gebruiken en het daadwerkelijke gevaar voor verwarring;
- b. bepalen Zuid-Afrika en de EU onderling, onverminderd artikel 23 van de TRIPs-overeenkomst, de praktische gebruiksvoorwaarden om geheel of gedeeltelijk gelijkluidende geografische aanduidingen van elkaar te onderscheiden, er rekening mee houdend dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en de consument niet mag worden misleid;
- c. wordt een geheel of gedeeltelijk gelijkluidende benaming die bij de consument ten onrechte de indruk wekt dat de producten van oorsprong zijn uit een ander grondgebied, niet beschermd, ook al is de benaming juist wat het grondgebied, de regio of de plaats betreft waaruit het betrokken product feitelijk van oorsprong is.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)