Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992
-
- De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
- b. voor het verrichten van werkzaamheden en diensten:
-
- De kosten die samenhangen met het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel... komen ten laste van degene ten behoeve van wie deze werkzaamheden worden verricht.
-
- De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
Indien het wenselijk is bedragen in de wet op te nemen en vervolgens via indexering aan te passen, wordt een bepaling overeenkomstig het volgende model aan het toepasselijke model van het eerste lid toegevoegd:
-
- De bedragen luiden als volgt :…
-
- De bedragen, bedoeld in het tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de (index) daartoe aanleiding geeft (bijvoorbeeld de consumentenprijsindex).
§ 4.13. Evaluatiebepaling
Aanwijzing 171a
Bij een wetsvoorstel wordt bezien of het noodzakelijk is de samenloop met een ander wetsvoorstel te regelen.
Aanwijzing 171b
Indien de formulering van een wetsvoorstel tot wijziging van een wet afhankelijk is van een wijziging die een ander wetsvoorstel beoogt teweeg te brengen in diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum) ingediende voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet is of wordt verheven en (artikel … van) die wet eerder in werking is getreden of treedt dan (artikel … van) deze wet, wordt (artikel … van) deze wet als volgt gewijzigd: ….
Indien een wetsvoorstel tot wijziging van een wet gevolgen heeft voor de formulering van een ander wetsvoorstel tot wijziging van diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum) ingediende voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet is of wordt verheven en (artikel … van) die wet later in werking treedt dan (artikel … van) deze wet, wordt (artikel … van) die wet als volgt gewijzigd: ….
Indien een wetsvoorstel tot wijziging van een wet beoogt een wijziging teweeg te brengen die in strijd is met een wijziging die een ander wetsvoorstel in diezelfde wet beoogt teweeg te brengen, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:
-
- Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum) ingediende voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet is of wordt verheven en (artikel … van) die wet eerder in werking is getreden of treedt dan (artikel … van) deze wet, wordt (artikel … van) deze wet als volgt gewijzigd: ….
-
- Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum) ingediende voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet is of wordt verheven en (artikel … van) die wet later in werking treedt dan (artikel … van) deze wet, wordt (artikel … van) die wet als volgt gewijzigd: ….
Indien een wetsvoorstel tot wijziging van een wet gevolgen heeft voor de formulering van een verwijzing naar diezelfde wet in een wetsvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum) ingediende voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet is of wordt verheven wordt (artikel … van) die wet als volgt gewijzigd: ….
Indien de formulering van een verwijzing naar een wet in een wetvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen, afhankelijk is van een wijziging die een ander wetsvoorstel beoogt teweeg te brengen in diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum) ingediende voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet is of wordt verheven en (artikel … van) die wet in werking treedt, wordt (artikel … van) deze wet als volgt gewijzigd: ….
§ 4.15. Inwerkingtreding
§ 5.11. Bestuursrechtelijke rechtsbescherming
§ 4.17. Citeertitel
§ 4.18. Bekendmaking
§ 6.2. Wijziging van regelingen
Aanwijzing 216
Indien een wetsvoorstel leidt tot financiële gevolgen voor decentrale overheden, wordt dit aangegeven in een afzonderlijk onderdeel van de memorie van toelichting. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de uitvoering van artikel 105, derde lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet en artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet.
Tevens wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de in het eerste lid bedoelde financiële gevolgen kunnen worden opgevangen.
Indien een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling leidt tot financiële gevolgen voor decentrale overheden, wordt daaraan zo nodig in de nota van toelichting, onderscheidenlijk in de toelichting aandacht geschonken.
Aanwijzing 219
Verwijzing in een toelichting naar andere stukken geschiedt door een nauwkeurige aanduiding van de vindplaats.
Verwijzing naar parlementaire stukken geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:
Kamerstukken II 1979/80, 15 913, nr. 5, blz. 3.
Handelingen I 1986/87, blz. 651-653.
Aanhangsel Handelingen II 1997/98, nr. 132.
Bij verwijzing naar een wetsvoorstel kan worden volstaan met uitsluitend vermelding van het Kamerstuknummer van vijf cijfers.
Hoofdstuk 5. Wijziging en intrekking van regelingen
§ 5.1. Wijziging van regelingen
Aanwijzing 223
Wijziging van een regeling geschiedt door een regeling van gelijke orde.
Aanwijzing 224
Indien het voornemen bestaat in een regeling een omvangrijke wijziging aan te brengen, wordt overwogen de regeling in te trekken en een nieuwe regeling vast te stellen.
§ 5.2. Intrekken en vervallen van regelingen
§ 7.1. Interdepartementale voorbereiding
§ 5.4. Wijziging van wetsvoorstellen
Aanwijzing 258
Vervallen
§ 7.5. Behandeling van initiatiefvoorstellen van wet
§ 6.1. Voorbereiding en behandeling in de ministerraad
§ 8.7. Totstandbrenging van binding
§ 8.6. Stilzwijgende en uitdrukkelijke goedkeuring
§ 6.4. Behandeling van initiatiefvoorstellen van wet
Hoofdstuk 7. Verdragen
§ 6.5. Koninklijke besluiten waarover de Raad van State niet wordt gehoord
Aanwijzing 311b
Indien in een wet de uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties wordt gedelegeerd naar een lagere regeling, wordt voor de delegatiebepaling het volgende model als uitgangspunt genomen:
Bij (of krachtens) algemene maatregel van bestuur/ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
§ 7.4. Behandeling in de ministerraad
§ 7.6. Advisering door de Raad van State
§ 7.4. Behandeling in de ministerraad
Hoofdstuk 8. Voorbereiding en implementatie van EU-regelgeving
§ 8.2. Voorbereiding van EU-regelgeving
§ 8.4. Algemene uitgangspunten bij implementatie
Aanwijzing 343a
In de eerste alinea van de toelichting bij een regeling die strekt tot implementatie van een EU-regeling wordt vermeld:
- a. dat de regeling strekt tot implementatie, met een verwijzing naar de EU-regeling overeenkomstig aanwijzing 89;
- b. de uiterste datum waarop de implementatie moet zijn gerealiseerd;
- c. een verwijzing naar het onderdeel van de toelichting waarin de transponeringstabel is opgenomen.
§ 8.6. Kennisgeving van (ontwerp-)implementatieregelingen aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen
Aanwijzing 88b
-
- In regelingen worden de instellingen, verdragen, regelgeving en de lidstaten van de Europese Unie, dan wel de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsmede hun grondgebied als volgt aangeduid:
- a. het Europees Parlement;
- b. de Europese Raad;
- c. de Raad van de Europese Unie;
- d. de Europese Commissie;
- e. het Hof van Justitie van de Europese Unie;
- f. de Europese Centrale Bank;
- g. de Europese Rekenkamer;
- h. het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
- i. het Verdrag betreffende de Europese Unie;
- j. het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;
- k. EU-verordeningen, EU-richtlijnen, EU-besluiten;
- l. bindende EU-rechtshandelingen, EU-rechtshandelingen, EU-regelgeving;
- m. Euratom-verordeningen, Euratom-richtlijnen, Euratom-besluiten;
- n. lidstaten van de Europese Unie;
- o. gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.
-
- Indien bindende EU-rechtshandelingen tevens gelden voor de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, worden de betrokken staten respectievelijk hun grondgebied aangeduid als:
- a. de lidstaten van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- b. de gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is;
- c. Zwitserland.
Aanwijzing 89a
Verwijzing naar parlementaire stukken geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:
Kamerstukken II 2009/10, 27 858, nr. 88 , blz. 3.
Kamerstukken I 2008/09, 31 700 VI, D , blz. 4.
Handelingen II 2007/08, nr. 108 , blz. 7909–7943. (tot 1 januari 2011)
Handelingen II 2010/11, nr. 108, item 5 , blz. 25–36. (vanaf 1 januari 2011)
Aanhangsel Handelingen II 1997/98, nr. 132.
Verwijzing naar een wetsvoorstel geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld:
het bij koninklijke boodschap van 8 mei 2009 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Meststoffenwet (differentiatie fosfaatgebruiksnorm) (Kamerstukken 31 945).
Aanwijzing 91a
Verwijzing in een regeling naar toe te passen normalisatienormen geschiedt in beginsel op een niet-dwingende wijze.
Voorbeeld
Artikel 4, eerste lid, van de Wet pleziervaartuigen:
Pleziervaartuigen, onderdelen van pleziervaartuigen, en voortstuwingsmotoren die overeenstemmen met de door Onze Minister aangewezen normen, die overeenkomen met de geharmoniseerde normen, bedoeld in artikel 5 van de richtlijn, worden vermoed te voldoen aan artikel 3, tweede lid.
Zie ook de Regeling aanwijzing normen pleziervaartuigen 2009.
§ 3.4. Hoofdletters
§ 3.5. Indeling
Hoofdstuk 4. Bijzondere bestanddelen van regelingen
§ 4.3a. Toepasselijkheid in Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Aanwijzing 120a
-
- Indien een regeling van toepassing is of mede van toepassing is in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt dit in de regeling uitdrukkelijk bepaald.
-
- De bepaling die de toepasselijkheid van een regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba regelt, wordt bij voorkeur in de inleidende bepalingen van de regeling opgenomen. In regelingen waarvan de werkingssfeer eerst na de totstandkoming van de regeling tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt uitgebreid, mag de daartoe strekkende bepaling ook aan het einde van de regeling worden opgenomen, voor de overgangs- en slotartikelen.
-
- Het eerste lid is niet van toepassing, indien het een regeling van het Koninkrijk betreft of indien de toepasselijkheid van een regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba reeds onmiskenbaar uit een ander wettelijk voorschrift volgt.
-
- In een regeling die uitsluitend van toepassing is in het Europese deel van Nederland, behoeft geen bepaling te worden opgenomen die de werkingssfeer van de regeling uitdrukkelijk tot dat deel van Nederland beperkt.
§ 4.5. Citeertitel
§ 4.6. Bekendmaking
§ 4.5a. Zelfstandige bestuursorganen
§ 4.6. Toekenning van bestuursbevoegdheden
§ 4.6B. Overgang van rechten krachten publiekrecht
Aanwijzing 131d
Een vergunningstelsel in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Dienstenwet:
- a. wordt niet opgenomen, tenzij dit geen discriminerende werking heeft ten opzichte van de betrokken dienstverrichter, dit noodzakelijk is wegens een dwingende reden van algemeen belang, en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn;
- b. wordt uitsluitend van de werking van paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht uitgezonderd wegens dwingende redenen van algemeen belang, met inbegrip van de belangen van derden.
Indien de conflictregel van artikel 3 van de Dienstenrichtlijn en artikel 2, derde lid, onder a, sub 3, van de Dienstenwet op een vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, wordt dit toegelicht.
Indien bij een vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid het aantal beschikbare vergunningen beperkt is, wordt een selectieprocedure ingesteld die alle waarborgen voor transparantie en onpartijdigheid biedt voor gegadigden, met inbegrip van met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure.
Aanwijzing 131e
In een regeling die onder de reikwijdte van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn valt, worden geen eisen gesteld aan de verrichting van diensten door dienstverrichters die in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd zijn, die niet voldoen aan de beginselen van non-discriminatie, noodzakelijkheid wegens redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu en evenredigheid.
In een regeling die onder de reikwijdte van artikel 15, tweede lid, van de Dienstenrichtlijn valt, worden geen eisen opgenomen die niet voldoen aan de beginselen van non-discriminatie, noodzakelijkheid wegens een dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid.
§ 5.2. Caribisch Nederland
§ 4.9. Sancties
§ 4.10. Bestuursrechtelijke rechtsbescherming
Aanwijzing 162a
Bij het opnemen in een regeling van bepalingen over de verwerking van persoonsgegevens bevat de regeling een welbepaalde en uitdrukkelijke omschrijving van de doeleinden van de gegevensverwerking en bevat de toelichting een expliciete afweging van de belangen van verantwoordelijken en betrokkenen in relatie tot die doeleinden.
Aanwijzing 162b
Indien het noodzakelijk is dat op structurele basis wordt voorzien in de onderlinge verstrekking van persoonsgegevens tussen bestuursorganen of toezichthouders, terwijl geldende geheimhoudingsbepalingen daaraan in de weg staan, wordt op het niveau van de formele wet voorzien in een uitdrukkelijke regeling van de gegevensverstrekking, met inbegrip van de vaststelling van het doel van de gegevensverstrekking.
Aanwijzing 163b
-
- In een regeling die zowel in het Europese deel van Nederland als in Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is, worden, indien dat de toegankelijkheid van de regeling ten goede komt, bepalingen die specifiek betrekking hebben op de toepassing van de regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in een apart hoofdstuk of een aparte paragraaf opgenomen.
-
- Het aparte hoofdstuk of de aparte paragraaf voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt opgenomen aan het einde van de regeling, voor de slotartikelen en, in voorkomend geval, de evaluatiebepaling en het overgangsrecht.
Aanwijzing 165a
Indien bij een wijziging van een regeling overgangsbepalingen noodzakelijk zijn, worden deze in de te wijzigen regeling opgenomen, tenzij dit gelet op de doelgroep, de geldigheidsduur of de toegankelijkheid, onwenselijk is.
§ 4.14a. Samenloop
§ 4.15. Inwerkingtreding
§ 5.15. Samenloop van wetsvoorstellen
§ 5.17. Bijzondere vormen van inwerkingtreding en bekendmaking
§ 4.21. Toelichting
Hoofdstuk 5. Wijziging en intrekking van regelingen
§ 5.1. Wijziging van regelingen
Aanwijzing 224
Indien het voornemen bestaat in een regeling een omvangrijke wijziging aan te brengen, wordt overwogen de regeling in te trekken en een nieuwe regeling vast te stellen.
Aanwijzing 227
Indien een gewijzigde dan wel nieuwe regeling een nieuwe grondslag biedt aan bestaande uitvoeringsregelingen kan een bepaling overeenkomstig het volgende model worden opgenomen:
Na de inwerkingtreding van deze wet berust het/de ...... (betrokken uitvoeringsregeling) op artikel ...... (de nieuwe delegatiebepaling) van deze wet.
Indien het wenselijk is dat niet in de hogere regeling, maar in de uitvoeringsregeling de nieuwe grondslag wordt vermeld, kan een bepaling overeenkomstig het volgende model worden opgenomen:
Dit besluit/Deze regeling berust op artikel/de artikelen ...... van ...... (titel delegerende wet/delegerend besluit).
Indien een regeling een nieuwe grondslag biedt aan een bestaande uitvoeringsregeling of indien een uitvoeringsregeling wordt gewijzigd met gebruikmaking van een nieuwe grondslag, wordt in de toelichting bij die regeling een overzicht opgenomen van de verschillende onderdelen van de integrale uitvoeringsregeling en de grondslagen waarop zij berusten.
Aanwijzing 231
Bij wijziging van een bepaling wordt ten minste een gehele lees- of begripseenheid vervangen door een nieuwe lees- of begripseenheid.
Aanwijzing 232
Het beëindigen van de gelding van een gehele regeling wordt aangeduid met het werkwoord "intrekken", het schrappen van een artikel of ander onderdeel van een regeling met het werkwoord " vervallen"
Voorbeelden:
- -. De Wet rampenplannen wordt ingetrokken.
- -. Artikel 25, tweede lid, vervalt.
§ 5.2. Intrekken en vervallen van regelingen
§ 7.4. Parlementaire behandeling van regeringsvoorstellen van wet
Hoofdstuk 6. Procedures
Aanwijzing 258
Vervallen
§ 6.1 a. Notificatie
§ 8.3. Voorbereiding van wetgeving inzake goedkeuring en implementatie
§ 9.3. Voorbereiding van procedures bij implementatie
§ 6.3. Parlementaire behandeling van regeringsvoorstellen van wet
§ 6.4. Behandeling van initiatiefvoorstellen van wet
Hoofdstuk 7. Verdragen
§ 7.1. Voorbereiding van verdragen
§ 7.3. Voorbereiding van wetgeving inzake goedkeuring en implementatie
§ 7.5. Bewaring en bekendmaking
§ 7.7. Parlementaire goedkeuring en totstandbrenging van de binding
Hoofdstuk 8. Voorbereiding, totstandkoming en implementatie van bindende EU-rechtshandelingen
§ 8.1. Begripsbepaling en toepassingsbereik
§ 8.3. Voorbereiding van en procedures bij implementatie
Aanwijzing 1.1. Reikwijdte
Deze aanwijzingen hebben betrekking op regelingen die onder ministeriële verantwoordelijkheid tot stand komen, en, voor zover uitdrukkelijk aangegeven, op verdragen, bindende besluiten van instellingen van de Europese Unie en andere besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Aanwijzing 1.2. Aanwijzingen voor de rijksdienst
Deze aanwijzingen worden in acht genomen door de ministers en staatssecretarissen en de onder hen ressorterende personen die bij de voorbereiding en vaststelling van regelingen zijn betrokken.
Afwijking van deze aanwijzingen is slechts toegestaan, indien onverkorte toepassing daarvan uit een oogpunt van goede regelgeving niet tot aanvaardbare resultaten zou leiden.
Aanwijzing 1.3. Definities
Onder regelingen wordt in deze aanwijzingen verstaan:
- a. algemeen verbindende voorschriften;
- b. interne regels;
- c. beleidsregels.
Onder EU-regelgeving wordt in deze aanwijzingen verstaan: door de instellingen van de Europese Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde:
- a. verordeningen;
- b. richtlijnen.
Onder bindende EU-rechtshandelingen wordt in deze aanwijzingen verstaan: door de instellingen van de Europese Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde:
- a. verordeningen;
- b. richtlijnen;
- c. besluiten zonder vermelding van adressaten;
- d. besluiten met vermelding van adressaten, voor zover mede tot Nederland gericht.
Hoofdstuk 2. Algemene onderwerpen van regelgeving
§ 2.1. Uitgangspunten voor het gebruik van regelgeving als instrument
Aanwijzing 2.1. Keuze voor regelgeving
Voor het normeren van gedragingen, handelingen of bevoegdheden worden algemeen verbindende voorschriften, interne regels of beleidsregels gebruikt.
Aanwijzing 2.2. Noodzaak van regelgeving
Tot het tot stand brengen van een regeling wordt alleen besloten indien de noodzaak daarvan is komen vast te staan.
Aanwijzing 2.3. Voorafgaand onderzoek
Alvorens tot het tot stand brengen van een regeling wordt besloten, worden de volgende stappen gezet:
- a. kennis wordt vergaard over de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot het bewuste onderwerp;
- b. de doelen die moeten worden bereikt, worden zo concreet en nauwkeurig mogelijk vastgesteld;
- c. onderzocht wordt of de doelen kunnen worden bereikt door middel van het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector of sectoren, of dat daarvoor overheidsinterventie noodzakelijk is;
- d. indien overheidsinterventie noodzakelijk is, wordt onderzocht of de gekozen doelen kunnen worden bereikt door aanpassing of beter gebruik van bestaande instrumenten dan wel, indien dit niet mogelijk blijkt, welke nieuwe instrumenten kunnen worden ingezet om de doelen te bereiken;
- e. de diverse mogelijkheden worden zorgvuldig tegen elkaar afgewogen.
Aanwijzing 2.4. Terughoudendheid met toezeggingen
Met het doen van uitspraken en toezeggingen over nieuwe regelingen wordt grote terughoudendheid betracht.
Aanwijzing 2.5. Zelfregulering
Bij het bepalen van de keuze voor een mogelijkheid tot overheidsinterventie om een doel te bereiken wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het zelfregulerend vermogen in de maatschappij.
Aanwijzing 2.6. Duidelijkheid, eenvoud en bestendigheid
Gestreefd wordt naar duidelijkheid en eenvoud van regelingen en naar een bestendig karakter daarvan.
Aanwijzing 2.7. Handhaafbaarheid
Tot het tot stand brengen van een regeling wordt niet besloten dan nadat is nagegaan of in voldoende mate handhaving te realiseren valt.
Hierbij wordt onderzocht of handhaving het beste langs bestuursrechtelijke, civielrechtelijke of strafrechtelijke weg dan wel op andere wijze kan plaatsvinden.
Aanwijzing 2.8. Conflictbeperking
Een regeling wordt op zodanige wijze ingericht dat zij zo weinig mogelijk conflicten oproept. Daartoe wordt onder meer aan het volgende voldaan:
- a. het aantal beslismomenten waartoe toepassing van de regeling aanleiding geeft, wordt tot een minimum beperkt;
- b. ingeval bestuurlijke boetes mogelijk worden gemaakt, worden daarvoor bindende boetemaxima vastgesteld;
- c. de aard en omvang van uitkeringen, voorzieningen en andere voordelen worden zo duidelijk mogelijk omschreven.
Aanwijzing 2.9. Neveneffecten
Bij het opstellen van een regeling wordt tevens bezien welke neveneffecten op bestaande of voorgenomen regelgeving of beleidsvelden kunnen optreden en welke consequenties dit dient te hebben voor het voorstel.
Aanwijzing 2.10. Lasten voor de maatschappij en de overheid
Bij de keuzes met betrekking tot vorm en inhoud van een regeling wordt gestreefd naar zo beperkt mogelijke lasten voor burgers, bedrijven en instellingen, alsmede voor de overheid zelf.
Tevens wordt rekening gehouden met het doenvermogen van degenen die geraakt worden door de regeling.
Bij het ontwerpen van een regeling wordt mede rekening gehouden met de uitvoerbaarheid daarvan, in het bijzonder wat betreft de aanpassing of ontwikkeling van de voor de uitvoering vereiste ICT-systemen.
Aanwijzing 2.11. Evenredigheid
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een voorgenomen regeling mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
Waar nodig voorziet een regeling in voldoende mogelijkheden om het bestuursorgaan in staat te stellen een besluit met onevenredige hardheid in een concreet geval te voorkomen.
Aanwijzing 2.12. Overige kwaliteitseisen
Bij het opstellen van een regeling wordt rekening gehouden met de overige relevante eisen en voorwaarden die deel uitmaken van het kabinetsbeleid inzake regelgeving.
Aanwijzing 2.13. Keuze voor decentralisatie
Taken en bevoegdheden worden op decentraal niveau gelegd, tenzij het onderwerp van zorg niet op doelmatige en doeltreffende wijze door decentrale organen kan worden behartigd.
Aanwijzing 2.14. Normering bestuursbevoegdheden
Bij de toekenning van bestuursbevoegdheden wordt de uitoefening daarvan zoveel mogelijk genormeerd.
Met het oog hierop worden discretionaire bevoegdheden en bevoegdheden met vage toepassingscriteria niet toegekend, tenzij daarvoor goede gronden zijn.
Aanwijzing 2.15. Verenigbaarheid met hoger recht
Bij het opstellen van een regeling wordt onderzocht welke hogere regels de vrijheid van regeling ten aanzien van het betrokken onderwerp hebben ingeperkt.
§ 2.2. Europees en Caribisch Nederland
Aanwijzing 2.16. Territoriale gelding regelgeving binnen Nederland
Bij het opstellen van een regeling wordt onderzocht of de regeling moet gelden voor het gehele grondgebied van Nederland, of uitsluitend voor het Europese deel van Nederland, dan wel uitsluitend voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Aanwijzing 2.17. Begrip algemeen verbindend voorschrift
Als algemeen verbindend voorschrift, vastgesteld vanwege het Rijk, wordt beschouwd een naar buiten werkende algemene regel, vastgesteld bij of krachtens wet dan wel, in bijzondere gevallen, bij of krachtens zelfstandige algemene maatregel van bestuur.
Aanwijzing 2.18. Vaststelling algemeen verbindende voorschriften
Algemeen verbindende voorschriften worden vanwege het Rijk niet op andere wijze vastgesteld dan bij:
- a. wet;
- b. algemene maatregel van bestuur;
- c. ministeriële regeling; of
- d. regeling van een zelfstandig bestuursorgaan met inachtneming van aanwijzing 5.10.
Aanwijzing 2.19. Primaat van de wetgever
Bij verdeling van de elementen van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau bevat de wet ten minste de hoofdelementen van de regeling. Bij de keuze welke elementen in de wet zelf regeling moeten vinden en ter zake van welke elementen delegatie is toegestaan, dient het primaat van de wetgever als richtsnoer.
Aanwijzing 2.20. Grondwettelijke delegatieverboden
In ieder geval worden in de wet opgenomen voorschriften ten aanzien van onderwerpen waarvoor de Grondwet een regeling bij wet eist en geen delegatie toelaat.
Een in de Grondwet neergelegd verbod tot delegatie houdt in dat:
- a. alle wezenlijke bepalingen ten aanzien van het betrokken onderwerp in de wet worden vastgelegd; en
- b. in de wet niet wordt volstaan met het toekennen van algemene bestuursbevoegdheden waarvan de invulling geheel of grotendeels aan bestuursorganen wordt overgelaten.
Aanwijzing 2.21. Bij wet vast te stellen voorschriften
Zoveel mogelijk worden in de wet opgenomen voorschriften:
- a. die de grondslag vormen voor een stelsel van vergunningen of een stelsel waarbij anderszins de toelaatbaarheid van handelingen afhankelijk wordt gesteld van toestemming van de overheid;
- b. die andere overheden in medebewind roepen;
- c. waarbij bestuursorganen in het leven worden geroepen;
- d. betreffende rechtsbescherming;
- e. inzake sancties van bestuursrechtelijke of civielrechtelijke aard;
- f. waarbij toezichts- of opsporingsbevoegdheden worden toegekend;
- g. omtrent rechten en verplichtingen van burgers jegens elkaar;
- h. die beogen aan de burger procedurele waarborgen te bieden ten aanzien van het gebruik van bevoegdheden door de overheid.
Aanwijzing 2.22. Zelfstandige amvb
Voor het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften wordt een zelfstandige algemene maatregel van bestuur niet gebruikt, behoudens in uitzonderlijke situaties bij wijze van tijdelijke voorziening.
Aanwijzing 2.23. Begrenzing delegatie
Delegatie van regelgevende bevoegdheid wordt in de delegerende regeling zo concreet en nauwkeurig mogelijk begrensd.
Aanwijzing 2.24. Toelaatbaarheid delegatie aan minister
Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister wordt beperkt tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld.
Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister is ook toegestaan indien het gaat om het verwerken in de Nederlandse wetgeving van internationale regelingen die de Nederlandse wetgever, behoudens op ondergeschikte punten, geen ruimte laten voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard.
Aanwijzing 2.25. Rechtstreekse delegatie aan minister
Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister geschiedt, indien mogelijk, rechtstreeks in de wet.
Aanwijzing 2.26. Terminologie bij delegatie en subdelegatie
Voor delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de regering wordt de formulering ‘bij algemene maatregel van [rijks]bestuur’ gebruikt.
Om subdelegatie door de regering mogelijk te maken wordt de formulering ‘bij of krachtens algemene maatregel van [rijks]bestuur’ gebruikt.
Aanwijzing 2.27. Voorschriften voordracht en ondertekening amvb
Ten aanzien van de voordracht en ondertekening van een algemene maatregel van bestuur worden in de delegerende wet geen voorschriften gegeven. Indien wenselijk kunnen afspraken daarover worden vermeld in de toelichting.
Aanwijzing 2.28. Terminologie bij delegatie aan minister
Voor delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister wordt de formulering ‘bij ministeriële regeling’ of ‘bij regeling van Onze Minister’ gebruikt.
Indien uit de delegerende regeling niet reeds voortvloeit welke minister bevoegd is, of indien een afwijkende bevoegdheidstoedeling is beoogd, wordt de formulering ‘bij regeling van Onze Minister van/voor ...’ gebruikt.
Indien het wenselijk is te bepalen dat een ministeriële regeling onder verantwoordelijkheid van meer dan een bewindspersoon wordt vastgesteld, wordt daarvoor de formulering ‘bij regeling van Onze Minister van/voor..., handelende in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...’ gebruikt, tenzij ‘Onze Minister’ in de delegerende regeling reeds is gedefinieerd als: ‘Onze Minister van/voor..., handelende in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...’.
Aanwijzing 2.29. Terminologie ‘regels’ en ‘nadere regels’
Bij delegatie van regelgevende bevoegdheid wordt over ‘regels stellen’ gesproken, indien in de delegerende regeling over het betrokken onderwerp nog niets is geregeld. In andere gevallen wordt over ‘nadere regels stellen’ gesproken.
Aanwijzing 2.30. Geen mandaat van regelgevende bevoegdheid
In een regeling wordt, behoudens in bijzondere omstandigheden, niet voorzien in mandaatverlening van regelgevende bevoegdheid.
Aanwijzing 2.31. Afwijking bij lagere regelgeving
In een hogere regeling wordt niet toegestaan dat daarvan bij lagere regeling wordt afgeweken.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het wenselijk is in de hogere regeling de mogelijkheid te creëren voor:
- a. afwijkende regelingen die bij wijze van experiment worden ingevoerd;
- b. afwijkende regelingen ten behoeve van noodsituaties.
Aanwijzing 2.32. Wijziging door lagere regeling
In een hogere regeling wordt niet toegestaan dat deze bij lagere regeling wordt gewijzigd.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
- a. het volgens vaste systematiek aanpassen van bedragen, tarieven en percentages;
- b. wetstechnische aanpassingen van verwijzingen naar bindende EU-rechtshandelingen en verdragen of onderdelen daarvan.
In een delegatiebepaling waarin wijziging van een hogere regeling door een lagere regeling mogelijk wordt gemaakt, wordt, evenals in de lagere regeling, uitsluitend de term ‘wijzigen’ of ‘vervangen’ gebruikt.
Aanwijzing 2.33. Tijdstip vaststellen amvb
Een algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder vastgesteld dan nadat de wet waarop deze is gebaseerd, is vastgesteld.
In uitzonderlijke situaties kan een algemene maatregel van bestuur reeds worden vastgesteld nadat het wetsvoorstel dat aan de algemene maatregel van bestuur ten grondslag ligt door de Tweede Kamer is aanvaard.
Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt het in aanwijzing 4.22, onder E, bedoelde model gebruikt.
Deze aanwijzing is van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van een ministeriële regeling.
Aanwijzing 2.34. Beperkt aantal uitvoeringsregelingen
Indien een regeling voorziet in de verplichting of de bevoegdheid tot het vaststellen van uitvoeringsregelingen, wordt ter uitvoering van de hogere regeling zo mogelijk één algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling vastgesteld.
§ 2.5. Parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving
Aanwijzing 2.35. Voorhangprocedures
In de wet wordt geen formele betrokkenheid van het parlement bij gedelegeerde regelgeving geregeld tenzij daarvoor bijzondere redenen bestaan.
Aanwijzing 2.36. Gecontroleerde delegatie
Gecontroleerde delegatie wordt slechts toegepast ingeval een materie regeling bij wet rechtvaardigt maar zich daarvoor toch niet goed leent vanwege haar sterk technische karakter, de noodzaak van snelle wijzigingen of de grote omvang van de te stellen regels.
Voor gecontroleerde delegatie wordt het volgende model gebruikt:
De voordracht voor een krachtens artikel [...] vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Aanwijzing 2.37. Voorwaardelijke delegatie
Met toepassing van voorwaardelijke delegatie wordt grote terughoudendheid betracht. Zij wordt slechts toegepast indien in het algemeen voor de regeling van een materie kan worden volstaan met een lagere regeling, maar het wenselijk is de mogelijkheid open te houden dat in bepaalde gevallen voor de totstandkoming de wetsprocedure wordt gevolgd.
Voor voorwaardelijke delegatie wordt het volgende model gebruikt:
Een krachtens artikel [...] vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat [het onderwerp / de inwerkingtreding] van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Aanwijzing 2.38. Voorhang tijdens recesperiode
Voor een mededeling of overlegging aan beide Kamers van de Staten-Generaal als bedoeld in de aanwijzingen 2.36 en 2.37 wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste drievierde deel van de in die aanwijzingen bedoelde termijn buiten een reces van de Kamers valt.
Indien het eerste lid niet in acht genomen kan worden, wordt dit bij de mededeling of overlegging uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
Indien bij een mededeling of overlegging als bedoeld in aanwijzing 2.36 het eerste lid niet in acht kan worden genomen, wordt zo mogelijk een na het reces liggende datum genoemd vóór welke de Kamers hun zienswijze kenbaar kunnen maken.
Indien een verlenging als bedoeld in het derde lid naar het oordeel van de betrokken minister niet mogelijk is, wordt dat uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
Aanwijzing 2.39. Tijdelijke delegatie
Tijdelijke delegatie blijft beperkt tot gevallen waarin te stellen voorschriften gelet op hun betekenis bij wet moeten worden vastgesteld maar de totstandkoming van een wet niet kan worden afgewacht.
Voor tijdelijke delegatie wordt het volgende model gebruikt:
Na de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] van een krachtens artikel [...] vastgestelde [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Aanwijzing 2.40. Delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet
Delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet blijft beperkt tot gevallen waarin tijdelijke delegatie aanvaardbaar is en het gaat om regelingen die de Tweede Kamer in beginsel slechts kan goedkeuren of weigeren goed te keuren.
Voor delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet wordt het volgende model gebruikt:
Na het tot stand komen van een krachtens artikel [...] vastgestelde [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] wordt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken een voorstel van wet tot goedkeuring van de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] onverwijld ingetrokken.
§ 2.6. Experimentele regelgeving
Aanwijzing 2.41. Experimenteerregeling
Indien het gewenst is de mogelijkheid te bieden dat in een lagere regeling bij wijze van experiment van een hogere regeling wordt afgeweken, wordt in die hogere regeling bepaald:
- a. wat het oogmerk is van het experiment;
- b. wat het bereik is van de experimenteerregeling;
- c. van welke onderdelen van de hogere regeling kan worden afgeweken; en
- d. wat de maximale geldingsduur is van de afwijking.
Van een wet in formele zin wordt slechts afgeweken bij algemene maatregel van bestuur, waarbij kan worden voorzien in subdelegatie.
In de experimenteerregeling wordt vermeld van welke onderdelen van de hogere regeling wordt afgeweken.
Aanwijzing 2.42. Evaluatie experimenteerregeling
In de toelichting bij een experimenteerregeling wordt aangegeven hoe evaluatie van de regeling plaatsvindt.
Indien een experimenteerregeling een evaluatiebepaling bevat wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:
Onze Minister [van/voor ...] zendt [in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...] negen maanden voor het einde van de werkingsduur van [een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel .../ dit besluit] aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting van [die maatregel / dit besluit] anders dan als experiment.
Aanwijzing 2.43. Expliciete aanduiding beleidsregel
In een wettelijk voorschrift op grond waarvan een beleidsregel wordt vastgesteld en in het opschrift en de citeertitel van de beleidsregel, wordt het woord ‘beleidsregel’ uitdrukkelijk gebruikt.
Aanwijzing 2.44. Beleidsregel krachtens mandaat
Bij de vaststelling van een beleidsregel krachtens mandaat geschiedt deze vaststelling ten minste op het niveau van directeur-generaal of een daarmee vergelijkbare functionaris.
§ 2.8. Harmonisatie
Aanwijzing 2.45. Harmonisatie van regelgeving
In gevallen waarin soortgelijke onderwerpen worden geregeld, wordt gestreefd naar harmonisatie van regelgeving.
Bij wijziging van een regeling wordt nagegaan welke wijzigingen uit een oogpunt van harmonisatie kunnen worden meegenomen.
Aanwijzing 2.46. Afwijking van algemene wetten
In bijzondere wetten wordt alleen afgeweken van algemene wetten, indien dit noodzakelijk is. De afwijking wordt in de bijzondere wet opgenomen en als zodanig benoemd, tenzij uit de algemene wet volgt dat de afwijking in de algemene wet moet worden opgenomen. Een afwijking wordt in de memorie van toelichting bij de bijzondere wet gemotiveerd.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aanvullingen in bijzondere wetten op een regeling in een algemene wet die uitputtend is bedoeld.
Aanwijzing 2.47. Terminologie Algemene wet bestuursrecht
De termen bestuursorgaan, belanghebbende, besluit, beschikking, aanvraag, beleidsregel, bestuursrechter, bezwaar, administratief beroep, beroep, subsidie, subsidieplafond, dwangbevel, overtreder, toezichthouder, last onder bestuursdwang, last onder dwangsom, bestuurlijke boete, mandaat en delegatie worden in bestuursrechtelijke regelingen die gelden in het Europese deel van Nederland, gebruikt in de betekenis die daaraan is gegeven in de Algemene wet bestuursrecht.
De termen adviseur, overtreding, bestuurlijke sanctie, herstelsanctie, bestraffende sanctie en goedkeuring worden in bestuursrechtelijke regelingen die gelden in het Europese deel van Nederland, zoveel mogelijk gebruikt in de betekenis die daaraan is gegeven in de Algemene wet bestuursrecht.
In bestuursrechtelijke regelingen die gelden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt aangesloten bij de terminologie van de Wet administratieve rechtspraak BES.
Aanwijzing 2.48. Bekendmaking en mededeling
Voor de kennisgeving van een besluit aan de daarbij betrokkenen waardoor het besluit zijn werking als rechtshandeling kan verkrijgen, wordt de term bekendmaking gebruikt.
In de overige gevallen wordt de term mededeling gebruikt.
Hoofdstuk 3. Aspecten van vormgeving
Aanwijzing 3.1. Beknoptheid
Bepalingen worden beknopt geformuleerd.
Aanwijzing 3.2. Terminologie ‘moeten’ en ‘dienen’
Voorschriften worden niet met behulp van de werkwoorden ‘moeten’ of ‘dienen’ geformuleerd, tenzij dit onvermijdelijk is.
Aanwijzing 3.3. Duidelijkheid
Het normale spraakgebruik wordt zoveel mogelijk gevolgd.
Woorden waarvan de betekenis te weinig bepaald of onduidelijk is, worden niet gebruikt.
Aanwijzing 3.4. Terminologie uitvoeringsregelingen
Voor de terminologie van een uitvoeringsregeling wordt aangesloten bij die van de regeling waarop zij is gebaseerd.
Aanwijzing 3.5. Aansluiten bij terminologie internationale regelingen
Voor de terminologie in nationale regelingen wordt in beginsel aangesloten bij die van verwante bindende EU-rechtshandelingen en internationale regelingen.
Van het eerste lid kan worden afgeweken indien:
- a. de terminologie van de bindende EU-rechtshandelingen en internationale regelingen niet voldoende is gepreciseerd;
- b. daardoor beter wordt aangesloten bij elders in nationale regelingen gehanteerde terminologie; of
- c. dit beter Nederlands oplevert.
Aanwijzing 3.6. Woordenlijst Nederlandse Taal
De Woordenlijst Nederlandse Taal wordt gevolgd, tenzij woorden die uit vreemde talen afkomstig zijn of van vreemde talen zijn afgeleid, de bedoeling duidelijker weergeven dan Nederlandse woorden en in het spraakgebruik ingang hebben gevonden.
Aanwijzing 3.7. Uniformiteit van begrippen
Hetzelfde begrip wordt niet met verschillende termen aangeduid.
Dezelfde term wordt niet voor verschillende begrippen gebruikt.
Aanwijzing 3.8. Sekseneutrale persoonsaanduidingen
Indien mogelijk worden persoonsaanduidingen gebruikt die sekseneutraal zijn.
Combinaties van aanduidingen van mannen en vrouwen worden niet gebruikt.
Aanwijzing 3.9. Afkortingen
Afkortingen worden alleen gebruikt indien dit redelijkerwijs niet te vermijden is. Bij gebruik ervan worden zij in de begripsbepalingen opgenomen.
Aanwijzing 3.10. Ficties en rechtsvermoedens
Formulering van een regel in de vorm van een fictie wordt vermeden.
Voor een weerlegbaar rechtsvermoeden wordt de formulering ‘wordt/worden vermoed’ gebruikt.
Aanwijzing 3.11. Uitdrukking ‘voor zover’
In plaats van ‘indien en voor zover’ wordt de uitdrukking ‘voor zover’ gebruikt.
De uitdrukking ‘voor zover’ wordt in een wettelijk voorschrift slechts gebruikt in de betekenis van ‘in de mate dat’.
Aanwijzing 3.12. Uitdrukking ‘en/of’
Het gebruik van de uitdrukking ‘en/of’ blijft achterwege.
Aanwijzing 3.13. Gebruik van haakjes
Zinnen of zinsneden worden niet tussen haakjes geplaatst.
Aanwijzing 3.14. Uitdrukking tot en met’
Het einde van een periode of reeks wordt aangeduid met de uitdrukking ‘tot en met’.
Aanwijzing 3.15. Uitdrukkingen ‘onderscheidenlijk’ en ‘c.q.’
De uitdrukking ‘onderscheidenlijk’ wordt gebruikt overeenkomstig het volgende voorbeeld:
Indien het betreft de verkiezing van de leden van provinciale staten of de gemeenteraad, geschiedt de kennisgeving op de in de provincie, onderscheidenlijk de gemeente, gebruikelijke wijze.
Het gebruik van de uitdrukking ‘c.q.’ blijft achterwege.
Aanwijzing 3.16. Aanduiding ‘voorstel van wet’
Een ontwerp voor een formele wet wordt vanaf de voordracht aan de Koning in officiële stukken aangeduid als ‘voorstel van wet’. Bij rijkswetgeving wordt gesproken van ‘voorstel van rijkswet’.
Aanwijzing 3.17. Aanduiding ‘amvb’ of ‘kb’
Voor het aanduiden van door de regering vast te stellen of vastgestelde besluiten wordt de term ‘algemene maatregel van [rijks]bestuur’ of ‘koninklijk besluit’ gebruikt.
Aanwijzing 3.18. Aanduiding ‘ministeriële regeling’
Een door een minister of staatssecretaris vastgesteld algemeen verbindend voorschrift of ander besluit van regelende aard wordt aangeduid als ‘ministeriële regeling’.
Aanwijzing 3.19. Aanduiding ‘ministerie’
Het geheel van dienstonderdelen onder leiding van een minister wordt aangeduid als ‘ministerie’.
Als bijvoeglijke aanduiding voor ministerie wordt de term ‘departementaal’ gebruikt.
Aanwijzing 3.20. Aanduidingen ‘Nederland’ en ‘Koninkrijk’
Bij de aanduiding van het Europese deel van het grondgebied van Nederland worden de woorden ‘het Europese deel van Nederland’ gebruikt. In een regeling die uitsluitend in het Europese deel van Nederland geldt, kan ter aanduiding van het Europese deel van het grondgebied van Nederland tevens het woord ‘Nederland’ worden gebruikt.
In een regeling van het Koninkrijk of een regeling die (mede) in Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt, wordt het woord ‘Nederland’ uitsluitend gebruikt ter aanduiding van het grondgebied van het Europese deel van Nederland, Bonaire, Sint Eustatius en Saba gezamenlijk.
Bij de aanduiding van het grondgebied van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten gezamenlijk wordt het woord ‘Koninkrijk’ gebruikt.
Het woord ‘land’ wordt gebruikt ter aanduiding van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten als component van het Koninkrijk.
Het woord ‘Rijk’ als aanduiding van Nederland of van het Koninkrijk wordt vermeden, indien over de betekenis daarvan onduidelijkheid kan bestaan.
Aanwijzing 3.21. Aanduiding bedragen
Voor de aanduiding van bedragen in euro's wordt het euroteken ‘€’ gebruikt.
Voor de aanduiding van bedragen in de munteenheden van de Caribische delen van het Koninkrijk worden de volgende NEN/ISO-aanduidingen gebruikt:
- a. Aruba (de Arubaanse florin): AWG;
- b. Curaçao en Sint Maarten (de Nederlands-Antilliaanse gulden): ANG;
- c. Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de Amerikaanse dollar): USD.
Aanwijzing 3.22. Aanduiding meeteenheden
Voor meeteenheden worden de wettelijk vastgestelde aanduidingen gebruikt.
§ 3.2. Aanduiding van ministers en staatssecretarissen
Aanwijzing 3.23. Aanduiding ‘Onze Minister’
In een wet, een algemene maatregel van bestuur of een koninklijk besluit wordt een minister aangeduid met ‘Onze Minister van [aanduiding ministerie] / Onze Minister voor [aanduiding minister zonder portefeuille]’ of, indien die aanduiding in de begripsbepalingen is gedefinieerd, met ‘Onze Minister’.
Aanwijzing 3.24. Aanduiding medebetrokken ministers
In geval van formele betrokkenheid van meer dan één minister bij de uitvoering van een wet of algemene maatregel van bestuur, worden zij, indien mogelijk, met de naam van hun ministerie genoemd.
Indien vermelding bij naam niet doelmatig is, kan de formulering ‘Onze Minister[s] die het mede aangaat’ worden gebruikt.
Aanwijzing 3.25. Aanduiding minister voor koninkrijksaangelegenheid
In een rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur wordt een minister, belast met de zorg voor een koninkrijksaangelegenheid, aangeduid als ‘Onze Minister van/voor [...] in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk’, tenzij daaromtrent geen verwarring kan bestaan.
Aanwijzing 3.26. Aanduiding staatssecretarissen
In het opschrift, de aanhef en de ondertekening van een regeling wordt een staatssecretaris aangeduid als ‘de Staatssecretaris van [aanduiding ministerie]’.
In een regeling worden taken en bevoegdheden altijd aan een minister opgedragen, ook indien een staatssecretaris op het desbetreffende terrein als verantwoordelijk bewindspersoon fungeert.
§ 3.3. Aanhaling en verwijzing
Aanwijzing 3.27. Verwijzingen
Verwijzing naar andere bepalingen wordt vermeden indien de toegankelijkheid van de regeling daardoor onnodig wordt geschaad.
Verwijzing naar bepalingen die zelf een verwijzing inhouden en verwijzing naar latere bepalingen van de regeling worden bij voorkeur vermeden.
In een regeling wordt niet verwezen naar een met name genoemde lagere regeling.
Verwijzing binnen een artikel wordt zoveel mogelijk vermeden.
Aanwijzing 3.28. Verbijzondering verwijzing
De verwijzing naar een regeling wordt zo mogelijk verbijzonderd tot een verwijzing naar artikelen.
Indien dit de duidelijkheid van de verwijzing vergroot, wordt de verwijzing naar een artikel verbijzonderd tot een verwijzing naar een onderdeel van het artikel.
Aanwijzing 3.29. Terminologie verwijzing
Verwijzing naar een lid van een artikel geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld: Artikel 5, tweede lid, is van toepassing.
Naar het voorafgaande artikel of lid van een artikel wordt verwezen door vermelding van het nummer van dat artikel of lid.
Verwijzing naar een onderdeel van een opsomming geschiedt met behulp van de aanduidingen ‘onder’ of ‘onderdeel’. Verwijzing naar een verdere onderverdeling geschiedt met een combinatie van deze aanduidingen of met behulp van de aanduiding ‘subonderdeel’.
Indien de aard van een verwijzing dit noodzakelijk maakt, wordt bij verwijzing naar een onderdeel van een opsomming mede verwezen naar de aanhef van de opsomming.
Aanwijzing 3.30. Aanduidingen ‘zin’ en ‘zinsnede’
Een volledige zin wordt aangeduid als ‘zin’, een deel van een zin als ‘zinsnede’.
Indien een zinsnede wordt aangehaald door vermelding van de volledige tekst of van het begin en einde daarvan, kan de aanduiding ‘zinsnede’ worden weggelaten.
Aanwijzing 3.31. Terminologie ‘genoemd’, ‘bedoeld’ en ‘als bedoeld’
Met de uitdrukking ‘genoemd’ wordt verwezen naar personen, zaken of onderwerpen die met name worden aangeduid.
Met de aanduiding ‘bedoeld’ wordt verwezen naar personen, zaken of onderwerpen die in algemene of omschrijvende zin worden aangeduid.
De aanduiding ‘als bedoeld’ wordt gebruikt indien het voorafgaande begrip een onbepaald lidwoord of geen lidwoord heeft.
Aanwijzing 3.32. Terminologie ‘van (overeenkomstige) toepassing’
De uitdrukking ‘is van toepassing’ wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, letterlijk kan worden toegepast.
De uitdrukking ‘is van overeenkomstige toepassing’ wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, niet geheel letterlijk kan worden toegepast, maar misverstand over de toe te passen tekst uitgesloten is.
De uitdrukking ‘is van [overeenkomstige] toepassing, met dien verstande dat ...’ wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, gedeeltelijk of met wijziging van bepaalde onderdelen moet worden toegepast.
Aanwijzing 3.33. Aanduiding ‘deze wet’
De aanduiding ‘deze wet’ wordt uitsluitend gehanteerd bij verwijzing naar een ander onderdeel van de wet zelf waarin de verwijzing is opgenomen.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling.
Aanwijzing 3.34. Verwijzing naar het BW
Verwijzing naar een artikel uit het Burgerlijk Wetboek geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld: artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Aanwijzing 3.35. Terminologie ‘onverminderd’ en ‘in afwijking van’
De uitdrukkingen ‘onverminderd artikel ...’ en ‘in afwijking van artikel ...’ worden alleen gebruikt, indien dit noodzakelijk is om de onderlinge verhouding tussen de ene en de andere bepaling duidelijk te maken.
Aanwijzing 3.36. Niet vermelden vindplaats regeling met citeertitel
Bij aanhaling van een regeling met de citeertitel wordt het Staatsblad of de Staatscourant waarin zij is geplaatst, niet vermeld.
Aanwijzing 3.37. Aanhalen regelingen zonder citeertitel
Een regeling zonder citeertitel wordt aangehaald door vermelding van het opschrift van die regeling, gevolgd door (Stb. [jaartal, volgnummer]) respectievelijk (Stcrt. [jaartal, volgnummer]).
Aanwijzing 3.38. Aanhalen verdragen
Een verdrag wordt aangehaald overeenkomstig het volgende voorbeeld:
het op 20 juni 1956 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud ( Trb. 1957, 121 ).
Bij verdragen met een citeertitel of daarmee vergelijkbare aanduiding kunnen datum en plaats van totstandkoming en het nummer van het Tractatenblad worden weggelaten.
Aanwijzing 3.39. Verkorte aanhaling verdragen
Verkorte verwijzing in de toelichting bij een regeling naar artikelen van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten geschiedt respectievelijk overeenkomstig de volgende voorbeelden:
- −. artikel 6 VEU;
- −. artikel 18 VWEU;
- −. artikel 150 VEGA;
- −. artikel 6 EVRM;
- −. artikel 17 IVBPR.
Aanwijzing 3.40. Aanhalen Europese instellingen e.d.
In regelingen worden de instellingen, verdragen, regelgeving en de lidstaten van de Europese Unie, dan wel de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsmede hun grondgebied als volgt aangeduid:
- −. het Europees Parlement;
- −. de Europese Raad;
- −. de Raad van de Europese Unie;
- −. de Europese Commissie;
- −. het Hof van Justitie van de Europese Unie;
- −. de Europese Centrale Bank;
- −. de Europese Rekenkamer;
- −. het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
- −. het Verdrag betreffende de Europese Unie;
- −. het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;
- −. EU-verordeningen, EU-richtlijnen, EU-besluiten;
- −. bindende EU-rechtshandelingen, EU-rechtshandelingen, EU-regelgeving;
- −. Euratom-verordeningen, Euratom-richtlijnen, Euratom-besluiten;
- −. lidstaten van de Europese Unie;
- −. gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.
Aanwijzing 3.41. Aanhalen EER en Zwitserland
Indien bindende EU-rechtshandelingen tevens gelden voor de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, worden de betrokken staten, respectievelijk hun grondgebied, aangeduid als:
- −. de lidstaten van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- −. de gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is;
- −. Zwitserland.
Aanwijzing 3.42. Aanhalen bindende EU-rechtshandelingen
Bij het aanhalen van bindende EU-rechtshandelingen wordt de titel gebruikt die daaraan in het Publicatieblad van de Europese Unie is gegeven.
Indien vermelding van de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie wenselijk wordt geacht, geschiedt dat op de wijze zoals in aanwijzing 3.46 beschreven.
Aanwijzing 3.43. Verwijzing naar parlementaire stukken
Verwijzing naar parlementaire stukken geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:
- −. Kamerstukken II 2009/10, 27858, nr. 88, p. 3;
- −. Kamerstukken I 2008/09, 31700 VI, D, p. 4;
- −. Handelingen II 2007/08, nr. 108, p. 7909–7943 (tot en met 31 december 2010);
- −. Handelingen II 2010/11, nr. 108, item 5, p. 25–36 (vanaf 1 januari 2011);
- −. Aanhangsel Handelingen I 2014/15, nr. 12.
Verwijzing naar een wetsvoorstel geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:
- −. het bij koninklijke boodschap van 8 mei 2009 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Meststoffenwet (differentiatie fosfaatgebruiksnorm) (Kamerstukken 31945);
- −. het bij geleidende brief van 13 september 2016 aanhangig gemaakte voorstel van wet van de leden Siderius en Van Meenen tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs ter bevordering van kleinere klassen in het basisonderwijs (Kamerstukken 34538).
Aanwijzing 3.44. Verwijzing naar jurisprudentie
Verwijzingen naar gepubliceerde jurisprudentie geschiedt door het gebruik van de European Case Law Identifier (ECLI) overeenkomstig het volgende voorbeeld:
HR 7 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7440.
Aanwijzing 3.45. Vermelding vindplaatsen Staatsblad e.d.
Vermelding van vindplaatsen in het Staatsblad, de Staatscourant en het Tractatenblad geschiedt door toevoeging tussen haakjes van aanduidingen overeenkomstig de volgende voorbeelden:
- –. Stb. 2011, 35;
- –. Stcrt. 2015, 10247;
- –. Trb. 2008, 175.
Indien de regeling waarnaar wordt verwezen nog niet in het Staatsblad, de Staatscourant of het Tractatenblad is bekendgemaakt, wordt de vindplaats in ontwerpen van die regeling aangeduid door aanduiding van het jaartal en nummer van het publicatieblad met puntjes, overeenkomstig het volgende voorbeeld: Stb. ..., ....
Het invullen van het jaartal en nummer van het desbetreffende publicatieblad geschiedt door het betrokken ministerie, uiterlijk bij de bekendmaking van de regeling.
Aanwijzing 3.46. Vermelding vindplaats PbEU
Voor het Publicatieblad van de Europese Unie wordt de afkorting ‘PbEU’ gebruikt. Bij aanduiding van een nummer van het Publicatieblad gaat aan het nummer vooraf de aanduiding ‘L’ (Legislatio) of ‘C’ (Communicatio).
Aanwijzing 3.47. Dynamische en statische verwijzing
Indien een regeling verwijst naar normen die zijn vervat in een andere Nederlandse publiekrechtelijke regeling of een bindende EU-rechtshandeling, omvat die verwijzing mede nadien in werking getreden wijzigingen van die regeling of EU-rechtshandeling, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld.
Indien een regeling verwijst naar normen die niet publiekrechtelijk van aard zijn, geschiedt de verwijzing in beginsel naar die normen zoals zij op een gegeven tijdstip luidden. Omvat de verwijzing mede latere wijzigingen, dan wordt tevens voorzien in mededeling van deze wijzigingen in de Staatscourant.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)