Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992

Type Ministeriële regeling
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 261
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Indien voor de uitvoering van een regeling gegevens van burgers, bedrijven of instellingen nodig zijn, wordt voor de omschrijving van de daaraan ten grondslag liggende begrippen zoveel mogelijk verwezen naar of aangesloten bij de definities uit de wetten inzake de basisregistraties.

Aanwijzing 5.32. Informatieparagraaf in toelichting

Indien voor de uitvoering van een regeling de beschikbaarheid of uitwisseling van informatie tussen overheidsorganisaties van betekenis is, wordt in een aparte informatieparagraaf in de toelichting aandacht besteed aan de wijze waarop de informatievoorziening organisatorisch en technisch is ingericht.

Aanwijzing 5.33. Verwerking van persoonsgegevens

Bij het opnemen in een regeling van bepalingen over de verwerking van persoonsgegevens bevat de regeling een welbepaalde en uitdrukkelijke omschrijving van de doeleinden van de gegevensverwerking en bevat de toelichting een expliciete afweging van de belangen van verwerkingsverantwoordelijken en betrokkenen in relatie tot die doeleinden.

Aanwijzing 5.34. Structurele basis verstrekking persoonsgegevens

Indien het noodzakelijk is dat op structurele basis wordt voorzien in de onderlinge verstrekking van persoonsgegevens tussen bestuursorganen of toezichthouders, terwijl geldende geheimhoudingsbepalingen daaraan in de weg staan, wordt op het niveau van de formele wet voorzien in een uitdrukkelijke regeling van de gegevensverstrekking, met inbegrip van de vaststelling van het doel van de gegevensverstrekking.

Aanwijzing 5.35. Terminologie ‘toezicht’ en ‘opsporing’
1.

De werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om na te gaan of voorschriften worden nageleefd, worden aangeduid als ‘toezicht op de naleving’ van die voorschriften.

2.

De werkzaamheden ter vaststelling in concrete gevallen of een strafbaar feit is gepleegd op basis van een redelijk vermoeden dat dit het geval is, worden aangeduid als ‘opsporing’ van die feiten.

Aanwijzing 5.36. Aanwijzing toezichthouders

Voor de regeling van de aanwijzing van toezichthouders worden de volgende modellen gebruikt:

  • a. bij aanwijzing van toezichthouders bij de wet: Met het toezicht op de naleving van [aanduiding desbetreffende voorschriften] zijn belast [aanduiding ambtenaren of andere personen].
  • b. bij aanwijzing van toezichthouders krachtens de wet:
    1. Met het toezicht op de naleving van [aanduiding desbetreffende voorschriften] zijn belast de bij besluit van [aanduiding bestuursorgaan] aangewezen [ambtenaren / personen].
    1. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Aanwijzing 5.37. Uitsluiten toezichtsbevoegdheden

Voor het uitsluiten van toezichtsbevoegdheden wordt het volgende model gebruikt:

De toezichthouder beschikt niet over de [bevoegdheid / bevoegdheden], genoemd in [artikel / de artikelen ...] van de Algemene wet bestuursrecht.

Aanwijzing 5.38. Buitengewoon opsporingsambtenaren
1.

Indien het in bijzondere gevallen wenselijk wordt geacht ook anderen dan de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen algemene opsporingsambtenaren te belasten met de opsporing van bepaalde strafbare feiten die geen economisch delict zijn, wordt daarvoor het volgende model gebruikt:

    1. Met de opsporing van de bij [artikel / de artikelen ...] strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering / artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES], belast [aanduiding ambtenaren]. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in [de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht / de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht BES], voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
    1. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
2.

Aan buitengewoon opsporingsambtenaren worden in beginsel naast de hun op grond van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten toekomende bevoegdheden geen bijzondere opsporingsbevoegdheden toegekend.

Aanwijzing 5.39. Assistentie van politie
1.

Het regelen van de mogelijkheid om bij de uitoefening van een bevoegdheid de assistentie van de politie in te roepen, geschiedt overeenkomstig het volgende model:

De [omschrijving bevoegde personen] oefenen hun [omschrijving bevoegdheid] zo nodig uit met behulp van de sterke arm.

2.

Indien het de bedoeling is taken of bevoegdheden slechts op te dragen aan ambtenaren van politie die executieve werkzaamheden verrichten, worden die ambtenaren aangeduid als: ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

3.

Indien het de bedoeling is ook andere ambtenaren van politie taken of bevoegdheden op te dragen, worden die ambtenaren aangeduid als: ambtenaren van politie.

Aanwijzing 5.40. Bestuurlijke sancties

Als bestuurlijke sancties worden met name de volgende mogelijkheden overwogen: intrekken of schorsen van een beschikking, opleggen van een last onder bestuursdwang, opleggen van een last onder dwangsom of opleggen van een bestuurlijke boete.

Aanwijzing 5.41. Intrekking of schorsing beschikking
1.

Indien intrekking of schorsing van een beschikking bij wijze van sanctie mogelijk moet zijn, wordt de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk geregeld.

2.

De gronden die kunnen of moeten leiden tot het intrekken of schorsen van een beschikking bij wijze van sanctie, worden in de regeling gespecificeerd.

Aanwijzing 5.42. Bestuursdwang en dwangsom

Voor het verlenen van de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom wordt het volgende model gebruikt:

[aanduiding bestuursorgaan] is bevoegd tot oplegging van een [last onder bestuursdwang / last onder dwangsom] ter handhaving van [aanduiding desbetreffende verplichtingen].

Aanwijzing 5.43. Maximale bestuurlijke boetehoogte
1.

Bij het vaststellen van een maximale bestuurlijke boetehoogte wordt verwezen naar een van de boetecategorieën in het Wetboek van Strafrecht, tenzij het noodzakelijk is aan te sluiten bij afwijkende bedragen in een bestaand stelsel.

2.

Voor de bepaling waarin een maximale bestuurlijke boetehoogte wordt vastgesteld, wordt het volgende model gebruikt:

De op grond van [artikel ... / de artikelen ...] op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de [...] categorie, bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht / artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES].

3.

Indien het vanwege de afschrikkende werking of grote financiële belangen noodzakelijk is om aan ondernemingen een zeer hoge bestuurlijke boete te kunnen opleggen die aansluit bij de hoogste boetecategorie in het Wetboek van Strafrecht of die, indien dat meer is, gerelateerd is aan de omzet van de desbetreffende onderneming, wordt het volgende model gebruikt:

De op grond van [artikel ... / de artikelen ...] op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht / artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES] of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.

Aanwijzing 5.44. Omschrijving met sancties bedreigde feiten

Door sancties te handhaven bepalingen worden zo nauwkeurig mogelijk geformuleerd.

Aanwijzing 5.45. Strafsancties
1.

Indien de omschrijving van een strafbaar feit aan een lagere regeling wordt overgelaten, wordt in de wet geregeld welke straf kan worden opgelegd.

2.

De geldboete die ten hoogste kan worden opgelegd, wordt aangegeven door het noemen van een van de geldboetecategorieën, vermeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, onderscheidenlijk artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.

3.

Voor de strafbaarstelling van een feit dat niet alleen met een geldboete maar ook met een vrijheidsstraf wordt bedreigd, wordt het volgende model gebruikt:

Overtreding van artikel ... wordt gestraft met [gevangenisstraf / hechtenis] van ten hoogste [aantal maanden of jaren] of een geldboete van de ... categorie.

Aanwijzing 5.46. Misdrijven en overtredingen

Ten aanzien van elk strafbaar feit dat door een wet in het leven wordt geroepen of dat krachtens een wet bij lagere regeling in het leven kan worden geroepen, wordt in de wet aangegeven of het een misdrijf of een overtreding is. Daarvoor worden de volgende modellen gebruikt:

  • A. De in artikel ... strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
  • B. De [in / krachtens] artikel ... strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Aanwijzing 5.47. Economische delicten
1.

Strafbaarstelling als economisch delict geschiedt door de betrokken regeling in artikel 1 of 1a van de Wet op de economische delicten op te nemen.

2.

Bij aanwijzing van economische delicten worden de artikelen van de betrokken regeling waarvan overtreding een economisch delict oplevert, opgesomd. Zo nodig worden ook de afzonderlijke leden genoemd.

3.

De aanwijzing van economische delicten wordt overeenkomstig het volgende voorbeeld geformuleerd:

In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, de artikelen 2 en 5, tweede en vierde lid;.

4.

Indien de Wet op de economische delicten wordt gewijzigd in verband met de wijziging van een regeling die reeds economische delicten bevat, wordt de wijziging overeenkomstig de volgende voorbeelden geformuleerd:

  • A. In artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten wordt in de zinsnede met betrekking tot de Meststoffenwet ‘de artikelen 7, 14, eerste lid, 19, 20, eerste lid, 21, 22, derde lid, en 26, zesde lid;’ vervangen door ‘(...)’.
  • B. In artikel 1a, onder 3°, van de Wet op de economische delicten vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet bodembescherming. De desbetreffende zinsnede wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten.

§ 5.11. Bestuursrechtelijke rechtsbescherming

Aanwijzing 5.48. Rechtsbescherming
1.

In een bijzondere wet worden in beginsel geen bepalingen over bestuursrechtelijke rechtsbescherming opgenomen.

2.

Naast de bestaande gerechten worden geen nieuwe organen met bestuursrechtspraak belast.

Aanwijzing 5.49. Afwijkende rechtsbescherming in bijlagen Awb

Indien er aanleiding is voor een van de volgende afwijkingen van een in de Algemene wet bestuursrecht opgenomen hoofdregel van bestuursprocesrecht, wordt die afwijking in de bijlagen bij die wet geregeld:

  • a. rechtstreeks beroep;
  • b. geen beroep;
  • c. beroep in één instantie;
  • d. beroep bij een andere rechtbank dan volgens de regels over relatieve competentie;
  • e. hoger beroep bij een andere bestuursrechter dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
  • f. verlaagd griffierecht.
Aanwijzing 5.50. Rechterlijke competentie

Bij het toedelen van rechtsmacht aan een bestuursrechter wordt aangesloten bij de bestaande competentieverdeling.

Aanwijzing 5.51. Eenheid van rechtsgang

Voor één wet wordt zoveel mogelijk één rechtsgang gekozen.

Aanwijzing 5.52. Modelbepalingen wijziging Awb-bijlagen

Voor het wijzigen van een bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht worden de volgende voorbeelden als uitgangspunt gebruikt:

  • A. In bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: Wet tijdelijk huisverbod
  • B. In artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht komt de zinsnede met betrekking tot de Telecommunicatiewet te luiden: Telecommunicatiewet: de artikelen 3.5, 3.22 en 18.9, eerste en tweede lid
  • C. In artikel 4 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: Zeewet, met uitzondering van:
  • a. artikel 5, voor zover het betreft een aanwijzing
  • b. artikel 6, voor zover het betreft:
  • 1°. een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing
  • 2°. een besluit tot verlening van de vergunning voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden
  • D. In de artikelen 4 en 11 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt de zinsnede met betrekking tot de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
  • E. In de artikelen 7 en 11 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt ‘Tabakswet’ en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: Tabaks- en rookwarenwet
  • F. In artikel 9 van bijlage 2 en artikel 2 van bijlage 3 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet werk en bijstand en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: Participatiewet: de artikelen ...
Aanwijzing 5.53. Concentratie van rechtsbescherming

Indien de besluitvorming uiteenvalt in een reeks achtereenvolgende besluiten, wordt overwogen om slechts tegen één besluit bestuursrechtelijke rechtsbescherming open te stellen.

Aanwijzing 5.54. Administratief beroep
1.

Administratief beroep wordt slechts opengesteld, indien:

  • a. sprake is van een niet in overwegende mate gebonden besluit, en
  • b. het belang van de eenheid van beleid of van sturing door een hoger bestuursorgaan op een beleidsterrein waarvoor dit orgaan medeverantwoordelijkheid draagt, niet afdoende door andere bestuursinstrumenten kan worden verzekerd.
2.

Tegen besluiten van bestuursorganen wordt, tenzij daarvoor een bijzondere reden bestaat, geen administratief beroep opengesteld bij een ander orgaan van hetzelfde openbare lichaam.

Aanwijzing 5.55. Opschortende werking

Indien het wenselijk is dat de werking van een besluit wordt opgeschort zolang het besluit nog door de bestuursrechter kan worden vernietigd, wordt het volgende model gebruikt:

De werking van het besluit wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

§ 5.12. Doorberekening van toelatings- en handhavingskosten

Aanwijzing 5.56. Toelaatbaarheid doorberekening kosten

Bij het opnemen van bepalingen over de doorberekening van kosten voor toelating, voor toezicht op de naleving of voor repressieve handhaving van wet- en regelgeving wordt het toetsingskader voor doorberekening van toelatings- en handhavingskosten ‘Maat houden 2014’ (Kamerstukken II 2013/14, 24036, nr. 407) in acht genomen.

Aanwijzing 5.57. Modelbepalingen doorberekening kosten
1.

Indien het wenselijk is kosten voor het in behandeling nemen van een aanvraag door te berekenen, wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

    1. [Naam bestuursorgaan] brengt de kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van [de vergunning / de ontheffing / het diploma / de concessie etc.] en van de overige documenten die bij of krachtens deze wet worden afgegeven [, alsmede van duplicaten en gewaarmerkte afschriften van deze documenten], ten laste van de aanvrager van het document.
    1. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
2.

Indien het wenselijk is kosten voor het verrichten van werkzaamheden en diensten door te berekenen, wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

    1. [Naam bestuursorgaan] brengt de kosten die samenhangen met het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel ... ten laste van degene ten behoeve van wie deze werkzaamheden worden verricht.
    1. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
3.

Indien het wenselijk is bedragen in de wet op te nemen en vervolgens via indexering aan te passen, wordt in plaats van een tweede lid dat voorziet in vaststelling van de bedragen bij ministeriële regeling het volgende model als uitgangspunt genomen:

    1. De bedragen ter vergoeding van de kosten zijn als volgt: ...
    1. De bedragen kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de [naam index, bijvoorbeeld de consumentenprijsindex] daartoe aanleiding geeft.
Aanwijzing 5.58. Evaluatiebepaling

Indien het wenselijk is te bepalen dat een wet wordt geëvalueerd, of dat over de uitvoering daarvan verslag wordt gedaan, wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

Onze Minister van/voor ... zendt [in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...] binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk [of nadere omlijning van aspecten of onderdelen van de wet].

§ 5.14. Overgangsrecht

Aanwijzing 5.59. Noodzaak overgangsrecht

Bij een nieuwe regeling of wijziging van een regeling wordt overwogen of overgangsbepalingen noodzakelijk zijn.

Aanwijzing 5.60. Plaats overgangsrecht

Indien bij een wijziging van een regeling overgangsbepalingen noodzakelijk zijn, worden deze in de te wijzigen regeling opgenomen, tenzij dit gelet op de doelgroep, de geldigheidsduur of de toegankelijkheid, onwenselijk is.

Aanwijzing 5.61. Onmiddellijke werking
1.

Een nieuwe regeling is niet slechts van toepassing op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen (onmiddellijke werking).

2.

Indien beoogd wordt af te wijken van het eerste lid, wordt dit uitdrukkelijk bepaald.

Aanwijzing 5.62. Terugwerkende kracht
1.

Aan een regeling wordt slechts terugwerkende kracht verleend, indien daarvoor een bijzondere reden bestaat.

2.

Door het verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling worden de in die regeling voorziene rechtsgevolgen gerekend te zijn ingetreden vanaf een nader aangeduid tijdstip voorafgaande aan de inwerkingtreding van die regeling.

3.

Aan belastende regelingen wordt, behoudens in uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht toegekend.

4.

Bij een regeling mag een feit dat vóór haar inwerkingtreding is geschied, niet strafbaar of zwaarder strafbaar worden gesteld.

Aanwijzing 5.63. Modelbepaling terugwerkende kracht
1.

Het verlenen van terugwerkende kracht geschiedt niet door de regeling in werking te laten treden op een tijdstip dat in het verleden ligt.

2.

Voor het verlenen van terugwerkende kracht wordt een van de volgende modellen gebruikt:

  • A. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van ...; zie aanwijzing 4.21] en werkt [ten aanzien van artikel... / de artikelen...] terug tot en met...
  • B. Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat [artikel ... / de artikelen ... van] deze wet / dit besluit [terugwerkt / terugwerken] tot en met [... / een in dat besluit te bepalen tijdstip] [, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld].
3.

Indien dit voor de duidelijkheid van de beoogde rechtsgevolgen van terugwerkende kracht nodig is, worden meer gespecificeerde bepalingen opgenomen.

4.

In de toelichting wordt vermeld om welke reden en tot en met welk tijdstip het verlenen van terugwerkende kracht noodzakelijk is of kan zijn.

Aanwijzing 5.64. Eerbiedigende en uitgestelde werking
1.

Een nieuwe regeling kan een daarvoor geldende regeling blijvend (eerbiedigende werking) of voor een bepaalde periode (uitgestelde werking) van toepassing laten op nader aangeduide feiten of verhoudingen, dan wel blijvend of voor een bepaalde periode gelding toekennen aan door een daarvoor geldende regeling in het leven geroepen rechten of verplichtingen.

2.

Bij het verlenen van eerbiedigende of uitgestelde werking of het toekennen van gelding aan door een eerdere regeling in het leven geroepen rechten of verplichtingen blijkt uit de regeling duidelijk welke rechtsgevolgen beoogd worden.

Aanwijzing 5.65. Overgangsrecht bij nieuwe geschillenregels

In geval van nieuwe regels voor procedures en bevoegdheden van organen ter zake van geschillen wordt met betrekking tot de zaken die voor de inwerkingtreding van deze regels aanhangig zijn gemaakt, uitdrukkelijk geregeld of het oude dan wel het nieuwe recht van toepassing is.

Aanwijzing 5.66. Overgangsrecht archiefbescheiden

Bij de beëindiging van een taak van een overheidsorgaan of de overgang van een taak op een ander overheidsorgaan wordt in het overgangsrecht een voorziening opgenomen voor de op die taak betrekking hebbende archiefbescheiden. Daarbij worden de volgende modellen als uitgangspunt genomen:

  • A. Archiefbescheiden van [overheidsorgaan A] betreffende zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan [overheidsorgaan B], voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
  • B. Archiefbescheiden van [voorheen bevoegde overheidsorgaan] met betrekking tot taken of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn beëindigd, worden overgedragen aan Onze Minister [van/voor ...]. Indien zij ingevolge de Archiefwet 1995 voor blijvende bewaring in aanmerking komen worden zij, zo nodig door tussenkomst van Onze Minister [van/voor ...], overeenkomstig de Archiefwet 1995 overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
  • C. Onze Minister [van/voor ...] is met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zorgdrager voor de archiefbescheiden die door [voorheen bevoegde overheidsorgaan] ter beschikking zijn gesteld aan privaatrechtelijke rechtspersonen.
Aanwijzing 5.67. Samenloop

Bij een wetsvoorstel wordt bezien of het noodzakelijk is de samenloop met een ander wetsvoorstel te regelen.

Aanwijzing 5.68. Model samenloopbepaling
1.

Indien de formulering van een wetsvoorstel tot wijziging van een wet afhankelijk is van een wijziging die een ander wetsvoorstel beoogt teweeg te brengen in diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:

Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel... van] die wet eerder in werking is getreden of treedt dan [artikel... van] deze wet, wordt [artikel... van] deze wet als volgt gewijzigd:....

2.

Indien een wetsvoorstel tot wijziging van een wet gevolgen heeft voor de formulering van een ander wetsvoorstel tot wijziging van diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:

Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet later in werking treedt dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ....

3.

Indien er tussen twee wetsvoorstellen tot wijziging van dezelfde wet een wederzijdse tekstuele afhankelijkheid bestaat, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:

Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet:

  • a. eerder in werking treedt of is getreden dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] deze wet als volgt gewijzigd: ...;
  • b. later in werking treedt dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ... .
4.

Indien een wetsvoorstel gevolgen heeft voor de formulering van een wetsvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:

Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ....

5.

Indien de formulering van een wetsvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen, afhankelijk is van een ander wetsvoorstel, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:

Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet in werking treedt, wordt [artikel ... van] deze wet als volgt gewijzigd: ....

Aanwijzing 5.69. Nog onbekende nummering bij samenloop
1.

Indien door samenloop van twee of meer voorstellen van wet nog geen duidelijkheid bestaat over de uiteindelijke aanduiding van een artikel, een lid of een onderdeel, kan voor die aanduiding in het desbetreffende wetsvoorstel gebruik worden gemaakt van het symbool ‘#’, waarbij tussen blokhaken wordt vermeld op welke wijze de aanduiding in de bestaande nummering of lettering wordt opgenomen.

2.

In de drukproeffase wordt het symbool ‘#’ vervangen door de uiteindelijke aanduiding. De tussen blokhaken geplaatste tekst wordt daarbij geschrapt.

Aanwijzing 5.70. Volgorde van inwerkingtreding
1.

Indien daaromtrent niets is geregeld en de bedoeling van de wetgever niet uit de regeling of de toelichting kan worden afgeleid, is voor de volgorde van inwerkingtreding van twee of meer regelingen die op hetzelfde tijdstip in werking treden, bepalend:

  • a. de datum van vaststelling van de regeling;
  • b. indien de datum van vaststelling van beide regelingen dezelfde is: de datum van uitgifte van het Staatsblad of de Staatscourant;
  • c. indien de datum van vaststelling en de datum van uitgifte van beide regelingen dezelfde zijn: het volgnummer van het Staatsblad of de Staatscourant.
2.

Voor het regelen van de volgorde van inwerkingtreding van twee of meer wetten of algemene maatregelen van bestuur door middel van een inwerkingtredingsbesluit wordt een van de volgende modellen gebruikt:

  • A. Met ingang van [datum] treden de volgende [wetten/besluiten] in werking, in de hieronder aangegeven volgorde:
  • a. (...);
  • b. (...).
  • B. Met ingang van [datum] treedt [wet/besluit] in werking, met dien verstande dat die wet/dat besluit in werking treedt voordat/nadat [wet/besluit] in werking treedt.
Aanwijzing 5.71. Werkingsduur tijdelijke regeling
1.

Voor het regelen van de werkingsduur van een tijdelijke regeling wordt een van de volgende modellen gebruikt:

  • A. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van...: zie aanwijzing 4.21] en vervalt [met ingang van ... / ... jaar na het tijdstip van inwerkingtreding].
  • B. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van...: zie aanwijzing 4.21] en vervalt op een bij [koninklijk besluit / door Onze Minister van/voor ... / door de Minister van/voor ...] te bepalen tijdstip.
2.

De verlenging van een tijdelijke regeling geschiedt door een wijziging van de vervaldatum die in de regeling (in geval van toepassing van model A) of het koninklijk of ministerieel besluit (in geval van toepassing van model B) is opgenomen, en die uiterlijk met ingang van de oorspronkelijke datum in werking kan treden.

Aanwijzing 5.72. Opschrift en citeertitel tijdelijke regeling

De tijdelijkheid van een regeling wordt in het opschrift en de citeertitel tot uitdrukking gebracht.

Aanwijzing 5.73. Tijdelijke afwijking van bestaande regeling
1.

Indien het gewenst is tijdelijk van een bestaande regeling af te wijken, geschiedt dit in de vorm van:

  • a. een zelfstandige afwijkende regeling met tijdelijke werking; of
  • b. een wijzigingsregeling die opeenvolgende wijzigingen aanbrengt in de tijdelijk te wijzigen regeling.
2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien mogelijk, de opvolgende wijziging opgenomen in de tijdelijk te wijzigen regeling zelf, en wordt daarin ook tot uitdrukking gebracht op welk tijdstip de opvolgende wijziging effect zal krijgen.

Hoofdstuk 6. Wijziging en intrekking van regelingen

§ 6.1. Algemene uitgangspunten

Aanwijzing 6.1. Regeling van gelijke orde
1.

Wijziging of intrekking van een regeling geschiedt door een regeling van gelijke orde.

2.

Intrekking door een regeling van hogere orde komt alleen in aanmerking in de situatie, bedoeld in aanwijzing 6.24, tweede lid.

Aanwijzing 6.2. Wijziging of nieuwe regeling
1.

Indien het voornemen bestaat in een regeling een omvangrijke wijziging aan te brengen, wordt overwogen de regeling in te trekken en een nieuwe regeling vast te stellen.

2.

Bij vervanging van een regeling door een nieuwe regeling wordt de oude regeling uitdrukkelijk ingetrokken.

Aanwijzing 6.3. Aanpassings- en invoeringsregelingen

Indien de vaststelling van een nieuwe regeling een groot aantal wijzigingen in andere regelingen nodig maakt, wordt overwogen deze wijzigingen in een afzonderlijke regeling onder te brengen.

Aanwijzing 6.4. Toelaatbaarheid verzamelwetten

Tot een wijzigingswet waarin meerdere inhoudelijke onderwerpen worden geregeld wordt in principe slechts overgegaan indien:

  • a. de verschillende onderdelen samenhang hebben;
  • b. de verschillende onderdelen niet van een omvang en complexiteit zijn die een afzonderlijk wetsvoorstel rechtvaardigen; en
  • c. het op voorhand niet de verwachting is dat één van de onderdelen dermate politiek omstreden is dat een goede parlementaire behandeling van andere onderdelen in het geding komt.
Aanwijzing 6.5. Volgorde bij wijziging van meerdere regelingen

Indien een regeling strekt tot wijziging van meerdere regelingen, kunnen de wijzigingsbepalingen worden geplaatst:

  • a. in volgorde naar omvang of aard van de wijziging;
  • b. in alfabetische volgorde van de te wijzigen regelingen;
  • c. in volgorde naar het eerstverantwoordelijke ministerie waaronder de te wijzigen regelingen ressorteren.
Aanwijzing 6.6. Wijze van nummering van artikelen
1.

Een regeling die slechts betrekking heeft op wijziging of intrekking van een of meer bestaande regelingen, wordt ingedeeld in artikelen met Romeinse cijfers.

2.

Indien een nieuwe regeling tevens strekt tot wijziging of intrekking van bestaande regelingen, worden ook de wijzigings- of intrekkingsbepalingen genummerd met Arabische cijfers.

3.

In een omvangrijke aanpassings- of invoeringsregeling waarin regelingen van verschillende ministeries worden gewijzigd of ingetrokken, kan voor een andere nummering worden gekozen.

Aanwijzing 6.7. Wijziging van opschrift en aanhef

Het opschrift en de aanhef van een regeling worden niet gewijzigd.

Aanwijzing 6.8. Nieuwe grondslag uitvoeringsregeling
1.

Indien een gewijzigde dan wel nieuwe regeling een nieuwe grondslag biedt aan bestaande uitvoeringsregelingen kan een bepaling overeenkomstig het volgende model worden opgenomen:

Na de inwerkingtreding van deze wet / dit besluit berust [betrokken uitvoeringsregeling] [mede] op artikel [de nieuwe delegatiebepaling] van deze wet / dit besluit.

2.

Indien het wenselijk is dat niet in de hogere regeling, maar in de uitvoeringsregeling de nieuwe grondslag wordt vermeld, kan een bepaling overeenkomstig het volgende model worden opgenomen:

Dit besluit / Deze regeling berust [mede] op [artikel / de artikelen ...] van [delegerende wet / delegerend besluit].

3.

Indien een regeling een nieuwe grondslag biedt aan een bestaande uitvoeringsregeling of indien een uitvoeringsregeling wordt gewijzigd met gebruikmaking van een nieuwe grondslag, wordt in de toelichting bij die regeling een overzicht opgenomen van de verschillende onderdelen van de integrale uitvoeringsregeling en de grondslagen waarop zij berusten.

Aanwijzing 6.9. Terminologie ‘wordt vervangen door’ en ‘komt te luiden’
1.

Vervanging van een tekst in een regeling wordt vormgegeven met de uitdrukking ‘wordt vervangen door’ of, voor zover dit taalkundig mogelijk is, met de uitdrukking ‘komt te luiden:’.

2.

Bij de vervanging van woorden of zinsneden wordt zowel de te vervangen tekst als de nieuwe tekst tussen aanhalingstekens geplaatst.

3.

Indien een artikel of onderdeel daarvan wordt vervangen, begint de nieuwe tekst met de aanduiding van het artikel of het onderdeel.

Aanwijzing 6.10. Vervanging gehele lees- of begripseenheid

Bij wijziging van een bepaling wordt ten minste een gehele lees- of begripseenheid vervangen door een nieuwe lees- of begripseenheid.

Aanwijzing 6.11. Terminologie ‘invoegen’ en ‘toevoegen’
1.

Voor het opnemen van een nieuw artikel of ander onderdeel van een regeling of het aanvullen van de bestaande tekst van een artikel of ander onderdeel van een regeling wordt het werkwoord ‘invoegen’ of ‘toevoegen’ gebruikt.

2.

In een wijzigingsbepaling worden in of toe te voegen woorden en zinsneden tussen aanhalingstekens geplaatst.

Aanwijzing 6.12. Terminologie ‘vervallen’ en ‘intrekken’
1.

Het schrappen van een artikel of ander onderdeel van een regeling of het schrappen van een woord of zinsnede wordt aangeduid met het werkwoord ‘vervallen’. Het werkwoord ‘intrekken’ wordt slechts gebruikt voor het beëindigen van de gelding van een gehele regeling.

2.

In een wijzigingsbepaling worden woorden of zinsneden die vervallen tussen aanhalingstekens geplaatst.

Aanwijzing 6.13. Vervallen van uitgewerkte bepalingen

Bij wijziging van een regeling kunnen bestaande bepalingen strekkende tot wijziging van andere regelingen en andere uitgewerkte bepalingen van die regeling vervallen.

Aanwijzing 6.14. Vervallen van bijlage bij een regeling

Het vervallen van een bijlage bij een regeling wordt uitdrukkelijk geregeld.

Aanwijzing 6.15. Indeling wijzigingsbepalingen
1.

In een wijzigingsregeling en in de slotbepalingen van een nieuwe regeling wordt voor iedere te wijzigen regeling een artikel gebruikt.

2.

Binnen een afzonderlijk artikel worden de verschillende wijzigingen van een regeling aangeduid met hoofdletters.

3.

In het geval, bedoeld in het tweede lid, worden de verschillende wijzigingen in een artikel van een regeling aangeduid met Arabische cijfers of kleine letters.

Aanwijzing 6.16. Nummering van ingevoegde artikelen e.d.
1.

De nummering van bij wijziging ingevoegde artikelen, boeken, delen, hoofdstukken, titels, afdelingen en paragrafen geschiedt met behulp van letters, die worden toegevoegd aan de bestaande nummers.

2.

Een eenmaal aangevangen wijze van nummering wordt voortgezet.

Aanwijzing 6.17. Vernummering en verlettering
1.

Bij wijziging van regelingen worden artikelen, boeken, delen, hoofdstukken, titels, afdelingen en paragrafen niet vernummerd, tenzij dit voor een logische nummering van de regeling wenselijk is.

2.

De leden, onderdelen en subonderdelen van een artikel worden wel vernummerd of verletterd, tenzij daartegen overwegend bezwaar bestaat.

Aanwijzing 6.18. Wijziging van opsomming of indeling artikel
1.

Het invoegen of vervallen van een artikellid geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:

  • A. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
    1. (...)
  • B. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot eerste tot en met derde lid.
2.

Het wijzigen van de aanduiding van een artikelonderdeel of het invoegen of toevoegen van een artikelonderdeel geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:

  • A. Onder verlettering van de onderdelen c tot en met f tot d tot en met g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
  • c. (...)
  • B. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
  • e. (...)
  • C. Onder vervanging van ‘; of’ aan het slot van onderdeel c door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door ‘; of’ wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
  • e. (...)
3.

Het toevoegen van een of meer leden aan een artikel dat nog niet uit leden bestaat, geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld:

    1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.
    1. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
    1. (...)
4.

Het wijzigen van een uit leden bestaand artikel tot een artikel dat niet uit leden bestaat, geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld:

Het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.

Aanwijzing 6.19. Aanduiding ‘(nieuw)’

Indien een artikel, lid of onderdeel in één wijzigingsregeling zowel wordt vernummerd of verletterd als gewijzigd, wordt dat artikel, lid of onderdeel ten behoeve van die wijziging aangeduid met de nieuwe nummering of lettering, met toevoeging van de vermelding ‘(nieuw)’.

Aanwijzing 6.20. Verwijzingen in overgangsrecht

In een overgangsbepaling ter zake van een wijziging van een voorschrift wordt verwezen naar het gewijzigde voorschrift en niet naar de wijzigingsbepaling.

Aanwijzing 6.21. Vergelijkend overzicht oude en nieuwe bepalingen

Bij complexe wijzigingsvoorstellen wordt ter verduidelijking van de voorgestelde wijzigingen in een wet of algemene maatregel van bestuur, een vergelijkend overzicht van de te wijzigen bepalingen en de voorgestelde bepalingen aan de Afdeling advisering van de Raad van State, respectievelijk aan de Tweede en Eerste Kamer gezonden.

Aanwijzing 6.22. Integrale tekstpublicatie gewijzigde regeling
1.

Na wijziging van een regeling wordt geen integrale tekst van die regeling in het Staatsblad of de Staatscourant geplaatst.

2.

In afwijking van het eerste lid kan een integrale tekst worden geplaatst, indien het gewenst is tevens tot vernummering van de gehele gewijzigde regeling over te gaan, of de tekst van de gewijzigde regeling die in oude spelling is geformuleerd, over te brengen naar de geldende spelling. In die gevallen wordt daartoe een bepaling opgenomen in de wijzigingsregeling, overeenkomstig het volgende model:

De tekst van [aanduiding van de betrokken regeling] wordt in [het Staatsblad / de Staatscourant] geplaatst.

3.

In geval van vernummering wordt aan het model, bedoeld in het tweede lid, toegevoegd:

Voor de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] stelt [Onze Minister / de Minister (van/voor...)] de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van [aanduiding van de betrokken regeling] opnieuw vast en brengt hij de in [die wet / dat besluit / die regeling] voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming.

4.

Ingeval van overbrenging in de geldende spelling wordt aan het model, bedoeld in het tweede lid, toegevoegd:

Voor de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] wordt de tekst door [Onze Minister /de Minister (van/voor...)] overgebracht in de geldende spelling.

§ 6.3. Intrekken en vervallen van regelingen

Aanwijzing 6.23. Formulering intrekkingsbepaling

Intrekking van een regeling geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld:

De Vuurwapenwet 1919 wordt ingetrokken.

Aanwijzing 6.24. Vervallen uitvoeringsregelingen
1.

Bij de gehele of gedeeltelijke intrekking van een regeling wordt mede ingetrokken de op deze regeling of het in te trekken gedeelte daarvan gebaseerde uitvoeringsregelgeving, tenzij voor die regelgeving een andere grondslag bestaat of specifiek bij die gelegenheid tot stand wordt gebracht.

2.

De intrekking kan geschieden in de regeling die strekt tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de delegerende regeling.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het laten vervallen van bepalingen in een uitvoeringsregeling in verband met het vervallen van de grondslag daarvan.

Aanwijzing 6.25. Uitgewerkte regelingen
1.

Een regeling die terstond is uitgewerkt nadat zij in werking is getreden, wordt niet ingetrokken.

2.

Evenmin wordt in een dergelijke regeling voorzien in het vervallen van de regeling.

Aanwijzing 6.26. Gevolgen intrekken wijzigingsregeling
1.

Het wijzigen van een al uitgevoerde wijzigingsopdracht leidt niet tot aanpassing van de aangebrachte wijzigingen. Evenmin maakt het laten vervallen van een al uitgevoerde wijzigingsopdracht de aangebrachte wijzigingen ongedaan.

2.

Een ingetrokken regeling of een vervallen bepaling herleeft niet door het laten vervallen van de bepaling, krachtens welke zij is ingetrokken of vervallen.

§ 6.4. Wijziging van wetsvoorstellen

Aanwijzing 6.27. Nota van wijziging
1.

Door de regering gewenste veranderingen in door haar ingediende voorstellen van wet krijgen de vorm van een nota van wijziging.

2.

Het opstellen van een nota van wijziging geschiedt overeenkomstig de aanwijzingen 6.9 tot en met 6.12 en 6.16.

3.

In het opschrift worden een tweede, derde en volgende nota van wijziging als zodanig aangeduid.

4.

De aanhef van een nota van wijziging luidt: Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

5.

Een nota van wijziging wordt niet ingedeeld in artikelen. De onderdelen worden met hoofdletters of Arabische cijfers aangeduid. Een eventuele verdere onderverdeling geschiedt met Arabische cijfers of kleine letters.

Aanwijzing 6.28. Toelichting nota van wijziging
1.

Een nota van wijziging wordt van een toelichting voorzien.

2.

Betreft het een nota van wijziging die tegelijk met een nota naar aanleiding van het verslag wordt ingediend, dan kan ter toelichting worden volstaan met een verwijzing naar een bepaald gedeelte van de nota naar aanleiding van het verslag.

Aanwijzing 6.29. Ondertekening toelichting nota van wijziging
1.

Een nota van wijziging wordt niet ondertekend, de toelichting op een nota van wijziging wel.

2.

De toelichting op een nota van wijziging wordt bij voorkeur alleen ondertekend door de eerstverantwoordelijke bewindspersoon. De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in dat geval in de toelichting tot uitdrukking gebracht.

Aanwijzing 6.30. Wetgevingstoets nota van wijziging

Indien tijdens de schriftelijke behandeling van een wetsvoorstel een nota van wijziging met inhoudelijke betekenis wordt overwogen, wordt overlegd met het Ministerie van Justitie en Veiligheid of die nota van wijziging aan een wetgevingstoets zal worden onderworpen.

Aanwijzing 6.31. Overneming amendement

Indien de regering een ingediend amendement overneemt, blijft de indiening van een nota van wijziging ter zake achterwege.

Aanwijzing 6.32. Vernummering wetsvoorstel

Tijdens de behandeling van een wetsvoorstel door de Tweede Kamer wordt geen wijziging aangebracht in de nummering van de artikelen of, bij wijzigingswetten, in de lettering van de verschillende onderdelen van een artikel, tenzij dit onvermijdelijk is.

Aanwijzing 6.33. Aanbrengen doorlopende nummering
1.

Indien er de voorkeur aan wordt gegeven dat de (eerst)verantwoordelijke bewindspersoon en niet de voorzitter van de Tweede Kamer zorg draagt voor een doorlopende nummering van een wet, wordt dit bepaald overeenkomstig het volgende model:

Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister [van/voor ...] de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming.

2.

In dat geval geschiedt de vaststelling van de nieuwe nummering en het daarmee in overeenstemming brengen van de desbetreffende aanhalingen bij een door de betrokken bewindspersoon vastgesteld en ondertekend besluit overeenkomstig het volgende model:

De Minister van/voor ... / de Staatssecretaris van ...,

Gelet op artikel ... [bepaling overeenkomstig het in het eerste lid gegeven model];

Besluit:

Enig artikel

Overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage wordt de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van de ... [citeertitel van de wet] opnieuw vastgesteld en worden de in die wet voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming gebracht.

Aanwijzing 6.34. Novelle

Indien het gewenst is ten aanzien van een wetsvoorstel tijdens of na de behandeling in de Eerste Kamer maar voor de bekrachtiging door de Koning een wijzigingsvoorstel in te dienen, wordt dit voorstel geformuleerd overeenkomstig het volgende model:

ARTIKEL I

Indien het bij [koninklijke boodschap van [datum] ingediende / geleidende brief van [datum] aanhangig gemaakte] voorstel van wet [als aanwijzing 3.43, tweede lid] tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd: ...

Hoofdstuk 7. Procedures

§ 7.1. Interdepartementale voorbereiding

Aanwijzing 7.1. Afstemming met andere ministeries

Bij de voorbereiding van een regeling worden de onderdelen van andere ministeries betrokken die bemoeienis hebben met het te regelen onderwerp of een onderdeel daarvan of met onderwerpen die door de regeling worden geraakt.

Aanwijzing 7.2. Afstemming i.v.m. gevolgen voor decentrale overheden
1.

Over een regeling die van betekenis is voor het rijksbeleid inzake decentrale overheden, overlegt het eerstverantwoordelijke ministerie in een vroegtijdig stadium met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2.

Indien de regeling wijziging brengt in de taken en bevoegdheden van decentrale overheden, vindt tijdig overleg plaats met de beheerders van het gemeentefonds, het provinciefonds of het BES-fonds over de financiële gevolgen daarvan.

Aanwijzing 7.3. Afstemming met koninkrijkspartners
1.

Bij de voorbereiding van een regeling die een koninkrijksaangelegenheid betreft, vindt overleg plaats met de kabinetten van de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt van contacten met de kabinetten van de Gevolmachtigde Ministers op de hoogte gehouden.

2.

Het eerste lid is eveneens van toepassing bij de voorbereiding van een regeling ten aanzien waarvan concordantie is voorgeschreven.

Aanwijzing 7.4. Wetgevingstoets
1.

Vanwege de primaire verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de toetsing van wetgeving op rechtsstatelijke en bestuurlijke kwaliteit, met inbegrip van de constitutionele, Europeesrechtelijke en internationaalrechtelijke toetsing van wetgeving, worden de volgende stukken, voordat zij ter behandeling aan de ministerraad of een onderraad worden aangeboden, ter toetsing aan de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voorgelegd:

  • a. voorstellen van wet;
  • b. ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur;
  • c. ingrijpende nota’s van wijziging op een wetsvoorstel;
  • d. een voorstel van wet of ontwerp van een algemene maatregel van bestuur en het nader rapport daarbij, ingeval het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State daarop ingrijpende kritiek op inhoud of vormgeving bevat.
2.

Vanwege de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het beheer van de Grondwet werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de constitutionele toetsing van wetgeving samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

3.

Vanwege de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken voor de eenheid van de uitleg van het internationale en Europese recht werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke toetsing van wetgeving samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

4.

Het voorleggen geschiedt dusdanig tijdig, dat er voldoende ruimte is voor reëel overleg over alternatieve mogelijkheden, indien de Directie Wetgeving en Juridische Zaken dat noodzakelijk acht.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing op stukken als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, waarover in overleg tussen het betrokken ministerie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid is bepaald dat deze niet ter toetsing voorgelegd hoeven worden.

Aanwijzing 7.5. Bedrijfseffectentoets en milieueffectentoets
1.

In de toelichting bij een regeling worden door het eerstverantwoordelijke ministerie in daarvoor in aanmerking komende gevallen de gevolgen van de regeling voor bedrijven en voor het milieu uiteengezet en waar nodig gekwantificeerd.

2.

De wijze waarop de gevolgen voor bedrijven in de toelichting zijn weergegeven wordt getoetst door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Aanwijzing 7.6. Toetsing gevolgen voor decentrale overheden
1.

In de toelichting bij een regeling worden door het eerstverantwoordelijke ministerie in daarvoor in aanmerking komende gevallen de gevolgen van de regeling voor decentrale overheden uiteengezet.

2.

De wijze waarop dit aspect is verantwoord in de toelichting bij de regeling wordt getoetst door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

§ 7.2. Notificatie van ontwerpregelingen

Aanwijzing 7.7. Notificatieverplichtingen
1.

Bij de voorbereiding van regelingen beziet het voor de regeling eerstverantwoordelijke ministerie steeds of bindende EU-rechtshandelingen of andere internationale verplichtingen ertoe noodzaken het ontwerp van de regeling te notificeren aan een instelling van de Europese Unie of van een andere internationale organisatie.

2.

Bij de bepaling van het tijdstip van vaststelling van de regeling wordt in voorkomend geval de voorgeschreven standstillperiode in acht genomen dan wel stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring van de desbetreffende instelling afgewacht.

Aanwijzing 7.8. Vermelding en mededeling van notificatie
1.

Indien in een regeling voorschriften worden vastgesteld die ingevolge een bindende EU-rechtshandeling of andere internationale verplichting in ontwerp zijn genotificeerd aan een instelling van de Europese Unie of van een andere internationale organisatie, wordt dat vermeld in het algemeen deel van de toelichting bij die regeling, onder verwijzing naar de desbetreffende EU-rechtshandeling of internationale verplichting. Voor de vermelding wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

[Het voorstel van wet / Het ontwerpbesluit / De ontwerpregeling] is op [datum notificatie] ingevolge artikel ... van [aanduiding bindende EU-rechtshandeling of internationale verplichting] voorgelegd aan [aanduiding instelling]. Naar aanleiding van de reacties van [aanduiding instelling of andere betrokkenen] wordt het volgende opgemerkt. [reactie of doorgevoerde aanpassingen].

2.

Indien het een notificatie in het kader van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) betreft, wordt daarvan tevens mededeling gedaan in de Staatscourant. Voor de mededeling wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

Ter voldoening aan [artikel 2, negende lid, / artikel 5, zesde lid,] van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235), deelt de Minister [van / voor ...] mee dat een [voorstel van wet / ontwerpbesluit / ontwerpregeling tot / , houdende ...] waarin [technische voorschriften / voorschriften omtrent keuringen] worden gesteld aan [aanduiding soort goederen], is gemeld aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie. Informatie over deze technische voorschriften kan worden ingewonnen bij het Ministerie van [...].

Aanwijzing 7.9. Tijdstip toezending aan Afdeling advisering
1.

Aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden geen voorstellen van wet of ontwerpen voor een algemene maatregel van bestuur voorgelegd, ten aanzien waarvan de beleidsvoorbereiding en de besluitvorming in de ministerraad nog niet is afgerond.

2.

Een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur wordt in beginsel niet eerder aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd, dan nadat het wetsvoorstel dat aan de algemene maatregel van bestuur ten grondslag ligt, door de Tweede Kamer is aanvaard.

Aanwijzing 7.10. Toezending adviezen aan Afdeling advisering

Bij een adviesaanvraag aan de Afdeling advisering van de Raad van State over een voorstel van wet of een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur worden de volgende adviezen over dat voorstel of ontwerp die door het ministerie zijn ontvangen, aan de Afdeling advisering toegezonden:

  • a. adviezen van de Europese Commissie;
  • b. adviezen van adviescolleges;
  • c. adviezen van belangrijke organisaties van belanghebbenden indien kennisneming ervan kan dienen tot een beter inzicht in de in het voorstel of het ontwerp en de toelichting vervatte beleidskeuzen;
  • d. overige adviezen waarnaar in de memorie of nota van toelichting wordt verwezen;
  • e. overige adviezen, waarvan de verantwoordelijke bewindspersoon toezending wenselijk acht.
Aanwijzing 7.11. Spoedadvies Afdeling advisering

Het vragen van een spoedbehandeling van een adviesaanvraag kan slechts worden gedaan met machtiging van de ministerraad.

Aanwijzing 7.12. Intrekking adviesaanvraag Afdeling advisering

Indien tijdens de adviesprocedure bij de Afdeling advisering van de Raad van State blijkt dat aan de voortzetting van de behandeling van een wetsvoorstel of het ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur geen behoefte meer bestaat, bevordert de eerstverantwoordelijke bewindspersoon, daartoe gemachtigd door de ministerraad, dat de adviesaanvraag wordt ingetrokken.

Aanwijzing 7.13. Vormgeving nader rapport

In het nader rapport aan de Koning wordt het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State integraal opgenomen en wordt de reactie daarop te bestemder plaatse tussengevoegd.

Aanwijzing 7.14. Ministerraadbehandeling na ingrijpende kritiek

Indien een advies van de Afdeling advisering van de Raad van State ingrijpende kritiek op de inhoud of de vormgeving van een wetsvoorstel of een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur bevat, wordt het wetsvoorstel of ontwerp opnieuw in de ministerraad aan de orde gesteld.

Aanwijzing 7.15. Advies Afdeling advisering over ingrijpende wijziging
1.

Indien in een wetsvoorstel of een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur waarover de Afdeling advisering van de Raad van State advies heeft uitgebracht, vóór de indiening, onderscheidenlijk de vaststelling, daarvan ingrijpende wijzigingen worden aangebracht die niet het gevolg zijn van het advies van de Afdeling advisering, wordt de Afdeling over deze wijzigingen gehoord.

2.

Indien in een ingediend wetsvoorstel door de regering ingrijpende wijzigingen worden aangebracht, wordt de Afdeling advisering over deze wijzigingen gehoord, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten.

3.

De aanwijzingen 7.9, eerste lid, en 7.10 tot en met 7.14 zijn van overeenkomstige toepassing op de advisering over een nota van wijziging.

Aanwijzing 7.16. Advies Afdeling advisering over amendement

Over een bij amendement voorgestelde ingrijpende wijziging van een wetsvoorstel wordt de Afdeling advisering van de Raad van State alleen gehoord, indien de betrokken bewindspersoon daaraan met het oog op zijn oordeelsvorming over het amendement behoefte gevoelt.

§ 7.4. Parlementaire behandeling van regeringsvoorstellen van wet

Aanwijzing 7.17. Toezending adviezen aan Tweede Kamer

De in aanwijzing 7.10 bedoelde adviezen over een voorstel van wet worden aan de Tweede Kamer toegezonden.

Aanwijzing 7.18. Vormgeving nota n.a.v. het verslag
1.

De nota naar aanleiding van het verslag volgt zoveel mogelijk de indeling en de volgorde van het verslag.

2.

Indien dat wenselijk is met het oog op verwijzing worden in de nota naar aanleiding van het verslag de onderdelen of vragen van het verslag genummerd wanneer dat niet is gebeurd in het verslag zelf.

3.

Deze aanwijzing is van overeenkomstige toepassing op andere stukken die het karakter hebben van een puntsgewijze reactie op voorgelegde vragen of opmerkingen.

Aanwijzing 7.19. Beantwoording verslag

De beantwoording van een verslag van de Tweede Kamer vindt in beginsel plaats binnen eenzelfde termijn als die welke de Kamercommissie heeft genomen voor het uitbrengen van het verslag, waarbij als aanvangsdatum geldt de datum van de koninklijke boodschap.

Aanwijzing 7.20. Departementale bijstand bij amendementen

Leden van de Tweede Kamer die een amendement willen voorstellen, kunnen het betrokken ministerie bijstand verzoeken bij het formuleren van amendementen. Deze bijstand wordt zoveel mogelijk verleend.

Aanwijzing 7.21. Termijn indiening memorie van antwoord Eerste Kamer
1.

Een memorie van antwoord op een voorlopig verslag van de Eerste Kamer wordt uiterlijk veertien dagen vóór de beoogde datum van openbare behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel bij de Eerste Kamer ingediend.

2.

In spoedeisende gevallen kan van deze termijn in overleg met de griffie van de Eerste Kamer worden afgeweken.

Aanwijzing 7.22. Intrekking wetsvoorstel
1.

Intrekking van een bij de Tweede of de Eerste Kamer aanhangig wetsvoorstel geschiedt bij brief van de betrokken bewindspersoon, daartoe gemachtigd door de Koning.

2.

Is het wetsvoorstel aanhangig bij de Eerste Kamer, dan wordt ook aan de voorzitter van de Tweede Kamer mededeling gedaan van de intrekking.

§ 7.5. Behandeling van initiatiefvoorstellen van wet

Aanwijzing 7.23. Departementale bijstand bij initiatiefvoorstel

Leden van de Tweede Kamer die een initiatiefvoorstel van wet aanhangig willen maken, kunnen de betrokken bewindspersoon bijstand verzoeken bij het formuleren daarvan. Deze bijstand wordt zoveel mogelijk verleend.

Aanwijzing 7.24. Departementale inbreng bij initiatiefvoorstel
1.

Bewindspersonen geven zowel bij de schriftelijke als bij de mondelinge behandeling van een initiatiefvoorstel alle inlichtingen en adviezen die van hen worden gevraagd en waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat. Bij de mondelinge behandeling zijn de bewindspersonen steeds aanwezig.

2.

Bewindspersonen maken ook eigener beweging, zowel in de schriftelijke als in de mondelinge fase, alle opmerkingen die zij dienstig achten om te komen tot een goed wetgevingsproduct.

3.

Ook tijdens de parlementaire behandeling van een initiatiefvoorstel wordt desgewenst aan de initiatiefnemers zoveel mogelijk en zo snel mogelijk ambtelijke bijstand van juridische en wetgevingstechnische aard verleend.

Tweede lid. De bewindspersoon maakt in ieder geval eigener beweging opmerkingen, indien de bewindspersoon meent dat het initiatiefvoorstel op een of meer punten onverenigbaar is met materiële of procedurele verplichtingen die voortvloeien uit hoger recht. De bewindspersoon zet in het kader van diens inbreng uiteen dat en in welke zin het voorstel onverenigbaar is met hoger recht, en wat dit volgens de bewindspersoon betekent voor het initiatiefvoorstel.

Dit betekent bijvoorbeeld dat indien nog niet de ingevolge richtlijn (EU) 2018/958 verplichte evenredigheidsbeoordeling door het betrokken lid van de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden ten aanzien van een initiatiefvoorstel dat een beperking van de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep omvat, de bewindspersoon deze onverenigbaarheid met die richtlijn vermeldt in diens inbreng. Zie ook aanwijzing 2.15.

Aanwijzing 7.25. Ministerraadbehandeling initiatiefvoorstel

Bewindspersonen dragen er zorg voor dat zij in voorkomende gevallen over initiatiefvoorstellen kunnen spreken namens het kabinet. Daartoe stellen zij deze tijdig in de ministerraad aan de orde.

Aanwijzing 7.26. Mededeling over bekrachtiging initiatiefvoorstel

Zo spoedig mogelijk, maar niet later dan drie maanden na aanneming van een initiatiefvoorstel door de Eerste Kamer doet de betrokken bewindspersoon mededeling aan de Staten-Generaal omtrent de besluitvorming over het al dan niet bekrachtigen van het voorstel, of, indien een besluit nog niet is genomen, van de stand van zaken daaromtrent en van het tijdstip waarop nieuwe mededelingen als vorenbedoeld zullen worden gedaan.

Bij deze aanwijzing is ook van belang dat indien niet-bekrachtiging wordt overwogen, advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State dient te worden gevraagd, hetgeen consequenties heeft voor de procedure en de termijn daarvan.

Hoofdstuk 8. Voorbereiding, goedkeuring en implementatie van verdragen

§ 8.1. Verdragen

Aanwijzing 8.1. Terminologie verdragen
1.

Onder verdrag wordt verstaan: iedere op schrift gestelde overeenkomst die volgens volkenrechtelijke criteria voor de staat verbindend is.

2.

In de Nederlandse titel van een verdrag wordt bij voorkeur de grondwettelijke term ‘verdrag’ gebruikt en niet de term ‘overeenkomst’.

3.

In verdragen wordt het Koninkrijk der Nederlanden als zodanig aangeduid als partij bij het verdrag.

4.

Bij de onderhandelingen over ontwerpverdragen wordt er naar gestreefd de staat – en derhalve niet de regering – als verdragspartij aan te duiden.

Aanwijzing 8.2. Betrokkenheid Aruba, Curaçao en Sint Maarten
1.

De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij de totstandbrenging van verdragen die voor de landen mede kunnen gelden of deze landen anderszins kunnen raken en bij de ter zake te volgen procedures.

2.

De afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderhoudt de contacten hierover met de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

Aanwijzing 8.3. Interdepartementale voorbereiding verdragen
1.

Over de voorbereiding van verdragen wordt in een zo vroeg mogelijk stadium contact gezocht met de afdeling Internationaal Recht en de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

2.

Over de goedkeuring van verdragen, over het tot uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden en over het voornemen een verdrag op te zeggen of al dan niet te verlengen, wordt met het oog op de coördinatie ter verzekering van een consistent verdragsbeleid in een zo vroeg mogelijk stadium contact gezocht met de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

3.

In gevallen dat het initiatief met betrekking tot verdragen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken ligt, zoekt de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken op haar beurt in een zo vroeg mogelijk stadium daarover contact met eventuele andere betrokken ministeries.

4.

Over de voorbereiding en goedkeuring van verdragen, over het tot uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden en over het voornemen een verdrag op te zeggen of al dan niet te verlengen, wordt eveneens contact gezocht met de onderdelen van andere ministeries die bemoeienis hebben met het onderwerp waarop het verdrag of een onderdeel daarvan betrekking heeft of met onderwerpen die door het verdrag worden geraakt.

Aanwijzing 8.4. Gevolgen verdrag voor nationale wet- en regelgeving

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)