Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992
Bij de voorbereiding van en de onderhandelingen over een verdrag wordt tijdig en zorgvuldig aandacht besteed aan de gevolgen voor de nationale wet- en regelgeving.
Zij die deelnemen aan de voorbereiding van of de onderhandelingen over een verdrag dragen er zorg voor dat de wetgevingsafdelingen van de betrokken ministeries daarbij in een zo vroeg mogelijk stadium worden ingeschakeld.
De onderhandelingsdelegaties nemen in hun verslag datgene op wat van belang is voor de implementatie en voor de parlementaire goedkeuring.
Aanwijzing 8.5. Nederlandse tekst verdrag
De opstelling van de authentieke Nederlandse tekst van een verdrag of van de Nederlandse vertaling geschiedt door of onder verantwoordelijkheid van de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
§ 8.2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties
Aanwijzing 8.6. Interdepartementale voorbereiding
Regeringsvertegenwoordigers die zitting hebben in een orgaan van een volkenrechtelijke organisatie dat besluiten neemt die de lidstaten van die organisatie binden, dragen er zorg voor dat, indien besluiten in voorbereiding zijn die het regeringsbeleid betreffen of anderszins van groot belang zijn, de ontwerpen voor deze besluiten voorwerp van overleg vormen tussen de betrokken ministeries en in de ministerraad aan de orde worden gesteld.
Indien het om bindende besluiten gaat wordt ook de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in het voorbereidende stadium betrokken.
Aanwijzing 8.7. Gevolgen voor nationale wetgeving
Bij de voorbereiding van besluiten van volkenrechtelijke organisaties wordt aandacht besteed aan de gevolgen voor de nationale wetgeving.
Wanneer een het Koninkrijk bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot stand is gekomen dat voor zijn uitvoering wettelijke voorschriften vereist, worden deze zo spoedig mogelijk en binnen de eventueel voorgeschreven termijn tot stand gebracht.
Indien het besluit bepalingen bevat die een ieder kunnen verbinden en niet verenigbaar zijn met geldende wettelijke voorschriften, worden onverwijld maatregelen getroffen tot aanpassing van de desbetreffende wettelijke voorschriften.
Aanwijzing 8.8. Goedkeuring uitvoeringsbesluiten
Indien een verdrag een verwijzing bevat naar een instantie die voor het Koninkrijk bindende besluiten kan nemen en die instantie niet kan worden aangemerkt als orgaan van een volkenrechtelijke organisatie in de zin van de artikelen 92, 93 en 94 van de Grondwet, wordt het verdrag goedgekeurd bij wet.
In het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag wordt in dat geval een machtigingsbepaling opgenomen, inhoudende dat de besluiten die door deze instantie worden genomen, geen goedkeuring van de Staten-Generaal behoeven.
§ 8.3. Voorbereiding van wetgeving inzake goedkeuring en implementatie
Aanwijzing 8.9. Onderzoek noodzaak implementatie verdrag
Bij de voorbereiding van de parlementaire goedkeuring van een verdrag wordt onderzocht in hoeverre de naleving door het Koninkrijk wettelijke voorschriften vereist.
Bij de voorbereiding van de parlementaire goedkeuring van een verdrag wordt eveneens onderzocht of het verdrag mogelijk een ieder verbindende bepalingen bevat als bedoeld in artikel 93 Grondwet.
Indien tot stand te brengen voorschriften bij wet moeten worden vastgesteld, wordt het desbetreffende wetsvoorstel in beginsel gelijktijdig met het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag bij de Tweede Kamer ingediend.
Aanwijzing 8.10. Alleen voor Nederland geldende verdragen
De uitdrukkelijke goedkeuring van verdragen die krachtens een territorialiteitsbepaling of naar hun aard binnen het Koninkrijk alleen voor Nederland gelden, geschiedt niet bij rijkswet, maar bij wet.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de goedkeuring van verdragen waarbij medegelding voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten weliswaar mogelijk is, maar waarbij reeds bij de indiening van het goedkeuringswetsvoorstel definitief is vastgesteld dat het verdrag niet mede voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten zal gaan gelden.
Aanwijzing 8.11. Delegatiebepaling voor uitvoeringsregelingen
Indien in een wet de uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties wordt gedelegeerd naar een lagere regeling, wordt voor de delegatiebepaling het volgende model als uitgangspunt genomen:
[Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur / Bij ministeriële regeling] worden regels gesteld ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Aanwijzing 8.12. Wetsvoorstel goedkeuring verdrag
Voor een voorstel van (rijks)wet tot goedkeuring van een verdrag wordt het volgende model gevolgd:
Goedkeuring van het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... [zie aanwijzing 3.38]
Wij Willem-Alexander, [zie verder aanwijzing 4.5]
(...)
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State [van het Koninkrijk] gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, [de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde,] hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... , waarvan de ... tekst [en de vertaling in het Nederlands] [is/zijn] geplaatst in Tractatenblad [jaartal], nr. [ nummer] , wordt goedgekeurd voor [Nederland / het Europese deel van Nederland / het Caribische deel van Nederland / voor Aruba / voor Curaçao / voor Sint Maarten / voor het gehele Koninkrijk].
Artikel 2
Deze [rijks]wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen ... [zie verder aanwijzing 4.31, eerste lid].
Voor de goedkeuring van een voorbehoud bij een verdrag wordt het volgende model gebruikt:
Artikel (...)
Goedgekeurd wordt dat bij de binding van het Koninkrijk aan het in artikel 1 genoemde verdrag voor [Nederland / het Europese deel van Nederland / het Caribische deel van Nederland / voor Aruba / voor Curaçao / voor Sint Maarten / voor het gehele Koninkrijk] het volgende voorbehoud wordt gemaakt: [tekst voorbehoud].
Voor een machtigingsbepaling als bedoeld in aanwijzing 8.8, tweede lid, wordt het volgende model gebruikt:
Artikel (...)
De besluiten, bedoeld in [artikel / de artikelen ...] van het in artikel 1 genoemde verdrag, behoeven niet de goedkeuring van de Staten-Generaal.
Aanwijzing 8.13. Toelichting inzake verdragen
Een wetsvoorstel tot goedkeuring van een verdrag wordt voorzien van een memorie van toelichting.
Een voorstel tot stilzwijgende goedkeuring van een verdrag gaat vergezeld van een toelichtende nota.
Toelichtingen op verdragen worden beperkt tot hetgeen voor een goed begrip nodig is. In voorkomend geval wordt daarin aangegeven dat wijziging van een bijlage die een integrerend onderdeel vormt van het verdrag en waarvan de inhoud van uitvoerende aard is ten opzichte van de bepalingen van het verdrag zelf, geen parlementaire goedkeuring behoeft, tenzij de Staten-Generaal zich het recht daartoe voorbehouden.
Indien een verdrag gevolgen heeft voor de nationale wet- en regelgeving, wordt dit in de toelichting besproken. Bij de binding van het Koninkrijk te maken voorbehouden en af te leggen verklaringen die geen voorbehouden inhouden, worden eveneens in de toelichting besproken.
In de toelichting op een verdrag wordt besproken of een verdrag naar de mening van de regering mogelijk een ieder verbindende bepalingen bevat.
In de toelichting op een verdrag dat niet voor het Koninkrijk als geheel wordt gesloten, worden de redenen beschreven om aan dat verdrag wel of geen gelding of medegelding voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba te verlenen.
In de toelichting op een verdrag dat niet voor het Koninkrijk als geheel wordt gesloten, wordt aangegeven of het verdrag wel of geen gelding of medegelding heeft voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
§ 8.4. Behandeling in de (rijks)ministerraad
Aanwijzing 8.14. Behandeling verdrag in (rijks)ministerraad
Met betrekking tot verdragen worden in de (rijks)ministerraad gelijktijdig aan de orde gesteld de sluiting en de eventuele voorlopige toepassing van het verdrag, alsook de parlementaire goedkeuringsstukken.
Het eerste lid geldt niet indien het noodzakelijk wordt geacht dat eerst alleen de sluiting en de eventuele voorlopige toepassing van het verdrag aan de orde worden gesteld.
Bij de beraadslaging over de sluiting van een verdrag of de goedkeuring ervan spreekt de (rijks)ministerraad zich erover uit of het verdrag Aruba, Curaçao en Sint Maarten al dan niet raakt in de zin van artikel 2, derde lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.
§ 8.5. Bewaring en bekendmaking
Aanwijzing 8.15. Bewaring van verdragen
Originele ondertekende exemplaren van bilaterale verdragen en gewaarmerkte afschriften van multilaterale verdragen dienen aan de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken te worden gezonden ter deponering in het archief der verdragen, dat door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt beheerd.
Aanwijzing 8.16. Bekendmaking volkenrechtelijke besluiten
Teksten van besluiten van volkenrechtelijke organisaties en verdragsrechtelijke gegevens worden met het oog op de bekendmaking toegezonden aan de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Aanwijzing 8.17. Bekendmaking verdragstekst
Wanneer een verdrag is ondertekend of anderszins tot stand komt, wordt zo nodig overleg gevoerd met de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over spoedige bekendmaking van de tekst in het Tractatenblad.
§ 8.6. Stilzwijgende en uitdrukkelijke goedkeuring
Aanwijzing 8.18. Advisering door Raad van State
Voorstellen tot goedkeuring van verdragen worden op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken bij de Afdeling advisering van de Raad van State (van het Koninkrijk) aanhangig gemaakt, met het oog op advisering.
In spoedgevallen kan een voorstel tot goedkeuring van een verdrag bij de Afdeling advisering aanhangig worden gemaakt, voordat het verdrag is ondertekend of anderszins tot stand is gekomen, mits de besluitvorming in de (rijks)ministerraad over de tekst van het verdrag, de toelichting daarop en de overige voor de goedkeuring door de Staten-Generaal noodzakelijke stukken en het gebruik van de spoedprocedure is afgerond.
Na ontvangst van het advies wordt een nader rapport opgesteld, waarin op de eventuele opmerkingen van de Afdeling advisering wordt ingegaan.
Aanwijzing 8.19. Overlegging verdrag ter stilzwijgende goedkeuring
In geval van stilzwijgende goedkeuring van een verdrag wordt dit, na daartoe van de Koning verkregen machtiging, door de Minister van Buitenlandse Zaken overgelegd aan de beide Kamers van de Staten-Generaal en, indien het verdrag Aruba, Curaçao, Sint Maarten of al die landen raakt, gelijktijdig aan de Staten van de betrokken landen.
Aanwijzing 8.20. Overlegging tijdens recesperioden
Voor overlegging van een verdrag aan de beide Kamers der Staten-Generaal ter stilzwijgende goedkeuring wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste tweederde van de in artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen bedoelde termijn buiten een reces van de Kamers valt.
Voor overlegging aan de beide Kamers der Staten-Generaal van een verdrag, dat uitsluitend de uitvoering betreft van een goedgekeurd verdrag, zoals bedoeld in artikel 7, onder b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste twee derde van de in artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen genoemde termijn buiten een reces van de Kamers valt.
Voor de overlegging aan de beide Kamers der Staten-Generaal van een verdrag, dat de verlenging van een aflopend verdrag betreft, zoals bedoeld in artikel 7, onder e, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste twee derde van de in artikel 9, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen genoemde termijn buiten een reces van de Kamers valt.
Indien de voorgaande leden niet in acht genomen kunnen worden, wordt dit bij de overlegging dan wel de kennisgeving door de Minister van Buitenlandse Zaken uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
§ 8.7. Totstandbrenging van binding
Aanwijzing 8.21. Bezwaren tegen binding verdrag
Voordat de Minister van Buitenlandse Zaken, na verkregen parlementaire goedkeuring, de binding van het Koninkrijk voor enig deel daarvan aan een verdrag tot stand doet brengen, vergewist de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken zich ervan bij de medebetrokken ministeries en in voorkomend geval bij de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten dat er geen bezwaar bestaat tegen de totstandbrenging van de binding voor dat deel van het Koninkrijk.
Hoofdstuk 9. Voorbereiding, totstandkoming en implementatie van bindende EU-rechtshandelingen
§ 8.5. Bewaring en bekendmaking
Aanwijzing 9.1. Implementatie
Onder implementatie wordt in dit hoofdstuk verstaan: de uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen in het nationale recht door middel van het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften.
Aanwijzing 9.2. Toepassingsbereik
De hoofdstukken 2 tot en met 8 zijn van toepassing op de voorbereiding en totstandkoming van regelingen ter implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, voor zover hiervan niet wordt afgeweken in dit hoofdstuk.
§ 9.2. Algemene uitgangspunten bij implementatie
Aanwijzing 9.3. Europese Economische Ruimte en Zwitserland
Indien de te implementeren bindende EU-rechtshandeling tevens geldt voor de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt hier rekening mee gehouden bij de vaststelling van het toepassingsbereik van de implementatieregeling.
Aanwijzing 9.4. Zuivere implementatie
Bij implementatie worden in de implementatieregeling geen andere regels opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk zijn.
Aanwijzing 9.5. Lastenluwe implementatie
Bij implementatie wordt gekozen voor de implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan de door de regeling geraakte bedrijven.
Bij afwijking van het eerste lid wordt dit expliciet vermeld in de toelichting en worden de overwegingen geschetst die tot deze keuze hebben geleid.
Aanwijzing 9.6. Verplichting tot feitelijk handelen
Bepalingen uit bindende EU-rechtshandelingen die verplichten tot feitelijk handelen van de centrale overheid zonder dat derden daarop aanspraak hoeven te kunnen maken, worden niet geïmplementeerd.
Aanwijzing 9.7. Aansluiting bij bestaande instrumenten
Bij implementatie wordt zoveel mogelijk aangesloten bij instrumenten waarin de bestaande regelgeving reeds voorziet.
Aanwijzing 9.8. Delegatie bij EU-implementatie
Bij de afweging op welk niveau van regeling implementatie dient plaats te vinden, komt, onverminderd de aanwijzingen 2.20 en 2.21, delegatie van regelgevende bevoegdheid eerder in aanmerking naarmate:
- a. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling de Nederlandse wetgever bij de uitvoering minder ruimte laat voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard;
- b. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling gedetailleerder van aard is;
- c. de termijn waarbinnen volgens de te implementeren bindende EU-rechtshandeling de implementatie moet geschieden korter is;
- d. verwacht mag worden dat in de toekomst de te implementeren bindende EU-rechtshandelingen vaker wijzigingen zal ondergaan;
- e. in het bestaande systeem van regelgeving waarin de implementatieregeling een plaats zal krijgen, vaker is gekozen voor delegatie van regelgevende bevoegdheid.
Aanwijzing 9.9. Implementatie EU-verordeningen
Bepalingen van een EU-verordening worden niet in nationale regelingen overgenomen, tenzij daarvoor een bijzondere reden bestaat.
Aanwijzing 9.10. Dynamische en statische verwijzing
Het verwijzen naar een bepaling van een bindende EU-rechtshandeling zoals deze met inbegrip van toekomstige wijzigingen zal luiden (dynamische verwijzing), geschiedt door de enkele verwijzing in de tekst van de implementatieregeling naar de tekst van de Europese bepaling.
Bij een dynamische verwijzing naar bepalingen van een EU-richtlijn wordt afzonderlijk aangegeven vanaf welk tijdstip wijzigingen van de desbetreffende bepalingen doorwerken in het Nederlandse recht. Hiervoor wordt in de implementatieregeling het volgende model gebruikt:
Een wijziging van [aanduiding van (bepaling uit) de EU-richtlijn waarnaar is verwezen] gaat voor de toepassing van [aanduiding van de nationale regeling of de nationale bepaling waarin de verwijzing is opgenomen] gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.
Indien het gewenst is dat een ander tijdstip kan worden gekozen, wordt aan het model, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, de volgende zinsnede toegevoegd: tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Het verwijzen naar een bepaling van een bindende EU-rechtshandeling zoals die op een bepaald moment luidt (statische verwijzing), geschiedt door verwijzing naar de tekst van die bepaling volgens de volgende voorbeelden:
- A. Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld.
- B. Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016.
Aanwijzing 9.11. Toelichting EU-implementatieregeling
In de eerste alinea van de toelichting bij een implementatieregeling wordt vermeld:
- a. dat de regeling strekt tot implementatie, met een verwijzing naar de bindende EU-rechtshandeling overeenkomstig aanwijzing 3.42;
- b. de uiterste datum waarop de implementatie moet zijn gerealiseerd;
- c. een verwijzing naar het onderdeel van de toelichting waarin de transponeringstabel is opgenomen.
Aanwijzing 9.12. Transponeringstabel EU-implementatieregeling
De toelichting bij een regeling ter implementatie van een bindende EU-rechtshandeling bevat een transponeringstabel waaruit blijkt of en hoe de afzonderlijke bepalingen van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling zijn of worden geïmplementeerd. De transponeringstabel bevat een verwijzing naar de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling overeenkomstig aanwijzing 3.42.
Indien een bepaling uit de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling ruimte laat voor, dan wel verplicht tot het maken van beleidskeuzes, wordt dit in de transponeringstabel aangegeven en wordt verwezen naar de passages in de toelichting waarin de door de regering gemaakte keuzes worden toegelicht.
Indien een bepaling uit een bindende EU-rechtshandeling geen implementatie behoeft, wordt dit vermeld in de transponeringstabel. Hierbij wordt aangegeven wat de reden daarvan is, en wordt indien noodzakelijk verwezen naar de passages in de toelichting waar daar nader op wordt ingegaan.
De transponeringstabel maakt onderdeel uit van de toelichting bij de implementatieregeling.
Aanwijzing 9.13. Implementatie door middel van bestaand recht
Indien een bindende EU-rechtshandeling implementatie behoeft en aan deze verplichting reeds uitvoering wordt gegeven door middel van bestaand recht, doet de eerstverantwoordelijke bewindspersoon onverwijld na het van kracht worden van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling mededeling in de Staatscourant van:
- a. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling;
- b. de bestaande nationale regelingen door middel waarvan reeds aan de te implementeren bindende EU-rechtshandeling wordt voldaan;
- c. de datum met ingang waarvan de te implementeren regeling in de Nederlandse rechtsorde van toepassing is dan wel vanaf welk tijdstip wijzigingen van de desbetreffende bepalingen van de bindende EU-rechtshandeling doorwerken in het Nederlandse recht;
- d. de in aanwijzing 9.12 bedoelde transponeringstabel.
Aanwijzing 9.14. Inschakeling wetgevingsafdelingen
Zij die deelnemen aan de voorbereiding van of de onderhandelingen over bindende EU-rechtshandelingen dragen er zorg voor dat de wetgevingsafdelingen van de betrokken ministeries daarbij worden ingeschakeld.
De inschakeling vindt plaats in een zo vroeg mogelijk stadium, doch uiterlijk bij de invulling van het in aanwijzing 9.15 bedoelde formulier.
Aanwijzing 9.15. BNC-fiches
Met betrekking tot een aan Nederland toegezonden voorstel voor een bindende EU-rechtshandeling vult het eerstverantwoordelijke ministerie op verzoek van de Werkgroep beoordeling nieuwe Commissievoorstellen het daarvoor bestemde fiche in.
Indien meer ministeries bij de uitvoering van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling zijn betrokken, geschiedt de invulling in overeenstemming met die ministeries.
De invulling geschiedt door of in overeenstemming met de wetgevingsafdeling van het voor de implementatie eerstverantwoordelijke ministerie.
De ingevulde formulieren berusten bij het secretariaat van de Werkgroep beoordeling nieuwe Commissievoorstellen.
Aanwijzing 9.16. Advisering over nieuwe voorstellen
Bij nieuwe voorstellen voor bindende EU-rechtshandelingen wordt door de eerstverantwoordelijke minister steeds bezien of er aanleiding is om ten behoeve van de bepaling van het Nederlandse standpunt adviescolleges en representatieve organisaties van belanghebbenden te raadplegen die de regering zou horen indien het regeringsvoorstellen betrof.
In beginsel wordt over het ontwerp van een implementatieregeling geen advies gevraagd of extern overleg gevoerd en wordt een zodanig ontwerp niet voorgepubliceerd, ter inzage gelegd of anderszins extern bekendgemaakt.
Aanwijzing 9.17. Implementatieplan
Indien vereist, wordt van een voorstel voor een EU-richtlijn door of in overeenstemming met de wetgevingsafdeling van het eerstverantwoordelijke ministerie een implementatieplan opgesteld, zo nodig samen met andere betrokken ministeries.
Het implementatieplan wordt uiterlijk binnen twee maanden na vaststelling van de desbetreffende EU-richtlijn bij de ICER-I ingediend.
Het implementatieplan geeft zo gedetailleerd mogelijk weer op welke wijze de betrokken EU-richtlijn zal worden geïmplementeerd.
Het eerstverantwoordelijke ministerie verwerkt de gegevens van het implementatieplan in de interdepartementale implementatiedatabase.
Aanwijzing 9.18. Tijdstip aanhangigmaking bij ministerraad
Indien voor implementatie van een bindende EU-rechtshandeling een algemene maatregel van bestuur nodig is, wordt het ontwerp daarvoor ten minste 9 maanden voor afloop van de implementatietermijn aan de ministerraad voorgelegd.
Indien voor implementatie van een bindende EU-rechtshandeling een wet nodig is, wordt een voorstel daarvoor ten minste 18 maanden voor afloop van de implementatietermijn aan de ministerraad voorgelegd.
In afwijking van het eerste of het tweede lid wordt het ontwerp respectievelijk het voorstel zo snel mogelijk doch uiterlijk 2 maanden na vaststelling van de bindende EU-rechtshandeling aan de ministerraad voorgelegd, indien de implementatietermijn bij vaststelling korter is dan 9 respectievelijk 18 maanden.
Aanwijzing 9.19. Notificatie van (ontwerp)implementatieregeling
Bij de voorbereiding en vaststelling van implementatieregelingen beziet het eerstverantwoordelijke ministerie steeds of Europese verplichtingen ertoe noodzaken de Europese Commissie van het ontwerp van de implementatieregeling dan wel van de vastgestelde implementatieregeling in kennis te stellen.
De notificatie van regelingen ter implementatie van EU-richtlijnen geschiedt elektronisch via het daartoe bestemde notificatiesysteem van de Europese Commissie.
De notificatie van regelingen ter implementatie van andere soorten bindende EU-rechtshandelingen geschiedt schriftelijk aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat de gegevens doorzendt aan de Europese Commissie en in voorkomende gevallen tevens aan de Raad van de Europese Unie.
Door middel van de notificatie wordt de Europese Commissie in kennis gesteld van:
- a. de daartoe voorgenomen of vastgestelde implementatieregelingen en de bijbehorende transponeringstabel(len);
- b. de bestaande nationale regelingen die reeds aan de te implementeren bindende EU-rechtshandeling voldoen;
- c. de datum met ingang waarvan de regelingen ter omzetting van de te implementeren bindende EU-rechtshandeling in de Nederlandse rechtsorde van toepassing zijn, of met ingang waarvan de effectieve werking ervan verzekerd is.
Afkortingen
| amvb | algemene maatregel van bestuur |
|---|---|
| Awb | Algemene wet bestuursrecht |
| BW | Burgerlijk Wetboek |
| CBb | College van Beroep voor het bedrijfsleven |
| CRvB | Centrale Raad van Beroep |
| ECLI | European Case Law Identifier |
| EVRM | Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden |
| HR | Hoge Raad |
| HvJ EG | Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen |
| HvJ EU | Hof van Justitie van de Europese Unie |
| IAK | Integraal Afwegingskader beleid en regelgeving |
| ICER-I | Interdepartementale Commissie Europees Recht – Implementatie |
| IVBPR | Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten |
| kb | koninklijk besluit |
| KCWJ | Kenniscentrum Wetgeving en Juridische Zaken |
| NJ | Nederlandse Jurisprudentie |
| PbEG | Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen |
| PbEU | Publicatieblad van de Europese Unie |
| Stb. | Staatsblad |
| Stcrt. | Staatscourant |
| Trb. | Tractatenblad |
| VEU | Verdrag betreffende de Europese Unie |
| VWEU | Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
| WarBES | Wet administratieve rechtspraak BES |
| Wrr | Wet raadgevend referendum |
Aanwijzing 5.74. In- en buitenwerkingstelling
Om aan te geven dat aan een regeling of een onderdeel daarvan tijdelijk gelding kan worden verleend of de gelding daarvan kan worden opgeschort wordt de term ‘in werking stellen’, respectievelijk ‘buiten werking stellen’, gebruikt.
Toelichting
Met name in noodwetgeving komt het voor dat een regeling of regelingsonderdeel tijdelijk in of buiten werking gesteld moet kunnen worden. Het is niet wenselijk dat te regelen door middel van de inwerkingtreding daarvan. Van nog niet in werking getreden (onderdelen van) regelingen wordt in beginsel de tekst niet getoond in het Basiswettenbestand, terwijl bovendien onduidelijkheden optreden hoe zo’n regeling of regelingsonderdeel vervolgens weer gedeactiveerd moet worden en op een later moment weer in werking gesteld moet worden.
Voorbeeld
-
- Indien de beperkte noodtoestand is afgekondigd, worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor Nederland of een gedeelte daarvan bepalingen in werking gesteld die voorkomen op de bij deze wet behorende lijst A.
-
- Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het in het eerste lid bedoelde besluit in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
(Artikel 7 van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden)
Aanwijzing 5.75. Bijzondere vormen van bekendmaking
Indien bij of krachtens de wet wordt voorzien in de mogelijkheid om bekendmaking van daarop gebaseerde regelingen of besluiten in bijzondere gevallen te laten plaatsvinden in een andere vorm of op een andere wijze of locatie dan gebruikelijk, wordt daarbij eveneens bepaald dat deze regelingen of besluiten tevens zo spoedig mogelijk op de reguliere wijze worden gepubliceerd, met vermelding van de wijze waarop de bekendmaking heeft plaatsgevonden alsmede de datum en in voorkomend geval het tijdstip daarvan.
Toelichting
Deze aanwijzing ziet op de situatie dat in regelgeving de mogelijkheid wordt geboden om de bekendmaking van regelingen of besluiten in bijzondere omstandigheden, veelal met het oog op de snelheid daarvan, te laten plaatsvinden in een andere dan de gebruikelijke vorm of op een andere wijze of locatie. Daarbij valt te denken aan bekendmaking via de media in plaats van door plaatsing in de Staatscourant of het Staatsblad, door plaatsing van het besluit op een ander dan het gebruikelijke webadres, of door uitgifte in papieren vorm. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet dieren en artikel 3 van de Bekendmakingsregeling. Deze andere wijze van bekendmaken biedt veelal minder garanties over het behoud en de toegankelijkheid van deze bekendmaking op langere termijn. Daarom dient de bekendmaking van zo’n regeling of besluit gevolgd te worden door publicatie op de reguliere wijze. Omdat de eerste publicatie formeel geldt als moment van bekendmaking, dient de tweede publicatie de informatie daarover te vermelden.
Hoofdstuk 6. Wijziging en intrekking van regelingen
§ 6.1. Algemene uitgangspunten
§ 6.2. Wijziging van regelingen
§ 6.3. Intrekken en vervallen van regelingen
§ 6.3. Intrekken en vervallen van regelingen
Hoofdstuk 7. Procedures
§ 7.1. Interdepartementale voorbereiding
Aanwijzing 7.5a. Regeldruktoets
-
- In de toelichting bij een regeling worden de gevolgen van de regeling voor de regeldruk uiteengezet en gekwantificeerd.
-
- De wijze waarop de gevolgen voor de regeldruk in de toelichting zijn weergegeven wordt getoetst door het Adviescollege toetsing regeldruk.
Toelichting
Eerste lid. Zie ook aanwijzing 4.45.
Tweede lid. Zie voor de wijze van toetsing het Instellingsbesluit Adviescollege toetsing regeldruk.
Aanwijzing 7.5b. Toetsing grote ICT-projecten
Bij een regeling met een ICT-component van ten minste € 5.000.000 wordt advies gevraagd aan het Adviescollege ICT-toetsing.
Toelichting
Ingevolge het Instellingsbesluit Adviescollege ICT-toetsing dienen ICT-projecten met een ICT-component van ten minste € 5.000.000 van de ministeries, publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikel 4 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, de politie of de Raad voor de rechtspraak voorgelegd te worden aan het Adviescollege ICT-toetsing teneinde een advies te verkrijgen over de risico’s en slaagkans, alsmede een oordeel over de mate van beheersbaarheid daarvan. Het adviestraject leidt tot een openbaar advies.
§ 7.3. Advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State
Hoofdstuk 8. Voorbereiding, goedkeuring en implementatie van verdragen
§ 7.5. Behandeling van initiatiefvoorstellen van wet
§ 8.3. Voorbereiding van wetgeving inzake goedkeuring en implementatie
§ 8.5. Bewaring en bekendmaking
§ 8.4. Behandeling in de (rijks)ministerraad
Hoofdstuk 9. Voorbereiding, totstandkoming en implementatie van bindende EU-rechtshandelingen
§ 9.1. Begripsbepaling en toepassingsbereik
§ 8.7. Totstandbrenging van binding
§ 9.3. Voorbereiding van procedures bij implementatie
Afkortingen
| amvb | algemene maatregel van bestuur |
|---|---|
| AVG | Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119)) |
| Awb | Algemene wet bestuursrecht |
| BW | Burgerlijk Wetboek |
| CBb | College van Beroep voor het bedrijfsleven |
| CRvB | Centrale Raad van Beroep |
| ECLI | European Case Law Identifier |
| EVRM | Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden |
| HR | Hoge Raad |
| HvJ EG | Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen |
| HvJ EU | Hof van Justitie van de Europese Unie |
| IAK | Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving |
| ICER-I | Interdepartementale Commissie Europees Recht – Implementatie |
| IVBPR | Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten |
| kb | koninklijk besluit |
| KCBR | Kenniscentrum voor beleid en regelgeving |
| NJ | Nederlandse Jurisprudentie |
| PbEG | Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen |
| PbEU | Publicatieblad van de Europese Unie |
| Stb. | Staatsblad |
| Stcrt. | Staatscourant |
| Trb. | Tractatenblad |
| VEU | Verdrag betreffende de Europese Unie |
| VWEU | Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
| WarBES | Wet administratieve rechtspraak BES |
Aanwijzing 4.4a. Vermelding KetenID
Indien beschikbaar wordt onder het opschrift van een regeling tussen haken het KetenID vermeld.
Toelichting
De vermelding van het KetenID stelt de lezer in staat om via de Wetgevingskalender relevante informatie met betrekking tot het voorstel te vinden, zoals het advies van de Afdeling advisering en het nader rapport. Het KetenID wordt ontleend aan het interdepartementale wetgevingsinformatiesysteem Kiwi, waarin de meeste regelgeving in wording is opgenomen vanaf de ontwerpfase. Informatie over deze regelgeving in wording wordt aangeboden op de Wetgevingskalender.
Ten behoeve van geautomatiseerde herkenning van dit kenmerk wordt het KetenID weergegeven in de vorm WGK[nnnnnn], waarbij een nummer van minder dan zes cijfers waar nodig van voorloopnullen wordt voorzien.
Voorbeelden
- –. Wet: Wijziging van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES in verband met het toekennen van preferentie aan de verschuldigde uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en in de kosten van levensonderhoud en studie van jong meerderjarigen (KetenID WGK012963)
- –. Algemene maatregel van bestuur: Besluit van [...], houdende regels ter uitvoering van de Wet toetreding zorgaanbieders (Uitvoeringsbesluit Wtza) (KetenID WGK008987) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg, van [...], kenmerk [...], gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
- –. Ministeriële regeling: Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties [PM] 2022, nr. CZW/S&B/...., houdende nadere eisen en regels voor het verlenen van een toelating voor publieke en private identificatiemiddelen (Regeling nadere eisen identificatiemiddelen, authenticatiediensten en machtigingsdiensten Wdo) (KetenID WGK010753)
§ 4.3. Considerans
§ 4.7. Slotformulier
§ 4.8. Ondertekening
Hoofdstuk 5. Bijzondere bestanddelen van regelingen
§ 5.1. Begripsbepalingen
§ 5.6. Overgang van rechten krachtens publiekrecht
§ 5.7. Regels betreffende goederen, keuringen en diensten
Aanwijzing 5.34a. Afwijking openbaarheidsregime Wet open overheid
Indien er zwaarwegende redenen zijn om af te wijken van het openbaarheidsregime van de Wet open overheid, wordt de afwijking in de bijlage bij die wet vermeld.
Voor het wijzigen van de bijlage bij de Wet open overheid wordt het volgende voorbeeld als uitgangspunt gebruikt:
In de bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:
- –. Waterschapswet: de artikelen 37 en 43.
Toelichting
De Wet open overheid (Woo) bevat regels voor de openbaarheid van overheidsinformatie. Het uitgangspunt is dat de Woo van toepassing is, tenzij op grond van de bijlage bij de Woo een bijzonder openbaarheidsregime van toepassing is dat in een bijzondere wet is neergelegd. Dit volgt uit artikel 8.8 Woo en de daarbij behorende bijlage. Een uitzondering op het openbaarheidsregime van de Woo is alleen mogelijk op het niveau van de wet en slechts in geval van zwaarwegende redenen (zie ook aanwijzing 2.46). Daarbij moet altijd eerst overwogen worden of de uitzonderingsgronden in de Woo toereikend zijn om de gewenste beperking van de openbaarheid te realiseren. Ter beoordeling hiervan vindt afstemming plaats met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Met het oog op de kenbaarheid en eenheid van wetgeving is het van belang dat een uitzondering op de Woo wordt geregeld in de bijlage bij artikel 8.8 Woo. Het volstaat om in die bijlage de artikelen uit de wet te noemen waarin het bijzondere openbaarheidsregime is neergelegd en waarmee dus wordt afgeweken van het algemene openbaarheidsregime van de Woo. Het wetsvoorstel waarin de uitzondering op de Woo wordt geregeld dient in de consultatiefase te worden voorgelegd aan het Adviescollege openbaarheid en informatiehuishouding (dit volgt uit artikel 7.2, derde lid, Woo).
§ 5.9. Toezicht op de naleving en opsporing
§ 5.10. Sancties
§ 5.13. Evaluatiebepaling
§ 5.14. Overgangsrecht
§ 5.15. Samenloop van wetsvoorstellen
§ 5.16. Tijdelijke regelingen
§ 5.17. Bijzondere vormen van geldingsmomenten en bekendmaking
Aanwijzing 5.74a. Toepassingsmoment
Indien het noodzakelijk is om te regelen dat een regeling of regelingsonderdeel niet direct bij inwerkingtreding zal gelden voor één of meer categorieën van gevallen wordt dit tot uitdrukking gebracht door een afwijkend moment vast te stellen met ingang waarvan die regeling of dat onderdeel van toepassing wordt voor de desbetreffende categorie.
Een wet kan bepalen dat een daarin aangewezen toepassingsmoment bij koninklijk besluit wordt vastgesteld.
Eerste lid. Voorkomen moet worden dat voor verschillende categorieën verschillende inwerkingtredingsmomenten van een regeling worden vastgesteld (zie aanwijzing 4.14). Normaliter is een regeling of regelingsonderdeel algemeen toepasselijk vanaf het moment van inwerkingtreding daarvan. Indien het noodzakelijk is van deze hoofdregel af te wijken door voor een of meer categorieën van gevallen een later toepassingsmoment vast te stellen, krijgt een in werking getreden regeling(selement) uitgestelde werking ten aanzien van die gevallen waarvoor het toepassingsmoment nog niet is bereikt. Deze figuur kan met name bruikbaar zijn bij de implementatie van Europese regelgeving waarin verschillende data van toepassing zijn vastgesteld voor verschillende categorieën van gevallen.
Indien bij een wijziging van regelgeving een later toepassingsmoment van de nieuwe regeling moet gelden voor een categorie van gevallen, kan ook door middel van overgangsrecht uitgestelde werking aan de nieuwe regeling worden verleend voor de aangewezen categorie (zie aanwijzing 5.64).
Tweede lid. Deze figuur is vergelijkbaar met de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding bij afzonderlijk koninklijk besluit.
- –. Deze wet is van toepassing met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende categorieën van inrichtingen verschillend kan worden vastgesteld.
Aanwijzing 5.76. Bekendmaking bijlagen via ander algemeen toegankelijk elektronisch medium
Een wet, algemene maatregel van bestuur, ministeriële regeling of beleidsregel kan na voorafgaande instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepalen dat een daarbij behorende bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een in die wet, algemene maatregel van bestuur, ministeriële regeling of beleidsregel aangewezen ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, indien:
- a. de bijlage wegens aard of omvang niet geschikt is voor publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant; en
- b. de kenbaarheid voor de direct bij de regeling betrokken personen op die wijze voldoende verzekerd is.
Deze aanwijzing bevat criteria voor gebruikmaking van de uitzonderingsmogelijkheid die wordt geboden door artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet: bekendmaking door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, bijvoorbeeld de website van (een dienstonderdeel van) de rijksoverheid.
De in aanwijzing 3.50, tweede lid, neergelegde eisen aan de vorm en locatie van bekendmaking zijn in zo’n geval overigens van toepassing.
Blijkens de wetsgeschiedenis moet deze uitzondering terughoudend worden toegepast. Uit de term ‘bijlage’ volgt dat het bij de toepassing van artikel 7 van de Bekendmakingswet niet kan gaan om het gehele algemeen verbindend voorschrift of de gehele beleidsregel. Voorbeelden zijn bepaalde afbeeldingen, (digitale) maquettes en film- of geluidsbestanden die door hun aard niet in de voor het Staatsblad en de Staatscourant geldende standaarden passen of bestanden die door hun omvang slechts tegen hoge kosten en inspanning in die standaard te brengen zijn (zie Kamerstukken II 2018/19, 35 218, nr. 3, p. 41). Om te bewaken dat artikel 7 terughoudend wordt toegepast, is in dat artikel de figuur opgenomen van de instemming door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Omdat de uitzondering in de bekend te maken publicatie dient te worden opgenomen, zal die instemming voorafgaand aan de vaststelling moeten worden verkregen. Bij wetten en algemene maatregelen van bestuur wordt de instemming van de ministerraad met het voorstel van wet onderscheidenlijk het ontwerpbesluit geacht de instemming in te houden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de publicatie door middel van het aangewezen andere algemeen toegankelijk elektronisch medium.
Het bepalen dat een bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium, geschiedt door middel van een bepaling in het lichaam van de regeling zelf, en wordt naar die bepaling verwezen in het slotformulier: zie aanwijzing 4.32. Wanneer de in de regeling aangegeven locatie moet worden aangepast, bijvoorbeeld omdat het internetadres wordt gewijzigd, dient dat ook te leiden tot wijziging van het aangegeven adres in die regeling.
Hoofdstuk 6. Wijziging en intrekking van regelingen
§ 6.2. Wijziging van regelingen
§ 6.4. Wijziging van wetsvoorstellen
Hoofdstuk 7. Procedures
Aanwijzing 7.11a. Uitgestelde openbaarmaking
Een beslissing als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de Wet open overheid, tot het uitstellen van de openbaarmaking van een ontwerpregeling, de bijbehorende adviesaanvraag en het daarop betrekking hebbende advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, wordt slechts genomen met machtiging van de ministerraad.
De Woo voorziet in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, in een uitzondering op de hoofdregel dat ontwerpregelingen waarover advies wordt gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State, zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen een termijn van twee weken actief openbaar worden gemaakt. Deze uitzondering geldt tevens voor de openbaarmaking van het uitgebrachte advies, waarvoor als hoofdregel eveneens een tweewekentermijn geldt (deze hoofdregel vloeit thans voort uit artikel 10.2b Woo, dat voorziet in overgangsrecht zolang artikel 3.3, tweede lid, Woo inzake actieve openbaarmaking nog niet in werking is getreden). De mogelijkheid om de openbaarmaking uit te stellen is uitsluitend bedoeld voor situaties waarin openbaarmaking conform de tweewekentermijn afbreuk zou doen aan een met de regeling beoogd doel. In de parlementaire geschiedenis van de Woo genoemde voorbeelden zijn de Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius en fiscale wetten die anticiperend gedrag kunnen uitlokken. Een dergelijke situatie zal zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen.
De beslissing om de openbaarmaking van de genoemde stukken uit te stellen behoort primair tot de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon. Van belang is dat aan deze beslissing een zorgvuldige afweging voorafgaat. Daarbij dient afstemming plaats te vinden met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Voor het voorstel aan de ministerraad om deze uitzondering uit de Woo toe te passen kan worden volstaan met het ontwerp van de brief van de verantwoordelijke minister aan de vice-president van de Raad van State waarin gemotiveerd kennis wordt gegeven van de uitgestelde openbaarmaking. Deze brief wordt in concept aan de ministerraad voorgelegd.
Artikel 3.3, vijfde lid, onder a, Woo is eveneens van toepassing op eventuele adviesaanvragen voorafgaand aan adviesaanvragen aan de Afdeling advisering. In die fase is geen instemming van de ministerraad noodzakelijk. In dergelijke gevallen zal echter als genoemde bepaling aan de orde is, terughoudend worden omgegaan met andere formele adviesaanvragen dan het wettelijk verplichte advies van de Afdeling advisering.
Hoofdstuk 8. Voorbereiding, goedkeuring en implementatie van verdragen
§ 8.2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties
Hoofdstuk 9. Voorbereiding, totstandkoming en implementatie van bindende EU-rechtshandelingen
§ 9.2. Algemene uitgangspunten bij implementatie
§ 9.3. Voorbereiding van procedures bij implementatie
Afkortingen
| amvb | algemene maatregel van bestuur |
|---|---|
| AVG | Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) |
| Awb | Algemene wet bestuursrecht |
| BW | Burgerlijk Wetboek |
| CBb | College van Beroep voor het bedrijfsleven |
| CRvB | Centrale Raad van Beroep |
| ECLI | European Case Law Identifier |
| EVRM | Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden |
| HR | Hoge Raad |
| HvJ EG | Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen |
| HvJ EU | Hof van Justitie van de Europese Unie |
| ICER-I | Interdepartementale Commissie Europees Recht – Implementatie |
| IVBPR | Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten |
| kb | koninklijk besluit |
| KCBR | Kenniscentrum voor beleid en regelgeving |
| NJ | Nederlandse Jurisprudentie |
| PbEG | Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen |
| PbEU | Publicatieblad van de Europese Unie |
| Stb. | Staatsblad |
| Stcrt. | Staatscourant |
| Trb. | Tractatenblad |
| VEU | Verdrag betreffende de Europese Unie |
| VWEU | Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
| WarBES | Wet administratieve rechtspraak BES |
| Woo | Wet open overheid |
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)