Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft)
In afwijking van artikel 123, derde lid, kan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar tot ten hoogste veertig procent van de waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen beleggen in geregistreerde gedekte obligaties van een bepaalde uitgevende bank.
Artikel 124b
Vervallen
Artikel 124c
Vervallen
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen
§ 10.3. Samenstelling van de solvabiliteit van verzekeraars
§ 10.2. Gebruik van interne modellen
Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
Hoofdstuk 11. Liquiditeit
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Buitenlandse strafbepalingen
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
Wet op de economische delicten (WED):
Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Wetboek van Strafrecht:
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
2.1. Veroordelingen
Bijlage B. , behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c
Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:
-
- Rentecontracten:
- a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
- b. Basisswaps;
- c. Rentetermijncontracten;
- d. Rentefutures;
- e. Gekochte renteopties;
- f. Andere contracten van gelijke aard;
-
- Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
- a. Cross-currency renteswaps;
- b. Valutatermijncontracten;
- c. Valutafutures;
- d. Gekochte valutaopties;
- e. Andere contracten van gelijke aard;
- f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
-
- Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 64a
Vervallen
Artikel 64b
Vervallen
Artikel 64c
Vervallen
§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen
§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen
§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste
§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen
Hoofdstuk 10. Solvabiliteit
§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen
§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste
Hoofdstuk 10. Solvabiliteit
§ 9.4. Bijzondere bepalingen
Artikel 114a
De waarden, die tegenover de technische voorzieningen staan die door een entiteit voor risico-acceptatie als bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of artikel 3:68a, eerste lid, van de wet, worden aangehouden, zijn gelijk aan het bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd door de entiteit voor risico-acceptatie indien het gedekte risico zich voordoet.
Artikel 122a
De gegevens, bedoeld in artikel 3:267e, derde lid, van de wet zijn:
- a. het herverzekeringscontract inclusief bijlagen, waaronder een toelichting van de wijze waarop de vordering van de cederende verzekeraar op de andere verzekeraar wordt gewaardeerd;
- b. indien van toepassing, de zekerheidsovereenkomsten;
- c. informatie over de geografische locatie van de vordering van de cederende verzekeraar op de andere verzekeraar en de daarmee samenhangende zekerheden;
- d. een onderbouwing van de toereikendheid van het risicobeheer ten aanzien van de herverzekering;
- e. een analyse van de kredietrisico’s betreffende de herverzekering;
- f. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of zij na herverzekering gebruik kan maken van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:137;
- g. een opinie van de risicobeheerfunctie van de verzekeraar over de mate waarin de verzekeraar in staat is om aan de voorwaarden met betrekking tot de herverzekering als bedoeld in dit artikel en artikel 3:267e van de wet, te voldoen.
Artikel 122b
De technische voorzieningen van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 122 worden gedekt door:
- a. de volgende beleggingen:
- 1°. obligaties en andere geld- en kapitaalmarktinstrumenten;
- 2°. leningen die geen obligaties zijn;
- 3°. aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen niet-rentedragende beleggingen;
- 4°. Rechten van deelneming in beleggingsfondsen en icbe’s;
- 5°. onroerende zaken, waaronder onroerende zaken voor eigen gebruik, alsmede zakelijke rechten op onroerende zaken; en
- 6°. afgeleide financiële instrumenten, voor zover deze worden gebruikt om het beleggingsrisico te beperken of een efficiënt portefeuillebeheer mogelijk te maken;
- b. de volgende vorderingen:
- 1°. vorderingen op herverzekeraars, met inbegrip van het aandeel van herverzekeraars in de technische voorzieningen, en verhaalbare bedragen op entiteiten voor risico-acceptatie;
- 2°. deposito’s en vorderingen uit hoofde van herverzekering;
- 3°. vorderingen op verzekeringnemers en tussenpersonen uit hoofde van verzekeringen en herverzekeringen, voor zover binnen negentig dagen opeisbaar;
- 4°. vorderingen van een schadeverzekeraar uit hoofde van verhaalsrecht of subrogatie;
- 5°. voorschotten op polissen van een levensverzekeraar;
- 6°. belastingtegoeden; en
- 7°. vorderingen op garantiefondsen; en
- c. de volgende andere activa:
- 1°. materiële vaste activa, andere dan onroerende zaken;
- 2°. liquide middelen en deposito’s bij banken of bij buitenlandse andere instellingen die vergunning hebben om deposito’s te ontvangen;
- 3°. overlopende acquisitiekosten;
- 4°. lopende interest en huur en andere overlopende posten; en
- 5°. zakelijke rechten waarvan het genot is uitgesteld.
Indien beleggingen van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar worden beheerd door een dochteronderneming van die verzekeraar, wordt voor de toepassing van het eerste lid uitgegaan van de activa in het bezit van deze dochteronderneming.
De Nederlandsche Bank kan in individuele gevallen besluiten dat de waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor de toepassing van dit besluit tegen een lager bedrag worden gewaardeerd.
§ 10.4. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste
Hoofdstuk 11. Liquiditeit
§ 10.2. Gebruik van interne modellen
§ 10.4. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste
Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer
Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer
Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties worden ook verstaan transacties in het buitenland met de terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Wetboek van Strafrecht:
Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
Wet wapens en munitie:
Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.
Wet op de economische delicten (WED):
Bijlage B. , behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c
Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:
-
- Rentecontracten:
- a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
- b. Basisswaps;
- c. Rentetermijncontracten;
- d. Rentefutures;
- e. Gekochte renteopties;
- f. Andere contracten van gelijke aard;
-
- Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
- a. Cross-currency renteswaps;
- b. Valutatermijncontracten;
- c. Valutafutures;
- d. Gekochte valutaopties;
- e. Andere contracten van gelijke aard;
- f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
-
- Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 3a
De hoofdstukken 9 en 10 zijn niet van toepassing op betaalinstellingen:
- a. voor zover zij uitsluitend in Nederland betaaldiensten verlenen als bedoeld onder 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten;
- b. waarvan het gemiddelde van het totale bedrag van de betalingstransacties die zij de voorafgaande twaalf maanden hebben verricht, met inbegrip van die van agenten waarvoor zij volledig aansprakelijk zijn, niet hoger is dan € 3.000.000 per maand; en
- c. waarvan geen van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen personen zijn met antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdelen a, b en d, voor zover deze betrekking hebben op het witwassen van geld, terrorismefinanciering of vermogensmisdrijven of als misdrijf aangemerkte overtredingen van financiële toezichtswetgeving.
Een betaalinstelling als bedoeld in het eerste lid stelt de Nederlandsche Bank in kennis van elke verandering in zijn situatie die relevant is voor het naleven van de in het eerste lid gestelde voorschriften.
Indien een betaaldienstverlener zijn werkzaamheden niet gedurende de gehele periode van de voorafgaande twaalf maanden heeft verricht, kan voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, worden uitgegaan van een programma van werkzaamheden waarin naar het oordeel van de Nederlandsche Bank een reële begroting van het totale bedrag aan betalingstransacties is opgenomen.
Hoofdstuk 2. Betrouwbaarheid
Hoofdstuk 3. Integere uitoefening van het bedrijf
Hoofdstuk 4. Beheerste uitoefening van het bedrijf
§ 4.1. Algemene aspecten van de bedrijfsvoering
§ 4.2. Risicomanagement
Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden
Artikel 27a
Indien een betaalinstelling voornemens is werkzaamheden in verband met het verlenen van betaaldiensten uit te besteden, stelt zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis.
Een betaalinstelling deelt de Nederlandse Bank onverwijld elke wijziging mee met betrekking tot het gebruik van entiteiten waaraan werkzaamheden worden uitbesteed en, in overeenstemming met artikel 2:3c, tweede lid, van de wet, van het gebruik van betaaldienstagenten.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen.
Artikel 27b
Bij de uitbesteding van werkzaamheden in verband met het verlenen van betaaldiensten draagt de betaalinstelling er zorg voor dat uitbesteding de verplichtingen van de betaalinstelling jegens haar cliënten en de rechten van haar cliënten uit hoofde van de wet of Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet wijzigt.
Artikel 32a
Dit hoofdstuk is, met uitzondering van artikel 27a, slechts van toepassing op het uitbesteden van werkzaamheden door betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen voor zover het belangrijke werkzaamheden betreft.
Een werkzaamheid wordt als belangrijk aangemerkt indien een gebrekkige of tekortschietende uitvoering ervan wezenlijk afbreuk zou doen aan de naleving door de betaalinstelling van de vergunningsvereisten, als bedoeld in artikel 2:3b van de wet, of van andere verplichtingen ingevolge de wet of Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel aan haar financiële resultaten of de soliditeit of continuïteit van haar betaaldiensten.
Een werkzaamheid wordt als belangrijk aangemerkt indien een gebrekkige of tekortschietende uitvoering ervan wezenlijk afbreuk zou doen aan de naleving door de elektronischgeldinstelling van de vergunningvereisten, genoemd in artikel 2:10b van de wet, dan wel aan haar financiële resultaten of de soliditeit of continuïteit van haar dienstverlening ter zake van de uitgifte van elektronisch geld.
Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden
Artikel 32b
Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling geeft onverwijld schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van een wijziging in de ingevolge artikel 2:3b, tweede lid, van de wet respectievelijk ingevolge artikel 2:10b, tweede lid, van de wet verstrekte gegevens met betrekking tot:
- a. de activiteiten die de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling voornemens is te verrichten;
- b. het bedrijfsplan waarmee wordt aangetoond dat de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling in staat is gebruik te maken van passende en evenredige systemen, middelen en procedures om op een gezonde basis te opereren;
- c. de identiteit van personen die, direct of indirect, gekwalificeerde deelnemingen als bedoeld in artikel 1 van de wet in de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling bezitten, alsmede de omvang van hun deelnemingen en het bewijs van hun geschiktheid;
- d. indien van toepassing, de accountantsorganisatie of het auditkantoor, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, belast met de wettelijke controle bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn nr. 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PbEU L 157) van de jaarrekening van de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling;
- e. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:8 van de wet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de personen die het dagelijks beleid bepalen;
- f. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9 van de wet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen of onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken;
- g. het voorgenomen beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening, bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, van de wet;
- h. de inrichting van de bedrijfsvoering met betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsuitoefening, bedoeld in artikel 3:17, eerste en tweede lid, van de wet;
- i. de wijze waarop wordt voldaan aan het ingevolge artikel 3:29a van de wet bepaalde met betrekking tot de geldmiddelen die worden of zijn ontvangen van betaaldienstgebruikers of betaaldienstverleners en met betrekking tot de geldmiddelen die worden of zijn ontvangen in ruil voor elektronisch geld dat is uitgegeven; en
- j. het eigen vermogen, bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet.
Bij de toepassing van het eerste lid, onderdelen h en i, geeft de betaalinstelling een beschrijving van de wijzigingen in de regelingen voor accountantscontrole en de organisatorische regelingen die hij heeft getroffen voor het nemen van alle redelijke maatregelen om de belangen van zijn gebruikers te beschermen en om de continuïteit en betrouwbaarheid bij het uitvoeren van betaaldiensten te garanderen.
Het eerste lid, onderdeel f, is niet van toepassing indien de wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld, tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat een redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe beoordeling als bedoeld in artikel 3:9, tweede lid, van de wet.
Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden
Artikel 40a. Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:29a en 3:29c, derde lid, van de wet
Een betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:29a, eerste lid, van de wet en die betaaldiensten verleent als bedoeld onder 1 tot en met 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten, stelt geldmiddelen die zijn ontvangen van betaaldienstgebruikers of andere betaaldienstverleners voor de uitvoering van betalingstransacties op een van de volgende wijzen veilig:
- a. de geldmiddelen worden niet vermengd met de geldmiddelen van andere schuldeisers van de betaalinstelling; of
- b. de geldmiddelen worden gedekt door een verzekeringspolis of een vergelijkbare garantie van een verzekeraar of een bank die niet tot dezelfde groep behoort als de betaalinstelling, tegen het risico dat de betaalinstelling niet in staat is haar verplichtingen met betrekking tot de geldmiddelen na te komen, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij het ontbreken van de verzekeringspolis of vergelijkbare garantie.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, aanhef en onderdeel a, en de geldmiddelen aan het einde van de werkdag, volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen, nog niet aan de betalingsbegunstigde of aan een andere betaaldienstaanbieder zijn overgemaakt, worden zij op een afzonderlijke rekening gestort bij een bank of bij een centrale bank na goeddunken van die centrale bank, of belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, op zodanige wijze dat andere schuldeisers van de betaalinstelling, in het bijzonder in het geval van insolventie van de betaalinstelling, hun vorderingen niet op deze geldmiddelen kunnen verhalen.
Voor de toepassing van het tweede lid zijn veilige activa met een lage risicograad activa die vallen in een van de categorieën opgenomen in artikel 336, eerste lid, tabel 1, van de verordening kapitaalvereisten waarvoor het kapitaalvereiste voor het specifieke risico niet hoger ligt dan 1,6%, terwijl andere in aanmerking komende activa, als bedoeld in artikel 336, vierde lid, van de verordening, worden uitgesloten.
Voor de toepassing van het tweede lid zijn veilige activa met een lage risicograad eveneens deelnemingsrechten in een instelling voor collectieve belegging in effecten (ICBE) die enkel investeert in activa zoals gespecificeerd in de eerste alinea.
In buitengewone omstandigheden en wanneer dit voldoende gemotiveerd is, mogen de bevoegde autoriteiten, op basis van een evaluatie van de veiligheid, de looptijd, de waarde of andere risicofactoren van de activa zoals gespecificeerd in de eerste en tweede alinea, bepalen welke van deze activa geen veilige activa met een lage risicograad zijn voor de toepassing van het tweede lid.
Indien het deel van de geldmiddelen dat bestemd is voor toekomstige betalingstransacties niet bekend of variabel is, is het de betaalinstellingen toegestaan om het eerste lid uitsluitend toe te passen op een representatief gedeelte dat geacht wordt voor betalingsdiensten te worden gebruikt. Dit representatieve gedeelte moet redelijkerwijs kunnen worden geraamd op basis van historische gegevens.
Een betaalinstelling die betaaldiensten verleent als bedoeld onder 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten houdt op geen enkel moment de met het aanbieden van de betaalinitiatiedienst verband houdende geldmiddelen van de betaler aan.
Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen als bedoeld in artikel 3:29a, eerste lid, van de wet.
Artikel 40b
Een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:29a, tweede lid, van de wet, stelt de middelen die zij ontvangt in ruil voor elektronisch geld dat is uitgegeven, veilig op het moment dat deze gelden ter beschikking komen van de elektronischgeldinstelling doch uiterlijk vijf werkdagen na uitgifte van het elektronisch geld.
De financiële onderneming stelt chartale of girale gelden die zij ontvangt in ruil voor elektronisch geld op een van de volgende wijzen veilig:
- a. de gelden worden niet vermengd met de geldmiddelen van andere schuldeisers van de elektronischgeldinstelling;
- b. de gelden worden gedekt door een verzekeringspolis of een vergelijkbare garantie van een verzekeraar of een bank die niet tot dezelfde groep behoort als de elektronischgeldinstelling, tegen het risico dat de elektronischgeldinstelling niet in staat is haar verplichtingen met betrekking tot de gelden na te komen, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij het ontbreken van de verzekeringspolis of vergelijkbare garantie.
Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, aanhef en onderdeel a, worden de ontvangen gelden op een afzonderlijke rekening gestort bij een bank of belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, op zodanige wijze dat andere schuldeisers van de elektronischgeldinstelling, in het bijzonder in het geval van insolventie van de elektronischgeldinstelling, hun vorderingen niet op deze gelden kunnen verhalen.
Voor de toepassing van het derde lid is artikel 40a, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van het tweede en derde lid is artikel 40a, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen betaaldiensten en verlenen krediet door betaalinstellingen
Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland
Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij en centrale effectenbewaarinstelling
§ 4.6. Bijzondere bepalingen voor betaaldienstverleners
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen
Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens
§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen
Artikel 60a
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een betaalinstelling, met uitzondering van een betaalinstelling die alleen betaalinitiatiediensten of rekeninginformatiediensten aanbiedt, wordt berekend met toepassing van met de Nederlandsche Bank overeengekomen methode A, B of C, bedoeld in bijlage B bij dit besluit.
In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank indien een evaluatie van de risicobeheersingsprocessen, het verzamelen en vastleggen van risicoverliesgegevens en het interne controlesysteem en het bedrijfscontinuïteitsbeheer van de betaalinstelling daartoe aanleiding geeft, de betaalinstelling verplichten een toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20% hoger is dan het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van een uit bijlage B gekozen methode, of de betaalinstelling toestaan een toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20% lager is dan het bedrag dat het resultaat is van de uit bijlage B gekozen methode.
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen
§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste
§ 10.1. Minimumomvang solvabiliteit
Hoofdstuk 11. Liquiditeit
§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit
§ 10.4. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste
§ 10.5. Aanhouden van balansposten en posten buiten de balanstelling
§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer
§ 12.3. De waarden die dienen tot dekking van de verplichtingen die voortvloeien uit werknemersvorderingen
Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer
Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
Hoofdstuk 11. Liquiditeit
Artikel 140a. Bepaling ter uitvoering van artikel 3:111b van de wet
De gegevens, bedoeld in artikel 3:111b, eerste lid, van de wet zijn:
- a. een opgave van de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer en emailadres van de betaaldienstagent;
- b. een beschrijving van de interne controlemechanismen die door de betaaldienstagent zullen worden gebruikt om de in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme neergelegde verplichtingen na te komen; en
- c. de identiteit van de bestuurders en de personen die verantwoordelijk zijn voor het beleid van de betaaldienstagent die bij het aanbieden van betaaldiensten wordt gebruikt, alsmede gegevens waaruit blijkt dat zij betrouwbaar en deskundig zijn;
- d. de betaaldiensten die de betaaldienstagent namens de betaalinstelling verleent; en
- e. voor zover van toepassing, de unieke identificatiecode of het unieke identificatienummer van de betaaldienstagent.
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen
Bijlage A. behorend bij artikel 6
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
Opiumwet:
Algemene wet inzake de rijksbelastingen (AWR):
Invorderingswet 1990
Wet wapens en munitie:
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
1.1. Veroordelingen
Invorderingswet 1990
Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.
2.1. Veroordelingen
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Wetboek van Strafrecht:
Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, zoals blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is (geweest) bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten wordt ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c
Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:
-
- Rentecontracten:
- a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
- b. Basisswaps;
- c. Rentetermijncontracten;
- d. Rentefutures;
- e. Gekochte renteopties;
- f. Andere contracten van gelijke aard;
-
- Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
- a. Cross-currency renteswaps;
- b. Valutatermijncontracten;
- c. Valutafutures;
- d. Gekochte valutaopties;
- e. Andere contracten van gelijke aard;
- f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
-
- Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
Opiumwet:
Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
1.1. Veroordelingen
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c
Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:
-
- Rentecontracten:
- a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
- b. Basisswaps;
- c. Rentetermijncontracten;
- d. Rentefutures;
- e. Gekochte renteopties;
- f. Andere contracten van gelijke aard;
-
- Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
- a. Cross-currency renteswaps;
- b. Valutatermijncontracten;
- c. Valutafutures;
- d. Gekochte valutaopties;
- e. Andere contracten van gelijke aard;
- f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
-
- Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 23f
De inrichting van de bedrijfsvoering van een onderneming of entiteit als bedoeld in de artikelen 23d, eerste of vijfde lid, of 23e, eerste of vierde lid, is in overeenstemming met het herstelplan en waarborgt dat het herstelplan zonder wezenlijke belemmeringen ten uitvoer kan worden gelegd, in ieder geval met betrekking tot:
- a. het risicoprofiel van de onderneming;
- b. de mogelijkheden tot tijdige herkapitalisatie;
- c. de strategie en structuur van de onderneming;
- d. de financieringsstrategie, teneinde de weerbaarheid van de kernbedrijfsonderdelen en kritieke functies te waarborgen; en
- e. de governancestructuur.
De bedrijfsvoering voorziet in een periodieke evaluatie van de indicatoren, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, voor het uitvoeren van in het herstelplan opgenomen maatregelen.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid.
§ 4.3. Vangnetregelingen
Artikel 26a
Een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 heeft, beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de voor de uitvoering van de vangnetregelingen noodzakelijke gegevens voortdurend actueel worden bijgehouden en adequaat zijn vastgelegd.
De financiële onderneming verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de Nederlandsche Bank binnen een door de Nederlandsche Bank te bepalen termijn en op een op de Nederlandsche Bank te bepalen wijze.
Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens
Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden
Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens
Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen
§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen
Hoofdstuk 6b. Geregistreerde gedekte obligaties
§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumbedrag van het garantiefonds
§ 10.2. Gebruik van interne modellen
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen
§ 10.3. Samenstelling van de solvabiliteit van verzekeraars
Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer
§ 10.2. Gebruik van interne modellen
§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling
Artikel 124d
Het beleggingsbeleid van een pensioenregeling die niet wordt beheerst door het recht van een lidstaat wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het land van herkomst van de regeling.
Artikel 124e
Het beleggingsbeleid van een pensioenregeling die wordt beheerst door het recht van een lidstaat wordt uitgevoerd overeenkomstig de volgende beginselen:
- a. beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5% van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10% van de portefeuille. Wanneer een groep van ondernemingen aan de premiepensioeninstelling bijdragen betaalt, geschieden beleggingen in deze bijdragende ondernemingen prudent, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie;
- b. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering;
- c. beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde markt, of een multilaterale handelsfaciliteit of een daarmee vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is toegelaten waarden worden tot een prudent niveau beperkt.
- d. beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze bijdragen aan een vermindering van het risicoprofiel of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. De premiepensioeninstelling vermijdt een bovenmatig risico met betrekking tot een en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen;
- e. de waarden worden naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent van waarden of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.
De eisen die zijn opgenomen in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en e, zijn niet van toepassing op beleggingen in staatsobligaties.
Onder waardering op marktwaarde bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn.
Leningen als bedoeld in artikel 3:267b, vierde lid, van de wet mogen slechts worden aangegaan voor een periode van niet langer dan een jaar.
Van een liquiditeitsdoelstelling als bedoeld in artikel 3:267b, vierde lid, van de wet is sprake als de premiepensioeninstelling tijdelijk niet kan voldoen aan zijn verplichtingen of de betreffende lening wordt aangegaan ter verbetering van het risicoprofiel van de premiepensioeninstelling.
§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit
Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage
§ 12.2. De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen
Artikel 131a
Vervallen
§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit
Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris
Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.
Algemene wet inzake de rijksbelastingen (AWR):
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
2.1. Veroordelingen
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Wetboek van Strafrecht:
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
Opiumwet:
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 26.0
De procedures en maatregelen van een premiepensioeninstelling ter beheersing van de relevante risico’s, bedoeld in artikel 23, derde lid, zijn gericht op de relevante risico’s waaraan de premiepensioeninstelling wordt of kan worden blootgesteld, alsmede op de risico’s voor de door de premiepensioeninstelling uitgevoerde pensioenregelingen, waarbij de onderlinge afhankelijkheden en relaties in acht worden genomen.
Tot de relevante risico’s voor een premiepensioeninstelling worden, in aanvulling op de risico’s, bedoeld in artikel 23, tweede lid, tevens gerekend:
- a. risico’s in verband met afgestemd beheer van activa en passiva;
- b. risico’s in verband met beleggingen, met name derivatencontracten, securitisaties en vergelijkbare overeenkomsten;
- c. risico’s in verband met verzekering en andere risicobeperkingstechnieken;
- d. bestaande of opkomende risico’s met betrekking tot het milieu, maatschappelijk verantwoord ondernemen of behoorlijk bestuur, waaronder risico’s op het gebied van klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen, maatschappelijke risico’s of risico’s in verband met waardevermindering van activa als gevolg van gewijzigde regelgeving; en
- e. de risico’s die de pensioendeelnemers, gewezen pensioendeelnemers of pensioengerechtigden dragen overeenkomstig de voorwaarden van de pensioenregeling, vanuit het oogpunt van de pensioendeelnemer of pensioengerechtigde.
Een premiepensioeninstelling draagt er zorg voor dat de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, tevens procedures omvatten voor het rapporteren van relevante risico’s door de risicobeheerfunctie aan het bestuur en, indien aanwezig, het toezichthoudend orgaan van de premiepensioeninstelling.
De premiepensioeninstelling evalueert het beleid, bedoeld in artikel 23, eerste lid, ten minste eenmaal per drie jaar en past het beleid in geval van een belangrijke wijziging op het gebied van het risicobeheer of met betrekking tot de overige onderdelen van de bedrijfsvoering zo spoedig mogelijk aan.
De premiepensioeninstelling draagt er zorg voor dat in de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa niet uitsluitend of mechanisch wordt uitgegaan van ratings, uitgegeven door een ratingbureau.
§ 4.3. Vangnetregelingen
Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden
Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risico’s
Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risico’s
Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen
Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij en centrale effectenbewaarinstelling
§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumbedrag van het garantiefonds
§ 9.4. Bijzondere bepalingen
§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste
Hoofdstuk 10. Solvabiliteit
§ 10.1. Minimumomvang solvabiliteit
§ 10.8. Aanhouden van balansposten en posten buiten de balanstelling
§ 10.4. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste
§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)