Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft)
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c
Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:
-
- Rentecontracten:
- a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
- b. Basisswaps;
- c. Rentetermijncontracten;
- d. Rentefutures;
- e. Gekochte renteopties;
- f. Andere contracten van gelijke aard;
-
- Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
- a. Cross-currency renteswaps;
- b. Valutatermijncontracten;
- c. Valutafutures;
- d. Gekochte valutaopties;
- e. Andere contracten van gelijke aard;
- f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
-
- Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.
Bijlage D
In deze bijlage worden, voor zover niet anders blijkt, begrippen gebruikt overeenkomstig richtlijn nr. 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking) (PbEU L 335)
-
- De balans met de beleggingen uitgesplitst naar categorie en de technische voorzieningen per line of business (zie de artikelen 75 t/m 82 van de richtlijn). (1) Balans – activa (1) Balans – verplichtingen en kernvermogen (1a) Beleggingen (anders dan activa die tegenover fractieverzekeringen staan) (1b) Technische Voorzieningen schade en zorg (niet vergelijkbaar met leven) (1c) Technische Voorzieningen – leven (1d) Technische voorzieningen – Zorg (vergelijkbaar met leven)
-
- Overzicht van het eigen vermogen – inclusief het aanvullend eigen vermogen – naar bestanddelen, de indeling in de drie tiers en de mate waarin het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste worden gedekt door die tiers (zie de artikelen 87 en 88 van de richtlijn) (2) Eigen vermogen
-
- Berekening van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 129 van de richtlijn en de bestanddelen daarvan en van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardbenadering met inbegrip van de modules, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de richtlijn en de ondermodules, bedoeld in artikel 105 van de richtlijn (3a) Minimumkapitaalvereiste (MKV) berekening (3b) Solvabiliteitskapitaalvereiste (SKV) (3c) Solvabiliteitskapitaalvereiste – marktrisico (3d) Solvabiliteitskapitaalvereiste – tegenpartijrisico (3e) Solvabiliteitskapitaalvereiste – levensverzekeringstechnisch risico (3f) Solvabiliteitskapitaalvereiste – schadeverzekeringstechnisch risico (3g) Solvabiliteitskapitaalvereiste – ziektekostenverzekeringstechnisch risico (3h) Solvabiliteitskapitaalvereiste – operationeel risico
-
- Resultaatanalyse (zie artikel 51, tweede lid, van de richtlijn) voor het boekjaar 2012, dat wil zeggen een verklaring van de ontwikkeling van het eigen vermogen (4) Toelichting resultaatanalyse
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 26l
De artikelen 26e tot en met 26k zijn van toepassing op betalingstransacties in alle valuta, waarbij één of de enige bij de betalingstransactie betrokken betaaldienstverlener zijn zetel in een lidstaat heeft, met betrekking tot de delen van de betalingstransactie die binnen een lidstaat worden uitgevoerd.
Artikel 26i
Een betaalinitiatiedienstverlener zorgt ervoor dat de persoonlijke beveiligingsgegevens van de betaaldienstgebruiker alleen toegankelijk zijn voor de gebruiker en de uitgever van de persoonlijke beveiligingsgegevens, en verzendt de persoonlijke beveiligingsgegevens op een veilige en efficiënte manier.
Een betaalinitiatiedienstverlener verstrekt iedere andere informatie over de betaaldienstgebruiker, die is verkregen bij het verstrekken van betaalinitiatiedienst, alleen aan de betalingsbegunstigde en alleen met de uitdrukkelijke instemming van de betaaldienstgebruiker.
Een betaalinitiatiedienstverlener identificeert zich bij elke betaalinitiatie ten overstaan van de rekeninghoudende betaaldienstverlener van de betaler en communiceert op een veilige manier met de rekeninghoudende betaaldienstverlener.
Een betaalinitiatiedienstverlener slaat geen gevoelige betaalgegevens van de betaaldienstgebruiker op.
Een betaalinitiatiedienstverlener vraagt uitsluitend gegevens op van de betaaldienstgebruiker die nodig zijn voor het verstrekken van de betaalinitiatiedienst.
Een betaalinitiatiedienstverlener gebruikt, verschaft zich toegang tot of slaat gegevens op, uitsluitend ten behoeve van de door de betaler uitdrukkelijk gevraagde betaalinitiatiedienst.
Een betaalinitiatiedienstverlener laat het bedrag, de betalingsbegunstigde of enig ander element van de transactie ongewijzigd.
Toepassing van dit artikel vindt plaats met inachtneming van de krachtens artikel 98 van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen.
Artikel 26j
Een rekeninginformatiedienstverlener verricht zijn diensten alleen met uitdrukkelijke instemming van de betaaldienstgebruiker.
Een rekeninginformatiedienstverlener zorgt ervoor dat de persoonlijke beveiligingsgegevens van de betaaldienstgebruiker alleen toegankelijk zijn voor de gebruiker en de uitgever van de persoonlijke beveiligingsgegevens, en verzendt de persoonlijke beveiligingsgegevens op een veilige en efficiënte manier.
Een rekeninginformatiedienstverlener identificeert zich bij elke communicatiesessie met de rekeninghoudende betaaldienstverlener van de betaaldienstgebruiker en communiceert op een veilige manier met de rekeninghoudende betaaldienstverlener en de betaaldienstgebruiker.
Een rekeninginformatiedienstverlener heeft uitsluitend toegang tot de informatie van de aangewezen betaalrekeningen en de betrokken betalingstransacties.
Een rekeninginformatiedienstverlener vraagt geen gevoelige betaalgegevens met betrekking tot de betaalrekeningen op.
Een rekeninginformatiedienstverlener gebruikt, verschaft zich toegang tot of slaat gegevens op uitsluitend ten behoeve van het uitvoeren van de door de betaaldienstgebruiker uitdrukkelijk gevraagde rekeninginformatiedienst, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG en bij of krachtens de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming gestelde regels.
Toepassing van dit artikel vindt plaats met inachtneming van de krachtens artikel 98 van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen.
Artikel 26k
De rekeninghoudende betaaldienstverlener:
- a. communiceert op een veilige manier met zowel betaalinitiatiedienstverleners als rekeninginformatiedienstverleners;
- b. behandelt een door een rekeninginformatiedienstverlener verzonden verzoek om gegevens niet anders dan een door de betaaldienstgebruiker verzonden verzoek om gegevens, tenzij om objectieve redenen;
- c. behandelt de via de diensten van een betaalinitiatiedienstverlener doorgegeven betaalopdrachten niet anders dan door de betaler rechtstreeks verzonden betaalopdrachten, met name wat betreft termijn, voorrang of kosten, tenzij om objectieve redenen;
- d. verstrekt onmiddellijk na ontvangst van de betaalopdracht van de betaalinitiatiedienstverlener alle informatie over de initiëring van de betalingstransactie, alsmede alle informatie die toegankelijk is voor de rekeninghoudende betaaldienstverlener met betrekking tot de uitvoering van deze transactie aan de betaalinitiatiedienstverlener, of stelt deze informatie ter beschikking;
- e. laat het gebruik van betaalinitiatie- en rekeninginformatiediensten niet afhangen van een contractuele relatie tussen hem en de betaalinitiatie- of rekeninginformatiedienstverlener;
- f. werpt geen obstakels op voor het verlenen van betaalinitiatiediensten en rekeninginformatiediensten.
Toepassing van dit artikel vindt plaats met inachtneming van de krachtens artikel 98 van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen.
Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij en centrale effectenbewaarinstelling
Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risico’s
Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risico’s
Hoofdstuk 10. Solvabiliteit
Hoofdstuk 11. Liquiditeit
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars
§ 13.1. Verstrekking van de jaarstukken
§ 13.1. Verstrekking van de jaarstukken
§ 13.2a. Melding van gebeurtenissen of omstandigheden die de ordelijke uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming bedreigen
§ 13.2a. Melding van gebeurtenissen of omstandigheden die de ordelijke uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming bedreigen
Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
Wet wapens en munitie:
2.3. Transacties
Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.
2.4. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging
Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, zoals blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is (geweest) bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten wordt ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.
3. Financiële antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel b
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
3.1. Persoonlijk
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c
Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:
-
- Rentecontracten:
- a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
- b. Basisswaps;
- c. Rentetermijncontracten;
- d. Rentefutures;
- e. Gekochte renteopties;
- f. Andere contracten van gelijke aard;
-
- Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
- a. Cross-currency renteswaps;
- b. Valutatermijncontracten;
- c. Valutafutures;
- d. Gekochte valutaopties;
- e. Andere contracten van gelijke aard;
- f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
-
- Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
Buitenlandse strafbepalingen
Tegen betrokkene is een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 10:15 van de Algemene douanewet uitgevaardigd ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder strafbeschikkingen wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare buitengerechtelijke afdoening ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, opgelegd door een daartoe bevoegde autoriteit.
Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.
2.5. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
3.3. Andere feiten of omstandigheden
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 23aa. Renterisicomaatregelen
De Nederlandsche Bank kan een bank of beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten verplichten de gestandaardiseerde methode, bedoeld in artikel 84, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten te gebruiken indien zij van oordeel is dat de interne systemen die de bank of beleggingsonderneming heeft voor de beoordeling van renterisico’s als bedoeld in dat artikellid niet adequaat zijn.
De Nederlandsche Bank kan een kleine en niet-complexe instelling, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 145 van de verordening kapitaalvereisten, verplichten de gestandaardiseerde methode te gebruiken indien zij van oordeel is dat de vereenvoudigde gestandaardiseerde methode, bedoeld in artikel 84, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten niet adequaat is voor het ondervangen van renterisico’s als bedoeld in dat artikellid.
§ 4.5. Regels ter bevordering van de goede werking van het betalingsverkeer
Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland
Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risico’s
Hoofdstuk 10. Solvabiliteit
§ 13.1. Verstrekking van de jaarstukken
§ 13.2. Verstrekking en openbaarmaking van de staten
§ 13.1. Verstrekking van de jaarstukken
§ 13.2. Verstrekking en openbaarmaking van de staten
§ 13.2a. Melding van gebeurtenissen of omstandigheden die de ordelijke uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming bedreigen
§ 13.2a. Melding van gebeurtenissen of omstandigheden die de ordelijke uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming bedreigen
Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris
Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
Bijlage A. behorend bij artikel 6
2.5. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, zoals blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is (geweest) bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten wordt ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.
3. Financiële antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel b
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
3.2. Zakelijk
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
4. Toezichtantecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel c
Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c
Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:
-
- Rentecontracten:
- a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
- b. Basisswaps;
- c. Rentetermijncontracten;
- d. Rentefutures;
- e. Gekochte renteopties;
- f. Andere contracten van gelijke aard;
-
- Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
- a. Cross-currency renteswaps;
- b. Valutatermijncontracten;
- c. Valutafutures;
- d. Gekochte valutaopties;
- e. Andere contracten van gelijke aard;
- f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
-
- Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 24a2
Indien een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die eerst niet kwalificeerde als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, op enig moment wel als zodanig kwalificeert dan mag zij aan de artikelen 23, 23a en 23b van dit besluit, de artikelen 29a, vierde lid, en 31ga van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en artikel 3 van het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijnen kapitaalvereisten en prudentieel toezicht beleggingsondernemingen voldoen als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming zodra een periode van zes aaneengesloten maanden is verstreken vanaf de datum waarop zij voor het eerst als zodanig heeft gekwalificeerd, zij gedurende die periode doorlopend als zodanig heeft gekwalificeerd en mits zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis heeft gesteld.
Indien een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet langer kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, dan stelt zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis en voldoet zij binnen twaalf maanden na de datum waarop zij niet meer als zodanig kwalificeert aan de artikelen 23, 23a en 23b van dit besluit, de artikelen 29a, vierde lid, en 31ga van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en artikel 3 van het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijnen kapitaalvereisten en prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, als beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming.
§ 4.3. Bijzondere bepalingen voor de verzekeringsector
§ 4.3a. Voorbereidend crisisplan
Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland
Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risico’s
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen
§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen
§ 13.2b. Publicatieverplichtingen voor banken en beleggingsondernemingen
Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris
Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
4. Toezichtantecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel c
Bijlage D
In deze bijlage worden, voor zover niet anders blijkt, begrippen gebruikt overeenkomstig richtlijn nr. 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking) (PbEU L 335)
-
- De balans met de beleggingen uitgesplitst naar categorie en de technische voorzieningen per line of business (zie de artikelen 75 t/m 82 van de richtlijn). (1) Balans – activa (1) Balans – verplichtingen en kernvermogen (1a) Beleggingen (anders dan activa die tegenover fractieverzekeringen staan) (1b) Technische Voorzieningen schade en zorg (niet vergelijkbaar met leven) (1c) Technische Voorzieningen – leven (1d) Technische voorzieningen – Zorg (vergelijkbaar met leven)
-
- Overzicht van het eigen vermogen – inclusief het aanvullend eigen vermogen – naar bestanddelen, de indeling in de drie tiers en de mate waarin het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste worden gedekt door die tiers (zie de artikelen 87 en 88 van de richtlijn) (2) Eigen vermogen
-
- Berekening van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 129 van de richtlijn en de bestanddelen daarvan en van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardbenadering met inbegrip van de modules, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de richtlijn en de ondermodules, bedoeld in artikel 105 van de richtlijn (3a) Minimumkapitaalvereiste (MKV) berekening (3b) Solvabiliteitskapitaalvereiste (SKV) (3c) Solvabiliteitskapitaalvereiste – marktrisico (3d) Solvabiliteitskapitaalvereiste – tegenpartijrisico (3e) Solvabiliteitskapitaalvereiste – levensverzekeringstechnisch risico (3f) Solvabiliteitskapitaalvereiste – schadeverzekeringstechnisch risico (3g) Solvabiliteitskapitaalvereiste – ziektekostenverzekeringstechnisch risico (3h) Solvabiliteitskapitaalvereiste – operationeel risico
-
- Resultaatanalyse (zie artikel 51, tweede lid, van de richtlijn) voor het boekjaar 2012, dat wil zeggen een verklaring van de ontwikkeling van het eigen vermogen (4) Toelichting resultaatanalyse
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 40l
Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, identificeert de in artikel 40f, eerste en tweede lid, bedoelde dekkingsactiva, en documenteert de wijze waarop haar kredietverleningsbeleid voldoet aan de vereisten van artikel 40h.
De bank registreert alle transacties met betrekking tot het programma van gedekte obligaties en beschikt daartoe over adequate en passende documentatiesystemen en documentatieprocessen.
Artikel 40m
Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, kan gedekte obligaties uitgeven met een verlengbare looptijd, indien voorafgaand aan de eerste uitgifte van het programma van gedekte obligaties in de contractuele voorwaarden van dat programma is opgenomen dat verlenging van de looptijd niet kan geschieden naar goeddunken van de bank en uitsluitend plaatsvindt indien:
- a. er sprake is van wanprestatie of wanbetaling door de bank of enig handelen daartoe, er sprake is van liquidatie, ontbinding of herstructurering van schulden van de bank of een schuldeisersakkoord, of op de bank een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet is toegepast of de bank in staat van faillissement is verklaard; en
- b. de rechtspersoon waarop de dekkingsactiva zijn overgegaan op de einddatum van de gedekte obligaties over onvoldoende middelen beschikt voor de aflossing van de hoofdsom van die gedekte obligatie, die rechtspersoon niet kan voldoen aan een van de dekkingsvereisten, bedoeld in artikel 40g, eerste en tweede lid, of die rechtspersoon niet kan voldoen aan een ander contractueel overeengekomen vereiste met betrekking tot waarborging van de dekking.
Een bank die een gedekte obligatie uitgeeft waarvan de looptijd kan worden verlengd, verstrekt bij uitgifte van de gedekte obligatie informatie over:
- a. de voorwaarden voor verlenging van de looptijd;
- b. de gevolgen die het faillissement of de afwikkeling van de bank die gedekte obligaties uitgeeft, heeft voor de verlenging van de looptijd; en
- c. de rol van de Nederlandsche Bank ten aanzien van de verlenging van de looptijd.
Een bank die een gedekte obligatie uitgeeft, draagt er zorg voor dat de einddatum van die gedekte obligatie te allen tijde kan worden bepaald.
Indien op de bank een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet is toegepast of de bank in staat van faillissement is verklaard, is een looptijdverlenging niet van invloed op de volgorde waarin houders van gedekte obligaties hun vorderingen kunnen verhalen en wordt de volgorde van het oorspronkelijke looptijdenschema van het programma van gedekte obligaties niet omgekeerd.
De looptijdverlenging heeft geen invloed op het recht van een houder van een gedekte obligatie om zijn vordering te verhalen op zowel de bank als op de rechtspersoon waarop de dekkingsactiva ingevolge artikel 40e zijn overgegaan of op de uitoefening van de rechten van de schuldeisers als bedoeld in artikel 212re van de Faillissementswet.
Artikel 40n
Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, draagt er zorg voor dat voorafgaand aan de eerste uitgifte van een programma van gedekte obligaties een dekkingspoolmonitor wordt aangesteld die geen banden heeft met en onafhankelijk is van de bank en de externe accountant van de bank en die ten minste jaarlijks controleert of de bank voldoet aan de artikelen 3:33b en 3:33ba van de wet en de artikelen 40e tot en met 40m, waarbij de controle van de artikelen 40g en 40k in ieder geval door een accountant wordt verricht.
In afwijking van het eerste lid, kan een dekkingspoolmonitor worden aangesteld die banden heeft met de bank, waaronder de externe accountant van de bank, indien in ieder geval de jaarlijkse controle of de bank voldoet aan de artikelen 40g en 40k door die externe accountant wordt verricht.
De dekkingspoolmonitor georganiseerd overeenkomstig het tweede lid is onafhankelijk van het kredietacceptatieproces van de bank, kan niet van de functie van dekkingspoolmonitor worden ontheven zonder voorafgaande toestemming van de raad van commissarissen van de bank of het orgaan dat een daarmee vergelijkbare taak heeft, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de wet, en heeft direct toegang tot de raad van commissarissen van de bank of het orgaan dat een daarmee vergelijkbare taak heeft, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de wet.
De bank draagt er zorg voor dat de controle van de artikelen 40g en 40k blijft plaatsvinden indien en nadat ten aanzien van de bank een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet is toegepast of indien en nadat de bank in staat van faillissement is verklaard.
De bank brengt jaarlijks verslag uit aan de Nederlandsche Bank over de uitkomsten van de controle ten aanzien van de artikelen 40g en 40k.
De bank draagt er zorg voor dat de dekkingspoolmonitor voor de uitoefening van zijn taken over alle daartoe benodigde informatie beschikt.
Artikel 40o
Het label «Europese gedekte obligaties (premium)» wordt uitsluitend gebruikt voor gedekte obligaties die voldoen aan de vereisten ingevolge de artikelen 3:33a, 3:33b en 3:33ba van de wet.
Artikel 40p
Een bank die een aanvraag doet als bedoeld in artikel 3:33a, tweede lid, van de wet, verstrekt aan de Nederlandsche Bank de volgende informatie ten aanzien van het programma van gedekte obligaties:
- a. een juridische opinie van een juridisch deskundige die onafhankelijk is van de bank op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan artikel 40e, eerste lid;
- b. de overeenkomsten van de rechtspersoon die rechthebbende is van de dekkingsactiva met zijn bestuurder;
- c. de overeenkomst met de dekkingspoolmonitor of de accountant, bedoeld in artikel 40n;
- d. een schriftelijke verklaring van de bestuurder van de bank waaruit blijkt dat aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:33a, derde en vierde lid, 3:33b en 3:33ba wordt voldaan; en
- e. andere door de Nederlandsche Bank benodigde informatie voor de beoordeling, bedoeld in artikel 3:33a, tweede lid van de wet.
Een bank waaraan toestemming is verleend op grond van artikel 3:33a, tweede lid, van de wet meldt de Nederlandsche Bank terstond wijzigingen met betrekking tot de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c. Zij verstrekt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, jaarlijks.
De gegevens, bedoeld in artikel 3:33ba, tweede lid, van de wet, zijn:
- a. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan de dekkingsvereisten in de artikelen 40f en 40g;
- b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten met betrekking tot waardering, verzekering en lokalisatie in de artikelen 40h en 40i;
- c. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten met betrekking tot in de dekkingspool opgenomen derivatencontracten in artikel 40j;
- d. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten met betrekking tot de liquiditeitsbuffer in artikel 40k;
- e. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten met betrekking tot de verlengbare looptijd in artikel 40m; en
- f. andere door de Nederlandsche Bank benodigde informatie voor de beoordeling of de bank voldoet aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:33a, derde en vierde lid, 3:33b en 3:33ba, eerste lid.
De gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en d, worden bij aanvang van het programma verstrekt en vervolgens elk kwartaal. De gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdelen b, c, e en f, worden bij aanvang van het programma verstrekt en uitsluitend opnieuw verstrekt indien zij zijn gewijzigd of op verzoek van de Nederlandsche Bank.
Een bank die een gedekte obligatie uitgeeft, en die gedurende de looptijd van de gedekte obligatie voornemens is significante wijzigingen aan te brengen in de voorwaarden die van toepassing zijn op die gedekte obligatie, doet voorafgaand aan het doorvoeren daarvan mededeling aan de Nederlandsche Bank.
Artikel 40q
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de activa, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen b en c, van de richtlijn gedekte obligaties, onder de daarin te bepalen voorwaarden als primaire of vervangende activa in de dekkingspool, als bedoeld in artikel 40g, eerste en tweede lid, kunnen worden opgenomen.
Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risico’s
§ 10.2. Gebruik van interne modellen
§ 11.2. Berekening van de minimumomvang van de liquiditeit
§ 13.3. Verstrekking van de opgave van gesloten verzekeringen
§ 13.3. Verstrekking van de opgave van gesloten verzekeringen
Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
Hoofdstuk 15a. Verlenen betaaldiensten door tussenkomst betaaldienstagent
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
4.2. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel d
Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
5.2. Zakelijk
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 23.0a
In aanvulling op artikel 23, eerste lid, omvat het risicobeheerbeleid van een beheerder van een icbe procedures ter beheersing van duurzaamheidsrisico’s als bedoeld in artikel 2, onder 22, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PbEU 2019, L 317).
§ 4.3. Bijzondere bepalingen voor de verzekeringsector
Hoofdstuk 9. Minimum vermogen
§ 13.2a. Melding van gebeurtenissen of omstandigheden die de ordelijke uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming bedreigen
§ 13.3. Verstrekking van de opgave van gesloten verzekeringen
§ 13.3. Verstrekking van de opgave van gesloten verzekeringen
Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant
Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
Hoofdstuk 15a. Verlenen betaaldiensten door tussenkomst betaaldienstagent
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
4.1. Toezichtantecedenten
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel d
Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
5.1. Persoonlijk
Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
5.2. Zakelijk
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 36a
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)