Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft)

Type AMvB
Publication 2026-05-29
Laatst bijgewerkt 2026-06-02
State In force
Source BWB
artikelen 558
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
4.

De verzekeraar kan bij de berekening van de technische voorzieningen rekening houden met:

  • a. aanwezige risicomitigerende instrumenten, mits deze aantoonbaar effectief zijn en niet resulteren in een materieel basisrisico als bedoeld in artikel 1, punt 25, van de verordening solvabiliteit II;
  • b. toekomstige risicomitigerende instrumenten, mits deze realistisch zijn en aantoonbaar voortvloeien uit de reguliere bedrijfsvoering, het gevoerde risicobeheer of het afdekkingsbeleid.
Artikel 118
1.

Het beleggingsbeleid van een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voldoet aan het prudent person beginsel, bedoeld in artikel 132, tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II.

2.

De vereisten in de door de Europese Commissie vastgestelde uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 135, tweede lid, van de richtlijn solvabiliteit II zijn op verzekeraars die beleggen in verhandelbare effecten of andere op herverpakte kredieten gebaseerde instrumenten die voor 1 januari 2011 zijn uitgegeven, slechts van toepassing indien na 31 december 2014 nieuwe onderliggende vorderingen zijn of worden toegevoegd of vervangen.

Artikel 119

Artikel 132 , tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II inzake het beleggingsbeleid zijn van overeenkomstige toepassing op de activa van de in Nederland gelegen bijkantoren van:

  • a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
  • b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 120

Artikel 132 , tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II inzake het beleggingsbeleid zijn van overeenkomstige toepassing op:

  • a. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in Nederland;
  • b. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat voor wat betreft de activa van hun in Nederland gelegen bijkantoren.
Artikel 121

De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor de door een verzekeraar met beperkte risico-omvang vanuit zijn vestigingen in Nederland aangegane verplichtingen zijn:

  • a. in geval van een verzekeraar met zetel in Nederland: aanwezig in een lidstaat; of
  • b. in geval van een verzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat: aanwezig in Nederland.

§ 10.1. Minimumomvang solvabiliteit

Artikel 122

Artikel 132 , tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II inzake het beleggingsbeleid zijn van overeenkomstige toepassing op:

Artikel 123

Het beleggingsbeleid van een pensioenregeling die niet wordt beheerst door het recht van een lidstaat wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het land van herkomst van de regeling.

Artikel 124
1.

Het beleggingsbeleid van een pensioenregeling die wordt beheerst door het recht van een lidstaat wordt uitgevoerd overeenkomstig de volgende beginselen:

  • a. beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5% van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10% van de portefeuille. Wanneer een groep van ondernemingen aan de premiepensioeninstelling bijdragen betaalt, geschieden beleggingen in deze bijdragende ondernemingen prudent, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie;
  • b. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering;
  • c. beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde markt, of een multilaterale handelsfaciliteit of een daarmee vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is toegelaten waarden worden tot een prudent niveau beperkt.
  • d. beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze bijdragen aan een vermindering van het risicoprofiel of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. De premiepensioeninstelling vermijdt een bovenmatig risico met betrekking tot een en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen;
  • e. de waarden worden naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent van waarden of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.
2.

De eisen die zijn opgenomen in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en e, zijn niet van toepassing op beleggingen in staatsobligaties.

3.

Onder waardering op marktwaarde bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn.

4.

Leningen als bedoeld in artikel 3:267b, vierde lid, van de wet mogen slechts worden aangegaan voor een periode van niet langer dan een jaar.

5.

Van een liquiditeitsdoelstelling als bedoeld in artikel 3:267b, vierde lid, van de wet is sprake als de premiepensioeninstelling tijdelijk niet kan voldoen aan zijn verplichtingen of de betreffende lening wordt aangegaan ter verbetering van het risicoprofiel van de premiepensioeninstelling.

Artikel 125

Vervallen

Artikel 126

Vervallen

Artikel 127

Vervallen

§ 10.4. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste

Artikel 128

Vervallen

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer

§ 11.3. Samenstelling van de liquiditeit

Artikel 129

Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, pensioenbewaarder, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 3:71, eerste lid, 3:81, eerste lid of 3:85 verstrekt de documenten, bedoeld in artikel 3:71, eerste lid, of 3:81, eerste lid, van de wet, wat betreft indeling en inhoud in de vorm waarin deze zijn opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de internationale jaarrekeningstandaarden onderscheidenlijk het recht van de staat waar deze financiële onderneming haar zetel heeft. Een financiële onderneming met zetel in Nederland vermeldt of de jaarrekening al dan niet is vastgesteld en goedgekeurd overeenkomstig de statuten of de vennootschapsakte.

§ 13.2. Verstrekking van de staten

Artikel 130
1.

De door een bank, als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet of, een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten of door een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:86, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:

  • a. gegevens betreffende rapportageverplichtingen ingevolge de verordening kapitaalvereisten;
  • b. gegevens ten behoeve van het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van de wet, betreffende de aangehouden deposito’s die worden gegarandeerd uit hoofde van het depositogarantiestelsel;
2.

De door een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen te verstrekken staten omvatten uitsluitend de in artikel 54 en artikel 55 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen bedoelde gegevens.

3.

De door een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:82, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:

  • a. de in artikel 430, eerste lid, onderdelen a en d, van de verordening kapitaalvereisten bedoelde gegevens voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, die verordening van toepassing zou zijn;
  • b. de in artikel 54, eerste lid, onderdelen a tot en met c en f, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen bedoelde gegevens, voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, die verordening van toepassing zou zijn.
4.

De door een entiteit voor risico-acceptatie als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend de gegevens, bedoeld in artikel 325 van de verordening solvabiliteit II.

5.

De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, bijkantoor als bedoeld in artikel 3:82, tweede lid, van de wet, of bijkantoor van een herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:86, tweede lid, te verstrekken staten omvatten uitsluitend:

  • a. de gegevens, bedoeld in titel I, hoofdstuk XIII, afdeling 1, van de verordening solvabiliteit II;
  • b. andere voor toezichtdoeleinden benodigde periodieke informatie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.
6.

De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet met beperkte risico-omvang of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:86, tweede lid, van de wet van een verzekeraar met beperkte risico-omvang te verstrekken staten omvatten uitsluitend:

  • a. een jaarrekening alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
  • b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
7.

De door een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:

  • c. voor zover van toepassing een opgave van het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.
8.

De door een bank als bedoeld in artikel 3:77 van de wet met betrekking tot het bijkantoor te verstrekken staten omvatten uitsluitend de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten behoeve van de doeleinden, genoemd in artikel 40 van de richtlijn kapitaalvereisten.

9.

De door een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:

  • b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
  • 4°. informatie inzake de uitgevoerde pensioenregelingen.
10.

De door een beheerder als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten bevatten uitsluitend balans- en resultaatgegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot het bedrag aan eigen vermogen ingevolge artikel 3:53 en de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, van de wet. Indien een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet omvatten de door hem te verstrekken staten tevens de in artikel 54 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen bedoelde gegevens.

11.

De door een afwikkelonderneming als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:

  • a. balans- en resultatengegevens alsmede aanvullende gegevens ten behoeve van toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
12.

De door een kredietunie als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:

  • b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
13.

De door een bank als bedoeld in artikel 3:82, eerste lid, van de wet met betrekking tot het bijkantoor te verstrekken informatie omvat uitsluitend de gegevens:

  • a. genoemd in artikel 47, eerste lid bis, onderdeel a tot en met g, van de richtlijn kapitaalvereisten;
  • b. andere door de Nederlandsche Bank voor toezichtdoeleinden benodigde periodieke informatie als bedoeld in artikel 47, eerste lid bis, onderdeel h, van de richtlijn kapitaalvereisten.
Artikel 131
1.

De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van het bepaalde ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet, alsmede met inachtneming van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de internationale jaarrekeningstandaarden, regels met betrekking tot de staten, bedoeld in artikel 130. Deze omvatten uitsluitend:

  • a. de modellen van de staten;
  • b. de reikwijdte van toepassing van de staten en de mate van detaillering van de in te vullen gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van de staten;
  • c. de reikwijdte van de consolidatie overeenkomstig de regels met betrekking tot consolidatie die de financiële onderneming in haar jaarrekening toepast, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit;
  • e. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
  • f. de afronding;
  • g. de termijn waarbinnen de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze niet korter is dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet en ten behoeve van de uitvoering van de bij of krachtens dat deel gestelde regels met betrekking tot het depositogarantiestelsel; en
  • h. de frequentie waarmee de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze ten minste een maal per jaar is.
2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, f, g en h, zijn afgestemd op de aard en de omvang van de financiële onderneming, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de financiële onderneming. De frequentie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, is evenwel niet hoger dan:

  • a. twaalf maal per jaar voor de staten ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit, bedoeld in artikel 415 van de verordening kapitaalvereisten;
  • c. een maal per jaar voor de jaarrekening, bedoeld in artikel 130, zesde lid, onderdeel a, en de staten ten behoeve van het toezicht op de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 130, zesde lid, onderdeel b, onder 2°; en
3.

De Nederlandsche Bank kan in individuele gevallen besluiten dat een financiële onderneming als bedoeld in artikel 130 periodiek moet melden of haar solvabiliteit of liquiditeit zich boven een door de Nederlandsche Bank vastgestelde signaleringswaarde bevindt. De frequentie van de melding is niet hoger dan een maal per maand en is afgestemd op de aard en de omvang van de financiële onderneming, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de financiële onderneming.

4.

De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 35, zesde tot en met achtste lid, van de richtlijn solvabiliteit II, ontheffing verlenen van:

  • a. de verplichting periodieke rapportagestaten vaker dan eenmaal per jaar te verstrekken;
  • b. itemgewijze rapportageverplichtingen.
Artikel 132

Indien een beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 130 de staten niet langs elektronische weg verstrekt, kan de Nederlandsche Bank, op verzoek van de financiële onderneming, besluiten dat het de financiële onderneming is toegestaan andere informatiedragers dan de modellen, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, te gebruiken, indien deze wat betreft indeling en inhoud geen afwijking vertonen van de modellen.

Artikel 133

Het onderzoek van de staten, bedoeld in artikel 130, door de accountant, uitmondend in een verklaring omtrent de getrouwheid als bedoeld in artikel 3:72, zevende lid, eerste volzin, van de wet, wordt een maal per jaar uitgevoerd. De Nederlandsche Bank stelt regels waarin wordt bepaald welke staten door de accountant in zijn onderzoek worden betrokken, met dien verstande dat een beheerder, betaalinstelling of elektronischgeldinstelling die een maal per jaar een door een accountant gewaarmerkte jaarrekening verstrekt daarmee voldoet aan de verplichting als bedoeld in artikel 3:72, zevende lid, van de wet. De accountant waarmerkt deze staten.

Artikel 134
1.

De Nederlandsche Bank stelt aan de hand van openbare gegevens uit de staten de volgende niet-geaggregeerde kerngegevens van banken met zetel in Nederland vast en publiceert die op haar website:

  • a. de volgende gegevens met betrekking tot de activa:
  • 1°. de totale activa;
  • 2°. het totaal aan hypothecaire kredieten voor woningaankoop;
  • 3°. het totaal aan bedrijfskredieten;
  • 4°. het totaal aan financiële activa;
  • b. het totaal aan onvolwaardige leningen, uitgedrukt als percentage van het totaal aan leningen;
  • c. het totaal aan voorzieningen op leningen, uitgedrukt als percentage van het totaal aan leningen;
  • d. de volgende gegevens met betrekking tot de passiva:
  • 1°. totale passiva;
  • 2°. het eigen vermogen;
  • 3°. het vreemd vermogen, met afzonderlijke vermelding van gelden aangehouden door huishoudens;
  • e. de verplichtingen buiten de balans;
  • f. de volgende gegevens met betrekking tot de resultatenrekening:
  • 1°. de totale baten;
  • 2°. de netto rentebaten;
  • 3°. de netto baten uit dienstverlening en provisies;
  • 4°. de overige baten;
  • 5°. het resultaat na belastingen;
  • g. het tier 1-kapitaal, bedoeld in artikel 25 van de verordening kapitaalvereisten;
  • h. het tier 1-kernkapitaal, bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten;
  • i. het totaal van de risicoposten (de risicogewogen activa), bedoeld in artikel 92, derde lid, van de verordening kapitaalvereisten;
  • j. de volgende ratio’s, bedoeld in artikel 92 van de verordening kapitaalvereisten:
  • 1°. de totale kapitaalratio;
  • 2°. de tier 1 kapitaalratio;
  • 3°. de tier 1-kernkapitaalratio;
  • 4°. de hefboomratio.
2.

De Nederlandsche Bank maakt de gegevens uit de staten die zij bij het vaststellen van de kerngegevens gebruikt bekend en maakt bekend op welk consolidatieniveau de door haar te gebruiken gegevens betrekking hebben.

3.

De kerngegevens hebben betrekking op de financiële toestand van een bank per 30 juni en 31 december van elk jaar.

4.

De Nederlandsche Bank actualiseert een kerngegeven tweemaal per jaar, op de laatste werkdag van juni en van december van elk jaar, tenzij het een kerngegeven, genoemd in onderdeel f, is en de bank waarop het gegeven betrekking heeft de gewoonte heeft haar resultatenrekening maar eenmaal per jaar te publiceren.

5.

De Nederlandsche Bank gebruikt bij het vaststellen van een kerngegeven gegevens uit de meest actuele staten die haar twee weken voorafgaand aan de publicatie ter beschikking staan.

§ 10.4. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste

Artikel 135
1.

Een levensverzekeraar als bedoeld in artikel 3:74, eerste lid, 3:78, eerste lid, of 3:83, eerste lid, van de wet, vermeldt bij de opgave van gesloten levensverzekeringen per branche de in het boekjaar geboekte premies, niet verminderd met het bedrag van de herverzekering.

2.

Een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:74, eerste lid, 3:78, eerste lid, of 3:83, eerste lid, van de wet vermeldt bij de opgave van gesloten schadeverzekeringen per branchegroep de in het boekjaar geboekte premies, schaden en provisies, telkens niet verminderd met het bedrag van de herverzekering. Deze gegevens alsmede de frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen, worden voor de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen evenwel afzonderlijk vermeld. De Nederlandsche Bank stelt de branchegroepen vast.

3.

Een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:87, eerste lid, van de wet, vermeldt bij de opgave van gesloten natura-uitvaartverzekeringen de in het boekjaar geboekte premies, niet verminderd met het bedrag van de herverzekering.

4.

Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:74, eerste lid, of 3:83, eerste lid, van de wet vermeldt bij de in dat artikellid bedoelde opgave de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, per lidstaat.

5.

De artikelen 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 132 zijn van overeenkomstige toepassing op de verstrekking van de opgaven, bedoeld in het eerste tot en met derde lid.

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer

Artikel 136

De door een accountant als bedoeld in artikel 3:88, tweede lid, 3:90, 3:91 of 3:93 van de wet te verstrekken gegevens zijn:

  • a. het accountantsverslag aan de bestuurders en de raad van commissarissen;
  • b. de directiebrieven;
  • c. overige correspondentie tussen de accountant en de financiële onderneming die rechtstreeks betrekking heeft op de verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening of de staten van de financiële onderneming; en
  • d. indien de Nederlandsche Bank daarom verzoekt, een nadere toelichting op de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met c.
Artikel 137
1.

De accountant die voornemens is gegevens als bedoeld in artikel 136 te verstrekken, stelt de financiële onderneming daarvan in kennis.

2.

Indien de financiële onderneming dat wenst, kan zij zelf de gegevens aan de Nederlandsche Bank verstrekken. In dat geval stelt zij de accountant daarvan in kennis. De accountant vergewist zich ervan dat de Nederlandsche Bank de gegevens heeft ontvangen en dat de inhoud van de gegevens hem geen aanleiding geeft alsnog gegevens aan de Nederlandsche Bank te verstrekken.

3.

Indien de accountant schriftelijk gegevens verstrekt aan de Nederlandsche Bank, zendt hij onverwijld aan de financiële onderneming een afschrift van de gegevens en, indien van toepassing, van de begeleidende brief.

Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris

Artikel 138
1.

De gegevens, bedoeld in artikel 3:95, tweede lid, en 3:96, tweede lid, van de wet zijn:

  • 2°. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 3:99 van de wet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar die op grond van zijn gekwalificeerde deelneming het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen;
  • 3°. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:99a van de wet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid, gelet op diens reputatie, van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar die op grond van zijn gekwalificeerde deelneming het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen;
  • 4°. bescheiden waaruit de financiële positie en de juridische groepsstructuur van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar blijken; en
  • 5°. bescheiden waaruit blijkt dat de financiële onderneming als gevolg van de gekwalificeerde deelneming zal kunnen blijven voldoen aan de prudentiële regels die ingevolge deze wet zijn gesteld.
2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder 2°, zijn:

  • a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
  • b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
  • c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in bijlage A bij dit besluit; en
  • d. een opgave van referenten.
3.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder 3°, zijn:

  • a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
  • b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
  • c. een curriculum vitae;
  • d. een opgave van de relevante diploma’s;
  • e. gegevens met betrekking tot het verwerven en besturen van deelnemingen; en
  • f. een opgave van referenten.
4.

De Nederlandsche Bank kan, in aanvulling op de gegevens, bedoeld in het eerste lid, andere gegevens van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar verlangen, indien die gegevens nodig zijn voor de beoordeling of er sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 3:100, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet.

Artikel 139

Tot de liquide middelen van een vennootschap als bedoeld in artikel 3:96, derde lid, van de wet worden uitsluitend gerekend:

  • a. aanwezige munten of bankbiljetten;
  • b. direct opvorderbare tegoeden;
  • c. kortlopende vorderingen die geen direct opvorderbare tegoeden zijn; en
  • d. activa die geen kortlopende vorderingen zijn en die op zeer korte termijn en zonder substantiële verliezen kunnen worden omgezet in munten of bankbiljetten of direct opvorderbare tegoeden.
Artikel 140

Een groepsmaatschappij verstrekt bij een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:103a, eerste lid, van de wet aan de Nederlandsche Bank de volgende gegevens:

Een groepsmaatschappij verstrekt bij een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:103a, eerste lid, van de wet aan de Nederlandsche Bank de volgende gegevens:

  • b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 3:100, eerste lid, onderdeel a, van de wet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de persoon die als gevolg van de voorgenomen wijziging het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen;
  • c. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 3:99a van de wet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid, gelet op diens reputatie, van de persoon die als gevolg van de voorgenomen wijziging het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen;
  • d. bescheiden waaruit de financiële positie van de bij de voorgenomen wijziging betrokken groepsmaatschappijen, bedoeld in artikel 3:103a, eerste lid, van de wet blijkt, voor zover deze informatie niet eerder, voor de uitoefening van haar toezicht, aan de Nederlandsche Bank is verstrekt;
  • e. bescheiden waaruit de juridische groepsstructuur als gevolg van de wijziging blijkt.

Hoofdstuk 16. Slotbepalingen

Artikel 141
1.

Onverminderd het tweede lid is hoofdstuk 5 niet van toepassing op overeenkomsten met betrekking tot het uitbesteden van werkzaamheden die:

  • b. voldoen aan de op dat moment geldende regelgeving.
2.

Indien de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, materieel wordt aangepast, is hoofdstuk 5 vanaf dat moment van toepassing op de gehele overeenkomst.

Artikel 142

Voor het boekjaar 2007 wordt het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge voor herverzekeraars of schadeverzekeraars die zorgverzekeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet of daarop aanvullende ziektekostenverzekeringen herverzekeren onderscheidenlijk uitvoeren, bepaald op de wijze als bedoeld in artikel 67, met dien verstande dat bij de berekening en de verhouding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b onderscheidenlijk c, van dat artikel niet wordt uitgegaan van de afgelopen drie boekjaren, maar van de boekjaren 2006 en 2007.

Artikel 143

Wijzigt dit besluit.

Artikel 144
1.

De ingevolge dit besluit te verstrekken staten worden voor de eerste maal verstrekt over het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2007.

Artikel 145

Een besluit, genomen op grond van een van de artikelen, bedoeld in kolom A, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als een besluit in de zin van het daarna in kolom B genoemde artikel van dit besluit. De aan het besluit gestelde beperkingen of verbonden voorschriften blijven van kracht.

A B
2, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf 95, tweede lid, onderdeel a, onder 4°
2, tweede lid, onderdeel e, van het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf 97, eerste lid, aanhef en onderdeel a
2, tweede lid, onderdeel f, van het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf 96, onderdeel b
6, vierde lid, eerste volzin, van het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf 56, derde lid, eerste volzin
6, vierde lid, tweede volzin, van het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf 56, derde lid, tweede volzin
1, tweede lid, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 67, tweede lid
3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 95, tweede lid, onderdeel a, onder 3°
3, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 95, tweede lid, onderdeel a, onder 4°
3, tweede lid, onderdeel, c, d of e, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 97, eerste lid, aanhef
3, tweede lid, onderdeel f, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 96, onderdeel b
9, vierde lid, eerste volzin, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 56, derde lid, eerste volzin
9, vierde lid, tweede volzin, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 56, derde lid, tweede volzin
10, eerste lid, jo bijlage B, onder 3, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, derde lid
10, eerste lid, jo bijlage B, onder 6, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, zesde lid
10, eerste lid, jo bijlage B, onder 7, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, zevende lid
10, eerste lid, jo bijlage B, onder 9, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, negende lid
10, eerste lid, jo bijlage C, onder 2, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, zesde lid
10, eerste lid, jo bijlage C, onder 3, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, zevende lid
10, eerste lid, jo bijlage C, onder 5, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, negende lid
16, vijfde lid, van het Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005 63, derde lid, jo 60, zesde lid
16, zevende lid, onderdeel g, van het Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005 63, derde lid, jo 60, vijfde lid, onderdeel g
3, eerste lid, jo bijlage 1, onderdeel 1.2, onder 1, onder e, van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 92, derde lid, onderdeel c, onder 3°
3, eerste lid, jo bijlage 1, onderdeel 1.2, onder 1, onder f, van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 93, onderdeel b
4, tweede lid, onderdeel g, van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 60, vijfde lid, onderdeel g
4, derde lid, van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 60, zesde lid
4, vierde lid, van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 60, vierde lid
3, derde lid, onderdeel c, onder 2°, van de Regeling prudentieel toezicht beleggingsinstellingen 92, derde lid, onderdeel c, onder 3°
3, vierde lid, van de Regeling belegging technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 123, vierde lid
3, vijfde lid, van de Regeling belegging technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 123, vijfde lid
69, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 57, tweede lid
Artikel 146

Indien de Nederlandsche Bank ten aanzien van een bank of elektronischgeldinstelling een besluit heeft genomen dat overeenkomt met een besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, of derde lid, 62, vijfde lid, 64, 92, tweede of derde lid, 93, 102, zevende lid, wordt het eerstbedoelde besluit aangemerkt als besluit in de zin van het desbetreffende artikel. De aan het besluit gestelde beperkingen of verbonden voorschriften blijven van kracht.

Artikel 147

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 148

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit prudentiële regels Wft.

Bijlage A. behorend bij artikel 6

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

1.1. Veroordelingen

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

1.1. Veroordelingen

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

1.1. Veroordelingen

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

1.1. Veroordelingen

Buitenlandse strafbepalingen

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

1.1. Veroordelingen

Wegenverkeerswet 1994:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.2. Transacties met de Officier van Justitie

Wetboek van Strafrecht:

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

1.1. Veroordelingen

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 17a

Het organisatieonderdeel, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van een bank als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, of 3:23, tweede lid, van de wet die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, heeft als taak:

  • a. het vaststellen en uitvoeren van een controleplan om de deugdelijkheid en effectiviteit van de systemen, interne controleprocedures en regels van de bank te onderzoeken en te beoordelen;
  • b. het doen van aanbevelingen op basis van de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel a;
  • c. het controleren of aan deze aanbevelingen gevolg wordt gegeven; en
  • d. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de bank bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank inzake aangelegenheden met betrekking tot de interne controle en de genomen maatregelen in geval van gesignaleerde tekortkomingen.
Artikel 22a

De werknemers van een bank met zetel in Nederland die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten en andere personen die door de bank zijn belast met het verrichten van zodanige werkzaamheden beschikken over de nodige vakbekwaamheid en deskundigheid om de hun toevertrouwde verantwoordelijkheden uit te oefenen.

§ 4.2. Risicomanagement

Artikel 24b
1.

Het risicobeheer, bedoeld in artikel 23, zesde lid, van een bank die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, een bank als bedoeld in artikel 3:23, tweede lid, van de wet, een beheerder van een icbe, een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten en een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:22 van de wet, waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn oefent controle uit op:

  • a. de deugdelijkheid en effectiviteit van de door de bank, beheerder van een icbe of beleggingsonderneming vastgestelde procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid;
  • b. de mate waarin de bank, beheerder van een icbe of beleggingsonderneming en haar medewerkers de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, naleven; en
  • c. de deugdelijkheid en effectiviteit van de maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde tekortkomingen of gebreken op te heffen.
2.

Het risicobeheer rapporteert ten minste jaarlijks aan personen die het dagelijks beleid van de bank, beheerder of beleggingsonderneming bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank, beheerder of beleggingsonderneming. In de jaarlijkse rapportage wordt met name aangegeven of maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde onvolkomenheden.

3.

Het risicobeheer van een beheerder van een icbe brengt regelmatig verslag uit aan de personen die het dagelijks beleid van de beheerder bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beheerder over:

  • a. de consistentie tussen de actuele omvang van het risico dat elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten loopt, en het risicoprofiel dat voor deze instelling voor collectieve belegging in effecten is overeengekomen;
  • b. de nakoming van het relevante risicolimietensysteem door elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten; en
  • c. de deugdelijkheid en effectiviteit van de risicobeheerprocedure, waarbij met name wordt aangegeven of passende maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde onvolkomenheden.
4.

Het risicobeheer van een beheerder van een icbe brengt aan de personen die het dagelijks beleid bepalen van de beheerder:

  • a. advies uit betreffende de identificatie van het risicoprofiel van elke door de beheerder beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten; en
  • b. regelmatig verslag uit over de actuele omvang van het risico dat elke door de beheerder beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten loopt en feitelijke of voorzienbare inbreuken op de limieten van de desbetreffende instelling voor collectieve belegging in effecten opdat onmiddellijk passende maatregelen kunnen worden ondernomen.
5.

Het risicobeheer van een beheerder van een icbe onderzoekt en ondersteunt in voorkomend geval de procedures en maatregelen, bedoeld in de artikelen 34, eerste lid, onderdeel g, en derde lid, en 34a van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Hoofdstuk 8. Vertegenwoordiger

Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens

§ 4.4. Vangnetregelingen

§ 4.6. Bijzondere bepalingen voor betaaldienstverleners

§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen

Hoofdstuk 10. Solvabiliteit

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 9.4. Bijzondere bepalingen

§ 9.4. Bijzondere bepalingen

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

Hoofdstuk 9. Minimum vermogen

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste

Hoofdstuk 11. Liquiditeit

§ 9.4. Bijzondere bepalingen

§ 10.5. Aanhouden van balansposten en posten buiten de balanstelling

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

§ 10.2. Gebruik van interne modellen

§ 10.2. Gebruik van interne modellen

§ 10.2. Gebruik van interne modellen

Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Buitenlandse strafbepalingen

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Algemene wet inzake de rijksbelastingen (AWR):

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2.1. Veroordelingen

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1.1. Veroordelingen

Bijlage B. , behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c

Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:

    1. Rentecontracten:
  • a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
  • b. Basisswaps;
  • c. Rentetermijncontracten;
  • d. Rentefutures;
  • e. Gekochte renteopties;
  • f. Andere contracten van gelijke aard;
    1. Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
  • a. Cross-currency renteswaps;
  • b. Valutatermijncontracten;
  • c. Valutafutures;
  • d. Gekochte valutaopties;
  • e. Andere contracten van gelijke aard;
  • f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
    1. Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 124a

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)