Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft)
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
5.3. Andere feiten of omstandigheden
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
§ 13.2b. Publicatieverplichtingen voor banken en beleggingsondernemingen
§ 13.3. Verstrekking van de opgave van gesloten verzekeringen
Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
Hoofdstuk 15a. Verlenen betaaldiensten door tussenkomst betaaldienstagent
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
5.3. Andere feiten of omstandigheden
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 26ba
Een betaalinstelling beschikt over een beschrijving van de regelingen op het gebied van bestuur en mechanismen voor interne controle.
De in het eerste lid genoemde bestuursregelingen en interne controlemechanismen omvatten in elk geval:
- a. administratieve en boekhoudkundige procedures;
- b. procedures voor risicobeheersing;
- c. regelingen voor het gebruik van ICT-diensten in overeenstemming met de verordening digitale operationele weerbaarheid, waaruit blijkt dat die bestuursregelingen en interne controlemechanismen evenredig, passend, degelijk en adequaat zijn.
§ 4.6. Bijzondere bepalingen voor betaaldienstverleners
Hoofdstuk 8. Vertegenwoordiger
Hoofdstuk 10. Solvabiliteit
Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer
Hoofdstuk 11. Liquiditeit
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars
§ 13.2c. Door verzekeraars openbaar te maken informatie
§ 13.4. Verstrekking gegevens door beheerders van beleggingsinstellingen
Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
6. Overige antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel e
Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 26bb
Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling voldoet aan de vereisten uit artikel 35 bis van de richtlijn betaaldiensten indien zij verzoekt om deelname of deelneemt aan een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet.
Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling stelt de Nederlandsche Bank in kennis van de wijze waarop zij aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, voldoet.
Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens
Hoofdstuk 6b. Gedekte obligaties
Hoofdstuk 8. Vertegenwoordiger
Hoofdstuk 9. Minimum vermogen
Hoofdstuk 10. Solvabiliteit
§ 10.5. Aanhouden van balansposten en posten buiten de balanstelling
§ 12.1. De berekening van de technische voorzieningen
§ 13.2c. Door verzekeraars openbaar te maken informatie
§ 13.4. Verstrekking gegevens door beheerders van beleggingsinstellingen
Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
6. Overige antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel e
Bijlage D
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)