Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft)

Type AMvB
Publication 2026-05-29
Laatst bijgewerkt 2026-06-02
State In force
Source BWB
artikelen 558
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit

§ 12.2. Beleggingsbeleid verzekeraars

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1.1. Veroordelingen

Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c

Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:

    1. Rentecontracten:
  • a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
  • b. Basisswaps;
  • c. Rentetermijncontracten;
  • d. Rentefutures;
  • e. Gekochte renteopties;
  • f. Andere contracten van gelijke aard;
    1. Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
  • a. Cross-currency renteswaps;
  • b. Valutatermijncontracten;
  • c. Valutafutures;
  • d. Gekochte valutaopties;
  • e. Andere contracten van gelijke aard;
  • f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
    1. Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.

Bijlage D

In deze bijlage worden, voor zover niet anders blijkt, begrippen gebruikt overeenkomstig richtlijn nr. 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking) (PbEU L 335)

    1. De balans met de beleggingen uitgesplitst naar categorie en de technische voorzieningen per line of business (zie de artikelen 75 t/m 82 van de richtlijn). (1) Balans – activa (1) Balans – verplichtingen en kernvermogen (1a) Beleggingen (anders dan activa die tegenover fractieverzekeringen staan) (1b) Technische Voorzieningen schade en zorg (niet vergelijkbaar met leven) (1c) Technische Voorzieningen – leven (1d) Technische voorzieningen – Zorg (vergelijkbaar met leven)
    1. Overzicht van het eigen vermogen – inclusief het aanvullend eigen vermogen – naar bestanddelen, de indeling in de drie tiers en de mate waarin het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste worden gedekt door die tiers (zie de artikelen 87 en 88 van de richtlijn) (2) Eigen vermogen
    1. Berekening van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 129 van de richtlijn en de bestanddelen daarvan en van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardbenadering met inbegrip van de modules, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de richtlijn en de ondermodules, bedoeld in artikel 105 van de richtlijn (3a) Minimumkapitaalvereiste (MKV) berekening (3b) Solvabiliteitskapitaalvereiste (SKV) (3c) Solvabiliteitskapitaalvereiste – marktrisico (3d) Solvabiliteitskapitaalvereiste – tegenpartijrisico (3e) Solvabiliteitskapitaalvereiste – levensverzekeringstechnisch risico (3f) Solvabiliteitskapitaalvereiste – schadeverzekeringstechnisch risico (3g) Solvabiliteitskapitaalvereiste – ziektekostenverzekeringstechnisch risico (3h) Solvabiliteitskapitaalvereiste – operationeel risico
    1. Resultaatanalyse (zie artikel 51, tweede lid, van de richtlijn) voor het boekjaar 2012, dat wil zeggen een verklaring van de ontwikkeling van het eigen vermogen (4) Toelichting resultaatanalyse

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 106b
1.

De liquiditeit van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, van de wet is voldoende, indien wordt voldaan aan:

  • a. de liquiditeitsvereisten ingevolge deel 6 van de verordening kapitaalvereisten, indien het een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten betreft;
  • b. de liquiditeitsvereisten ingevolge deel 5 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, indien het een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen betreft.
2.

Op beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:65 van de wet is van overeenkomstige toepassing:

  • a. het eerste lid, onderdeel a, voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn;
  • b. het eerste lid, onderdeel b, voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen van toepassing zou zijn.
3.

Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die tevens een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de wet, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet.

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

Hoofdstuk 11. Liquiditeit

§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit

§ 12.1. De berekening van de technische voorzieningen

Artikel 134da
1.

De Nederlandsche Bank staat een verzekeraar als bedoeld in artikel 134c of artikel 134d toe bepaalde informatie in het rapport over de solvabiliteit en financiële positie niet openbaar bekend te maken, indien is voldaan aan een van de voorwaarden, genoemd in artikel 53, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.

2.

De verzekeraar vermeldt in het rapport over de solvabiliteit en financiële positie de reden voor het niet openbaar bekend maken van de in het eerste lid bedoelde informatie.

Artikel 134db

Een verzekeraar als bedoeld in artikel 134c of 134d behoeft tot en met 31 december 2020 de informatie, bedoeld in artikel 51, tweede lid, derde alinea, van de richtlijn solvabiliteit II niet afzonderlijk openbaar te maken.

§ 12.2. Beleggingsbeleid verzekeraars

§ 12.2. Beleggingsbeleid verzekeraars

Hoofdstuk 12a. Beleggingsbeleid premiepensioeninstellingen

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

Bijlage A. behorend bij artikel 6

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2.1. Veroordelingen

Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid

    1. De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
  • a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
  • b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
  • c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
  • d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
  • e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
  • a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
  • –. rente-inkomsten;
  • –. rente-uitgaven;
  • –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
  • –. overige bedrijfsopbrengsten.
  • b. De multiplicator is:
  • i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
  • ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
  • iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
  • iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
  • v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
    1. De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
  • a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.

Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid

    1. De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
  • a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
  • b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
  • c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
  • d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
  • e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
  • a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
  • –. rente-inkomsten;
  • –. rente-uitgaven;
  • –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
  • –. overige bedrijfsopbrengsten.
  • b. De multiplicator is:
  • i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
  • ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
  • iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
  • iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
  • v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
    1. De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
  • a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.

Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c

Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:

    1. Rentecontracten:
  • a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
  • b. Basisswaps;
  • c. Rentetermijncontracten;
  • d. Rentefutures;
  • e. Gekochte renteopties;
  • f. Andere contracten van gelijke aard;
    1. Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
  • a. Cross-currency renteswaps;
  • b. Valutatermijncontracten;
  • c. Valutafutures;
  • d. Gekochte valutaopties;
  • e. Andere contracten van gelijke aard;
  • f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
    1. Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 13a
1.

Een verzekeraar draagt er zorg voor dat de betrouwbaarheid van de werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten en van de feitelijk leidinggevenden die voor deze personen verantwoordelijk zijn, buiten twijfel staat.

2.

Een persoon als bedoeld in het eerste lid is betrouwbaar, indien hij een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële strafvorderlijke gegevens over kan leggen, en hij niet failliet is verklaard, tenzij rehabilitatie als bedoeld in artikel 212 van de Faillissementswet heeft plaatsgevonden.

3.

De verzekeraar legt alle relevante documentatie met betrekking tot de toepassing van dit artikel vast en houdt de documentatie bij.

Hoofdstuk 4. Beheerste uitoefening van het bedrijf

§ 4.1. Algemene aspecten van de bedrijfsvoering

§ 4.2. Risicomanagement

§ 4.3. Bijzondere bepalingen voor de verzekeringsector

§ 4.3a. Voorbereidend crisisplan

§ 4.3. Bijzondere bepalingen voor de verzekeringsector

Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij en centrale effectenbewaarinstelling

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens

Hoofdstuk 9. Minimum vermogen

Hoofdstuk 8. Vertegenwoordiger

§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit

§ 12.2. Beleggingsbeleid verzekeraars

§ 12.2. Beleggingsbeleid verzekeraars

Hoofdstuk 12a. Beleggingsbeleid premiepensioeninstellingen

Hoofdstuk 12a. Beleggingsbeleid premiepensioeninstellingen

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

Bijlage D

In deze bijlage worden, voor zover niet anders blijkt, begrippen gebruikt overeenkomstig richtlijn nr. 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking) (PbEU L 335)

    1. De balans met de beleggingen uitgesplitst naar categorie en de technische voorzieningen per line of business (zie de artikelen 75 t/m 82 van de richtlijn). (1) Balans – activa (1) Balans – verplichtingen en kernvermogen (1a) Beleggingen (anders dan activa die tegenover fractieverzekeringen staan) (1b) Technische Voorzieningen schade en zorg (niet vergelijkbaar met leven) (1c) Technische Voorzieningen – leven (1d) Technische voorzieningen – Zorg (vergelijkbaar met leven)
    1. Overzicht van het eigen vermogen – inclusief het aanvullend eigen vermogen – naar bestanddelen, de indeling in de drie tiers en de mate waarin het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste worden gedekt door die tiers (zie de artikelen 87 en 88 van de richtlijn) (2) Eigen vermogen
    1. Berekening van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 129 van de richtlijn en de bestanddelen daarvan en van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardbenadering met inbegrip van de modules, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de richtlijn en de ondermodules, bedoeld in artikel 105 van de richtlijn (3a) Minimumkapitaalvereiste (MKV) berekening (3b) Solvabiliteitskapitaalvereiste (SKV) (3c) Solvabiliteitskapitaalvereiste – marktrisico (3d) Solvabiliteitskapitaalvereiste – tegenpartijrisico (3e) Solvabiliteitskapitaalvereiste – levensverzekeringstechnisch risico (3f) Solvabiliteitskapitaalvereiste – schadeverzekeringstechnisch risico (3g) Solvabiliteitskapitaalvereiste – ziektekostenverzekeringstechnisch risico (3h) Solvabiliteitskapitaalvereiste – operationeel risico
    1. Resultaatanalyse (zie artikel 51, tweede lid, van de richtlijn) voor het boekjaar 2012, dat wil zeggen een verklaring van de ontwikkeling van het eigen vermogen (4) Toelichting resultaatanalyse

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 26.5
1.

Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, of artikel 3:23, eerste lid, van de wet beschikt over een voorbereidend crisisplan dat door de Nederlandsche Bank is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen die de verzekeraar in staat stellen zijn financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen.

2.

Een voorbereidend crisisplan wordt ten minste elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig bijgewerkt, alsook na elke significante verandering in de juridische structuur, de feitelijke bedrijfsuitoefening of de financiële positie van de verzekeraar.

3.

Een aanzienlijke verslechtering van de financiële positie als bedoeld in het eerste lid omvat ten minste een dreigende of daadwerkelijke doorbreking van het solvabiliteitskapitaalvereiste, een dreigende of daadwerkelijke doorbreking van het minimumkapitaalvereiste, alsmede een dreigende of daadwerkelijke verslechtering van de liquiditeitspositie.

4.

Het voorbereidende crisisplan bevat in ieder geval:

  • a. de maatregelen voor herstel van de financiële positie in verschillende crisisscenario’s, de verwachte effectiviteit ervan en de voor de uitvoering benodigde tijd;
  • b. een beschrijving van de procedures voor het bepalen van de waarde en verkoopbaarheid van bedrijfsactiviteiten en activa in diverse crisisscenario’s;
  • c. een beschrijving van de wijze waarop het voorbereidende crisisplan in de bestuurs- en bedrijfsvoeringsstructuur is geïntegreerd, alsmede van het beleid en de procedures met betrekking tot de goedkeuring van het voorbereidende crisisplan en de identificatie van de personen in de organisatie die voor de opstelling en uitvoering van het plan verantwoordelijk zijn;
  • d. de wijze waarop de verzekeraar de continue werking van de kritische bedrijfsprocessen waarborgt;
  • e. de wijze waarop de verzekeraar beoogt verzekeringsportefeuilles of delen daarvan met de daarbij behorende activa te verkopen binnen een tijdsbestek dat passend is voor het herstel van de financiële soliditeit;
  • f. voorbereidingen die de verzekeraar heeft getroffen of voornemens is te treffen om de uitvoering van het voorbereidende crisisplan te vergemakkelijken, met inbegrip van maatregelen die nodig kunnen zijn voor een tijdige herkapitalisatie van de verzekeraar;
  • g. indien van toepassing: een samenvatting van wezenlijke veranderingen in de juridische structuur of de feitelijke bedrijfsuitoefening die zich sinds de opstelling van het laatste voorbereidende crisisplan hebben voorgedaan;
  • h. een analyse van het effect van de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen op de polishouders en, voor zover van toepassing, de rest van de groep;
  • i. een communicatieplan voor de media en het publiek; en,
  • j. indien van toepassing: een beschrijving van de wezenlijke belemmeringen voor de doeltreffende uitvoering van het voorbereidende crisisplan en maatregelen om deze belemmeringen weg te nemen en de voor de uitvoering van die maatregelen benodigde tijd.
5.

Indien in het laatst ingediende periodieke toezichtrapport, bedoeld in artikel 304, eerste lid, onderdeel b, van de verordening solvabiliteit II, reeds de in het vierde lid genoemde onderdelen zijn opgenomen, vervalt de verplichting bedoeld in het vierde lid, voor de betreffende onderdelen.

6.

De Nederlandsche Bank kan toestaan dat het tweede tot en met vierde lid op vereenvoudigde wijze wordt toegepast.

Artikel 26.6
1.

Een verzekeraar of holding als bedoeld in artikel 3:288i1, eerste lid, van de wet beschikt over een voorbereidend groepscrisisplan dat door de Nederlandsche Bank is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen met betrekking tot de verzekeraar, zijn dochterondernemingen of holding, die de groep in staat stellen de financiële positie van de afzonderlijke groepsleden en de groep als geheel na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen.

2.

Het voorbereidende groepscrisisplan bevat een identificatie van de belangrijkste onderdelen van de groep.

3.

Artikel 26.5, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op een voorbereidend groepscrisisplan.

Artikel 26.7

De inrichting van de bedrijfsvoering van een verzekeraar als bedoeld in artikel 26.5, eerste lid, of van een verzekeraar dan wel holding als bedoeld in artikel 26.6, eerste lid, waarborgt dat elke maatregel bedoeld in artikel 26.5, vierde lid, onderdeel a, zonder wezenlijke belemmeringen ten uitvoer kan worden gelegd, in ieder geval met betrekking tot:

  • a. aanpassingen in het risicoprofiel van de verzekeraar;
  • b. de mogelijkheden tot tijdige herkapitalisatie;
  • c. aanpassingen in de strategie en bedrijfsvoering; en
  • d. de financieringsstrategie, teneinde de weerbaarheid van de bedrijfsonderdelen te waarborgen.
Artikel 26.8
1.

De Nederlandsche Bank beoordeelt een voorbereidend crisisplan of voorbereidend groepscrisisplan binnen zes maanden na de voorlegging ervan.

2.

Indien het voorbereidend crisisplan of groepscrisisplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of indien er wezenlijke belemmeringen zijn voor de uitvoering van het voorbereidende crisisplan en deze tekortkomingen of belemmeringen niet binnen een redelijke termijn zullen worden weggenomen, wordt goedkeuring aan het plan onthouden. Binnen drie maanden legt de indiener van het voorbereidende crisisplan opnieuw een voorbereidend crisisplan ter goedkeuring voor, waarbij de geconstateerde tekortkomingen of belemmeringen binnen een redelijke termijn zullen worden weggenomen.

Artikel 26.9

Indien een verzekeraar, onderdeel of holding als bedoeld in artikel 26.6, eerste lid, uitvoering geeft aan maatregelen die zijn opgenomen in het voorbereidende crisisplan of deze maatregelen achterwege laat bij een aanzienlijke verslechtering van de financiële positie als bedoeld in artikel 26.5, eerste lid, doet de verzekeraar, het onderdeel of de holding daarvan onverwijld mededeling aan de Nederlandsche Bank.

§ 4.3a. Voorbereidend crisisplan

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland

Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risico’s

§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

§ 13.1. Verstrekking van de jaarstukken

§ 13.2. Verstrekking en openbaarmaking van de staten

Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten

Hoofdstuk 15a. Verlenen betaaldiensten door tussenkomst betaaldienstagent

Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen

Bijlage A. behorend bij artikel 6

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Algemene wet inzake de rijksbelastingen (AWR):

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Wet wapens en munitie:

Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid

    1. De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
  • a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
  • b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
  • c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
  • d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
  • e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
  • a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
  • –. rente-inkomsten;
  • –. rente-uitgaven;
  • –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
  • –. overige bedrijfsopbrengsten.
  • b. De multiplicator is:
  • i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
  • ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
  • iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
  • iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
  • v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
    1. De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
  • a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.

Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c

Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:

    1. Rentecontracten:
  • a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
  • b. Basisswaps;
  • c. Rentetermijncontracten;
  • d. Rentefutures;
  • e. Gekochte renteopties;
  • f. Andere contracten van gelijke aard;
    1. Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
  • a. Cross-currency renteswaps;
  • b. Valutatermijncontracten;
  • c. Valutafutures;
  • d. Gekochte valutaopties;
  • e. Andere contracten van gelijke aard;
  • f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
    1. Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.

Bijlage D

In deze bijlage worden, voor zover niet anders blijkt, begrippen gebruikt overeenkomstig richtlijn nr. 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking) (PbEU L 335)

    1. De balans met de beleggingen uitgesplitst naar categorie en de technische voorzieningen per line of business (zie de artikelen 75 t/m 82 van de richtlijn). (1) Balans – activa (1) Balans – verplichtingen en kernvermogen (1a) Beleggingen (anders dan activa die tegenover fractieverzekeringen staan) (1b) Technische Voorzieningen schade en zorg (niet vergelijkbaar met leven) (1c) Technische Voorzieningen – leven (1d) Technische voorzieningen – Zorg (vergelijkbaar met leven)
    1. Overzicht van het eigen vermogen – inclusief het aanvullend eigen vermogen – naar bestanddelen, de indeling in de drie tiers en de mate waarin het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste worden gedekt door die tiers (zie de artikelen 87 en 88 van de richtlijn) (2) Eigen vermogen
    1. Berekening van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 129 van de richtlijn en de bestanddelen daarvan en van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardbenadering met inbegrip van de modules, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de richtlijn en de ondermodules, bedoeld in artikel 105 van de richtlijn (3a) Minimumkapitaalvereiste (MKV) berekening (3b) Solvabiliteitskapitaalvereiste (SKV) (3c) Solvabiliteitskapitaalvereiste – marktrisico (3d) Solvabiliteitskapitaalvereiste – tegenpartijrisico (3e) Solvabiliteitskapitaalvereiste – levensverzekeringstechnisch risico (3f) Solvabiliteitskapitaalvereiste – schadeverzekeringstechnisch risico (3g) Solvabiliteitskapitaalvereiste – ziektekostenverzekeringstechnisch risico (3h) Solvabiliteitskapitaalvereiste – operationeel risico
    1. Resultaatanalyse (zie artikel 51, tweede lid, van de richtlijn) voor het boekjaar 2012, dat wil zeggen een verklaring van de ontwikkeling van het eigen vermogen (4) Toelichting resultaatanalyse

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 17aa
1.

Het organisatieonderdeel van een premiepensioeninstelling dat is belast met de uitoefening van de interne controlefunctie, bedoeld in artikel 17, vierde lid, heeft in ieder geval als taak het interne controlesysteem en andere onderdelen van de bedrijfsvoering, inclusief de uitbesteding van werkzaamheden, te evalueren, om te beoordelen of deze adequaat en doeltreffend zijn.

2.

De premiepensioeninstelling stelt beleid op met betrekking tot de interne controle en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. De premiepensioeninstelling evalueert het beleid ten minste eenmaal per drie jaar en past het beleid in geval van een belangrijke wijziging in het interne controlesysteem of met betrekking tot de overige onderdelen van de bedrijfsvoering zo spoedig mogelijk aan.

3.

De interne controlefunctie bij een premiepensioeninstelling wordt uitgeoefend door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van deze functie en van wie de betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Artikel 3:9, tweede lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.

4.

De premiepensioeninstelling stelt de persoon die verantwoordelijk is voor de interne controlefunctie in staat diens taken op een objectieve en eerlijke wijze uit te oefenen.

5.

De personen die betrokken zijn bij de uitoefening van de interne controlefunctie kunnen niet tevens de risicobeheerfunctie, bedoeld in artikel 23, zesde lid, uitoefenen.

Artikel 17ab
1.

De persoon die binnen een premiepensioeninstelling verantwoordelijk is voor de interne controlefunctie, bedoeld in artikel 17aa, vierde lid, rapporteert periodiek en schriftelijk materiële bevindingen en doet aanbevelingen aan het bestuur van de premiepensioeninstelling naar aanleiding van de uitoefening van de interne controlefunctie. Indien de persoon die verantwoordelijk is voor de interne controlefunctie tevens bestuurder is van de premiepensioeninstelling, worden de materiële bevindingen en aanbevelingen tevens gericht aan het toezichthoudend orgaan.

2.

Het bestuur draagt zorgt voor tijdige en passende maatregelen naar aanleiding van een rapportage of aanbeveling als bedoeld in het eerste lid.

3.

De persoon, bedoeld in het eerste lid, meldt het de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk indien het bestuur van de premiepensioeninstelling niet tijdig passende maatregelen neemt, nadat het bestuur overeenkomstig het eerste lid op de hoogte is gesteld van:

  • a. een substantieel risico dat de premiepensioeninstelling niet zal voldoen aan een wettelijk vereiste en dit ernstige nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van de pensioendeelnemers, gewezen pensioendeelnemers, pensioengerechtigden of andere aanspraakgerechtigden; of
  • b. een ernstige overtreding van een wettelijk vereiste dat van toepassing is op de premiepensioeninstelling.
4.

De premiepensioeninstelling zorgt ervoor dat een persoon die op grond van het derde lid te goeder trouw en naar behoren een melding heeft gedaan bij de Nederlandsche Bank, niet wordt benadeeld als gevolg van de melding.

§ 4.2. Risicomanagement

Artikel 26.01

Artikel 17aa, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van de risicobeheerfunctie bij een premiepensioeninstelling. De artikelen 5, eerste lid, 17aa, vierde lid, en 17ab zijn van overeenkomstige toepassing op de personen die verantwoordelijk zijn voor de risicobeheerfunctie van een premiepensioeninstelling.

Artikel 26.02
1.

Een premiepensioeninstelling voert in het kader van het risicobeheer ten minste eenmaal per drie jaar een eigenrisicobeoordeling uit en legt de resultaten hiervan schriftelijk vast.

2.

De eigenrisicobeoordeling en de vastlegging van de resultaten hiervan wordt door de premiepensioeninstelling in aanmerking genomen bij het nemen van strategische beslissingen en omvat in ieder geval:

  • c. een kwalitatieve beoordeling van de mechanismen ter bescherming van de pensioenuitkeringen;
  • d. een beschrijving van de methoden waarover een premiepensioeninstelling beschikt om de risico’s, bedoeld in onderdeel a, te identificeren en evalueren; en
  • e. een beschrijving van de wijze waarop de eigenrisicobeoordeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 23, derde lid, is geïntegreerd in de bedrijfsprocessen.
3.

Indien het risicoprofiel van de premiepensioeninstelling, dan wel het risicoprofiel van een door de premiepensioeninstelling uitgevoerde pensioenregeling, in belangrijke mate wijzigt, vindt zo spoedig mogelijk een nieuwe eigenrisicobeoordeling plaats, met dien verstande dat bij een wijziging in het risicoprofiel van een specifieke pensioenregeling de eigenrisicobeoordeling beperkt kan blijven tot de betreffende pensioenregeling.

4.

De premiepensioeninstelling zendt de door het bestuur vastgestelde resultaten van de eigenrisicobeoordeling of wijzigingen in de resultaten van de eigenrisicobeoordeling zo spoedig mogelijk na de totstandkoming daarvan aan de toezichthouder.

Artikel 26.03

De Nederlandsche Bank kan een premiepensioeninstelling de verplichting opleggen om een stresstest uit te voeren, om de financiële omstandigheden van de premiepensioeninstelling te kunnen bepalen of de ontwikkeling ervan te kunnen volgen.

§ 4.3a. Voorbereidend crisisplan

§ 4.4. Vangnetregelingen

§ 4.4. Vangnetregelingen

Artikel 27f
1.

Een premiepensioeninstelling stelt de Nederlandsche Bank tijdig in kennis van het voornemen om werkzaamheden uit te besteden en van belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de uitbestede werkzaamheden. Bij uitbesteding van de uitoefening van de interne controlefunctie, de risicobeheerfunctie of het beheer van de premiepensioeninstelling, stelt de premiepensioeninstelling de Nederlandsche Bank daarvan in kennis voordat de overeenkomst, bedoeld in artikel 31, in werking treedt.

2.

In geval van uitbesteding van werkzaamheden door een premiepensioeninstelling aan een onderneming die geen financiële onderneming is, draagt een premiepensioeninstelling er zorg voor dat het beloningsbeleid van die onderneming in overeenstemming is met de vereisten ingevolge afdeling 1.7.2. van de wet.

Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens

Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland

Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland

Hoofdstuk 8. Vertegenwoordiger

Hoofdstuk 10. Solvabiliteit

Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars

§ 12.1. De berekening van de technische voorzieningen

§ 13.1. Verstrekking van de jaarstukken

§ 13.1. Verstrekking van de jaarstukken

§ 13.1. Verstrekking van de jaarstukken

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris

Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris

Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten

Bijlage A. behorend bij artikel 6

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

Opiumwet:

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Wet op de economische delicten (WED):

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Wegenverkeerswet 1994:

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Invorderingswet 1990

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.2. Strafbeschikkingen

Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid

    1. De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
  • a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
  • b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
  • c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
  • d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
  • e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
  • a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
  • –. rente-inkomsten;
  • –. rente-uitgaven;
  • –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
  • –. overige bedrijfsopbrengsten.
  • b. De multiplicator is:
  • i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
  • ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
  • iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
  • iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
  • v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
    1. De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
  • a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.

Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c

Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:

    1. Rentecontracten:
  • a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
  • b. Basisswaps;
  • c. Rentetermijncontracten;
  • d. Rentefutures;
  • e. Gekochte renteopties;
  • f. Andere contracten van gelijke aard;
    1. Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
  • a. Cross-currency renteswaps;
  • b. Valutatermijncontracten;
  • c. Valutafutures;
  • d. Gekochte valutaopties;
  • e. Andere contracten van gelijke aard;
  • f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
    1. Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.

Bijlage D

In deze bijlage worden, voor zover niet anders blijkt, begrippen gebruikt overeenkomstig richtlijn nr. 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking) (PbEU L 335)

    1. De balans met de beleggingen uitgesplitst naar categorie en de technische voorzieningen per line of business (zie de artikelen 75 t/m 82 van de richtlijn). (1) Balans – activa (1) Balans – verplichtingen en kernvermogen (1a) Beleggingen (anders dan activa die tegenover fractieverzekeringen staan) (1b) Technische Voorzieningen schade en zorg (niet vergelijkbaar met leven) (1c) Technische Voorzieningen – leven (1d) Technische voorzieningen – Zorg (vergelijkbaar met leven)
    1. Overzicht van het eigen vermogen – inclusief het aanvullend eigen vermogen – naar bestanddelen, de indeling in de drie tiers en de mate waarin het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste worden gedekt door die tiers (zie de artikelen 87 en 88 van de richtlijn) (2) Eigen vermogen
    1. Berekening van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 129 van de richtlijn en de bestanddelen daarvan en van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardbenadering met inbegrip van de modules, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de richtlijn en de ondermodules, bedoeld in artikel 105 van de richtlijn (3a) Minimumkapitaalvereiste (MKV) berekening (3b) Solvabiliteitskapitaalvereiste (SKV) (3c) Solvabiliteitskapitaalvereiste – marktrisico (3d) Solvabiliteitskapitaalvereiste – tegenpartijrisico (3e) Solvabiliteitskapitaalvereiste – levensverzekeringstechnisch risico (3f) Solvabiliteitskapitaalvereiste – schadeverzekeringstechnisch risico (3g) Solvabiliteitskapitaalvereiste – ziektekostenverzekeringstechnisch risico (3h) Solvabiliteitskapitaalvereiste – operationeel risico
    1. Resultaatanalyse (zie artikel 51, tweede lid, van de richtlijn) voor het boekjaar 2012, dat wil zeggen een verklaring van de ontwikkeling van het eigen vermogen (4) Toelichting resultaatanalyse

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

§ 4.5. Regels ter bevordering van de goede werking van het betalingsverkeer

Artikel 26c
1.

Een betaalinstelling beschikt over een beveiligingsbeleid om betaaldienstgebruikers te beschermen tegen beveiligingsrisico’s, zoals fraude en illegaal gebruik van gevoelige betaalgegevens en persoonsgegevens.

2.

Het beveiligingsbeleid omvat ten minste:

  • a. maatregelen op het gebied van beveiliging en risicobescherming, met inbegrip van een risicoanalyse met betrekking tot de aangeboden betaaldiensten onder meer in relatie tot digitale operationele veiligheid als bedoeld in de verordening digitale operationele weerbaarheid;
  • b. procedures voor het registreren en afhandelen van veiligheidsincidenten en veiligheidsgerelateerde klachten van cliënten en de nabehandeling ervan, met inbegrip van een mechanisme voor het melden van incidenten die rekening houden met de kennisgevingsverplichtingen voor betaalinstellingen die zijn vastgelegd in hoofdstuk III van de verordening digitale operatonele weerbaarheid;
  • c. procedures voor het opslaan, monitoren, traceren en beperken van de toegang tot gevoelige betaalgegevens; en
  • d. uitgangspunten en standaarden die worden toegepast bij het verzamelen van statistische gegevens over prestaties, transacties en fraude.
3.

Indien de betaalinstelling uitsluitend betaaldiensten verleent als bedoeld onder 8 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten, is het tweede lid, onderdeel d, niet van toepassing.

4.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen.

Artikel 26d

Een betaaldienstverlener beschikt over procedures ter waarborging van de bedrijfscontinuïteit, waaronder de bedrijfscontinuïteit op het gebied van de informatie- en communicatievoorziening, waarin de kritieke bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen, met inbegrip van respons- en herstelplannen voor de informatie- en communicatievoorziening en een procedure om de toereikendheid en efficiëntie van deze procedures en plannen periodiek te toetsen en te herzien met inachtneming van de verordening digitale operationele weerbaarheid.

Artikel 26e

Een betaaldienstverlener, met uitzondering van de betaaldienstverlener die uitsluitend betaaldiensten verleent als bedoeld onder 8 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten, verkrijgt alleen met de uitdrukkelijke toestemming van de betaaldienstgebruiker toegang tot diens persoonsgegevens, om deze gegevens te verwerken en te bewaren voor zover noodzakelijk voor het verlenen van betaaldiensten.

Artikel 26f
1.

Een betaaldienstverlener voorziet in passende risicobeperkende maatregelen en controlemechanismen ter voorkoming van operationele en beveiligingsrisico’s die zijn verbonden aan de door hem aangeboden betaaldiensten.

2.

Een betaaldienstverlener beschikt over procedures ter beheersing incidenten, inclusief een procedure om grote operationele incidenten en veiligheidsincidenten te detecteren en te classificeren.

3.

Een betaaldienstverlener verstrekt de Nederlandsche Bank ten minste jaarlijks een beoordeling van de operationele en beveiligingsrisico’s en van de toereikendheid van de in reactie op deze risico’s ingevoerde risicobeperkende maatregelen en controlemechanismen.

4.

Dit artikel is van toepassing onverminderd hoofdstuk II van de verordening digitale operationele weerbaarheid.

Artikel 26g
1.

Een betaaldienstverlener stelt de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van een groot operationeel of beveiligingsincident. Indien het incident gevolgen heeft of kan hebben voor de financiële belangen van hun betaaldienstgebruikers, stelt de betaaldienstverlener ook deze onverwijld van het incident in kennis en vermeldt hij welke maatregelen hij treft om de mogelijke schadelijke gevolgen van het incident te beperken.

2.

Een betaaldienstverlener verstrekt ten minste jaarlijks statistische gegevens over de door hem geconstateerde fraude met betrekking tot verschillende betaalmiddelen aan de Nederlandsche Bank.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de in artikel 96, zevende lid, van de richtlijn betaaldiensten genoemde betaaldienstverleners.

Artikel 26h
1.

Een betaaldienstverlener voorziet in sterke cliëntauthenticatie indien:

  • a. een betaler zich via het internet toegang tot zijn betaalrekening verschaft;
  • b. een betaler een elektronische betalingstransactie initieert;
  • c. een betaler via een communicatiemiddel op afstand een handeling uitvoert die een risico op betaalfraude of andere vormen van misbruik met zich mee kan brengen;
  • d. een betaling via een betaalinitiatiedienstverlener wordt geïnitieerd; of
  • e. informatie via een rekeninginformatiedienstverlener wordt opgevraagd.
2.

Sterke cliëntauthenticatie is een vorm van authenticatie die zodanig is opgezet dat de vertrouwelijkheid van de persoonlijke beveiligingsgegevens wordt beschermd en waarbij gebruik wordt gemaakt van twee of meer van de volgende factoren:

  • a. wetenschap, iets wat alleen de gebruiker weet;
  • b. bezit, iets waarover alleen de gebruiker beschikt; of
  • c. inherente eigenschap, een unieke persoonlijke eigenschap van de gebruiker.
3.

De factoren dienen onderling onafhankelijk te zijn, in die zin dat schending van de vertrouwelijkheid van één ervan geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de andere factoren.

4.

Indien een betaaldienstverlener sterke cliëntauthenticatie toepast treft hij beveiligingsmaatregelen en voorziet hij in authenticatieprocedures ter bescherming van de vertrouwelijkheid en integriteit van de persoonlijke beveiligingsgegevens van betaaldienstgebruikers.

5.

Indien er sprake is van het initiëren van een elektronische betalingstransactie op afstand, gebruikt een betaaldienstverlener sterke cliëntauthenticatie met elementen die transacties op dynamische wijze aan een specifiek bedrag en een specifieke betalingsbegunstigde verbinden.

6.

De rekeninghoudende betaaldienstverlener staat de betaalinitiatiedienstverlener en de rekeninginformatiedienstverlener toe dat zij mogen vertrouwen op de door hem ten behoeve van de betaaldienstgebruiker verstrekte authenticatieprocedures.

7.

Toepassing van dit artikel geschiedt met inachtneming van de krachtens artikel 98 van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen.

Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland

Hoofdstuk 6b. Gedekte obligaties

Hoofdstuk 9. Minimum vermogen

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

§ 13.2a. Melding van gebeurtenissen of omstandigheden die de ordelijke uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming bedreigen

§ 13.2b. Publicatieverplichtingen voor banken en beleggingsondernemingen

§ 13.1. Verstrekking van de jaarstukken

§ 13.2. Verstrekking en openbaarmaking van de staten

§ 13.2a. Melding van gebeurtenissen of omstandigheden die de ordelijke uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming bedreigen

Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten

Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten

Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen

Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Algemene Douanewet

2.2. Strafbeschikkingen

Tegen betrokkene is een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 10:15 van de Algemene douanewet uitgevaardigd ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder strafbeschikkingen wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare buitengerechtelijke afdoening ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, opgelegd door een daartoe bevoegde autoriteit.

2.3. Transacties

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

2.4. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

2.5. Andere feiten of omstandigheden

Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid

    1. De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
  • a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
  • b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
  • c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
  • d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
  • e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
  • a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
  • –. rente-inkomsten;
  • –. rente-uitgaven;
  • –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
  • –. overige bedrijfsopbrengsten.
  • b. De multiplicator is:
  • i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
  • ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
  • iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
  • iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
  • v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
    1. De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
  • a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • b. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.

Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c

Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:

    1. Rentecontracten:
  • a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
  • b. Basisswaps;
  • c. Rentetermijncontracten;
  • d. Rentefutures;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)