Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
Artikel 5.18.36c
Extra achteruitrijlichten die overeenkomstig de artikelen 5.3.57, vierde lid, 5.3a.57, vierde lid, of 5.12.57, vierde lid, op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn gemonteerd, mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt, worden de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.
Manoeuvreerlichten mogen branden totdat het voertuig een snelheid heeft bereikt van 10 km/h.
Artikel 5.18.36d
Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:
- a. het antiblokkeersysteem in werking is;
- b. indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s2; of
- c. indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s2.
Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.
A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens en samenstellen hiervan
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 6. Ophanging
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G. Middenasaanhangwagens
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
Artikel 6.9
Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of ov-auto, moet het voertuig voldoen aan de in artikel 3.1.5, opgenomen eisen.
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 6. Ophanging
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
Afdeling 18. Gebruikseisen
§ 0. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 1. Algemeen
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 6. Ophanging
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 5. Assen
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
§ 2. Afmetingen en massa’s
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 2.2. Technische eisen
§ 3. Olietemperatuurmeters
D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
§ 2. Afmetingen en massa’s
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
§ 8. Reminrichting
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
§ 1. Roetmeters
§ 1.1. Algemeen
§ 1.2. Technische eisen
§ 4. Manometers
§ 5.2. Technische eisen
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
§ 3.1. Algemeen
B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
§ 1.1. Algemeen
§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
§ 1.2.2. Maximale fout
E. Wagens
§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 4. Manometers
C. Gehandicaptenvoertuigen
D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
§ 8. Platenremtestbanken
D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
§ 7.2.3. Uitvoering
§ 1. Algemeen
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 5. Pedaalkrachtmeters
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
§ 2. Voertuigen
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 8. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Hoofdstuk 2. Inslag voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
§ 1. Algemeen
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
§ 2. Voertuigen
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Artikel 4. Identificatie
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Artikel 4. Identificatie
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Artikel 1. Begripsbepalingen
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Artikel 2. Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
Hoofdstuk 2. Inslag voertuigidentificatienummer
Artikel 10. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
§ 1. Algemeen
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Artikel 4. Het toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
Artikel 5. Identificatie
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie wordt bepaald door het chassis.
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
§ 1. Algemeen
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
§ 2. Voertuigen
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
1 Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.
§ 1. Algemeen
VN/ECE-reglement 100: reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
Artikel 6. Nader onderzoek
Artikel 5. Identificatie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
2 Mits aan de voorschriften van ISO 10571:1995 (Banden voor mobiele kranen en soortgelijke gespecialiseerde machines) of van ETRTO Standards Manual wordt voldaan.
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Artikel 11. Wijze van inslag
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
§ 1. Algemeen
Artikel 2. Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating
Artikel 11. Wijze van inslag
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Artikel 4
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Artikel 4
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
Artikel 11
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
Artikel 2c
Artikel 16
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EG) nr. 661/2009 tot 6 juli 2022 en met ingang van 6 juli 2022 aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Artikel 14. Toegangen; bedrijfsdeuren
Artikel 24
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
§ 2. Voertuigen
Artikel 11. Wijze van inslag
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Artikel 5. Identificatie
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 6. Nader onderzoek
Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
§ 2. Voertuigen
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Artikel 7
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Artikel 10
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Artikel 14
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Artikel 18
§ 2.3. Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Artikel 22
Artikel 23
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
A. Meting lichtsterktecoëfficiënt
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
C. Brandstoffenproef voorzijde
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
H. Corrosieproef
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
I. Sterkte bevestiging
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
I. Sterkte bevestiging
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
D. Smeermiddelenproef voorzijde
E. Warmteproef
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
H. Proef sterkte bevestiging
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
A. Meting lichtsterktecoëfficiënt
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Artikel 3.3. Afmetingen uitgangen
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
Artikel 3.7. Oprijplateau’s en -goten
Artikel 5. Zitplaatsen
Artikel 4. Doorgangen
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Hoofdstuk 1. Voertuigeisen
Titel 1. Algemeen
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 7
Artikel 8
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 14
Artikel 18
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 20
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Artikel 26
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Titel 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 32
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 38
Artikel 39
Vervallen.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Artikel 42. Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental
Artikel 44. Roetmeting
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
§ 3. Emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem (EOBD)
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
Artikel 45b
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
Artikel 46
Vervallen.
Artikel 46
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 48
Vervallen.
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
Artikel 50
§ 1. Stuurkoppeling
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Afdeling 1. Onderdelen van de reminrichting
Artikel 53
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
§ 1. Wijze van bepaling van remvertraging
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Artikel 60. Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem
Artikel 63. Bepalen remvertraging parkeerrem
Vervallen.
Artikel 64. Gebruik van de rollenremtestbank
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 68. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Artikel 68. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
§ 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Artikel 73. Bepaling remvertraging bedrijfsrem
Artikel 75. Maximale remkrachten bedrijfsrem
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Vervallen.
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Artikel 79
Vervallen.
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Artikel 82. Pedaalkracht bedrijfsrem
Artikel 85. Bepalen remvertraging parkeerrem
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
§ 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Aanvangssnelheid 40 km/h:
Artikel 100
Afdeling 1. Voorruiten
§ 1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Afdeling 4. Remvertraging bromfietsen
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
Aanvangssnelheid 25 km/h:
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
Aanvangssnelheid 25 km/h:
Artikel 97
Afdeling 1. Voorruiten
Afdeling 1. Voorruiten
§ 1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Vervallen.
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
§ 2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Artikel 98
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Artikel 99
Vervallen.
Vervallen.
Artikel 101
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
Artikel 106
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
Artikel 108
Vervallen.
Titel 9. Lichten en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 112
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Afdeling 2. Gasontladingslichtbronnen
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
Artikel 116
Vervallen.
Artikel 117
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
§ 1. Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen
Artikel 122
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
Artikel 123
§ 3. Retroreflecterende voorzieningen fietsen
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
§ 4. Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen
Artikel 126
Artikel 127a
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.2.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Personenauto’s in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 3. | Personenauto’s als bedoeld in artikel 41a van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig. |
Artikel 5.3.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Bedrijfsauto’s in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s als bedoeld in artikel 41a van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig. |
Artikel 5.3a.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Bussen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 3. | Bussen als bedoeld in artikel 41a, eerste lid, onderdeel b, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld, naar achteren niet rood stralen en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig. |
Artikel 5.5.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. |
Artikel 5.6.72
In afwijking van artikel 5.6.0, moet een bromfiets die door de minister op grond van artikel 20b van de wet is aangewezen, voldoen aan deze paragraaf en wordt die bromfiets beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
aangewezen bromfiets: bromfiets die door de minister is aangewezen op grond van artikel 20b van de wet.
Artikel 5.6.73
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat in het frame, in het chassis of in een vergelijkbare constructie is ingeslagen en goed leesbaar is. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.74
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aangewezen bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Indien een aangewezen bromfiets is opgebouwd uit een frame met een voor- of achtervork, mag dat frame met die voor- of achtervork: a. geen breuken of scheuren vertonen, b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.6.75
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Aangewezen bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 2,00 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m; c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de aangewezen bromfiets gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
Artikel 5.6.76
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen moeten bij voortduring voldoen aan de in artikel 20b van de wet vermelde maximumconstructiesnelheid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
Artikel 5.6.77
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van de brandstofsystemen van aangewezen bromfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De aanwezige brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | |
| 4. | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische aangewezen bromfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.6.78
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een aangewezen bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| 6. | Het vullen van de tank mag alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.6.79
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een aangewezen bromfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn. | |
| 5. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| 6. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: visuele controle. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
Artikel 5.6.80
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Aangewezen bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 90 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38 van toepassing. | – |
Artikel 5.6.81
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van aangewezen bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aangewezen bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
| 3. | De motor van aangewezen bromfietsen moet deugdelijk bevestigd zijn. | |
| 4. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
Artikel 5.6.82
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De snelheid van aangewezen bromfietsen moet op eenvoudige en doeltreffende wijze regelbaar zijn. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.83
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van aangewezen bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.84
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van aangewezen bromfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. |
Artikel 5.6.85
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De wiellagers van aangewezen bromfietsen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Artikel 5.6.86
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van aangewezen bromfietsen mogen geen breuken, scheuren ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.6.87
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. |
| 2. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
Artikel 5.6.88
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Van aangewezen bromfietsen: a. moet de stuurinrichting dan wel het besturingssysteem deugdelijk zijn; b. mogen de stofhoezen niet zodanig beschadigd zijn, dat de hoezen niet meer afdichten; c. moeten koppelingen en verbindingen spelingsvrij zijn; d. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.89
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een goedwerkend remsysteem. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij een rijproef wordt uitgevoerd. |
| 2. | Het voertuig mag als gevolg van het remmen of van een snelheidsvermindering geen zijwaartse beweging maken. |
Artikel 5.6.90
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een remsysteem waarvan de remvertraging ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. | Bij twijfel controle door middel van een vertragingsproef, waarbij aan de hand van de afgelegde vertragingsafstand wordt bepaald of aan de vereiste vertraging wordt voldaan. |
Artikel 5.6.91
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Permanent aangebrachte inrichtingen aan aangewezen bromfietsen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.92
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk banden van aangewezen bromfietsen mogen niet aanlopen. |
Artikel 5.6.93
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van: a. rode opvallende retroreflecterende lijnmarkering of één of twee rode retroreflectoren, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op een hoogte van minimaal 0,15 m en maximaal 0,90 m; b. witte of gele opvallende retroreflecterende markering of één of twee ambergele zijretroreflectoren, aangebracht aan de zijkant van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Aangewezen bromfietsen op drie of vier wielen moeten daarnaast voorzien zijn van twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde, indien het motorvoertuig is voorzien van een gesloten carrosserie. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.94
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Een aangewezen bromfiets mag zijn voorzien van: a. één of twee lichten aan de voorzijde; b. één of twee achterlichten; c. één of twee remlichten; d. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; e. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; f. één dagrijlicht. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.95
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het licht aan de voorzijde van een aangewezen bromfiets mag niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het achterlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 4. | Het dagrijlicht mag niet anders dan wit stralen. |
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 7. Stuurinrichting
§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen
§ 0. Algemeen
§ 12. Diversen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 11. Verbinding tussen bijzondere bromfiets en aanhangwagen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 8. Reminrichting
§ 5. Assen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 9. Fietsen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 5. Assen
§ 7. Stuurinrichting
§ 6. Ophanging
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 3. Motor en brandstofsystemen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 12. Diversen
Artikel 5.12.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Aanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. |
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 12. Diversen
§ 7. Stuurinrichting
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.13.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Aanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. |
Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 12. Diversen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
§ 7. Stuurinrichting
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 12. Diversen
§ 0. Algemeen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)