Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-05-14
State In force
Source BWB
artikelen 3776
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Onverminderd het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer ter bescherming van inzittenden van het voertuig, ter bescherming van kwetsbare weggebruikers of in verband met de bescherming van de gezondheid, veiligheid, het milieu of andere aspecten van het openbaar belang, aanvullende eisen en voorwaarden verbinden aan het verlenen van een voorlopige nationale individuele goedkeuring. Deze eisen en voorwaarden mogen niet destructief zijn.

4.

De Dienst Wegverkeer kan een maximum aantal op grond van dit artikel te verlenen goedkeuringen aan voertuigen of vergelijkbare voertuigen van dezelfde fabrikant vaststellen.

5.

De in het eerste lid bedoelde termijn kan met ten hoogste vijf jaar worden verlengd, indien ten behoeve van die nieuwe technologieën of nieuwe concepten nationale, Europese of internationale wetgeving, in voorbereiding is.

Artikel 3.7.2

De Dienst Wegverkeer weigert een voorlopige nationale individuele goedkeuring als bedoeld in artikel 3.7.1 indien:

  • a. een individuele EU-goedkeuring, voor een het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn toegepast als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 2018/858, artikel 40 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 35 van verordening (EU) 167/2013, meer in de rede ligt;
  • b. de toegepaste nieuwe technologieën zodanig vergaand zijn dat ontheffing van een of meer van de eisen voor goedkeuring bedoeld in dit hoofdstuk, niet in de rede ligt.
Artikel 3.7.3

Een op grond van artikel 3.7.1 afgegeven voorlopige nationale individuele goedkeuring wordt door de Dienst Wegverkeer omgezet in een definitieve nationale individuele goedkeuring met ingang van de dag dat voor het betreffende voertuig of systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, een wettelijke regeling voor goedkeuring in werking treedt.

Artikel 3.8.1

Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan de voorschriften opgenomen in bijlage Vb van deze regeling.

Artikel 3.8.2

Onverminderd artikel 29, derde lid, van verordening (EU) 2018/858 voldoet een rem- of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie O3 of O4, voor een nationale typegoedkeuring aan de voor het desbetreffende onderdeel voor het betreffende aangegeven voertuig relevante eisen opgenomen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858 of aan de daarvoor door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

Artikel 3.9.1

Tenzij hierin is voorzien in een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen, stelt de Dienst Wegverkeer de wijze van keuren vast in verband met de nationale goedkeuringen, bedoeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van wijze van keuren van de permanente eisen.

Artikel 3.9.2
1.

De Dienst Wegverkeer maakt, indien de voorwaarden of de beperkingen waaronder een EU- of nationale goedkeuring van een voertuig is verleend en dit ten behoeve van de handhaving van de permanente eisen bedoeld in hoofdstuk 5, noodzakelijk is, hiervan aantekening in het kentekenregister.

2.

Indien een aanvullende nationale individuele goedkeuring is verleend als bedoeld in artikel 3.1.5 wordt door de Dienst Wegverkeer bij de inschrijving in het kentekenregister van een:

  • c. ov-auto als bedoeld in artikel 3.1.5, zevende lid, vermeld ‘-ov-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘ov-auto, zie goedkeuringsdocument’.
Artikel 3.9.3

De Dienst Wegverkeer houdt in elk geval conformiteitscontroles op het overeenstemmen van de productie en de regelingen inzake het overeenstemmen van de productie van:

  • a. door hem verleende nationale kleine serie goedkeuringen op voertuigen en op systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan als bedoeld in dit hoofdstuk;
  • b. door hem verleende typegoedkeuringen op grond van een VN/ECE-reglement;
  • c. door hem verleende nationale typegoedkeuringen van voertuigen als bedoeld in dit hoofdstuk;
Artikel 3.10.1

Geen goedkeuring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet, is vereist voor:

  • a. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 2018/858 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;
  • b. voertuigen op rupsbanden of ontworpen en gebouwd of aangepast voor exclusief gebruik door de strijdkrachten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c en d, van verordening (EU) 2018/858;
  • c. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 168/2013 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;
  • d. voertuigen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a tot en met e, g en h, van verordening (EU) 168/2013 waarop die verordening niet van toepassing is;
  • e. voertuigen op verwisselbare machines als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) 167/2013 waarop die verordening niet van toepassing is;
  • i. voertuigen ten behoeve waarvan voor het gebruik van de weg door Onze Minister een vrijstelling op grond van artikel 147 van de wet is verleend;
  • j. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die specifiek ten behoeve van de in de onderdelen a tot en met i genoemde voertuigen of motorrijtuigen op de markt worden gebracht;
  • k. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen van speciale doeleinden als bedoeld in artikel 3.1.1, derde lid, waarbij van de voor die systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen geldende eisen, vrijstelling is verleend;
  • l. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor een nationale individuele goedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk is verleend;
  • m. voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen indien en voor zover hiervoor geen specifieke goedkeuringseisen zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet.
Artikel 3.10.2
1.

De Dienst Wegverkeer weigert EU- of nationale goedkeuring van een voertuig waarvoor goedkeuring is vereist indien voor de goedkeuring van dat betreffende voertuig geen goedkeuringseisen zijn vastgesteld.

2.

De Dienst Wegverkeer stelt Onze Minister in kennis van een weigering als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.11.1
1.

Een fabrikant die een voertuig als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 167/2013, artikel 44 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 49 van verordening (EU) 2018/858 toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.

2.

Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van:

  • a. het voertuigidentificatienummer;
  • b. het desbetreffende typegoedkeuringsnummer en, indien van toepassing, de variant en uitvoering ervan;
  • c. de plaats of plaatsen waar de voertuigen in voorraad worden gehouden;
  • d. het technisch voorschrift of de technische voorschriften waaraan de voertuigen niet voldoen, en
  • e. de technische of economische redenen waarom de voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.
3.

In verband met de behandeling van de aanvraag bepaalt de Dienst Wegverkeer:

  • a. dat de fabrikant de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid stelt op een door deze dienst te bepalen wijze een controle uit te voeren, of
  • b. dat de fabrikant een in de Nederlandse taal gestelde verklaring omtrent de juistheid van de opgave, van een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep, dan wel van een daaraan gelijk te stellen buitenlandse accountant, overlegt.
Artikel 3.11.2

Voor het maximaal aantal complete en voltooide voertuigen als bedoeld in verordening (EU) 2018/858 dat overeenkomstig de restant voorraadprocedure in gebruik wordt genomen geldt de beperking als beschreven in bijlage V, onder B, punt 2, van die verordening.

Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen

Artikel 3.12.1
1.

Indien een fabrikant voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers uit de handel neemt als bedoeld in artikel 27 van de wet, omdat deze niet conform dit hoofdstuk of de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglementen als bedoeld in de overeenkomst van 1958 zijn goedgekeurd of indien de nationale- of VN/ECE goedkeuring op basis van onjuiste gegevens is verleend, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:

  • a. artikel 9 van verordening 167/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S of mobiele machines;
  • b. artikel 10 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L of bijzondere bromfiets; of
  • c. artikel 14, eerste tot en met derde lid, van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O;
2.

In verband met het in het kader van het markttoezicht uit de handel nemen of terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers als bedoeld in artikel 27 van de wet, die zijn voorzien van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk of zijn voorzien van een VN/ECE-goedkeuring, maar waarvan op basis van verkregen informatie of klachten voldoende redenen zijn om aan te nemen dat ze een ernstig risico vormen voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang of omdat ze niet voldoen aan de voor goedkeuring gestelde eisen, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:

  • a. de artikelen 41 en 43 tot en met 46 van verordening 167/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S of mobiele machines;
  • b. de artikelen 46 tot en met 51 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L of bijzondere bromfiets;
  • c. de artikelen 51, 52, 55 en 56 van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O.
3.

In afwijking van het tweede lid, blijven de in dat lid van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen die betrekking hebben op de relatie tussen de lidstaat en de commissie of op verplichtingen voor de commissie buiten toepassing.

Hoofdstuk 4. Verkoopverboden

Artikel 4.4

Het door een technische dienst in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 31, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

  • a. artikel 72, tweede lid, onderdeel a, b en c, in samenhang met artikel 66 of 67 van verordening (EU) 167/2013;
  • b. artikel 76, tweede lid, onderdelen a, b en c, in samenhang met artikel 70 of 71 van verordening (EU) 168/2013;
  • c. artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 78, 80 of 81 van verordening (EU) 2018/858.

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 5.1.4a

Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig niet voldoet aan de aan het gebruik verbonden eisen als bedoeld in artikel 71, tweede lid, van de wet, die worden bedoeld in artikel 11, eerste lid, van verordening (EG) 715/2007 of artikel 7, tweede lid, 9 of 11, tweede lid, tweede en derde alinea, van verordening (EG) 595/2009.

Afdeling 2. Personenauto’s

Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren

Afdeling 2. Personenauto’s

§ 8. Reminrichting

§ 5. Assen

§ 6. Ophanging

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 3a. Bussen

§ 8. Reminrichting

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 0. Algemeen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 12. Diversen

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 9. Fietsen

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

Afdeling 17. Wagens

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 0. Algemeen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 18. Gebruikseisen

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

§ 8. Reminrichting

E. Wagens

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Roetmeters

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers

§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas

§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting

§ 1. Roetmeters

§ 1.2.1. Controle-inrichtingen

§ 1.2.6. Functiestanden

§ 9. Deeltjestellers

§ 3.1. Algemeen

§ 6.2. Technische eisen

§ 4.1. Algemeen

§ 4.2. Technische eisen

§ 10.3. De maximale fout

§ 10.6. Aanwijsinrichting

§ 6.2. Technische eisen

§ 6.2. Technische eisen

§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 11.1. Algemeen

§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting

§ 7. Rollenremtestbanken

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 12. Koplamptestapparaten

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Vervallen

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;

De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:

Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.

Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.

De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.

Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

Artikel 1.50

§ 2.2.3. Tankbanden

De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.

In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:

Artikel 1.52

§ 2.2.4. Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank

De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Artikel 1.56

De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:

Artikel 1.58

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5.2.72
Eisen Wijze van keuren
1. Een personenauto mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. In afwijking van het eerste lid mag een personenauto die is voorzien van een afzonderlijk bestuurdergedeelte waarbij direct naast de bestuurderszitplaats geen zitplaats voor passagiers aanwezig is, zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting, mits de afscherming voldoet aan het gestelde in artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid. De wijze van keuren, bedoeld in artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. Indien de personenauto is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het vierde tot en met negende lid gestelde eisen. -
4. De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5. De afscherming is deugdelijk bevestigd. Leden 5 tot en met 9: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd.
7. De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren.
8. De afscherming mag de doorgang naar de deuren en nooduitgangen niet belemmeren.
9. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.45, eerste tot en met het vierde lid, moeten personenauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel.
Artikel 5.3.72
Eisen Wijze van keuren
1. Een bedrijfsauto mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. -
3. De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. De afscherming is deugdelijk bevestigd. Leden 4 tot en met 8: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5. De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd.
6. De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren.
7. De afscherming mag de doorgang naar de deuren niet belemmeren.
8. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.45, eerste tot en met het vierde lid, moeten bedrijfsauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel.

Afdeling 3a. Bussen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.3a.72
Eisen Wijze van keuren
1. Een bus mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de direct naast elkaar gelegen zitplaatsen voor de passagiers. Visuele controle.
2. Indien de bus is voorzien van een afscherming, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. -
3. De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet.
4. De afscherming is deugdelijk bevestigd. Leden 4 tot en met 8: visuele controle.
5. De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd.
6. De afscherming mag de hoofddoorgang en toegang naar de uitgangen en de nooduitgangen zowel in geopende als in gesloten toestand niet belemmeren.
7. Het zesde lid is niet van toepassing indien de afscherming direct op de chauffeursdeur is geplaatst of is voorzien van een inrichting die de door- en toegang waarborgt met de afscherming in ruststand.
8. De afscherming mag het bestuurdersgedeelte niet permanent afsluiten van het passagiersgedeelte, tenzij het bestuurdersgedeelte is voorzien van twee uitgangen die zich niet in dezelfde zijwand bevinden.

Afdeling 4. Motorfietsen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 12. Diversen

§ 5. Assen

Artikel 5.5.72
Eisen Wijze van keuren
1. Een driewielig motorrijtuig mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. -
3. De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. De afscherming is deugdelijk bevestigd. Leden 4 tot en met 8: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5. De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd.
6. De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren.
7. De afscherming mag de doorgang naar de deuren niet belemmeren.
8. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.5.45, eerste tot en met het vierde lid, moeten driewielige motorrijtuigen met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel.

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 12. Diversen

Artikel 5.6.71a
Eisen Wijze van keuren
Een bromfiets op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. Visuele controle.

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

Artikel 5.7.73
Eisen Wijze van keuren
Een motorrijtuig met beperkte snelheid met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. Visuele controle.

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

Afdeling 9. Fietsen

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Artikel 5.10.72
Eisen Wijze van keuren
Een gehandicaptenvoertuig met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. Visuele controle.

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 12. Diversen

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 17. Wagens

Afdeling 18. Gebruikseisen

§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Artikel 6.1a

Artikel 6.1, eerste lid, is niet van toepassing op een wijziging van een bus met betrekking tot een afscherming als bedoeld in artikel 5.3a.72, mits de afscherming is geplaatst in het bestuurdersgedeelte van de bus.

§ 2. Eisen wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 1. Keuringsinstellingen

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

§ 1. Algemeen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas

§ 6. Remvertragingsmeters

§ 5.2. Technische eisen

§ 3.2. Technische eisen

§ 4.1. Algemeen

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.8.1

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.13 en 6.4, derde lid, en bijlage IV, artikel 9, tweede lid

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.

Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.

De kleur en afmetingen moeten zijn:

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Artikel 1.46

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 9. Carrosserie

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 3a. Bussen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

Afdeling 7a. Mobiele machines

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Afdeling 9. Fietsen

§ 8. Reminrichting

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

Afdeling 17. Wagens

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Eisen wijziging in de constructie

§ 4. Manometers

§ 1. Algemene bepalingen

§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen

§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen

§ 5. Pedaalkrachtmeters

§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting

§ 5.2. Technische eisen

§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting

§ 10.7. Resulterende meetwaarde

§ 7.1. Algemeen

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 7.2. Technische eisen

§ 7.2.1. Controle-inrichting

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.13 en 6.4, derde lid, en bijlage IV, artikel 9, tweede lid

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.

Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.

Artikel 1.54

De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.

§ 2.2.5. Automatische tankafsluiter

§ 2.2.6. Gasdichte behuizing op de tank

De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Artikel 1.63

§ 2.2.7. Gasleidingen en -slangen

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Artikel 1.63

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Afdeling 2. Gereserveerd

Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L

Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet

Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten

Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken erop tot sancties aanleiding geven

§ 0. Algemeen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen

§ 5. Assen

§ 5. Assen

§ 7. Stuurinrichting

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 3a. Bussen

§ 0. Algemeen

Afdeling 4. Motorfietsen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 8. Reminrichting

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

Artikel 5.12.32. remvloeistofreservoir
Eisen Wijze van Keuren
1. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
2. De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. Visuele controle

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 9. Carrosserie

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

Afdeling 17. Wagens

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

Afdeling 18. Gebruikseisen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 3. Reminrichting

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)