Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
Vervallen
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Op de retroreflector moet:
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
Vervallen.
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
Vervallen.
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De lengtemarkering moet bestaan uit:
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Artikel 145
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen
§ 6. Wijze van keuren
Artikel 150
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Hoofdstuk 2. Algemeen
Hoofdstuk 5. Wijziging in de bouw of inrichting waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
In deze annex:
Annex 1. behorende bij artikel 4
Artikel 1
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
§ 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
Artikel 3.24a
De aanvraag van een individuele goedkeuring voor voertuigen wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften en op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën L, T, C, R en S geschiedt op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen
Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 2. Personenauto’s
Afdeling 1. Algemeen
§ 0. Algemeen
§ 0. Algemeen
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.2.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische personenauto’s: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 0. Algemeen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 7. Stuurinrichting
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.3.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bedrijfsauto’s: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 6. Ophanging
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 3a. Bussen
§ 9. Carrosserie
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 12. Diversen
Artikel 5.3a.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bussen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 12. Diversen
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
Afdeling 4. Motorfietsen
Artikel 5.4.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische motorfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 12. Diversen
§ 5. Assen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 6. Ophanging
Artikel 5.5.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische driewielige motorrijtuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 12. Diversen
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.6.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bromfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 7. Stuurinrichting
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.6.96
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Aangewezen bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.6.97
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.6.93 en 5.6.94 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.98
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Indien de aangewezen bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.99
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. | Visuele en auditieve controle, waarbij de bel dan wel hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Aangewezen bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets te voorkomen. | Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Hybride elektrische of elektrische aangewezen bromfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem. | |
| 4. | Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het derde lid. |
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 6. Ophanging
§ 0. Algemeen
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 0. Algemeen
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
§ 6. Ophanging
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 9. Carrosserie
§ 5. Assen
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 5. Assen
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 0. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 5. Assen
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
§ 8. Reminrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
§ 2. Afmetingen en massa’s
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
§ 7. Stuurinrichting
§ 8. Reminrichting
A. Aanhangwagens
C. Gehandicaptenvoertuigen
D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
§ 8. Reminrichting
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
Artikel 5.18.62
Op een afsleepas zijn de artikelen 5.12.3, 5.12.6, zesde lid, 5.12.18, 5.12.27, 5.12.31, eerste tot en met zevende lid, 5.12.66 en 5.12.68 van overeenkomstige toepassing.
Een afsleepas moet zijn voorzien van een constructieplaat waarop naast het type ten minste de technisch toegestane maximummassa is aangegeven.
Aan de achterzijde van het door de afsleepas gesleepte voertuig moet een lichtbalk zijn geplaatst die is aangesloten op de verlichting van het trekkende voertuig met ten minste twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers.
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 3. Reminrichting
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
C. Gehandicaptenvoertuigen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
§ 0. Algemeen
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 8. Reminrichting
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 1. Keuringsinstellingen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
§ 1.2.3. Optisch systeem
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
D. Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Keuringsinstellingen
C. Gehandicaptenvoertuigen
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
Artikel 8.4.74a
Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a, wordt een verzegeling aangebracht tussen de platenremtestbank en zijn fundering.
§ 6.2. Technische eisen
Artikel 8.4.75a
Een geïntegreerde pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in de artikelen 8.4.27 en 8.4.28 en is voorzien van een arreteerinrichting.
Artikel 8.4.75b
De maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen statische remkracht bedraagt:
- a. bij een kracht die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. bij een kracht die groter is dan 2500 N: 4% van de werkelijke remkracht.
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld in het eerste lid.
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
§ 7.2.2. De maximale fout
Artikel 8.4.75c
De resulterende meetwaarden worden door analoge of digitale aanwijzingen aangegeven.
Indien een registratie-inrichting aanwezig is, moet deze de resulterende meetwaarden vermelden.
De aanwijzingen moeten:
- a. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- b. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn.
Een analoge of digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de aflezing op eenvoudige wijze mogelijk is.
Artikel 8.4.75d
De platenremtestbank is op eenvoudige wijze te bedienen en werkt op veilige wijze.
Het oppervlak van de meetplaten is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
De minimale lengte van de meetplaat bedraagt 1,35 m.
Artikel 8.4.75e
De resulterende meetwaarde is de maximale gemeten remkracht, met uitzondering van een eventuele piekwaarde aan het begin van de meetperiode en aan het eind van de meetperiode.
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
Artikel 8.4.76
Typekeuringscertificaten die afgegeven zijn vóór 1 januari 2012, vervallen met ingang van 1 augustus 2012.
Platenremtestbanken die op basis van vóór 1 januari 2012 afgegeven typekeuringscertificaten in gebruik genomen zijn, moeten blijven voldoen aan de eisen zoals die van kracht waren op 31 december 2011.
§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
§ 9.3.2. Beveiligingen
§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 2.2. Certificaten
§ 8.2.1. Controle-inrichting
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 1.2. Technische eisen
§ 1.2. Technische eisen
§ 1.2.2. Maximale fout
§ 1.2.3. Optisch systeem
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
§ 1.2.8. Registratie-inrichting
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 2. Toerentellers
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Artikel 153
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
Annex 3. behorende bij de artikelen 17 tot en met 19
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Deugdelijkheid en weggedrag
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Artikel 1
Artikel 4. Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig
Artikel 5. Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig
Artikel 1.0
Artikel 1.1
Artikel 1.30
Artikel 1.29
Artikel 1.30
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
§ 2.2.1. Algemeen
Artikel 1.32
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 153 van overeenkomstige toepassing.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Vervallen.
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Titel 2. Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag
Artikel 2. Algemeen
Afdeling 1. Eisen LPG
Afdeling 2. Eisen CNG
Artikel 1.31
Artikel 1.33
Artikel 1.34
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens VN/ECE-reglement 110);
Artikel 1.36
Artikel 1.35
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.12.31a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een reminrichting. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De reminrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 5.12.31. | – |
Artikel 5.12.39a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een vastzetinrichting. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De vastzetinrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 5.12.39, eerste lid. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend. |
§ 8. Reminrichting
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 12. Diversen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
§ 8. Reminrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 0. Algemeen
Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
C. Gehandicaptenvoertuigen
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 6. Diversen
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
E. Wagens
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten
§ 6. Ophanging
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
E. Fietsen en fietsaanhangwagens
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2. Toerentellers
§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
§ 2.2. Certificaten
§ 1.1. Algemeen
§ 1.1. Algemeen
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
§ 1.2.6. Functiestanden
§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
§ 1.2.8. Registratie-inrichting
§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Bijlage III. behorende bij artikel 3.4.1, zesde lid
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
Vervallen.
Annex 4. behorende bij artikel 50, eerste lid, en artikel 50a, eerste lid
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen
Artikel 5. Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig
§ 2.2. Inbouwvoorschriften
Artikel 1.34
Artikel 1.34
00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
Artikel 1.34
Artikel 1.37
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
Vervallen.
Hoofdstuk 3. Wijziging in de bouw of inrichting van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen
§ 2.1. Eisen toelating CNG-onderdelen
Artikel 1.35
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Artikel 1.35
Artikel 1.36
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.6.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bromfietsen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bromfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
§ 8. Reminrichting
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0. Algemeen
Artikel 5.7.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische motorrijtuigen met beperkte snelheid: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.7.57a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorrijtuigen met beperkte snelheid in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
Artikel 5.8.12a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische landbouw- of bosbouwtrekkers: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
§ 12. Diversen
Artikel 5.8.57a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Afdeling 9. Fietsen
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.9.57a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de fiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Visuele controle. |
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
Artikel 5.10.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische gehandicaptenvoertuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 0. Algemeen
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Artikel 5.11.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische gehandicaptenvoertuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 9. Carrosserie
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 9. Fietsen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 3. Brandstofsystemen
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 5. Assen
Artikel 5.14.57a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
Artikel 5.15.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. |
§ 5. Assen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 9. Carrosserie
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
§ 5. Verbinding tussen voertuigen
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
C. Gehandicaptenvoertuigen
§ 9. Carrosserie
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 17. Wagens
§ 9. Carrosserie
§ 2. Afmetingen en massa’s
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 6. Diversen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 1. Roetmeters
§ 3. Reminrichting
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2. Toerentellers
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 1. Algemene bepalingen
§ 7.2.1. Controle-inrichting
§ 7.1. Algemeen
§ 1.2.2. Maximale fout
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
§ 1.2.6. Functiestanden
§ 1.1. Algemeen
§ 1.2.10. Meetprogramma
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
§ 1.2.3. Optisch systeem
§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
§ 1. Roetmeters
§ 1. Roetmeters
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 4. Manometers
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7 en kleine serie typegoedkeuring voor de categorieën M, N en O behorende bij artikel 3.2, derde lid
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)