Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-05-14
State In force
Source BWB
artikelen 3776
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Eisen Wijze van keuren
1. Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De waterstoftank mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4. De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.
5. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 6 tot en met 10: visuele controle.
7. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
9. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
10. Driewielige motorrijtuigen voorzien van een waterstofinstallatie moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens:
Artikel 5.5.11a
Eisen Wijze van keuren
Onderdelen van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. Visuele controle.

§ 5. Assen

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.5.59b
Eisen Wijze van keuren
Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 0. Algemeen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 12. Diversen

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 0. Algemeen

§ 0. Algemeen

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 8. Reminrichting

§ 6. Ophanging

§ 7. Stuurinrichting

§ 0. Algemeen

Afdeling 9. Fietsen

§ 0. Algemeen

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 8. Reminrichting

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Artikel 5.12.11a
Eisen Wijze van keuren
Onderdelen van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. Visuele controle.

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 9. Carrosserie

§ 8. Reminrichting

§ 7. Stuurinrichting

§ 0. Algemeen

§ 0. Algemeen

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 0. Algemeen

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O

C. Gehandicaptenvoertuigen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 3. Reminrichting

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Artikel 6.10
1.

Indien een emissiebeheersingssysteem van een voertuig wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een emissiebeheersingssysteem dat wordt vervangen door:

  • a. eenzelfde origineel emissiebeheersingssysteem;
3.

De in bijlage I van verordening (EG) 715/2007 opgenomen eis voor Euro 5-fijnstof, geldt bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor voertuigen van de voertuigcategorie N1, klasse I, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2012.

3a. De in bijlage IV opgenomen eis voor de Euro 5-fijnstofnorm, bedoeld in bijlage I van verordening (EG) 715/2007 en eis voor de Euro 6-fijnstofnorm, bedoeld bijlage I van verordening (EG) 595/2009, gelden bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor personenauto’s, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2017.

4.

In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, mag een wijziging in de bouw of inrichting waarbij een emissiebeheersingssysteem van een voertuig met compressie-ontsteking is verwijderd, worden aangetoond door middel van een verklaring afgegeven door de kentekenhouder voor zover:

  • a. het een personenauto betreft, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2017;
  • b. het een ander voertuig dan een personenauto betreft, dat in gebruik is genomen voor 1 januari 2012 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km, of dat in gebruik is genomen voor 31 december 2013 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh.

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 1. Keuringsinstellingen

§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 3. Reminrichting

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2a. Sneeuwkettingen

§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 4. Manometers

§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen

§ 1.1. Algemeen

§ 1.2.3. Optisch systeem

§ 1.2.2. Maximale fout

§ 1.2.4. Temperatuuraspecten

§ 1.2.5. Monsternamesysteem

§ 1.1. Algemeen

§ 4. Manometers

§ 1.2. Technische eisen

§ 1.2.4. Temperatuuraspecten

§ 1.2.6. Functiestanden

§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting

§ 1.2.10. Meetprogramma

§ 10.4. Uitvoering

§ 2.1. Algemeen

§ 2.2. Technische eisen

§ 10.7. Resulterende meetwaarde

§ 3. Olietemperatuurmeters

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 4. Manometers

§ 4. Manometers

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

Op de retroreflector moet:

Bijlage IX. , behorende bij artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:

Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.

Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.

Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Bijlage XII. , behorende bij artikel 3.9, vijfde lid

Artikel 1.39

Artikel 1.42

§ 2.2.2. CNG-tank

Artikel 1.45

Artikel 1.48

Artikel 1.50

Artikel 1.51

Artikel 1.53

De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.

In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:

Artikel 1.55

§ 2.2.5. Automatische tankafsluiter

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1.1a

In deze regeling wordt onder aanhangwagen, ambulance, bedrijfsauto, bijzondere bromfiets, bromfiets, bus, dolly, driewielig motorrijtuig, gelede bus, gepantserd voertuig, kampeerwagen, landbouw- of bosbouwaanhangwagen, landbouw- of bosbouwtrekker, lijkwagen, middenasaanhangwagen, mobiele kraan, mobiele machine, motorfiets, motorrijtuig met beperkte snelheid, oplegger, opleggertrekker, ov-auto, overige voertuig voor speciale doeleinden, personenauto, taxi, voor rolstoelen toegankelijk voertuig en verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk:

  • a. mede verstaan een voertuig dat blijkens het kentekenregister een zodanig voertuig is;
  • b. niet verstaan een ander van de genoemde voertuigsoorten.

Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie

Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst

§ 1. Eisen voor de aanwijzing

Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating

Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994

Afdeling 1. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O

§ 1. Typegoedkeuring

§ 2. Individuele goedkeuring

Afdeling 4. Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen

Afdeling 7. Aanvraag en toezicht

§ 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring

§ 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring

§ 3. Aanvraag individuele goedkeuring

Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer

Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet

Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 7. Stuurinrichting

§ 13. Aanvullende eisen taxi’s

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen

§ 12. Diversen

§ 0. Algemeen

§ 5. Assen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 3a. Bussen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 0. Algemeen

§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 6. Ophanging

§ 5. Assen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 12. Diversen

§ 12. Diversen

§ 5. Assen

§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

§ 0. Algemeen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen

§ 8. Reminrichting

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 8. Reminrichting

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen

Afdeling 9. Fietsen

§ 8. Reminrichting

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

§ 12. Diversen

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 17. Wagens

§ 8. Reminrichting

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

§ 6. Ophanging

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 9. Carrosserie

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

§ 0. Algemeen

§ 0. Algemeen

Artikel 5.18.32a
1.

Banden van motorvoertuigen mogen niet zijn voorzien van sneeuwkettingen die bestaan uit metalen elementen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, indien het gebruik van sneeuwkettingen noodzakelijk is voor het vervullen van een dringende taak.

G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O

A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

§ 2. Eisen wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 1. Algemeen

§ 1. Keuringsinstellingen

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen

§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 3. Olietemperatuurmeters

D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen

§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting

§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas

§ 1.2. Technische eisen

§ 3.2. Technische eisen

§ 3.2. Technische eisen

§ 2. Toerentellers

§ 1.2.3. Optisch systeem

§ 1.2.5. Monsternamesysteem

§ 2.1. Algemeen

§ 2.1. Algemeen

§ 4.2. Technische eisen

§ 3.1. Algemeen

§ 3.2. Technische eisen

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 1. Ontheffingen

§ 5. Pedaalkrachtmeters

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Vervallen

Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.

Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Bijlage XII. , behorende bij artikel 3.9, vijfde lid

Artikel 1.38

Artikel 1.41

Artikel 1.43

Artikel 1.49

Artikel 1.52

Artikel 1.54

Artikel 1.57

Artikel 1.59

De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:

De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:

Artikel 1.60

Artikel 1.61

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Hoofdstuk 4. Verkoopverboden

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren

Afdeling 2. Personenauto’s

§ 0. Algemeen

§ 5. Assen

§ 5. Assen

§ 8. Reminrichting

§ 9. Carrosserie

§ 9. Carrosserie

§ 13. Aanvullende eisen taxi’s

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 12. Diversen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 0. Algemeen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 5. Assen

§ 8. Reminrichting

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 3a. Bussen

§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen

§ 0. Algemeen

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 0. Algemeen

§ 5. Assen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 7. Stuurinrichting

§ 8. Reminrichting

§ 9. Carrosserie

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 0. Algemeen

§ 8. Reminrichting

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 12. Diversen

§ 8. Reminrichting

§ 8. Reminrichting

§ 9. Carrosserie

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 5. Assen

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 4. Krachtoverbrenging

Afdeling 9. Fietsen

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

§ 6. Ophanging

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

§ 6. Ophanging

§ 8. Reminrichting

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 7. Stuurinrichting

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

Afdeling 17. Wagens

§ 8. Reminrichting

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

§ 6. Ophanging

§ 5. Assen

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan

E. Fietsen en fietsaanhangwagens

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens

B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 6. Diversen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken

§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen

§ 1.2.1. Controle-inrichtingen

§ 4. Manometers

§ 1.2.8. Registratie-inrichting

§ 4.1. Algemeen

§ 3. Olietemperatuurmeters

§ 3.1. Algemeen

§ 11. Geluidsniveaumeter

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 12. Koplamptestapparaten

§ 5. Pedaalkrachtmeters

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.

Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.

Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:

Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

Vervallen.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 8.3.10a

Indien de frequentie van een interne frequentiebron van invloed is op het meetresultaat, mag de frequentie geen grotere afwijking van zijn nominale waarde hebben dan overeenkomend met één tiende van de maximale fout.

Artikel 8.4.86a
1.

De programmatuur van de deeltjesteller moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het tweede en derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.

2.

Voor aanvang van een meting moeten de volgende gegevens worden ingevoerd:

  • a. kenteken van het voertuig;
  • b. grenswaarde voor voertuig;
3.

Nadat de sonde in de uitlaat is aangebracht, worden achtereenvolgens de volgende stappen van de roetfiltertest doorlopen:

  • a. een periode van 15 seconden stabiliseren met stationair draaiende motor;
  • b. gedurende de registratietijd meten en vervolgens presenteren van de meetwaarde van de meting, gebaseerd op het gemiddelde over de registratietijd;
  • c. indien de metingwaarde kleiner is dan of gelijk is aan de grenswaarde: presenteren dat de test is gehaald;
  • d. indien de metingwaarde groter is dan de grenswaarde: presenteren dat de test niet is gehaald.
4.

Indien nadat de sonde in de uitlaat wordt gebracht, de gemeten waarde direct oploopt tot meer dan tweemaal de grenswaarde, mag de meetprocedure worden afgebroken en is de test niet gehaald.

Artikel 45e. Controle werking roetfilter
1.

De goede werking van het roetfilter wordt gecontroleerd door meting van het aantal deeltjes per kubieke centimeter in de uitlaatgassen.

2.

De test, bedoeld in het eerste lid, wordt bij stationair toerental uitgevoerd.

Artikel 45f. Aantal deeltjes bij stationair toerental

De uitlaatgassen van personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een verbrandingsmotor met compressieontsteking en roetfilter, mogen bij stationair toerental niet meer deeltjes bevatten dan 1.000.000 deeltjes per kubieke centimeter.

Artikel 45g. Wijze van keuren
1.

De controle, bedoeld in artikel 45e, geschiedt door meting aan een stilstaande personenauto, bedrijfsauto of bus met een deeltjesteller die ten minste gedurende de door de fabrikant van de deeltjesteller opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.

2.

Voor elke test wordt gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadiging van de monsternameslang en sonde.

3.

De sonde wordt ten minste 0,30 m in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht.

4.

Indien een uitlaatsysteem met één roetfilter meer dan één uitmonding heeft, beperkt de controle zich tot één uitmonding.

5.

Indien een uitlaatsysteem meerdere roetfilters bevat, wordt in de uitmonding van elk roetfilter een controle uitgevoerd.

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

Vervallen.

Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.

Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3.1.1
1.

Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858.

2.

In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, aanhangsel 1, tabel 1 respectievelijk 2, bij verordening (EU) 2018/858.

3.

In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858.

4.

In afwijking van het eerste tot en met derde lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.

5.

De artikelen 33, 34 en 35, met uitzondering van artikel 35, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 2018/858 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.1.2
1.

Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

  • a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858; en
  • b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2.

In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

  • a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858; en
  • b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
3.

Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag van een voertuig, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX van deze regeling.

4.

In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de bijlage II bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van die verordening.

5.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het vierde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

Artikel 3.1.3
1.

Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.

2.

In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie bedoelde goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

3.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

4.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, van deze eisen vrijstelling verlenen.

Artikel 3.1.4

Onverminderd de toepassing van bijlage II bij verordening (EU) 2018/858, worden, voor zover van toepassing bij een EU-goedkeuring of nationale goedkeuring van een voertuig, aanhangwagen, systeem, onderdeel of technische eenheid daarvan, tevens de volgende richtlijnen in acht genomen:

  • a. tot 1 juli 2027, de eisen met betrekking tot het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen, bedoeld in richtlijn 70/157/EEG;
  • b. de eisen met betrekking herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassingen, bedoeld in richtlijn 2005/64/EG; en
  • c. de eisen betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen, bedoeld in richtlijn 2006/40/EG.
Artikel 3.1.5
1.

Om als taxi in gebruik te kunnen worden genomen beschikt een voertuig over een nationale individuele goedkeuring of nationale typegoedkeuring voor het gebruik als taxi.

2.

Voor goedkeuring als bedoeld in het eerste lid voldoet de taxi aan de in het derde, vierde, vijfde of zesde lid bedoelde goedkeuringseisen.

3.

Een taxi met een EU-typegoedkeuring wordt goedgekeurd indien het voldoet aan bijlage VI omdat het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

4.

Een taxi met een EU-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

5.

Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

6.

Overige taxi’s worden beoordeeld op de in bijlage VI gestelde eisen ten aanzien van:

  • a. een vaste indeling volgens de typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;
  • b. inrichtingen met zitplaatsen anders dan onder a; en
  • c. de gedeelten ten behoeve van andere vormen van vervoer dan op zitplaatsen. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
7.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op ov-auto’s.

8.

Voor een taxi en ov-auto als bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt een goedkeuringsdocument afgegeven waaruit blijkt dat het voertuig is goedgekeurd voor het gebruik als taxi onderscheidenlijk ov-auto.

§ 1. Typegoedkeuring

§ 2. Individuele goedkeuring

Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten

Artikel 3.3.1
1.

Voertuigen van de voertuigcategorie L voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 168/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.

3.

De artikelen 34 tot en met 37, met uitzondering van artikel 37, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 168/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.3.2
1.

Voertuigen van voertuigcategorie L, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:

  • a. aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen van bijlage II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013 met uitzondering van de eisen opgenomen in:
  • 1°. de bijlagen V en XI bij verordening (EU) 3/2014; en
  • 2°. de bijlagen III, IV, XII, XV en XVII bij verordening (EU) 44/2014;
  • b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2.

Onverminderd het eerste lid voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag als bedoeld in artikel 3 of artikel 6 van bijlage IX van deze regeling.

3.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

4.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

Artikel 3.3.3
1.

Voertuigen van voertuigcategorie L met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

3.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast

4.

In afwijking van het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.

Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen

Artikel 3.5.1
1.

Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlage bij verordening (EU) 167/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 37, eerste lid, tweede alinea, van die verordening.

3.

De artikelen 29 tot en met 32, met uitzondering van artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 167/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.5.2
1.

Voertuigen van de voertuigcategorieën T en C, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:

  • a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:
  • 1°. bijlagen III tot en met XI, XIII, XV, XVI, XVII, XX, XXII, XXV en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014; en
  • 2°. bijlagen X, XVIII, XXI en XXIII bij verordening (EU) 2015/208; en
  • b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2.

Voertuigen van voertuigcategorieën R en S met een eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:

  • a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:
  • 1°. bijlagen XXII, XXV, XXVI en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014; en
  • 2°. bijlage XVIII, XXI en XXII bij verordening (EU) 2015/208; en
  • b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
3.

In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in die leden voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

4.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

Artikel 3.5.3
1.

Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

3.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

4.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.

Afdeling 6. Goedkeuring taxi

§ 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring

§ 3. Aanvraag individuele goedkeuring

Artikel 3.7.1
1.

De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige nationale individuele goedkeuring voor ten hoogste twee jaar verlenen voor een voertuig als bedoeld in dit hoofdstuk of van systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan waarin nieuwe technologieën zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de eisen voor die goedkeuring, bedoeld in dit hoofdstuk.

2.

De Dienst Wegverkeer kan de in het eerste lid bedoelde voorlopige nationale individuele goedkeuring verlenen indien:

  • a. bij de aanvraag de redenen zijn vermeld waarom de nieuwe technologieën of nieuwe concepten tot gevolg hebben dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, onverenigbaar zijn met de eisen voor goedkeuring;
  • b. in de aanvraag voor de goedkeuring veiligheids- en milieuaspecten van de nieuwe technologie of het nieuwe concept zijn beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om er voor te zorgen dat ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd als wordt geboden door de voorschriften waarvan ontheffing wordt verleend; en
  • c. er testbeschrijvingen en -resultaten worden overgelegd die aantonen dat aan de voorwaarde van onderdeel b wordt voldaan.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)