Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 5. Assen
§ 5. Assen
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
G. Middenasaanhangwagens
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
A. Aanhangwagens
A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 5. Verbinding tussen voertuigen
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 5. Assen
§ 0. Algemeen
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
Afdeling 1. Algemeen
§ 5. Assen
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 2a. Sneeuwkettingen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 17. Wagens
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 9. Carrosserie
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 1. Algemene bepalingen
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
§ 4. Manometers
§ 1.2. Technische eisen
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
§ 1. Algemene bepalingen
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 3. Reminrichting
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 1.2. Technische eisen
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 2.2. Technische eisen
§ 2.1. Algemeen
§ 1. Algemeen
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
§ 6.2. Technische eisen
§ 10. Bromfietsrollentestbank
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
§ 2.1. Algemeen
§ 7.1. Algemeen
§ 7.2. Technische eisen
§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
§ 7.2. Technische eisen
§ 5.2. Technische eisen
§ 2.2. Certificaten
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 6.2. Technische eisen
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 12. Koplamptestapparaten
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
§ 1. Algemeen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 5. Nader onderzoek
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
§ 1. Algemeen
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
§ 1. Algemeen
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
§ 3. Samengestelde voertuigen
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
1 Krabbengang toegestaan.
Artikel 11. Wijze van inslag
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Artikel 2
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Op de retroreflector moet:
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
Artikel 19
Op de retroreflector moet:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de erkenning inschrijven met onderzoek of de erkenning inschrijven zonder onderzoek, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
Artikel 24
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Toelatingseisen taxi’s
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 4. Doorgangen
Artikel 3.8. Liftinstallaties
Artikel 5. Zitplaatsen
Titel 1. Algemeen
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Artikel 1
§ 2. Overeenstemming voertuig met kentekenregister
Artikel 2
§ 3. Kentekenplaat
Titel 2. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 4
Artikel 6
Artikel 9
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Vervallen.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Afdeling 3. Roetschadereparatie
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
§ 1. Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 30
Artikel 34
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 38b
Titel 4. Assen
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
Artikel 50b
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Remslangen mogen:
§ 3. Remslang
Artikel 56. Wijze van keuren
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Afdeling 2. Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Artikel 65. Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem
Artikel 72. Bepalen remvertraging parkeerrem
§ 3. Platenremtestbank
§ 3.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
Artikel 87. Bepalen remvertraging bedrijfsrem
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
Artikel 91
Afdeling 4. Remvertraging bromfietsen
Afdeling 4. Remvertraging bromfietsen
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Artikel 95
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
Titel 8. Carrosserie
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
§ 2. Zijdelingse afscherming
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Artikel 114
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Artikel 114b
Vervallen.
Artikel 125
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
§ 4. Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen
Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
§ 5. Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
Titel 10. Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen
Afdeling 4. Beschadigingen en bewerkingen
Artikel 128
Titel 10. Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen
De lengtemarkering moet bestaan uit:
Artikel 130
De lengtemarkering moet bestaan uit:
Titel 1. Afmetingen en massa’s
Artikel 130
Artikel 133
Voor de toepassing van deze titel wordt onder spiegel tevens verstaan deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.
Artikel 132
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
§ 0. Definities
Artikel 133a
Artikel 136
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.2.79
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een ligplaats moet zijn voorzien van een vastzetinrichting voor een draagbaar. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Ligplaatsen in personenauto's die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011, moeten met doelmatige veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust ten einde te voorkomen dat de passagier uit de ligplaats kan geraken. |
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 12. Diversen
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 8. Reminrichting
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
Afdeling 3a. Bussen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 8. Reminrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
§ 12. Diversen
§ 12. Diversen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 0. Algemeen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 7. Stuurinrichting
§ 7. Stuurinrichting
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 9. Carrosserie
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 9. Carrosserie
§ 3. Motor en brandstofsystemen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 0. Algemeen
§ 12. Diversen
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 0. Algemeen
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 0. Algemeen
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 8. Reminrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 5. Assen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 0. Algemeen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 9. Carrosserie
§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0. Algemeen
§ 5. Assen
§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 12. Diversen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 8. Reminrichting
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 11. Verbinding tussen bijzondere bromfiets en aanhangwagen
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 9. Carrosserie
§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 12. Diversen
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
§ 7. Stuurinrichting
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 11. Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 11. Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 6. Ophanging
§ 6. Ophanging
§ 6. Ophanging
§ 9. Carrosserie
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 12. Diversen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor en accu
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 5. Assen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.14.29
| Eisen | Wijze van keuren | Wijze van keuren | Wijze van keuren | |
|---|---|---|---|---|
| 1. | De gestuurde wielen moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkende voertuig. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |||
| 3. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |||
| 4. | De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. | |||
| 5. | De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | |||
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. |
| 7. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 6. Ophanging
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.16.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. |
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 7. Stuurinrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 9. Carrosserie
§ 9. Carrosserie
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 8. Reminrichting
§ 5. Assen
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G. Middenasaanhangwagens
§ 9. Carrosserie
§ 8. Reminrichting
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 8. Reminrichting
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G. Middenasaanhangwagens
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B. Aanhangwagens en lastdragers
§ 9. Carrosserie
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 6. Ophanging
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 9. Carrosserie
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 8. Reminrichting
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
§ 1.2.6. Functiestanden
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
§ 0. Algemeen
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 2.2. Certificaten
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
D. Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 5. Verbinding tussen voertuigen
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 4. Manometers
D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
E. Wagens
§ 6. Diversen
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 3.1. Algemeen
§ 7.2.1. Controle-inrichting
§ 4.1. Algemeen
§ 7.2. Technische eisen
§ 7.2.3. Uitvoering
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 6.1. Algemeen
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 1
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de erkenning inschrijven met onderzoek, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
De geometrische zichtbaarheid van achterretroreflectoren, achterrichtingaanwijzers, stoplichten en achterlichten op een bijzondere bromfiets bij toepassing van artikel 3.4.1, vijfde lid.
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
Artikel 3.1. Aantal uitgangen
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Artikel 3.2. Plaats uitgangen
Artikel 6. Plaatsen voor rolstoelen
§ 1. Vaststelling afmetingen
Artikel 3
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
§ 2. Motorfietsen en driewielige motorrijtuigen
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Vervallen.
§ 1. Koolmonoxide
Vervallen.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Voor het bepalen van de remvertraging:
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 76. Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem
Vervallen.
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
Artikel 93
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Aanvangssnelheid 40 km/h:
Artikel 90. afgelegde remweg
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
Vervallen.
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
§ 3. Retroreflecterende voorzieningen fietsen
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
Artikel 128
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
Artikel 127a
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
De lengtemarkering moet bestaan uit:
Artikel 129
Hoofdstuk 2. Gebruikseisen
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
Artikel 133
Titel 2. Carrosserie
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
Voor de toepassing van deze titel wordt onder spiegel tevens verstaan deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Artikel 134
Artikel 136
Artikel 135
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de erkenning inschrijven met onderzoek of de erkenning inschrijven zonder onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Hoofdstuk 2. Inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Op de retroreflector moet:
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Afdeling 1. Voertuigen zonder een volledig dragend chassis
Artikel 13
Artikel 17
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
Vervallen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Vervallen.
Vervallen.
§ 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Vervallen.
Artikel 71. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Voor het bepalen van de remvertraging:
Artikel 79
a ahw = remvertraging aanhangwagen;
Artikel 89. Afgelegde remweg
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De opspatafscherming moet:
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)