Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba

Type Circulaire
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 229
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie paragraaf 2.3), dan zijn de tarieven D of E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.

Een gemeenschappelijk verzoek wil zeggen dat een verzoek om naturalisatie is ingediend door twee met elkaar gehuwden of door twee wederzijds geregistreerde partners dan wel door twee ongehuwde personen die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleven.

Op het adviesblad moet worden aangeven dat het gaat om een verzoek van een Molukker die op grond van genoemde wet wordt behandeld als Nederlander.

Het verlaagd tarief voor een verzoek om naturalisatie geldt in de volgende gevallen:

Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatiegelden:

Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN, is het tarief onder H verschuldigd. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te naturaliseren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen voor hun naturalisatie (tarief D, E, F of G), het tarief H moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening wordt ingediend.

Hieronder wordt toegelicht onder welke omstandigheden aan bovengenoemde categorieën van personen ontheffing wordt verleend.

Personen die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers van 9 september 1976 (Stb. 468) als Nederlander wordt behandeld, zijn vrijgesteld van naturalisatieleges.

Op het adviesblad moet worden aangeven dat het gaat om een verzoek van een Molukker die op grond van genoemde wet wordt behandeld als Nederlander.

In gevallen waarin iemand op grond van staatsbelang of zijn verdiensten voor de Staat genaturaliseerd wordt, wordt ontheffing verleend van de betaling van de naturalisatiegelden vanwege dat staatsbelang en die verdiensten voor de Staat.

Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatiegelden:

Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden

Hieronder wordt toegelicht onder welke omstandigheden aan bovengenoemde categorieën van personen ontheffing wordt verleend.

In geval van een zelfstandig verzoek om naturalisatie van een minderjarige is er in beginsel geen reden om met betrekking tot de naturalisatiegelden anders te handelen dan in geval van een zelfstandige naturalisatie van een meerderjarige. In beide gevallen wordt een zelfde inspanning van de Gouverneur en Onze Minister vereist. Voor een zelfstandig verzoek om naturalisatie van een minderjarige wordt in beginsel dan ook hetzij tarief D, hetzij tarief F in rekening gebracht. Slechts onder de hieronder genoemde drie omstandigheden wordt een minderjarige die een zelfstandig verzoek om naturalisatie indient, ontheven van het betalen van naturalisatiegelden:

Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden

In gevallen waarin iemand op grond van staatsbelang of zijn verdiensten voor de Staat genaturaliseerd wordt, wordt ontheffing verleend van de betaling van de naturalisatiegelden vanwege dat staatsbelang en die verdiensten voor de Staat.

De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is gemandateerd aan de Gouverneur. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.24 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.25 beschikbaar.

Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de termijn van zes weken waarbinnen betrokkene moet betalen opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist.

De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd voordat een optieverklaring of een naturalisatieverzoek in behandeling kan worden genomen. De betaling van de optiegelden wordt voldaan bij het Kabinet van de Gouverneur. De betaling van de naturalisatiegelden wordt voldaan bij de Directie Financiën, tegen overlegging van een kwitantie. Eerst na ontvangst van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden of de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende naturalisatieverzoek of de afgelegde optieverklaring in behandeling genomen. Ongeacht het verdere verloop van de optie- of naturalisatieprocedure –- toewijzing, afwijzing of intrekking van de optieverklaring of het naturalisatieverzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk artikelen 2 en 3 BON).

De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het indienen van een naturalisatieverzoek wordt in beginsel vastgesteld op het moment dat de verklaring of het verzoek door de Gouverneur in ontvangst wordt genomen. Zie hiervoor de in paragrafen 1.1, 1.3, 2.2 tot en met 2.4 en 2.6 opgenomen richtlijnen.

Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen optie- en naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde optie- en naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als model 1.25 en model 2.8. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in artikel 6:3 Awb en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.

Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk.

Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen. Hiervoor zijn model 1.25 en model 2.8 beschikbaar. De termijn van zes weken vloeit voort uit artikel 6 BON. Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buitenbehandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene (artikel 4, tweede lid, BVVN). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 en 2.23.

Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de termijn van zes weken waarbinnen betrokkene moet betalen opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist.

Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling van een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie kan betrokkene binnen zes weken bezwaar aantekenen. Het bezwaarschrift moet worden opgestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap, Postbus 4, 9560 AA TER APEL (Nederland).

Stelt de Gouverneur een verzoek om naturalisatie buiten behandeling, dan brengt hij geen advies uit aan Onze Minister. De Gouverneur stuurt altijd het naturalisatiedossier aan de IND, ongeacht of de verzoeker wel of geen bezwaar heeft aangetekend tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling van het verzoek om naturalisatie.

In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de Gouverneur verzoeken om een vergoeding (artikel 8, tweede lid, BON). Een dergelijk schriftelijk verzoek moet worden gericht aan de IND, Directie Bedrijfsvoering, Afdeling Financiën en Business Informatie, Team Financiële Administratie, Postbus 85449, 2508 CC Den Haag. Als het verzoek van de Gouverneur door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de Gouverneur een bedrag van Afl. 440 voor een enkelvoudig verzoek en Afl. 752 voor een gemeenschappelijk verzoek.

De Gouverneur hoeft de ontvangen optiegelden niet af te dragen aan Onze Minister. De behandeling van en de beslissing op de verklaring van optie liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.

Artikel 8 BON bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de rijksoverheid. De Gouverneur draagt zorg voor een rechtstreekse afdracht aan Onze Minister. Tevens regelt artikel 8 BON de hoogte van het bedrag dat de Gouverneur behoudt en op welke wijze de afdracht aan Onze Minister geschiedt. Over de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de Gouverneur van Aruba aan Onze Minister, wordt de Gouverneur nader geïnformeerd met een brief van de IND.

De Gouverneur behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie Afl. 501, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan Onze Minister (Afl. 1.867 bij standaard tarief en Afl. 1.260 bij verlaagd tarief).

Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de Gouverneur Afl. 857 eveneens ongeacht of standaard of verlaagd tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan Onze Minister (Afl. 2.166 bij het standaard tarief en Afl. 1.561 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN behoudt de Gouverneur Afl. 56 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (Afl. 293) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de Gouverneur die de leges geïnd heeft het bedrag dat niet afgedragen hoeft te worden en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.

Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden

In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de Gouverneur verzoeken om een vergoeding (artikel 8, tweede lid, BON). Een dergelijk schriftelijk verzoek moet worden gericht aan de IND, Directie Bedrijfsvoering, Afdeling Financiën en Business Informatie, Team Financiële Administratie, Postbus 85449, 2508 CC Den Haag. Als het verzoek van de Gouverneur door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de Gouverneur een bedrag van Afl. 501 voor een enkelvoudig verzoek en Afl. 857 voor een gemeenschappelijk verzoek.

13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid

Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het bewijs van toelating tot één van de landen van het Koninkrijk.

Aan deze bepaling is uitvoering gegeven met het Besluit bericht omtrent toelating (BOT).

Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2 en de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN paragraaf 1.1.

14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid

Algemene termijnenwet: artikel 1

BW: artikelen 1:202.1 en 3:44

Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden

WvSr: artikel 83 (Eerste Boek), titels I tot en met IV, artikel 205 en titel XII (Tweede Boek), artikel 134a (Tweede Boek)

Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2 en de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN paragraaf 1.1.

N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde.

Onze Minister kan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, danwel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De intrekking is niet mogelijk indien sedert de verkrijging of verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. De derde volzin is niet van toepassing indien de betrokken persoon is veroordeeld voor een van de misdrijven omschreven in de artikelen 6, 7, 8 en 8bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof ( Trb. 2000, 120 en Trb. 2011,73 ).

Paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen Koninklijk Besluit

Vóór de herziening van de RWN was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan Onze Minister in geval van fraude overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.

Tot 1 april 2015 werd de terugwerkende kracht van de intrekking beperkt door artikel II RRWN. Op grond van dit artikel werkte intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Hierdoor had het intrekkingsbesluit geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór de inwerkingtreding van de Rijkswetten van 21 december 2000 en 18 april 2002 tot wijziging van de RWN. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap werd betrokkene geacht wél in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit, maar vanaf het moment van inwerkingtreding van de wijzigingswetten van 2000 en 2002 niet meer in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit.

14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid

N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde.

Paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen Koninklijk Besluit

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad heeft een dergelijk Koninklijk Besluit geen rechtsgevolg ten aanzien van de indiener van het verzoek om naturalisatie134De Hoge Raad: 11 november 2005, nr. R04/127 HR (JV 2006, nr. 2).De Hoge Raad: 30 juni 2006, nr. R05/095 HR (JV 2006, nr. 314)..

Artikel 14

Ingevolge artikel II, tweede lid, RRWN heeft een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken geen aanspraak op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Hij kan dan ook geen optie uitbrengen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN, eerste zinsdeel (‘verzoeker die te eniger tijd het Nederlanderschap (...) heeft bezeten’).

14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid

Of bijzondere omstandigheden kunnen worden aangenomen, hangt sterk af van de specifieke omstandigheden van het geval. Naarmate meer persoonsgegevens onjuist zijn en/of de werkelijke personalia minder onderscheidend vermogen hebben, ligt het aannemen van identificatie van de gegevens op het KB met de (werkelijke) gegevens van betrokkene minder voor de hand. Hoewel over het algemeen de naam een groter onderscheidend vermogen heeft dan een geboorteplaats of -datum, is daarmee geenszins gezegd dat een valse of onjuiste geboortedatum of -plaats – al dan niet in combinatie met de werkelijke naam – het onderzoek alsmede de beoordeling tijdens de naturalisatieprocedure niet heeft belemmerd. Op basis van de specifieke omstandigheden die door de betrokken persoon moeten worden aangedragen of die blijken uit het vreemdelingenrechtelijke en/of naturalisatiedossier van betrokkene, wordt bezien of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn voor het oordeel dat de valse of fictieve persoonsgegevens de betrokken persoon desondanks toch dusdanig identificeren dat geconcludeerd moet worden dat het Koninklijk Besluit met daarin valse of onjuiste personalia rechtsgevolg heeft.

Paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad heeft een dergelijk Koninklijk Besluit geen rechtsgevolg ten aanzien van de indiener van het verzoek om naturalisatie134De Hoge Raad: 11 november 2005, nr. R04/127 HR (JV 2006, nr. 2).De Hoge Raad: 30 juni 2006, nr. R05/095 HR (JV 2006, nr. 314)..

Met andere woorden: de vreemdeling verkrijgt het Nederlanderschap niet. Dit betekent ook dat het Nederlanderschap niet hoeft te worden ingetrokken met toepassing van artikel 14, eerste lid, RWN. Immers, intrekking van het Nederlanderschap is slechts mogelijk indien het Nederlanderschap daadwerkelijk is verkregen. Ook de omstandigheid dat betrokkene in het bezit is (geweest) van een Nederlands paspoort onder zijn valse personalia leidt niet tot de conclusie dat hij als Nederlander moet worden aangemerkt.

Paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’. Hiervan is sprake wanneer‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’.

Of bijzondere omstandigheden kunnen worden aangenomen, hangt sterk af van de specifieke omstandigheden van het geval. Naarmate meer persoonsgegevens onjuist zijn en/of de werkelijke personalia minder onderscheidend vermogen hebben, ligt het aannemen van identificatie van de gegevens op het KB met de (werkelijke) gegevens van betrokkene minder voor de hand. Hoewel over het algemeen de naam een groter onderscheidend vermogen heeft dan een geboorteplaats of -datum, is daarmee geenszins gezegd dat een valse of onjuiste geboortedatum of -plaats – al dan niet in combinatie met de werkelijke naam – het onderzoek alsmede de beoordeling tijdens de naturalisatieprocedure niet heeft belemmerd. Op basis van de specifieke omstandigheden die door de betrokken persoon moeten worden aangedragen of die blijken uit het vreemdelingenrechtelijke en/of naturalisatiedossier van betrokkene, wordt bezien of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn voor het oordeel dat de valse of fictieve persoonsgegevens de betrokken persoon desondanks toch dusdanig identificeren dat geconcludeerd moet worden dat het Koninklijk Besluit met daarin valse of onjuiste personalia rechtsgevolg heeft.

Op grond van dit artikellid is intrekking van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk als de verzoeker (of zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde) valse verklaringen heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. In alle andere gevallen van onjuiste informatie van de verzoeker – veelal door een lichte mate van onzorgvuldigheid zijnerzijds – laat de RWN het ten onrechte verkregen Nederlanderschap dus onaangetast. Dit is niet omdat de verzoeker mag vertrouwen dat hij met de onjuiste informatie voldoet aan de vereisten van de RWN, maar omdat ook voor de overheid de voortzetting van de feitelijke situatie in deze gevallen belangrijker is dan het corrigeren daarvan.

Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat ‘In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken.’ In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform artikel 14, eerste lid, RWN worden ingetrokken.

Vorenstaande geldt ook voor de vreemdeling die op of na 1 april 2003 onder valse personalia door bevestiging van de optieverklaring het Nederlanderschap heeft verkregen.

Dit geldt echter niet indien de betrokkene is veroordeeld voor misdrijven omschreven in artikel 6, 7 en 8 van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120). Artikel 6 heeft betrekking op genocide, artikel 7 op misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder foltering, en artikel 8 op oorlogsmisdrijven, waaronder foltering. Vóór 1 oktober 2010 werd in artikel 14, eerste lid RWN verwezen naar misdrijven als bedoeld in de Wet Oorlogsstrafrecht, de Uitvoeringswet folteringsverdrag en de Uitvoeringswet genocideverdrag. Materieel komen deze misdrijven overeen met de betreffende misdrijven in het Statuut van Rome. Bij een veroordeling voor een dergelijk misdrijf is intrekking dus ook mogelijk meer dan twaalf jaren nadat het Nederlanderschap is verkregen of verleend. Het is mogelijk dat de veroordeling wordt uitgesproken na de optiebevestiging of naturalisatie tot Nederlander. Wel moet het misdrijf zijn gepleegd voorafgaand aan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.

Indien achteraf blijkt dat het Nederlanderschap op onjuiste gronden is verkregen, rijst de vraag of deze situatie in stand moet blijven. Uitgangspunt bij een situatie als bedoeld in het onderhavige artikellid is dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken. Als gevolg van eventuele individuele bijzondere omstandigheden én na afweging van de bij intrekking betrokken belangen kan van intrekking worden afgezien. Aan een eventuele intrekking wegens fraude gaat een zogenaamde ‘voornemenprocedure’ vooraf. Het betreft hier de procedure uit de artikelen 66 tot en met 69 BVVN. Zie paragraaf 4.1.

Met name stelt zich de vraag of dient te worden ingetrokken als de verkrijging berust op onjuiste informatie van de verzoeker. Zie in dit verband de in artikel 6, vierde lid, BVVN en artikel 31, vierde lid, BVVN voorgeschreven verklaring (de ‘waarheidsverklaring’) die door de optant en de verzoeker om naturalisatie moet worden afgelegd. Het is overigens irrelevant of de onjuiste informatie werd verstrekt door de betrokkene zelf of namens hem door een derde, bijvoorbeeld zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde. Het gaat erom of de onjuiste informatie, al dan niet door toedoen van een wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde, kan worden toegerekend aan de betrokkene. De omstandigheid dat de betrokkene niet strafrechtelijk is veroordeeld wegens frauduleuze of bedrieglijke handelingen betekent niet dat geen toepassing kan worden gegeven aan onderhavig artikellid.

Op grond van dit artikellid is intrekking van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk als de verzoeker (of zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde) valse verklaringen heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. In alle andere gevallen van onjuiste informatie van de verzoeker – veelal door een lichte mate van onzorgvuldigheid zijnerzijds – laat de RWN het ten onrechte verkregen Nederlanderschap dus onaangetast. Dit is niet omdat de verzoeker mag vertrouwen dat hij met de onjuiste informatie voldoet aan de vereisten van de RWN, maar omdat ook voor de overheid de voortzetting van de feitelijke situatie in deze gevallen belangrijker is dan het corrigeren daarvan.

Intrekking zal slechts worden overwogen indien de betrokkene, ware de fraude, het bedrog of de verzwijging van relevante feiten tijdig bekend geweest, niet voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen. Echter, ook indien betrokkene aanvankelijk valse documenten heeft overgelegd, maar later alsnog echte documenten met dezelfde inhoudelijke gegevens heeft overgelegd, zal worden overwogen of tot intrekking van het Nederlanderschap wordt overgegaan. Is de intrekking echter aan te merken als disproportioneel of niet opportuun, dan zal van intrekking worden afgezien. Ook kan van intrekking worden afgezien op grond van bijzondere individuele omstandigheden, waarbij onder meer kan worden gedacht aan overheidsfouten die mede hebben geleid tot de onterechte verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.

Intrekking als bedoeld in onderhavig artikellid is niet meer mogelijk indien de betrokkene sedert de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap twaalf jaren of langer in het bezit is van het Nederlanderschap.

Dit geldt echter niet indien de betrokkene is veroordeeld voor misdrijven omschreven in artikel 6, 7 en 8 van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120). Artikel 6 heeft betrekking op genocide, artikel 7 op misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder foltering, en artikel 8 op oorlogsmisdrijven, waaronder foltering. Vóór 1 oktober 2010 werd in artikel 14, eerste lid RWN verwezen naar misdrijven als bedoeld in de Wet Oorlogsstrafrecht, de Uitvoeringswet folteringsverdrag en de Uitvoeringswet genocideverdrag. Materieel komen deze misdrijven overeen met de betreffende misdrijven in het Statuut van Rome. Bij een veroordeling voor een dergelijk misdrijf is intrekking dus ook mogelijk meer dan twaalf jaren nadat het Nederlanderschap is verkregen of verleend. Het is mogelijk dat de veroordeling wordt uitgesproken na de optiebevestiging of naturalisatie tot Nederlander. Wel moet het misdrijf zijn gepleegd voorafgaand aan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.

A maakt zich tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië schuldig aan foltering. Dit strafbaar feit verzwijgt hij bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie. Veertien jaar na verlening van het Nederlanderschap wordt A door de (bevoegde) rechter in Sarajevo veroordeeld voor het plegen van foltering. Met toepassing van artikel 14, eerste lid, RWN kan het Nederlanderschap worden ingetrokken, omdat sprake is van een veroordeling van een strafbaar feit dat omschreven is in 8 van het Statuut van Rome, reden waarom de termijn van 12 jaar, die aanvangt op het moment van de verkrijging van het Nederlanderschap, niet geldt. Of A nog een andere nationaliteit bezit of niet is niet van belang. De intrekking op grond van artikel 14, eerste lid RWN mag tot staatloosheid leiden (artikel 14, zesde lid RWN).

A is in 1988 genaturaliseerd tot Nederlander. In 2003 komt aan het licht dat A in het kader van de naturalisatieprocedure bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt (bijvoorbeeld strafrechtelijke veroordelingen verzwegen). Zou dat ten tijde van de beslissing op het verzoek om naturalisatie bekend zijn geweest, dan zou de naturalisatie van A niet tot stand zijn gekomen. Aangezien sedert de naturalisatie van A inmiddels een periode van meer dan twaalf jaar is verstreken, kan het destijds verleende Nederlanderschap niet worden ingetrokken.

Paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden

De intrekking kan tot gevolg hebben dat de betrokkene staatloos wordt. Overigens is dit het enige geval waarin staatloosheid kan ontstaan als gevolg van verlies van het Nederlanderschap (zie artikel 14, zesde lid, RWN). De hier bedoelde intrekking, zelfs indien staatloosheid kan ontstaan, berust op zowel artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van het op 30 augustus 1961 te New York tot stand gekomen Verdrag tot beperking der staatloosheid ( Trb. 1967, 124) als op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van het op 6 november 1997 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Verdrag inzake nationaliteit ( Trb. 1998, 149).

Paragraaf 2.3. Belangenafweging

In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:

Bijlage 1

Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN

Wegens verzwijging tijdens de naturalisatieprocedure van het feit dat er een strafzaak tegen hem loopt, zou het Nederlanderschap kunnen worden ingetrokken. Augustus 2004 wordt de voornemenprocedure gestart. Tijdens de voornemenprocedure tot intrekking voert A aan dat hij onschuldig is en stelt tevens dat van intrekken moet worden afgezien tot er een onherroepelijk strafvonnis is (er is nog niet beslist op het hoger beroep). Verder moet in de belangenafweging worden meegewogen dat hij, nu hij de Belgische nationaliteit kwijt is door naturalisatie tot Nederlander, na intrekking van het Nederlanderschap staatloos zal zijn.

In de belangenafweging komen de volgende zaken aan de orde:

Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.

Het feit dat A staatloos zou worden, is toegestaan als het gaat om een intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN en moet worden geacht te komen voor het risico van A. Gezien de aard en de ernst van de verzwijging moet het belang van de staat om in te trekken groter worden geacht dan het belang van A om niet staatloos te worden.

Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.

Bij de overig te wegen relevante factoren geldt dat voor de intrekking niet hoeft te worden gewacht tot er een onherroepelijk strafvonnis is, omdat reeds een openstaande strafzaak voldoende grond is om een verzoek tot naturalisatie af te wijzen. In de belangenafweging moet nog worden gekeken naar het eventueel niet-opportuun zijn van de intrekking (dit betreft de vraag binnen welke termijn A, na intrekking, weer Nederlander zou kunnen worden).

Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)

B, C en D zijn dus wel oud-Nederlanders, maar ingevolge artikel II, tweede lid, RRWN kunnen geen optie uitbrengen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN, eerste zinsnede.

Model 1.3. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Het besluit tot intrekking heeft voor de kinderen alleen gevolgen indien dat expliciet is vermeld in het intrekkingbesluit. Is in het intrekkingbesluit niet opgenomen dat de intrekking ook kinderen betreft, dan hebben zij het Nederlanderschap behouden, aangezien uit artikel 16 en 16A RWN geen verlies voor hen voortvloeit.

Van kinderen die nadat een ouder het Nederlanderschap verkregen heeft, geboren zijn en die op grond van artikel 3, eerste lid, van de Rijkswet hun Nederlanderschap aan hun bij de intrekking betrokken ouder ontlenen, zal steeds moeten worden nagegaan of zij door de intrekking van het Nederlanderschap van deze ouder het Nederlanderschap verliezen. Dit geldt ook voor kinderen die, nadat een ouder het Nederlanderschap verkregen heeft, het Nederlanderschap van rechtswege hebben verkregen op grond van artikel 4, eerste, tweede, derde of vierde lid, van de Rijkswet en het Nederlanderschap aan hun bij de intrekking betrokken ouder ontlenen. Aangezien het Nederlanderschap van deze ouder met terugwerkende kracht wordt ingetrokken, kan dit betekenen dat de ouder ten tijde van de geboorte, vaststelling vaderschap, erkenning of wettiging, van het kind geen Nederlander was en het kind geen Nederlander is geworden op grond van artikel 3, eerste lid, RWN of artikel 4, eerste, tweede, derde of vierde lid, RWN. In dat geval moet wel beoordeeld worden of het kind op andere verkrijgingsgronden een beroep kan doen, zoals bijvoorbeeld het geval zal zijn als het kind een beroep kan doen op artikel 3, derde lid, van de Rijkswet (toelichting bij het BVVN, Stb. 2002, 231).

B is op 19 juni 1995 genaturaliseerd. Zijn minderjarige kinderen C en D zijn meegenaturaliseerd. In 2003 wordt zoon E geboren. Zoon E verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN.

In 2004 wordt vastgesteld dat B in het kader van de naturalisatieprocedure bedrog heeft gepleegd en dat de fraude hem kan worden toegerekend. Het bedrog heeft ook betrekking gehad op de meegenaturaliseerde kinderen C en D. Op 6 augustus 2004 wordt het aan B, C en D verleende Nederlanderschap ingetrokken. De gevolgen van de intrekking zijn: B, C en D hebben hun Nederlanderschap verloren. Zij moeten echter wel geacht worden van 19 juni 1995 tot 1 april 2003 Nederlander te zijn geweest, aangezien ingevolge artikel II RRWN de intrekking niet verder terugwerkt dan tot het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, indien de naturalisatie vóór dat tijdstip tot stand is gekomen.

B, C en D zijn dus wel oud-Nederlanders, maar ingevolge artikel II, tweede lid, RRWN kunnen geen optie uitbrengen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN, eerste zinsnede.

Voor E zal moeten worden nagegaan of hij door de intrekking van het Nederlanderschap van B het Nederlanderschap destijds op een andere rechtsgrond dan via B heeft verkregen, nu B geacht moet worden dit voor de periode na 1 april 2003 nooit verkregen te hebben. Bezien moet dus worden of E op andere gronden het Nederlanderschap mogelijk heeft verkregen.

Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.12HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van artikel 14 RWN opgenomen in de artikelen 68 t/m 68c BVVN.

De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.

De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.

De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.

Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:

Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.

Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.

Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.

Model 1.6. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, RWN(afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.

Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.

Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.

Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij naar de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.

Model 1.7. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, RWN.

De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Op grond van artikel 14, eerste lid, RWN kan de IND het Nederlanderschap intrekken als de verkrijging of verlening berust op fraude en bedrog. Het algemeen belang bij deze intrekkingsgrond is gelegen in de bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen de lidstaten en zijn onderdanen en wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding.

De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:

Artikel 65 BVVN bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan onze Minister, zonodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald omtrent te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de PIVA en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het koninklijk besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.

Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.

Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden

Model 1.8. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, RWN

De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.

Heeft de betrokken persoon een bekende woon- of verblijfplaats, dan wordt de mededeling van het voornemen tot intrekking gezonden aan dat adres. Bij het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats geschiedt toezending van de mededeling aan het laatst bekende adres (artikel 66, tweede lid, BVVN). In beide hierboven genoemde omstandigheden geschiedt de verzending aan de rechtsreeks betrokkene(n) van de mededeling dat het voornemen bestaat het Nederlanderschap in te trekken, aangetekend en met ontvangstbevestiging.

Artikel 65 BVVN bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan onze Minister, zonodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald omtrent te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de PIVA en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het koninklijk besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.

In de mededeling van het voornemen tot intrekking is ten minste opgenomen:

In beginsel zal aan de betrokkenen en de autoriteit worden gevraagd hun bedenkingen binnen zes weken na ontvangst van het voornemen schriftelijk kenbaar te maken. Een verzoek om verlenging van de reactietermijn wordt slechts gehonoreerd indien betrokkenen redelijkerwijs niet in staat zijn tijdig hun bedenkingen kenbaar te maken. Een verzoek om verlenging van de reactietermijn dient vóór het verstrijken van de reactietermijn schriftelijk en gemotiveerd te worden aangevraagd. Indien inwilliging van het verzoek zou leiden tot overschrijding van de in artikel 69 BVVN genoemde termijn wordt het niet gehonoreerd. Betrokkenen die mondeling hun bedenkingen naar voren willen brengen, worden daartoe in de gelegenheid gesteld indien zij dit binnen twee weken na ontvangst van het voornemen berichten. Indien de betrokkene zijn bedenkingen mondeling naar voren brengt, wordt daarvan een verslag gemaakt. Van de ingebrachte bedenkingen wordt door de IND een afschrift gezonden aan de personen en de autoriteit die eerder mededeling hebben ontvangen van het voornemen tot intrekking (artikel 67 BVVN).

Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN. De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor onze Minister zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.

Model 1.9. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Heeft de betrokken persoon een bekende woon- of verblijfplaats, dan wordt de mededeling van het voornemen tot intrekking gezonden aan dat adres. Bij het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats geschiedt toezending van de mededeling aan het laatst bekende adres (artikel 66, tweede lid, BVVN). In beide hierboven genoemde omstandigheden geschiedt de verzending aan de rechtsreeks betrokkene(n) van de mededeling dat het voornemen bestaat het Nederlanderschap in te trekken, aangetekend en met ontvangstbevestiging.

Indien onze Minister dat noodzakelijk acht, geeft hij van zijn voornemen tot intrekking kennis door uitreiking in persoon van de mededeling van dat voornemen (artikel 66, derde lid, BVVN). Denkbaar is dan een uitreiking door tussenkomst van een deurwaarder, politie of eilandgebied waar betrokkene woont. Tevens kan de Minister, indien hij dat nodig acht, van zijn voornemen kennis geven in een of meer lokale bladen van de vermoedelijke verblijfplaats van betrokkenen of in deStaatscourant, deCuraçaose Courant of deLandscourant van Aruba, al naar gelang de vermoedelijke verblijfplaats (artikel 66, vierde lid, BVVN).

In de mededeling van het voornemen tot intrekking is ten minste opgenomen:

In beginsel zal aan de betrokkenen en de autoriteit worden gevraagd hun bedenkingen binnen zes weken na ontvangst van het voornemen schriftelijk kenbaar te maken. Een verzoek om verlenging van de reactietermijn wordt slechts gehonoreerd indien betrokkenen redelijkerwijs niet in staat zijn tijdig hun bedenkingen kenbaar te maken. Een verzoek om verlenging van de reactietermijn dient vóór het verstrijken van de reactietermijn schriftelijk en gemotiveerd te worden aangevraagd. Indien inwilliging van het verzoek zou leiden tot overschrijding van de in artikel 69 BVVN genoemde termijn wordt het niet gehonoreerd. Betrokkenen die mondeling hun bedenkingen naar voren willen brengen, worden daartoe in de gelegenheid gesteld indien zij dit binnen twee weken na ontvangst van het voornemen berichten. Indien de betrokkene zijn bedenkingen mondeling naar voren brengt, wordt daarvan een verslag gemaakt. Van de ingebrachte bedenkingen wordt door de IND een afschrift gezonden aan de personen en de autoriteit die eerder mededeling hebben ontvangen van het voornemen tot intrekking (artikel 67 BVVN).

Na intrekking van het Nederlanderschap is de betrokken persoon weer vreemdeling. Of de vreemdeling dan een verblijfsrecht heeft hangt af van de verblijfspositie voorafgaand aan de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap.

Deze personen vallen na intrekking van het Nederlanderschap terug op de verblijfstitel die zij voorafgaand aan de verlening van het Nederlanderschap bezaten. Voorwaarde is dat de persoon geacht kan worden nooit Nederlander te zijn geweest. Daarvan is sprake als de intrekking terugwerkt tot het moment van de verlening van de Nederlandse nationaliteit of als het rechtsgevolg aan het KB is onthouden.

Model 1.10. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder g, RWN.

Artikel 68 , tweede lid, BvvN bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.

Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de Awb. De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing, ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd of door optie Nederlander is geworden, nu het besluit tot intrekking wordt genomen door Onze Minister. Belanghebbenden kunnen bezwaar maken tegen het besluit tot intrekking, doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking. Wordt het bezwaarschrift gegrond verklaard, dan zal het besluit tot intrekking worden herroepen. Die herroeping werkt terug tot de datum van het zogenaamde intrekkingbesluit, als gevolg waarvan betrokkene geacht moet worden nimmer zijn Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Wordt het bezwaarschrift ongegrond verklaard, dan staat beroep bij de rechtbank, sector Bestuursrecht open.

Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN. De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor onze Minister zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.

Na intrekking van het Nederlanderschap is de betrokken persoon weer vreemdeling. Of de vreemdeling dan een verblijfsrecht heeft hangt af van de verblijfspositie voorafgaand aan de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap.

Deze personen vallen na intrekking van het Nederlanderschap terug op de verblijfstitel die zij voorafgaand aan de verlening van het Nederlanderschap bezaten. Voorwaarde is dat de persoon geacht kan worden nooit Nederlander te zijn geweest. Daarvan is sprake als de intrekking terugwerkt tot het moment van de verlening van de Nederlandse nationaliteit of als het rechtsgevolg aan het KB is onthouden.

De vreemdeling heeft in deze situatie geen verblijfsrecht meer.

In deze situatie werkt de intrekking terug tot de datum van inwerkingtreding van artikel 14, eerste lid, RWN. De persoon wordt geacht vanaf het moment van verlening van het Nederlanderschap tot 1 april 2003 Nederlander te zijn geweest. Als gevolg van de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap is de verblijfstitel van rechtswege vervallen. De vreemdeling heeft dan ook geen verblijfsrecht meer.

Model 1.11. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder h, RWN

Mocht na ingesteld bezwaar of beroep betrokkene alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, dan wordt de Gouverneur wederom door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld.

Deze personen vallen na intrekking van het Nederlanderschap terug op de verblijfstitel die zij voorafgaand aan de verlening van het Nederlanderschap bezaten. Voorwaarde is dat de persoon geacht kan worden nooit Nederlander te zijn geweest. Daarvan is sprake als de intrekking terugwerkt tot het moment van de verlening van de Nederlandse nationaliteit of als het rechtsgevolg aan het KB is onthouden.

Ingevolge artikel 70, eerste lid, BVVN wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in artikel 14, eerste lid, RWN of in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN, gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren in de PIVA zijn ingeschreven en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:

De verzending aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, geschiedt per aangetekende post met ontvangstbevestiging.

Wordt het intrekkingbesluit in gevallen als hier bedoeld herroepen of vernietigd, dan herleeft de situatie van vóór de intrekking. Wat betreft de namen betekent dat, dat betrokkene alsdan geacht moet worden sedert de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap rechtens de namen te dragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.

Wordt de Gouverneur door de IND in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:

Model 1.12. : Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 10:22, lid 1 BW-NL luidt:

Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastgesteld, dan doet zich na intrekking van het Nederlanderschap één van de volgende drie situaties voor:

De terugwerkende kracht van een intrekkingbesluit op grond van artikel 14, eerste lid, RWN ziet uitsluitend op het Nederlanderschap. Dit betekent dat indien betrokkene, die na deze intrekking niet staatloos is geworden en die op grond van het recht van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, terugkeert naar zijn ‘oude’ namen, in ieder geval (ook na de intrekking bezien) vanaf de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap tot de intrekking daarvan rechtens de namen heeft gedragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.

Wordt het intrekkingbesluit in gevallen als hier bedoeld herroepen of vernietigd, dan herleeft de situatie van vóór de intrekking. Wat betreft de namen betekent dat, dat betrokkene alsdan geacht moet worden sedert de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap rechtens de namen te dragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.

Op 1 januari 2012 is in Europees Nederland de Wet conflictenrecht namen (WCN), die niet van toepassing is in Aruba, vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:18 BW-NL tot en met 10:26 BW-NL van toepassing. Op de vraag hoe de naam luidt na vaststelling van het vaderschap is van toepassing het Arubaans namenrecht, inclusief het Arubaans internationaal privaatrecht. Voor zover genoemd recht niet voorziet in een verwijzingsregel, moet artikel 10:18 BW-NL tot en met 10:26 BW-NL analoog worden toegepast.

Artikel 10:19 BW-NL luidt:

Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)

In geval van verandering van nationaliteit is het recht van de staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing, daaronder begrepen de regels van dat recht betreffende de gevolgen van de nationaliteitsverandering voor de naam.

Met de rijkswet van 6 juli 2016 (Stb. 2016, 281) is het bereik van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, RWN verruimd door toevoeging van het misdrijf agressie zoals omschreven in artikel 8bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120 en Trb. 2011, 73). Bij besluit van 29 mei 2018 is bepaald dat deze wijziging per 1 augustus 2018 in werking treedt (Stb. 2018, 164).

Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:

Op grond van artikel II van de rijkswet van 17 juni 2010 (Stb. 2010, 242) kan alleen een misdrijf als bedoeld in voornoemd artikellid dat is gepleegd ná inwerkingtreding van de wet (dus ná 1 oktober 2010) reden zijn om het Nederlanderschap in te trekken op grond van artikel 14, tweede lid RWN.

De rijkswet van 17 juni 2010 (Stb. 2010, 242) vult regels aan met betrekking tot verlies van het Nederlanderschap. In artikel 14 RWN is toen een lid ingevoegd dat beoogt een bijdrage te leveren in de strijd tegen het internationaal terrorisme. Het betreft een nieuw tweede lid dat intrekking mogelijk maakt van het Nederlanderschap indien sprake is van een veroordeling wegens misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van het Koninkrijk, omdat daardoor de veiligheid van het Koninkrijk bedreigd wordt of kan worden. Deze wijziging in artikel 14 RWN is per 1 oktober 2010 in werking getreden.

Vóór de inwerkingtreding van deze rijkswetwijziging was intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk op grond van veroordelingen voor misdrijven genoemd in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN, indien een persoon deze misdrijven pleegde nadat hij het Nederlanderschap had verkregen en hiervoor was veroordeeld. Intrekking van het Nederlanderschap was vóór de rijkswetswijziging alleen mogelijk als sprake was van misdrijven of (buitenlandse) veroordelingen die een afwijzingsgrond vormen voor optie of naturalisatie en die hadden plaatsgevonden voorafgaand aan de naturalisatie of optie en waren verzwegen in deze procedures. In dat geval kon reeds het Nederlanderschap worden ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid RWN.

Model 1.14. : Verklaring omtrent verblijfstatus en gedrag

Met de rijkswet van 6 juli 2016 (Stb. 2016, 281) is het bereik van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, RWN verruimd door toevoeging van het misdrijf agressie zoals omschreven in artikel 8bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120 en Trb. 2011, 73). Bij besluit van 29 mei 2018 is bepaald dat deze wijziging per 1 augustus 2018 in werking treedt (Stb. 2018, 164).

Op 1 januari 2012 is in Europees Nederland de Wet conflictenrecht namen (WCN), die niet van toepassing is in Aruba, vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:18 BW-NL tot en met 10:26 BW-NL van toepassing. Op de vraag hoe de naam luidt na vaststelling van het vaderschap is van toepassing het Arubaans namenrecht, inclusief het Arubaans internationaal privaatrecht. Voor zover genoemd recht niet voorziet in een verwijzingsregel, moet artikel 10:18 BW-NL tot en met 10:26 BW-NL analoog worden toegepast.

Op grond van artikel II van de rijkswet van 17 juni 2010 (Stb. 2010, 242) kan alleen een misdrijf als bedoeld in voornoemd artikellid dat is gepleegd ná inwerkingtreding van de wet (dus ná 1 oktober 2010) reden zijn om het Nederlanderschap in te trekken op grond van artikel 14, tweede lid RWN.

Artikel II van de rijkswet van 5 maart 2016 (Stb. 2016, 121) bepaalt dat intrekkingvan het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, onderdeel b, wegens een misdrijf als bedoeld in artikel 134a van het Nederlandse wetboek van Strafrecht niet is toegestaan in geval van een veroordeling wegens dit misdrijf, als dit onherroepelijk is geworden voor inwerkingtreding van deze Rijkswet. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap kan plaatsvinden als de veroordeling opgrond van artikel 134a Wetboek van Strafrecht op of na 31 maart 2016 onherroepelijk is geworden.

A is als minderjarige in 2000 medegenaturaliseerd met zijn vader en pleegt op 18-jarige leeftijd in 2009 een moord (artikel 289 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht) met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83 Sr. Hij wordt hiervoor in november 2010 onherroepelijk veroordeeld.

Omdat het hier gaat om een feit dat is gepleegd in 2009 dus vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 oktober 2010 (artikel II van de rijkswet van 17 juni 2010, Stb. 2010, 242), kan wegens dit strafrechtelijk feit met terroristisch oogmerk nooit sprake zijn van intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN. A behoudt dan ook zijn Nederlanderschap.

Een vrouw die naast de Nederlandse nationaliteit een tweede nationaliteit heeft reist in 2014 naar Syrië om zich daar te laten trainen om in Nederland terroristische misdrijven te plegen. Bij terugkeer in Nederland wordt zij vervolgd op grond van artikel 134a van het Nederlandse wetboek van Strafrecht. De vrouw wordt veroordeeld en op 5 april 2016 wordt de veroordeling onherroepelijk. Omdat de veroordeling onherroepelijk is geworden na 30 maart 2016 en de intrekking leidt niet tot staatloosheid kan het Nederlanderschap worden ingetrokken.

Het gaat dus om een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat.

Model 1.15. : Verzoek om naamsvaststelling bij optie

De persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van het tweede lid kan de Nederlandse nationaliteit in beginsel niet herkrijgen (artikel 14, vijfde lid).

De omstandigheid dat deze persoon tot aan het besluit van intrekking Nederlander was en dus oud-Nederlander is, maakt dit niet anders. Door de ontneming van het Nederlanderschap wordt geacht de band met het Koninkrijk definitief te zijn verbroken.

Model 1.16. : Verklaring van naamskeuze door ouders (kind jonger dan 16 jaar)

Model 1.17. : Verklaring van naamskeuze door kind (kind van 16 jaar of ouder)

Model 1.18. : Brief zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (aan minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar)

Hiervan is sprake als de betrokken persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf genoemd in artikel 14 tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN.

Uitgangspunt voor artikel 14, tweede lid, RWN is artikel 7 van het Europese Verdrag inzake Nationaliteit (EVN). Artikel 7, derde lid, EVN beperkt de verliesmogelijkheid door het verlies alleen toe te staan als de betrokken persoon daardoor niet staatloos zal worden. Artikel 14, zesde lid, neemt dit over en bepaalt dat geen verlies van het Nederlanderschap plaatsvindt, als staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. Intrekking van het Nederlanderschap op grond van het tweede lid van artikel 14 RWN is dus niet mogelijk als de betrokken persoon daardoor staatloos wordt. Hij moet dus op het moment van het besluit tot intrekking behalve over de Nederlandse nationaliteit ook over een of meer andere nationaliteit(en) beschikken.

Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van het eerste lid van artikel 14 RWN mag staatloosheid daarentegen wel het gevolg zijn.

Bij de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, is niet van belang op welke wijze het Nederlanderschap is verkregen. Dit kan zijn door naturalisatie en optie, maar ook kan sprake zijn van verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege, bijvoorbeeld vanaf geboorte door afstamming van een Nederlandse vader of moeder op grond van artikel 3, eerste lid, RWN.

Voorts kan het Nederlanderschap, als er aanleiding toe is, van een veroordeelde minderjarige worden ingetrokken. In artikel 14, tweede lid, wordt immers algemeen gesproken over de persoon van wie het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen een minderjarige of een meerderjarige.

De termijn van 12 jaar, als genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap ook mogelijk is, als de betrokken persoon langer dan 12 jaar het Nederlanderschap bezit, bijvoorbeeld vanaf zijn geboorte.

A, van Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, heeft in 1990 door geboorte in Nederland op grond van artikel 3, derde lid RWN (derde generatieartikel) het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Hij pleegt in 2011 een aanslag tegen de troonopvolger (artikel 94 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht). In 2012 wordt A hiervoor onherroepelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het Nederlanderschap van A kan worden ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a RWN, ook al heeft hij het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Van belang is wel dat hij door de intrekking niet staatloos mag worden. De termijn van 12 jaar geldt in dit geval niet, omdat geen sprake is van toepassing van artikel 14, eerste lid RWN waar het gaat om intrekking wegens bedrog in de optie- of naturalisatieprocedure. Daarentegen is sprake van toepassing van artikel 14, tweede lid RWN wegens een onherroepelijke veroordeling wegens staatsondermijnende handelingen.

In titel II (misdrijven tegen de Koninklijke waardigheid) wordt de waardigheid van de personen, die nauw betrokken zijn bij de uitoefening van een Koninklijke functie, bijzondere bescherming verleend. De volgende onherroepelijk veroordeling voor een misdrijf in titel II (waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld) kan leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.

Model 1.19. : Formulier zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

De volgende onherroepelijk veroordelingen voor misdrijven in titel III (waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld) kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.

Model 1.20. : Formulier zienswijze naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar en ouder) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

De bepalingen van deze eerste vier titels van Boek II van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht hebben gemeen dat zij strekken tot bescherming van de (belangen van) de Nederlandse staat en zijn staatsinrichting. De in deze titels vervatte strafbare feiten zullen in de praktijk naar verwachting niet veelvuldig voorkomen.

De bepalingen in titel 1 (misdrijven tegen de veiligheid van de staat) strekken tot bescherming van de Nederlandse Staat en staatsinrichting. De volgende onherroepelijk veroordelingen voor misdrijven in titel I (waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld) kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.

Model 1.21. : Brief verzoek om instemming (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarige(n) van 16 jaar of ouder)

In titel III (misdrijven tegen hoofden van bevriende staten en andere internationaal beschermde personen) worden de belangen van het diplomatieke en consulair verkeer tussen Nederland en andere staten beschermd.

De volgende onherroepelijk veroordelingen voor misdrijven in titel III (waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld) kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.

Titel IV (misdrijven betreffende de uitoefening van staatsplichten en staatsrechten) strekt tot waarborg van de vrijheid van handelen van lichamen en personen die zijn aangewezen bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen, alsmede van de vrijheid en zuiverheid van deze verkiezingen zelf. De volgende onherroepelijk veroordelingen voor misdrijven in titel IV (waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld) kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.

Een man van Nederlandse en Italiaanse nationaliteit (A) heeft in 2011 een aanslag gepleegd op het leven van de minister-president van land X, tijdens diens bezoek aan Nederland. A wordt kort hierop onherroepelijk veroordeeld door de Nederlandse strafrechter op grond van artikel 115 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. Het Nederlanderschap van A kan worden ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a RWN, tenzij het incident reeds heeft geleid tot verlies van de Italiaanse nationaliteit en intrekking leidt tot staatloosheid van betrokkene.

In artikel 83, eerste onderdeel van het Nederlands Wetboek van Strafrecht, is in verband met staatsgevaarlijke misdrijven, ook de ingevolge artikel 96 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht, strafbaar gestelde samenspanning en voorbereiding van de artikelen 92-95a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven, welke genoemd worden in paragraaf 2.1.1, als terroristisch misdrijf aangewezen. Het vermelden van bovengenoemd artikel 122 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht heeft, in relatie tot artikel 121 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht, hetzelfde gevolg.

Tenslotte zijn in artikel 83, eerste onderdeel, van het Nederlands Wetboek van Strafrecht de gemeengevaarlijke misdrijven opgenomen waarop een levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaar is gesteld. Onder de misdrijven genoemd in artikel 83 Sr valt ook het misdrijf van artikel 80, tweede lid, kernenergiewet.

Artikel 14 , tweede lid, aanhef en onder b, bepaalt dat bij de veroordeling op grond van een terroristisch misdrijf het Nederlanderschap kan worden ingetrokken.

In artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht worden de misdrijven opgesomd die, indien zij zijn begaan met een terroristisch oogmerk, gelden als terroristisch misdrijf. Onder een terroristisch oogmerk dient volgens artikel 83a van het Nederlands Wetboek van Strafrecht te worden verstaan: ‘het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.’

Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)

Aangewezen zijn voorts misdrijven waarin een element van geweldpleging dan wel bedreiging met geweld voortkomt (bijvoorbeeld misdrijven genoemd in artikelen 93, 94 95, 95a, en 121 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht hierboven).

In artikel 83, eerste onderdeel van het Nederlands Wetboek van Strafrecht, is in verband met staatsgevaarlijke misdrijven, ook de ingevolge artikel 96 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht, strafbaar gestelde samenspanning en voorbereiding van de artikelen 92-95a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven, welke genoemd worden in paragraaf 2.1.1, als terroristisch misdrijf aangewezen. Het vermelden van bovengenoemd artikel 122 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht heeft, in relatie tot artikel 121 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht, hetzelfde gevolg.

Tenslotte zijn in artikel 83, eerste onderdeel, van het Nederlands Wetboek van Strafrecht de gemeengevaarlijke misdrijven opgenomen waarop een levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaar is gesteld. Onder de misdrijven genoemd in artikel 83 Sr valt ook het misdrijf van artikel 80, tweede lid, kernenergiewet.

A is als minderjarige in 1995 medegenaturaliseerd met zijn Algerijnse vader. Hij bezit zowel de Nederlandse als de Algerijnse nationaliteit. Op 18-jarige leeftijd pleegt A in november 2011 een moord (artikel 289 het Nederlands Wetboek van Strafrecht) met een terroristisch oogmerk. Hij wordt hiervoor in 2012 veroordeeld. Het Nederlanderschap van A kan worden ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN. Door de intrekking wordt A immers niet staatloos, omdat hij ook de Algerijnse nationaliteit bezit.

Een man van Nederlandse en Syrische nationaliteit maakt zich schuldig in 2011 aan het werven van jongeren in Nederland voor de gewapende strijd in het kader van een politieke dan wel religieuze overtuiging. De man wordt hiervoor op grond van artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht in hetzelfde jaar onherroepelijk veroordeeld. Zijn Nederlanderschap kan worden ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN, want hij wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos.

Met ingang van 31 maart 2016 is in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWNartikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap. Artikel 134a WvSr gaat om gevallen waarin sprake is van hulp bij het plegen van terroristische misdrijven of bij de voorbereiding van dergelijke misdrijven. Als sprake is van een onherroepelijk veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan dit leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.

Het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving soortgelijk is aan de misdrijven, bedoeld onder artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a en b, en waartegen de strafwet van de andere drie landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) straf bedreigt. De gestelde straf op het misdrijf bedoeld onder a van acht jaar of meer dient ook in de strafwet van één van de landen van Koninkrijk op acht jaar of meer gesteld te zijn.

Voorts wordt in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, verwezen naar artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht.

Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN.

Een man van Nederlandse en Syrische nationaliteit maakt zich schuldig in 2011 aan het werven van jongeren in Nederland voor de gewapende strijd in het kader van een politieke dan wel religieuze overtuiging. De man wordt hiervoor op grond van artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht in hetzelfde jaar onherroepelijk veroordeeld. Zijn Nederlanderschap kan worden ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN, want hij wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos.

Aangewezen zijn voorts misdrijven waarin een element van geweldpleging dan wel bedreiging met geweld voortkomt (bijvoorbeeld misdrijven genoemd in artikelen 93, 94 95, 95a, en 121 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht hierboven).

Het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving soortgelijk is aan de misdrijven, bedoeld onder artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a en b, en waartegen de strafwet van de andere drie landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) straf bedreigt. De gestelde straf op het misdrijf bedoeld onder a van acht jaar of meer dient ook in de strafwet van één van de landen van Koninkrijk op acht jaar of meer gesteld te zijn.

Het feit dat het aantal misdrijven in artikel 14, tweede lid, is beperkt tot ernstige misdrijven, dat het misdrijf moeten hebben geleid tot een onherroepelijke veroordeling, dat het misdrijf moet zijn gepleegd ná de inwerkingtreding van het intrekkingsartikel artikel 14, tweede lid en (in het geval van veroordeling op grond van artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht) onherroepelijk moet zijn geworden na 30 maart 2016 en de omstandigheid dat het Nederlanderschap niet wordt ingetrokken indien de betrokken persoon staatloos wordt, brengen mee dat sprake is van een meer door de wetgever bepaald kader waarbinnen de intrekking ex artikel 14, tweede lid RWN plaats heeft dan bij een intrekking ex artikel 14, eerste lid. Het kader om tot intrekking over te gaan, geeft bij het tweede lid minder discretionaire ruimte aan de Minister dan dat bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste lid.

De rechtsorde van het Koninkrijk is onlosmakelijk verbonden met de internationale rechtsorde. Een veroordeling voor een misdrijf dat een ernstige schending vormt van de internationale rechtsorde wordt beschouwd als een ernstige schending van de essentiële belangen van het Koninkrijk (TK 31 813 (R1873)), nr. 27 vierde nota van wijziging).

Een onherroepelijke veroordeling in zowel het Koninkrijk als het buitenland voor een misdrijf omschreven in artikelen 6 (genocide), 7 (misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder foltering), 8 (oorlogsmisdrijven, waaronder foltering) en 8 bis (agressie) van het op 17 juli 1998 tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof kan leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)