Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba
De vrouw die het Nederlanderschap heeft verloren door of in verband met haar vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet gesloten huwelijk, verkrijgt het Nederlanderschap door het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke en door een bevestiging gevolgde optieverklaring, welke moet worden afgelegd binnen een jaar na de ontbinding van dat huwelijk of binnen een jaar nadat zij van die ontbinding heeft kunnen kennis nemen. Deze verkrijging van het Nederlanderschap werkt terug tot de datum van ontbinding van het huwelijk.
Artikel 28 RWN geeft een vrouw die het Nederlanderschap heeft verloren door of in verband met haar vóór 1 januari 1985 gesloten huwelijk de mogelijkheid het Nederlanderschap te herkrijgen door het uitbrengen van een optieverklaring.
De Nederlandse nationaliteit wordt verkregen indien de Gouverneur de optieverklaring heeft bevestigd. De Gouverneur dient de bevestiging te weigeren indien er op grond van het gedrag van de optante ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Dit volgt uit artikel 28, tweede lid, RWN, waar onder meer artikel 6, vierde lid, RWN van overeenkomstige toepassing is verklaard. Het openbare orde vereiste van artikel 6, vierde lid, RWN geldt dan ook onverkort voor de persoon die opteert op grond van het onderhavige artikel.
Bij de woorden ‘door of in verband met haar (...) huwelijk’ moet niet alleen worden gedacht aan het verlies van de Nederlandse nationaliteit van rechtswege door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander (situatie van vóór 1 maart 1964). Hieronder valt ook de situatie dat de vrouw in verband met het huwelijk (dus niet na ontbinding van dat huwelijk) vrijwillig de nationaliteit van haar echtgenoot heeft aangenomen of dat zij samen met hem een andere nationaliteit heeft aangenomen (de vrouw en haar echtgenoot hebben bijvoorbeeld tegelijkertijd een andere nationaliteit aangevraagd en verkregen).
Kinderen geboren na de datum van ontbinding van het huwelijk maar vóór de datum van de optie verkrijgen van rechtswege de Nederlandse nationaliteit. Achteraf bezien zijn zij immers geboren uit een Nederlandse moeder en verkrijgen zij het Nederlanderschap op grond van artikel 3, eerste lid, RWN. Van delen in de zin van het derde lid is in deze gevallen geen sprake. Van deze verkrijging van rechtswege is óók sprake indien de kinderen niet in de optieverklaring en dientengevolge niet in de daarop volgende bevestiging worden vermeld.
Model 3.2. : Verklaring van afstand van het Nederlanderschap (geldig vanaf 1 maart 2009)
Model 4.1. : Verklaring van verbondenheid
Bijlage 3
Model 3.3. : Bevestiging van het afleggen van een verklaring van afstand van het Nederlanderschap (geldig vanaf 1 maart 2009) (artikel 63, derde lid Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
De moeder of adoptiefmoeder dient de minderjarige kinderen en kindskinderen die zij in de optie wenst te betrekken in de optieverklaring te vermelden. Zij verstrekt over hen, voor zoveel mogelijk, de benodigde gegevens (zie artikel 6, tweede lid, BVVN). Zo zal uit de over te leggen stukken onder meer de identiteit van de optante en de minderjarige (kinds)kinderen én de familierechtelijke relatie tussen (adoptief)moeder en (kinds)kinderen moeten blijken (zie de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN). Een kind dat niet uitdrukkelijk in de optieverklaring is vermeld, zal ook niet worden vermeld op de bevestiging en heeft derhalve niet gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap. N.B. Zoals reeds vermeld in de toelichting bij artikel 28, eerste lid, RWN kunnen er ook kinderen zijn die – als gevolg van de terugwerkende kracht van de verkrijging tot de datum van ontbinding van het huwelijk – het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van artikel 3, eerste lid, RWN.
‘Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, deelt in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, de in het tweede lid van artikel 6 bedoelde bereidverklaring aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als bedoeld in het vierde lid van dat artikel. Het besluit tot bevestiging wordt met betrekking tot hem niet bekendgemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.’
Kinderen van zestien jaar en ouder worden geacht voldoende inzicht te hebben om zelf te kunnen beslissen over de vraag of ze de Nederlandse nationaliteit willen verkrijgen. Om die reden is in het derde lid opgenomen dat een kind alleen deelt in de verkrijging van het Nederlanderschap indien het daar uitdrukkelijk mee instemt. Ingevolge artikel 6, derde lid, BVVN in samenhang met artikel 3 BVVN dient het kind van zestien jaar of ouder in beginsel in persoon bij de daartoe bevoegde autoriteit te verklaren in te stemmen met de verkrijging. Hiervan kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken in die zin dat de verklaring in dat geval kan worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon of de wettelijk vertegenwoordiger (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN). Over de identiteit van het kind, diens gemachtigde of de wettelijk vertegenwoordiger dient voldoende zekerheid te bestaan (zie artikel 3, tweede lid, BVVN).
Ook bij kinderen vanaf zestien jaar wordt de wettelijk vertegenwoordiger op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen omtrent de medeverkrijging. Zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
Ingevolge onderhavig artikellid moet het kind dat ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen (model 1.36). In de regel zal tijdens de naturalisatieceremonie de (mede-)optant die de bereidverklaring afgegeven heeft, de verklaring van verbondenheid moeten afleggen voordat aan hem de optiebevestiging wordt uitgereikt (zie de toelichting bij de artikelen 6, 7 en 8 RWN.)
Uit de tekst van dit artikellid volgt dat het vereiste van uitdrukkelijke instemming van het minderjarige kind en de bereidverklaring tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid slechts geldt indien het een kind betreft dat op het moment van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is. Als het kind in de loop van de optieprocedure zestien jaar of ouder wordt, hoeft het zich niet alsnog bereid te verklaren om de verklaring van verbondenheid af te leggen en hoeft het niet alsnog uitdrukkelijk in te stemmen voordat het kan delen in de verkrijging van het Nederlanderschap. Als dit kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent medeverkrijging van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind heeft daarbij te kennen gegeven geen prijs te stellen op medeverkrijging, dan wordt de bevestiging van het Nederlanderschap ten aanzien van dit kind geweigerd. De bevestiging wordt ten aanzien van het kind ook geweigerd indien het zich niet bereid verklaart om bij de verkrijging van het Nederlanderschap de verklaring van verbondenheid af te leggen.
Uit de tekst van dit artikellid vloeit ook voort dat het vereiste dat jegens het minderjarige kind op grond van zijn gedrag geen ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk alleen geldt, indien het kind op het moment van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is. Is het kind op dat moment jonger dan zestien jaar, dan kan de medeverkrijging van het Nederlanderschap op die grond niet worden geweigerd. Dit geldt ook indien het kind op het moment van de bevestiging inmiddels zestien jaar oud is.
Een kind dat weliswaar in de optieverklaring van de (adoptief)moeder wordt vermeld, maar dat tussen het moment van de optieverklaring en het moment van de bevestiging van de verklaring meerderjarig is geworden, deelt niet in de verkrijging van het Nederlanderschap. Het Nederlanderschap wordt ingevolge het eerste lid immers verkregen indien de optieverklaring door een bevestiging is gevolgd. Indien het (adoptief)kind van de optante op het moment van de bevestiging meerderjarig is, kan geen sprake meer zijn van medeverkrijging. Het kind dat om deze reden niet heeft meegedeeld in de verkrijging kan, mits wordt voldaan aan de aldaar gestelde vereisten, genaturaliseerd worden met toepassing van artikel 11, vijfde lid, RWN.
Het minderjarige kind dat niet uitdrukkelijk is vermeld in de optieverklaring zal – zoals hierboven reeds is vermeld – logischerwijs ook niet worden vermeld op de bevestiging en deelt dus niet in de verkrijging van het Nederlanderschap. Het minderjarige kind dat met het oog op medeverkrijging van het Nederlanderschap wél in de optieverklaring wordt vermeld, maar dat op het moment van de bevestiging niet voldoet aan de voorwaarden (bijvoorbeeld vanwege het bereiken van de meerderjarigheid), zal evenmin worden vermeld op de bevestiging. De medeverkrijging zal dan separaat schriftelijk door de Gouverneur worden geweigerd (zie de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN). De schriftelijke weigering van de Gouverneur is een beschikking in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (LAR), waartegen op de gebruikelijke wijze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
Ingevolge onderhavig artikellid moet het kind dat ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen (model 1.36). In de regel zal tijdens de naturalisatieceremonie de (mede-)optant die de bereidverklaring afgegeven heeft, de verklaring van verbondenheid moeten afleggen voordat aan hem de optiebevestiging wordt uitgereikt (zie de toelichting bij de artikelen 6, 7 en 8 RWN.)
Model 2.27
RvvN: artikel 14.3
Indien vóór inwerkingtreding van artikel 14, eerste lid, RWN (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt artikel II RRWN.Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
Bijlage 4
Model 2.30. : Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid
RWN: artikelen 1, 6, 8, 10, 11, 26 en 28
Model 3.1. : Verklaring omtrent bezit van het Nederlanderschap (artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap; artikel 61, eerste lid onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
WNI: artikel 2.a
Paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
Bijlage 1. : tabel oproepen en uitreiken
8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c
Paragraaf 2. Toelating op grond van de LTU
Paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
8-alg. Toelichting algemeen
paragraaf 2.2.3. Het certificaat bij gedeeltelijke vrijstelling
Paragraaf 2.2. Toelating tot verblijf bij vergunning verleend
Paragraaf 2. Toelating op grond van de LTU
Paragraaf 2.1. Van rechtswege toelating tot verblijf:
paragraaf 2.3. Ontheffing van de naturalisatietoets
Paragraaf 3.2. De vergunning tot tijdelijk verblijf (vttv)
2.3.2.2. Te volgen procedure bij de Gouverneur
paragraaf 2.3.2. Beleid en procedure bij beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te halen
2.3.2.2. Te volgen procedure bij de Gouverneur
Artikel 9
Paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Paragraaf 4.11. Schadevergoeding
Paragraaf 2. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de LTUV kan worden ingetrokken
Paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Paragraaf 4.5. Taakstraffen
Paragraaf 4.6. Buitenlandse feiten
Paragraaf 4.12. Gratie
Paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c
Paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Artikel 10
Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
Paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
Paragraaf 2.4. Niet bijzondere gevallen
Paragraaf 2.1. Koninkrijks c.q. Arubaans belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
Paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
Paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
11-3. Toelichting ad artikel 11, derde lid
Paragraaf 3. Topsporters
9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c
9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
Paragraaf 1. Toelating en hoofdverblijf
Paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
Paragraaf 2.1. Koninkrijks c.q. Arubaans belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
Paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
Paragraaf 5. Verklaring van verbondenheid
11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
Paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
12-1. Toelichting ad artikel 12, eerste lid
Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
2.5. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
Paragraaf 2.3. Belangenafweging
Paragraaf 2.3. Belangenafweging
2.5.2. Bewijslast
2.5.2. Bewijslast
Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap
Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
Paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
Paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
Paragraaf 2.1.2.3. Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN
2.4.1. Rechten Unieburgerschap
2.4.3. Individueel belang
14-3. Toelichting ad artikel 14, derde lid
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
Paragraaf 1. Algemeen
2.2.2. Bewijslast
2.2.1. Rechten Unieburgerschap
2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
2.2.4. Algemeen belang
14-4. Toelichting ad artikel 14, vierde lid
2.2.6. Weging belangen
14-4. Toelichting ad artikel 14, vierde lid
Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
2.2.3. Individueel belang
Paragraaf 2.1. Belangenafweging
Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
2.2.3. Individueel belang
Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
14-5. Toelichting ad artikel 14, vijfde lid
Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
16-alg. Toelichting algemeen
16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 14, zesde lid
Bijlage 1
Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.2. HRWN-A: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)
Model 1.2. HRWN-A: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)
Model 1.3. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Model 1.2. HRWN-A: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)
Model 1.9. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.14. HRWN-A: Verklaring verblijf en gedrag
Model 1.21. : Brief verzoek om instemming (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarige(n) van 16 jaar of ouder)
Model 1.5. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.7. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN
Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)
Model 1.8. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN
Model 1.2. HRWN-A: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)
Model 1.17. HRWN-A: Verklaring naamskeuze door kind (voor kind van 16 jaar en ouder)
Model 1.8. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN
Model 1.12. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.6. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.6. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.5. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.2. HRWN-A: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)
Bijlage 3
Model 1.4. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)
Model 1.3. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Model 1.21. : Brief verzoek om instemming (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarige(n) van 16 jaar of ouder)
Model 1.29. : Verzoek om bericht van de Korpschef
Model 1.17. HRWN-A: Verklaring naamskeuze door kind (voor kind van 16 jaar en ouder)
Model 1.3. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
Model 1.6. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.27. : Besluit tot ontheffing betaling optiegelden
Model 1.15. HRWN-A: Verzoek om naamsvaststelling bij optie
RWN: artikelen 6.2; 8; 9.1b; 14.1; 15.1d en 28
Model 1.26. HRWN-A: Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden
Ten aanzien van personen woonachtig in Aruba berust het optieregister bij: het kabinet van de Gouverneur.
Model 1.39. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j, RWN
Model 1.36. : Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid
Wanneer betrokkene ervoor kiest de andere (neutrale) verklaring van verbondenheid te bevestigen met de tweede mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden:
Model 1.37. : Optieverklaring op grond van artikel II, eerste lid rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270) (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.39. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j, RWN
Model 1.42. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l, RWN
Model 1.50. : Model verzoek tot advies op grond van artikel 6a, vierde lid, RWN
Model 2.6 HRWN-A: Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie
Model 2.13. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)
Model 2.13. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)
Model 3.1. : Verklaring omtrent bezit van het Nederlanderschap (artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap; artikel 61, eerste lid onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
Model 3.2. : Verklaring van afstand van het Nederlanderschap (geldig vanaf 1 maart 2009)
Bijlage 3
Model 3.1. : Verklaring omtrent bezit van het Nederlanderschap (artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap; artikel 61, eerste lid onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)
Bijlage 4
Model 2.19. : Verzoek om bericht van de Korpschef
Paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
Paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
Paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
Paragraaf 2. Toelating op grond van de LTU
paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2. Procedure
8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
Artikel 9
paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase
paragraaf 2.3. Ontheffing van de naturalisatietoets
paragraaf 2.3. Ontheffing van de naturalisatietoets
8-1-e. Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e
Paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Paragraaf 4.2. Transacties
Paragraaf 4.7. Jeugdigen
Paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
Paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
Paragraaf 7.1. Verklaring verblijf en gedrag
Paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen
Paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
Paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
Paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
Artikel 10
9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
Paragraaf 3.1. Advisering
Paragraaf 3. Topsporters
Paragraaf 3.1. Advisering
11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
Paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
Artikel 13
14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
2.5.3. Individueel belang
Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingbesluit
Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
Paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid
Paragraaf 1.4. Evenredigheidstoets bij automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit en van het Unieburgerschap1Burger van de Europese Unie is een ieder die de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit. Het burgerschap van de Europese Unie geldt naast het nationale burgerschap.
Paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
Paragraaf 2.1.2.3. Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
15-alg. Toelichting Algemeen
2.4.4. Algemeen belang
2.4.3. Individueel belang
2.2.4. Algemeen belang
2.2.2. Bewijslast
2.2.4. Algemeen belang
Paragraaf 2.1. Belangenafweging
2.2.6. Weging belangen
Paragraaf 2.1. Belangenafweging
2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
Paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
Paragraaf 2.2. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Artikel 16
Artikel 15
14-8. Toelichting ad artikel 14, achtste lid
Bijlage 1
Model 1.6. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, RWN(afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.4. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.5. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.3. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Model 1.8. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN
Model 1.9. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.14-1b. HRWN-A: Verklaring in verband met verlies van de Egyptische, Oostenrijkse of Zuid-Afrikaanse nationaliteit
Model 1.19. HRWN-A: Formulier zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap voor minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar (als minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 1.27. : Besluit tot ontheffing betaling optiegelden
Model 1.24. HRWN-A: Formulier zienswijze andere ouder / wettelijk vertegenwoordiger over naamsvaststelling kind(eren)
Model 1.4. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.1. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN
Model 1.3. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Model 1.3. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Model 1.6. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.2. HRWN-A: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)
Bijlage 2
Model 1.5. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.12. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.19. HRWN-A: Formulier zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap voor minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar (als minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 1.8. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN
Model 1.26. HRWN-A: Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden
Model 1.29. : Verzoek om bericht van de Korpschef
Model 1.28. HRWN-A: Afwijzing ontheffing optiegelden
Model 1.38. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i, RWN
Model 1.47. HRWN-A: Optieverklaring minderjarige op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.47. HRWN-A: Optieverklaring minderjarige op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.43. HRWN-A: Optieverklaring minderjarige op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.49. HRWN-A: Optieverklaring minderjarige op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.53. HRWN-A: Advies Immigratie- en Naturalisatiedienst Europese deel Nederland over evenredigheid verlies Unieburgerschap
Model 2.8. HRWN-A: Verklaring ‘Ingelicht over betaling van naturalisatiegelden’ tevens inverzuimstelling;
Model 2.14 HRWN-A: Formulier zienswijze andere ouder / wettelijk vertegenwoordiger over medeverlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)
Model 2.25. HRWN-A: Afwijzing ontheffing naturalisatiegelden
De optieverklaring moet schriftelijk worden afgelegd bij een daartoe bevoegde autoriteit binnen een jaar nadat het huwelijk is ontbonden of binnen een jaar nadat de vrouw van de ontbinding van het huwelijk op de hoogte is gekomen. In Aruba is de Gouverneur de bevoegde autoriteit om de verklaring in ontvangst te nemen. In Nederland is de burgemeester daartoe bevoegd, in Curaçao en Sint Maarten de gezaghebber (artikel 2 BVVN) en in het buitenland het hoofd van de diplomatieke of consulaire post. De verklaring moet in persoon worden afgelegd (zie artikel 2, tweede lid, RWN en artikel 3, eerste lid, BVVN).
Model 2.29a. : Terugmeldformulier Naturalisatie – verzoek om medenaturalisatie
Model 2.30. : Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid
Model 4.1. : Verklaring van verbondenheid
Model 2.29a. : Terugmeldformulier Naturalisatie – verzoek om medenaturalisatie
Bijlage 3
‘Kinderen van een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging.’
Model 2.24. : Besluit tot ontheffing betaling naturalisatiegelden
Bijlage 4
Model 2.29. : Terugmeldformulier Naturalisatie – zelfstandig naturalisatieverzoek
Model 2.30. : Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid
Op grond van artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen, in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk.
Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat voor wat betreft de vermelding van de geboortedatum in de optieverklaring dan wel het koninklijk besluit de vermelding in de PIVA leidend is. Dit betekent dat indien in de PIVA alleen het geboortejaar wordt vermeld, in de bevestiging of het koninklijk besluit ook uitsluitend het geboortejaar wordt opgenomen.
Een minderjarige staat volgens Nederlands recht in familierechtelijke betrekking met één ouder dan wel in familierechtelijke betrekkingen met twee ouders. Het begrip ‘familierechtelijke betrekking’ doelt slechts op de familierechtelijke band, en dat is de juridische afstammingsrelatie (juridische afstammingsband) met de ouder (zie artikelen 1:197-1:199 BW/BW-A). Andere juridische aspecten van ouderschap, zoals namenrecht, erfrecht, onderhoudsverplichting, gezagsrecht etc, vallen niet onder het begrip ‘familierechtelijke betrekking’.
Personen die, met inachtneming van de betreffende nationaliteitswetgeving, werkelijk door geen enkel land als onderdaan worden aangemerkt, zijn staatloos in de zin van de RWN. Hiermee is de definitie van het begrip ‘staatloze’ in overeenstemming met de definitie in artikel 1 van het Verdrag van New York van 28 september 1954, betreffende de status van staatlozen (Trb. 1957, 22).
Uit de formulering van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN volgt dat toelating alleen van toepassing is op een vreemdeling. Dat betekent dat perioden waarin een optant of verzoeker Nederlander was, niet meetellen bij de berekening van de periode van toelating, en dat met een eventuele verkrijging van het Nederlanderschap de periode van toelating eindigt.
Instemming door het bevoegd gezag houdt in dat een daartoe strekkend besluit inhoudende de verstrekking van een verblijfsrecht van een bevoegde overheidsinstantie vereist is. Uit artikel 7 en artikel 7a LTUV volgt dat een vergunning tot tijdelijk verblijf (vttv) en de vergunning tot verblijf worden verleend namens de minister, belast met vreemdelingenzaken.
Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en artikel 11, tweede tot en met vijfde lid en zevende lid, RWN moet de vreemdeling ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in Aruba hebben. Dit betekent dat de vreemdeling (niet-Nederlander) in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter. In de Arubaanse situatie betekent dit concreet dat een vreemdeling verblijfsrecht heeft in Aruba op grond van de LTUV.
Paragraaf 4. Toelating minderjarigen
De Departamento di Integracion Maneho y Admision di Stranhero (DIMAS) hanteert ten aanzien van verblijfsgaten het volgende beleid. Met betrekking tot aanvragen om een vttv ingediend na de datum van afloop van de voorafgaande vttv, moet een onderscheid worden gemaakt in de aanvragen van vóór 1 juli 2006 en aanvragen van na 1 juli 2006.
Aanvragen vóór 1 juli 2006
1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h
Paragraaf 5.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating
De vraag welke plaats als het hoofdverblijf van een persoon moet worden aangemerkt is een feitelijke, die aan de hand van verschillende factoren van feitelijke aard wordt beantwoord. Met de wil van de persoon wordt slechts rekening gehouden, voor zover deze blijkt uit zijn gedragingen.
1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid
Indicaties voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Aruba zijn onder meer:
Artikel 2
Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap, die niet van toepassing is in Aruba, vervallen. Vanaf die datum is in Europees Nederland artikel 10:60 BW-NL tot en met artikel 10:91 BW-NL van toepassing. Artikel 10:91 BW-NL bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10-60 BW-NL tot en met artikel 10:91 BW-NL van toepassing is op geregistreerde partnerschappen die vanaf 1 januari 2005 zijn aangegaan.
Artikel 2
HKV 1961: artikel 3
2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid
Zoals blijkt uit de woorden ‘Tenzij de wet anders bepaalt’ kan de wet uitzonderingen maken op dit beginsel. Dit is geschied in artikel 14, eerste lid, RWN (verlies door intrekking heeft terugwerkende kracht), artikel 28, eerste lid, RWN (verkrijging werkt terug tot datum ontbinding van het huwelijk) en de overgangsbepaling artikel V, eerste lid, RRWN (herkrijging werkt terug tot datum intreden verlies). De terugwerkende kracht van het verlies wordt overigens weer beperkt in overgangsbepaling artikel II, eerste lid, RRWN (intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN werkt slechts terug tot inwerkingtreding RRWN).
Paragraaf 1. Algemeen
De meerderjarige optant, verzoeker om naturalisatie of persoon die afstand van het Nederlanderschap wenst te doen, zal ingevolge dit artikellid in beginsel in persoon dienen te verschijnen.
Paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger
In dit artikellid is het beginsel neergelegd dat minderjarigen bij het afleggen van optieverklaringen, verklaringen van afstand van het Nederlanderschap en het indienen van verzoeken om naturalisatie moeten zijn vertegenwoordigd door hun wettelijk vertegenwoordiger, tenzij dit anders is bepaald (zie ook artikel 3, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid en artikel 16, eerste lid RWN). Ook de wettelijk vertegenwoordiger zal in beginsel in persoon dienen te verschijnen teneinde zoveel mogelijk zekerheid te verschaffen over zijn identiteit (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, tweede lid, BVVN).
2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid
Indien het kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt bedenkingen heeft tegen de verkrijging of medeverkrijging, of tegen de verlening of medeverlening, of indien zowel het kind als zijn wettelijk vertegenwoordiger of de in dit lid bedoelde andere ouder bedenkingen hebben tegen de medeverkrijging of medeverlening, deelt het kind daarin niet.****
2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid
Indien een kind ten tijde van het afleggen van een optieverklaring of het indienen van een naturalisatieverzoek nog geen zestien jaar oud is, maar in de loop van de procedure zestien jaar of ouder wordt, hoeft het niet alsnog een instemmingverklaring af te leggen alvorens het Nederlanderschap kan worden verkregen. Als uit het dossier blijkt dat een kind zich voor zijn zestiende jaar schriftelijk heeft uitgesproken tegen de (mede)verkrijging of (mede)verlening, dan geldt dit nadat het zestien jaar is geworden als het ontbreken van instemming. De bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap wordt in dat geval ten aanzien van dit kind geweigerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft).
Artikel 3
In het geval dat die zwaarwegende redenen aanwezig zijn en het kind derhalve niet in persoon kan verschijnen, kan de instemmingverklaring worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de gemachtigde en het kind wiens nationaliteit in het geding is (artikel 3, tweede lid, BVVN). De gemachtigde dient in persoon te verschijnen en verschaft de nodige zekerheid over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend te zijn door het kind wiens verschijning in persoon is vereist. De gemachtigde dient ter identificatie een geldig buitenlands reisdocument van het kind te overleggen17Zie de toelichting op artikel 6, par. 2.2.5.2. (en tevens de andere gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het geval). In voorkomende gevallen kan de Gouverneur verlangen dat wordt overgegaan tot het bezoeken van het kind om in persoon een instemmingverklaring en de overige voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
Artikel 3
De verklaring van verbondenheid wordt ook door de minderjarige van zestien jaar en ouder zelfstandig afgelegd. Vanwege het persoonlijke karakter van de verklaring kan de minderjarige hierin niet worden vertegenwoordigd.
3-1. Toelichting ad artikel 3, eerste lid
Indien in laatstbedoeld geval de Nederlandse erkenner bij de geboorte van het kind in leven is, verkrijgt het kind uiteraard ook het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN, omdat dan sprake is van een kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader Nederlander is.
3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid
Artikel 4
4-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 1. Algemeen
4-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 4. Kind, verblijvend in Aruba, geboren op of na vóór 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
Paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
Paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na vóór 1 januari 1985, vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)
4-2. Toelichting ad artikel 4, tweede lid
4-2. Toelichting ad artikel 4, tweede lid
Artikel 5
5-alg. Toelichting algemeen
Artikel 5a
Artikel 5
Uit het rapport van een laboratorium dient te blijken dat het laboratorium geaccrediteerd is conform
Artikel 5a
5a-alg. Toelichting algemeen
Artikel 5a
5a-alg. Toelichting algemeen
Artikel 6
Artikel 5c
BW: artikelen 1:5; 1:253aa; 1:253sa en 1:253t
6-alg. Toelichting algemeen
6-1-a. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a
artikelen 1 en 12 Verdrag van New York ter beperking der staatloosheid;
Paragraaf 1. Algemeen
Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is geboren, aldaar gedurende een onafgebroken periode van tenminste drie jaren toelating en hoofdverblijf heeft en sedert zijn geboorte staatloos is.
6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
Paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003
1. Algemeen
6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f
Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de meerderjarige vreemdeling die te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten en in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba tenminste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft tenzij hij het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, onder d of e.
2. Oud-Nederlander of oud-Nederlands onderdaan-niet-Nederlander
6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h
6-1-i. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i
1.1. Geboorte vóór 1 januari 1985
1.2.1.2. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964
Paragraaf 1.2.1.1. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode tot 1 maart 1964
1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid
1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid
1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met de Nederlandse nationaliteit
1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid
1.6. Vereiste documenten
1.2. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI
1.3. Vereiste documenten
6-1-k. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k
Let op: in principe kan op grond van artikel 6, achtste lid, RWN een minderjarig kind delen in de optie van de ouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i en j, RWN, indien hij toelating en hoofdverblijf heeft in een land van het Koninkrijk.
6-1-l. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l
1. Algemeen
6-1-l. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l
1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zeven jaar of ouder
1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner
1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
1.4. Vereiste documenten
6-1-n. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n
1. Algemeen
6-1-n. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n
1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling vaderschap
1. Algemeen
1.1. Afstamming door adoptie binnen het Koninkrijk van een minderjarige
1.3. Vereiste documenten
2.3. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
3.2. Bewijslast
Paragraaf 2. Procedure
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)